Grondeleenden onderscheiden zich onder meer van andere eenden doordat ze hun voedsel meestal aan het oppervlak van ondiep water zoeken of daaronder, door middel van grondelen. Daarbij steekt het achterlichaam rechtop uit het water en bevinden kop en hals zich onder water. Duiken doen ze weinig. Ze vliegen moeiteloos zonder aanloop uit het water op. Duikeenden zoeken hun voedsel, zoals hun naam al zegt, voornamelijk duikend onder water. Ze grondelen dus zelden. Daarom is hun lichaam gedrongener dan dat van grondeleenden. Ook hebben duikeenden weinig drijfvermogen en liggen ze daardoor diep in het water.
Foto’s © Jan Dolphijn
IJseend
[LAT] Clangula hyemalis |
[UK] Long-tailed Duck |
[FR] Harelde boréale |
[DE] Eisente |
[ES] Pato havelda |
[NL] IJseend




De ijseend (Clangula hyemalis) is een karakteristieke zeeeend van het hoge noorden. Hij broedt op toendra-meren en ondiepe plassen in arctische gebieden en is (deels) trekvogel: veel vogels overwinteren op zee, vooral in de Oostzee, terwijl een deel van de IJslandse populatie ’s winters langs de kust blijft of uitwijkt naar Zuid-Groenland. Buiten de broedtijd leeft de ijseend vooral op (beschut) kustwater en ook op open zee boven zandige bodems. Het mannetje is in broedkleed opvallend met een lange zwarte staartpluim, witte buik en stuit en contrastrijke zwart-witte koptekening; vrouwtjes en jonge vogels zijn grijzer met lichte kop en donkere vlakken. Ijseenden zijn uitstekende duikers: ze zoeken hun voedsel onder water, vooral mosselen en kreeftachtigen, en in de zomer ook waterinsecten en andere kleine waterdieren. Het nest ligt op de grond dicht bij water, goed verborgen, met veel dons; het vrouwtje broedt meestal 6–11 eieren uit en leidt de kuikens, die al snel goed kunnen zwemmen en duiken. Status: Niet bedreigd (LC).
Brilduiker
[LAT] Bucephala clangula |
[UK] Common Goldeneye |
[FR] Garrot à œil d’or |
[DE] Schellente |
[ES] Porrón osculado |
[NL] Brilduiker








De brilduiker (Bucephala clangula) is een stevige duikeend van de noordelijke taiga, die in Europa vaak ’s winters opduikt op Oostzee, Noordzee en grotere meren. Het is een gedeeltelijke trekvogel: sommige vogels blijven jaarrond in Noordwest-Europa, andere trekken zuidwaarts tot onder meer het Middellandse Zeegebied. In de winter zit hij op diepe meren, rivieren, estuaria en beschutte zeebaaien; in de broedtijd vooral bij bosmeren.
Herkenning is relatief makkelijk: het mannetje heeft een glanzend groen-zwarte kop met felgele iris en een witte ronde wangvlek, plus een zwart-wit lichaam. Vrouwtjes hebben een chocoladebruine kop, grijs lichaam en vaak een subtiele lichte halsband. In vlucht vallen de compacte groepjes en het fluitende vleugelgeluid op. De brilduiker duikt naar insectenlarven, kreeftachtigen en andere waterdieren, en aan de kust ook mosselen en soms kleine vis. Bijzonder: hij broedt in boomholtes (of nestkasten) en gebruikt vaak jarenlang dezelfde plek; een legsel telt gemiddeld rond de 9 eieren. Status: Niet bedreigd (LC).
Herkenning is relatief makkelijk: het mannetje heeft een glanzend groen-zwarte kop met felgele iris en een witte ronde wangvlek, plus een zwart-wit lichaam. Vrouwtjes hebben een chocoladebruine kop, grijs lichaam en vaak een subtiele lichte halsband. In vlucht vallen de compacte groepjes en het fluitende vleugelgeluid op. De brilduiker duikt naar insectenlarven, kreeftachtigen en andere waterdieren, en aan de kust ook mosselen en soms kleine vis. Bijzonder: hij broedt in boomholtes (of nestkasten) en gebruikt vaak jarenlang dezelfde plek; een legsel telt gemiddeld rond de 9 eieren. Status: Niet bedreigd (LC).
Kuifeend
[latin] Aythya fuligula | [authority] Linnaeus, 1758 | [UK] Tufted Duck | [FR] Fuligule morillon | [DE] Reiherente | [ES] Porron Monudo | [NL] Kuifeend



De kuifeend (Aythya fuligula) is een algemene duikeend die in grote delen van Eurazië broedt en in de winter veel voorkomt in Nederland, rond de Oostzee en op grote meren in Centraal-Europa. Het is een gedeeltelijke trekvogel: in Noord- en Oost-Europa trekken veel vogels zuidwaarts (o.a. naar het Middellandse Zeegebied en Noord-Afrika), terwijl een deel dichter bij het broedgebied blijft overwinteren.
Je ziet kuifeenden op meren, plassen, moerassen en beschutte kustwateren, liefst waar veel waterplanten en dekking is. Het mannetje is zwart-wit met een opvallende kuif achter op het hoofd; het vrouwtje is donkerbruin met een kleinere kuif en vaak een lichte vlek bij de snavelbasis. Kuifeenden duiken naar zaden, wortels en knoppen van waterplanten, maar eten ook mosseltjes, slakken, insectenlarven en soms kleine vis of amfibieën. Ze broeden dicht bij water, goed verborgen in riet, gras of onder struiken; een legsel telt gemiddeld rond 9 eieren. Status: Niet bedreigd (LC).
Je ziet kuifeenden op meren, plassen, moerassen en beschutte kustwateren, liefst waar veel waterplanten en dekking is. Het mannetje is zwart-wit met een opvallende kuif achter op het hoofd; het vrouwtje is donkerbruin met een kleinere kuif en vaak een lichte vlek bij de snavelbasis. Kuifeenden duiken naar zaden, wortels en knoppen van waterplanten, maar eten ook mosseltjes, slakken, insectenlarven en soms kleine vis of amfibieën. Ze broeden dicht bij water, goed verborgen in riet, gras of onder struiken; een legsel telt gemiddeld rond 9 eieren. Status: Niet bedreigd (LC).
Toppereend
[latin] Aythya marila | [authority] Linnaeus, 1761 | [UK] Greater Scaup | [FR] Fuligule milouinan | [DE] Bergente | [ES] Porron Bastardo | [NL] Toppereend



De toppereend (Aythya marila) is een noordelijke duikeend die broedt op natte toendra en moerassige gebieden in het hoge noorden. In de winter trekt hij naar kustwateren en grote meren, met belangrijke wintergebieden in Noordwest-Europa (o.a. Noordzee en Oostzee) en verder o.a. richting Zwarte Zee en Oost-Azië. Mannetjes blijven daarbij vaak noordelijker dan vrouwtjes en jonge vogels.
Je ziet toppereenden vooral op open, vaak wat ruiger kustwater: baaien, lagunes en estuaria, maar ook soms op grote binnenmeren.
Het mannetje is herkenbaar aan witte flanken, zwarte borst en stuit en een grijs “gebandeerde” rug met een donker, groenig glanzende kop; de snavel is licht met een donkere nagel. Het vrouwtje is bruin met vaak een lichte vlek bij de snavelbasis. Ze foerageren duikend en eten vooral mosselen en andere weekdieren, aangevuld met plantmateriaal en in de zomer ook insecten en kreeftachtigen. De soort broedt dicht bij water op eilandjes, oevers of drijvende vegetatie, soms los in kleine kolonies. Het vrouwtje legt meestal 6–9 eieren en broedt die alleen uit; de kuikens gaan snel het water op, maar vliegen pas na ongeveer 6 weken. Status: Niet bedreigd (LC).
Je ziet toppereenden vooral op open, vaak wat ruiger kustwater: baaien, lagunes en estuaria, maar ook soms op grote binnenmeren.
Het mannetje is herkenbaar aan witte flanken, zwarte borst en stuit en een grijs “gebandeerde” rug met een donker, groenig glanzende kop; de snavel is licht met een donkere nagel. Het vrouwtje is bruin met vaak een lichte vlek bij de snavelbasis. Ze foerageren duikend en eten vooral mosselen en andere weekdieren, aangevuld met plantmateriaal en in de zomer ook insecten en kreeftachtigen. De soort broedt dicht bij water op eilandjes, oevers of drijvende vegetatie, soms los in kleine kolonies. Het vrouwtje legt meestal 6–9 eieren en broedt die alleen uit; de kuikens gaan snel het water op, maar vliegen pas na ongeveer 6 weken. Status: Niet bedreigd (LC).
Tafeleend
[latin] Aythya ferina | [authority] Linnaeus, 1758 | [UK] Pochard | [FR] Fuligule milouin | [DE] Tafelente | [ES] Porron Euroasiatico | [NL] Tafeleend



De tafeleend (Aythya ferina) is een stevige duikeend van moerassen, plassen en langzaam stromende rivieren met veel oeverbegroeiing en open water. In de winter zit hij vaak op grotere meren, brakke lagunes en estuaria. Het is een gedeeltelijke trekvogel: in gematigde streken is de soort vaak jaarrond aanwezig, terwijl noordelijke populaties zuidwaarts overwinteren tot rond de Middellandse Zee en verder.
Het mannetje is herkenbaar aan de roestrode kop en hals, zwarte borst en lichtgrijze flanken; het vrouwtje is overwegend bruin met een donkerder kop en vage, lichtere wangen. In vlucht valt een lichte grijze vleugelbaan op. Tafeleden eten vooral waterplanten (bladeren, stengels, wortels en zaden) en vullen dit soms aan met waterdiertjes zoals insecten, kleine ongewervelden en af en toe kleine vis of amfibieën. Ze foerageren duikend, maar ook door te “kanten” of in ondiep water te filteren. Het nest ligt op of vlak bij de grond dicht bij water, goed verborgen in riet of ruigte; soms wordt het op een vegetatieplatform boven het water gebouwd. Het legsel bestaat meestal uit 8–10 eieren (soms meer door nestdelen), het vrouwtje broedt circa 24–28 dagen en de jongen vliegen na ongeveer 7–8 weken. Status: Niet bedreigd (LC).
Het mannetje is herkenbaar aan de roestrode kop en hals, zwarte borst en lichtgrijze flanken; het vrouwtje is overwegend bruin met een donkerder kop en vage, lichtere wangen. In vlucht valt een lichte grijze vleugelbaan op. Tafeleden eten vooral waterplanten (bladeren, stengels, wortels en zaden) en vullen dit soms aan met waterdiertjes zoals insecten, kleine ongewervelden en af en toe kleine vis of amfibieën. Ze foerageren duikend, maar ook door te “kanten” of in ondiep water te filteren. Het nest ligt op of vlak bij de grond dicht bij water, goed verborgen in riet of ruigte; soms wordt het op een vegetatieplatform boven het water gebouwd. Het legsel bestaat meestal uit 8–10 eieren (soms meer door nestdelen), het vrouwtje broedt circa 24–28 dagen en de jongen vliegen na ongeveer 7–8 weken. Status: Niet bedreigd (LC).
Krooneend
[latin] Netta rufina | [authority] Pallas, 1773 | [UK] Red-crested Pochard | [FR] Nette rousse | [DE] Kolbenente | [ES] Pato Colorado | [NL] Krooneend



De krooneend (Netta rufina) is een opvallende duikeend van diepe, grote meren en (brakke) lagunes met veel oeverbegroeiing, vaak in open landschap en soms in delta’s en estuaria. De soort is deels trekvogel: het grootste deel verlaat noordelijke broedgebieden en overwintert vooral in Spanje en Zuid-Frankrijk, maar ook in de Balkan, Turkije en rond de Kaspische Zee. In West- en Centraal-Europa ligt de noordgrens van regelmatige overwintering grofweg rond Zwitserland.
Het mannetje is groter dan een tafeleend en herkenbaar aan de oranje-bruine kop, rode snavel en bleke flanken; in vlucht vallen de lichte (witachtige) handpennen op. Het vrouwtje is bruin met bleke wangen en een contrastrijke, donkerdere kruin en nek. Krooneenden eten vooral waterplanten (bladeren, stengels, wortels en zaden) en af en toe wat kleine waterdiertjes; ze foerageren duikend, kantelend of “dabbelen” aan het oppervlak. Broeden gebeurt vanaf mei in dichte vegetatie vlak bij water, meestal op de grond in riet of ruigte (soms op drijvende rietmatten). Het legsel bestaat vaak uit 8–10 eieren; nestdelen en eileg in nesten van andere eenden komt geregeld voor. Het vrouwtje broedt circa 26–28 dagen en de jongen vliegen na ongeveer 45–50 dagen. Status: Niet bedreigd (LC).
Het mannetje is groter dan een tafeleend en herkenbaar aan de oranje-bruine kop, rode snavel en bleke flanken; in vlucht vallen de lichte (witachtige) handpennen op. Het vrouwtje is bruin met bleke wangen en een contrastrijke, donkerdere kruin en nek. Krooneenden eten vooral waterplanten (bladeren, stengels, wortels en zaden) en af en toe wat kleine waterdiertjes; ze foerageren duikend, kantelend of “dabbelen” aan het oppervlak. Broeden gebeurt vanaf mei in dichte vegetatie vlak bij water, meestal op de grond in riet of ruigte (soms op drijvende rietmatten). Het legsel bestaat vaak uit 8–10 eieren; nestdelen en eileg in nesten van andere eenden komt geregeld voor. Het vrouwtje broedt circa 26–28 dagen en de jongen vliegen na ongeveer 45–50 dagen. Status: Niet bedreigd (LC).
Witkopeend
[LAT] Oxyura leucocephala |
[UK] White-headed Duck |
[FR] Érismature à tête blanche |
[DE] Weißkopfruderente |
[ES] Malvasía cabeciblanca |
[NL] Witkopeend









De witkopeend (Oxyura leucocephala) is een compacte, kastanjebruine duikeend met een vaak rechtop “gekantelde” staart. Het mannetje is in broedkleed heel herkenbaar: witte kop, zwarte kruin en een opvallende blauwe, aan de basis verdikte snavel. Het vrouwtje is onopvallender bruin met een lichte gezichtskleur, donkere kap en een donkere wangstreep.
De soort leeft in de broedtijd vooral in ondiepe zoete of brakke moerassen met rijke waterplanten en veel ongewervelden, vaak als onderdeel van grotere wetlandcomplexen. In de winter kiest hij eerder grote brakke of zoute meren. Witkopeenden foerageren bijna altijd duikend (vaak ’s nachts) en eten vooral larven van dansmuggen en andere waterdieren, aangevuld met zaden en plantendelen. Het nest ligt meestal boven water in opkomende vegetatie; het legsel telt doorgaans 5–6 eieren (variabel 4–9) en het vrouwtje broedt ongeveer 22–24 dagen.
Belangrijk: de witkopeend is wereldwijd sterk achteruitgegaan en staat te boek als Bedreigd (Endangered), met als grote risico’s verdroging/vernietiging van wetlands, jacht en hybridisatie met de geïntroduceerde rosse stekelstaart (Oxyura jamaicensis).

Witoogeend
[latin] Aythya nyroca | [authority] Guldenstdt, 1770 | [UK] Ferruginous Duck | [FR] Fuligule nyroca | [DE] Moorente | [ES] Porron Pardo | [NL] Witoogeend
De witoogeend (Aythya nyroca) is een kleine, donker kastanjebruine duikeend van rustige, ondiepe plassen en moerassen met veel waterplanten en rietkragen. Het is een gedeeltelijke trekvogel: veel Europese vogels overwinteren rond de Middellandse Zee en in (westelijk) Afrika, terwijl Aziatische populaties sterk kunnen schommelen door wisselende waterstanden. Herkenning: het mannetje is diep roestbruin met een lichte oogkleur en vaak een klein wit vlekje op de kin; het vrouwtje is doffer bruin met subtiele lichte vlekjes in de keelstreek. De soort eet vooral waterplanten (zaden, bladeren en stengels) en vult dit aan met kleine waterdiertjes. Het nest ligt verborgen op de grond vlak bij water of op drijvende rietmatten; het legsel bestaat meestal uit 7–10 eieren en de kuikens vliegen na ongeveer 55–60 dagen. Door verlies van wetlands en jachtdruk is de soort achteruitgegaan en staat hij wereldwijd te boek als Gevoelig (Near Threatened).

Australische Witoogeend
[latin] Aythya australis | [authority] Eyton, 1838 | [UK] Hardhead | [FR] Fuligule austral | [DE] Tasman-Moorente | [ES] Porron Australiano [NL] Australische witoogeend



De Australische witoogeend (hardhead) (Aythya australis) is een compacte, rond gebouwde duikeend van Australië. De soort is in normale jaren matig nomadisch, maar kan bij droogte ver uitzwerven, soms tot Nieuw-Guinea, Nieuw-Zeeland en eilanden in de Stille Oceaan. Beide seksen zijn overwegend chocoladebruin met rossige flanken; in vlucht vallen de brede witte delen op aan de onderzijde van de vleugels. Het mannetje heeft opvallend lichte (bijna witte) ogen, het vrouwtje bruine.
Hardheads leven vooral op grotere meren, moerassen en rustige rivieren met dieper, stil water, maar worden ook gezien in overstroomde graslanden en kleinere wateren; ze mijden doorgaans kustwater en komen zelden aan land. Ze foerageren duikend en eten vooral zaden en andere delen van waterplanten, aangevuld met kleine waterdieren zoals insectenlarven, mosseltjes, kreeftachtigen en soms kleine vis. Broeden gebeurt in dichte vegetatie in of vlak bij het water; het vrouwtje bouwt een nestplatform van riet en plantenresten en broedt meestal 9–13 eieren ongeveer een maand uit. Status: Niet bedreigd (LC), al kan lokale achteruitgang optreden door het verdwijnen of ontwateren van zoetwaterwetlands.
Indische Fluiteend
[LAT] Dendrocygna javanica |
[UK] Lesser Whistling Duck |
[FR] Dendrocygne rousse |
[DE] Wanderpfeifgans |
[ES] Suirirí bengalí |
[NL] Indische fluiteend



De indische fluiteend (Dendrocygna javanica) is een slanke, lichtgekleurde fluiteend die wijdverspreid is in Zuid- en Zuidoost-Azië, van Pakistan en India tot China, Taiwan en Indonesië. Meestal is de soort standvogel, met lokale verplaatsingen afhankelijk van waterstanden; vogels uit noordelijk China trekken in de winter zuidwaarts.
Je ziet hem vooral op kleine, ondiepe wateren met veel moerasvegetatie en bomen in de buurt om te rusten, en ook vaak in rijstvelden. Het voedsel bestaat vooral uit gras, rijst, zaden en waterplanten, aangevuld met kleine dieren zoals slakjes, insecten en soms kikkers. Broeden kan lang doorgaan en piekt vaak in het regenseizoen. Het nest kan op de grond in dichte vegetatie liggen, maar ook in boomholtes, lage struiken of zelfs in verlaten nesten van andere vogels. Het legsel telt meestal 7–12 eieren; beide ouders broeden (26–30 dagen) en verzorgen de jongen, die na ongeveer 45–50 dagen kunnen vliegen. Status: Niet bedreigd (LC).


