De Anhingidae, beter bekend als slangenhalsvogels of anhinga’s, vormen een kleine familie van waterminnende vogels die voorkomen in tropische en subtropische gebieden van Amerika, Afrika, Azië en Australië. Ze zijn verwant aan aalscholvers en delen met hen het vermogen om onder water te jagen, maar onderscheiden zich door hun lange, slanke nek en rechte dolkvormige snavel.
De naam “slangenhalsvogel” verwijst naar hun gewoonte om met alleen de kop en nek boven water te zwemmen, waarbij ze op een slang lijken die door het water glijdt. Hun veren zijn niet waterafstotend, wat hen helpt bij het duiken, maar waardoor ze na het jagen vaak met uitgespreide vleugels moeten drogen.
Slangenhalsvogels voeden zich voornamelijk met vis en waterdieren, die ze onder water spietsen met een bliksemsnelle stoot van hun snavel. Er zijn wereldwijd vier soorten, waaronder de Amerikaanse anhinga (Anhinga anhinga), ook wel “water turkey” genoemd vanwege zijn opvallende waaiervormige staart.
Genus Anhinga
Soorten van Anhinga komen vooral voor in tropische en subtropische delen van Amerika, Afrika, Azië en Australië. Ze leven in ondiepe meren, moerassen, rivierarmen, lagunes, mangroven en andere rustige waterrijke gebieden. Wanneer deze vogels zwemmen, blijft vaak alleen de lange hals boven water zichtbaar, waardoor ze sterk aan een slang doen denken. Aan dat typische silhouet danken ze ook hun bekende naam.
Het voedsel bestaat vooral uit vis, aangevuld met amfibieën en andere kleine waterdieren. De prooi wordt onder water achtervolgd en met de scherpe snavel gespietst of gegrepen. In tegenstelling tot veel andere watervogels is het verenkleed minder waterafstotend, waardoor soorten van Anhinga na het duiken vaak met uitgespreide vleugels zitten om te drogen. Die houding is zeer kenmerkend voor het genus.
Voor het broeden worden meestal nesten van takken gebouwd in bomen, struiken of rietvegetatie boven of vlak bij het water. Beide oudervogels nemen doorgaans deel aan het broeden en het verzorgen van de jongen. Het genus Anhinga vormt daarmee een herkenbare groep van gespecialiseerde visetende watervogels die sterk verbonden zijn met warme, rustige en voedselrijke watergebieden.
Amerikaanse slangenhalsvogel



Details Amerikaanse slangenhalsvogel
De soort komt voor van het zuidoosten van de Verenigde Staten via Mexico, Midden-Amerika en het Caribisch gebied tot in grote delen van Zuid-Amerika. In warmere gebieden is de Amerikaanse slangenhalsvogel meestal standvogel, terwijl populaties aan de noordrand van het verspreidingsgebied deels seizoensgebonden verplaatsingen maken. De soort is sterk gebonden aan waterrijke gebieden met voldoende vis, rustige oevers en bomen of struiken om te rusten en te broeden.
Een Amerikaanse slangenhalsvogel is een grote, slanke watervogel met een zeer lange hals, spitse dolkachtige snavel, lange staart en donkere lichaamskleur. Tijdens het zwemmen ligt het lichaam vaak laag in het water, terwijl alleen de lange hals boven het oppervlak uitsteekt; dit geeft de soort de bekende “slangenhals”-indruk. Het mannetje is overwegend donker met lichte tekening op vleugels en schouders, terwijl het vrouwtje en jonge vogels een lichtere, bruinige kop, hals en borst hebben. In vlucht vallen de lange hals, brede vleugels en lange staart op. Na het duiken zit de vogel vaak met uitgespreide vleugels te drogen op een tak, paal of oever.
Voorkomen is sterk verbonden met zoet en brak water in warme streken. De soort gebruikt meren, moerassen, rivieren, langzaam stromende waterlopen, mangroven, lagunes, vijvers, kanalen, overstroomde bossen en rustige baaien. Belangrijk zijn helder of visrijk water, oevervegetatie, takken of bomen boven het water en rustige plekken om te rusten. De Amerikaanse slangenhalsvogel jaagt meestal in ondiep tot matig diep water en vermijdt doorgaans snel stromend water zonder beschutting of geschikte rustplaatsen.
Het menu bestaat vooral uit vis, aangevuld met kikkers, salamanders, kleine slangen, waterinsecten, kreeftachtigen en andere kleine waterdieren. De soort jaagt zwemmend en duikend, waarbij de poten onder water krachtige stuwbewegingen maken. Prooi wordt vaak onder water met een snelle stoot van de spitse snavel gespietst of gegrepen. Daarna komt de vogel boven, schudt of werpt de prooi los van de snavel en slikt deze meestal met de kop eerst door. Door het relatief nat wordende verenkleed kan de soort goed onder water manoeuvreren, maar moet daarna vaak langdurig de vleugels drogen.
Paarsvorming is monogaam gedurende het broedseizoen en de soort broedt vaak in losse kolonies, soms samen met reigers, ibissen, aalscholvers en andere watervogels. De broedtijd verschilt per regio en hangt samen met waterstand en voedselbeschikbaarheid. Het nest is een platform van takken, meestal gebouwd in een boom, struik of mangrove boven of dicht bij water. De nestkom wordt bekleed met bladeren, riet of ander plantaardig materiaal. Gewoonlijk worden 2–5 eieren gelegd. Beide oudervogels broeden en voeren de jongen met opgebraakte vis en andere waterdieren. De jongen blijven aanvankelijk in het nest en klimmen later in de nestboom rond voordat ze goed kunnen vliegen. Belangrijke lokale bedreigingen zijn verstoring van kolonies, kap van oeverbomen, vervuiling van water, vislijnresten, recreatiedruk en aantasting van moeras- en mangrovegebieden.
Afrikaanse slangenhalsvogel


Details Afrikaanse slangenhalsvogel
De soort komt wijdverspreid voor in Afrika ten zuiden van de Sahara en plaatselijk in aangrenzende gebieden waar geschikte wetlands aanwezig zijn. De Afrikaanse slangenhalsvogel is meestal standvogel, maar lokale verplaatsingen komen voor wanneer waterstanden veranderen, tijdelijke wetlands opdrogen of voedselrijke wateren ontstaan na regenval. De soort is sterk gebonden aan rustige waterpartijen met voldoende vis, bomen, struiken of andere zitplaatsen langs het water.
Een Afrikaanse slangenhalsvogel is een grote, slanke watervogel met een zeer lange hals, spitse dolkachtige snavel, lange staart en donkere lichaamskleur. Tijdens het zwemmen ligt het lichaam vaak laag in het water, terwijl de lange hals boven het oppervlak uitsteekt, waardoor de vogel een slangachtige indruk maakt. Het mannetje is overwegend donker met lichte strepen of tekening op hals en vleugels, terwijl het vrouwtje en jonge vogels doorgaans bruiner en lichter op kop, hals en borst zijn. In vlucht vallen de lange hals, brede vleugels en lange staart op. Na het duiken zit de vogel vaak met uitgespreide vleugels te drogen op een tak, paal, rots of oever.
Voorkomen is sterk verbonden met zoet en soms brak water in warme streken. De soort gebruikt meren, moerassen, rivieren, overstromingsvlaktes, lagunes, vijvers, reservoirs, kanalen, rietvelden en rustige delen van rivierdelta’s. Belangrijk zijn visrijk water, beschutte oevers, voldoende rustplaatsen en bomen of struiken voor nestbouw. De Afrikaanse slangenhalsvogel jaagt meestal in ondiep tot matig diep water en vermijdt doorgaans snel stromend water zonder beschutting of geschikte rust- en nestplaatsen.
Het menu bestaat vooral uit vis, aangevuld met kikkers, kleine waterdieren, insectenlarven, kreeftachtigen en soms kleine reptielen. De soort jaagt zwemmend en duikend, waarbij de poten voor krachtige stuwbewegingen zorgen. Prooi wordt onder water vaak met een snelle stoot van de spitse snavel gespietst of gegrepen. Daarna komt de vogel boven, werkt de prooi los en slikt deze meestal met de kop eerst door. Door het relatief nat wordende verenkleed kan de soort goed onder water manoeuvreren, maar moet daarna geregeld de vleugels drogen op een open zitplaats.
Paarsvorming is monogaam gedurende het broedseizoen en de soort broedt vaak in losse kolonies, soms samen met reigers, aalscholvers, ibissen en andere watervogels. De broedtijd verschilt sterk per regio en hangt meestal samen met regenval, waterstand en voedselbeschikbaarheid. Het nest is een platform van takken, riet en ander plantaardig materiaal, meestal gebouwd in een boom, struik, rietkraag of mangrove dicht bij of boven water. Gewoonlijk worden 2–6 eieren gelegd. Beide oudervogels broeden en voeren de jongen met opgebraakte vis en andere waterdieren. De jongen blijven aanvankelijk in het nest en klimmen later rond in de nestvegetatie voordat ze goed kunnen vliegen. Belangrijke lokale bedreigingen zijn verstoring van kolonies, kap van oeverbomen, vervuiling, verstrikking in vistuig, drooglegging van moerassen en aantasting van riet- en mangrovegebieden.
Australische slangenhalsvogel




Details Australische slangenhalsvogel
De soort komt voor in Australië, Nieuw-Guinea, delen van Indonesië en nabijgelegen eilanden, met incidentele dwaalgasten buiten dit kerngebied. In Australië is de soort vooral te vinden bij geschikte meren, rivieren, moerassen, reservoirs, billabongs, lagunes en langzaam stromende wateren. De Australische slangenhalsvogel is meestal standvogel, maar lokale verplaatsingen komen voor wanneer waterstanden veranderen, wetlands opdrogen of na regenval tijdelijk voedselrijke watergebieden ontstaan.
Een Australische slangenhalsvogel is een grote, slanke watervogel met een zeer lange hals, spitse dolkachtige snavel, lange staart en donkere lichaamskleur. Tijdens het zwemmen ligt het lichaam vaak diep in het water, terwijl vooral de lange, dunne hals zichtbaar blijft; daardoor ontstaat de bekende indruk van een zwemmende slang. Het mannetje is overwegend donker met lichte strepen of vlekken op kop, hals en vleugels, terwijl vrouwtjes en jonge vogels meestal bruiner zijn en lichter op kop, hals en borst. In vlucht vallen de lange hals, brede vleugels en lange staart op. Na het duiken zit de vogel vaak met gespreide vleugels te drogen op een tak, paal, rots of oever.
Voorkomen is sterk verbonden met zoetwatergebieden en soms brakke wateren met voldoende vis en geschikte rustplaatsen. De soort gebruikt meren, rivieren, billabongs, moerassen, reservoirs, kanalen, overstroomde graslanden, mangroveranden en rustige lagunes. Belangrijk zijn visrijk water, beschutte oevers, uitstekende takken of bomen boven het water en veilige plekken om te rusten en te broeden. Snel stromend water zonder beschutting en open water zonder geschikte zitplaatsen zijn minder aantrekkelijk.
Het menu bestaat vooral uit vis, aangevuld met kikkers, waterinsecten, kreeftachtigen en soms kleine reptielen of andere waterdieren. De soort jaagt zwemmend en duikend, waarbij de poten onder water krachtige stuwbewegingen maken. Prooi wordt vaak met een snelle stoot van de spitse snavel gespietst of gegrepen. Daarna komt de vogel boven, werkt de prooi los en slikt deze meestal met de kop eerst door. Door het relatief nat wordende verenkleed kan de soort goed onder water manoeuvreren, maar moet daarna geregeld de vleugels spreiden om te drogen.
Paarsvorming is monogaam gedurende het broedseizoen en de soort broedt vaak in losse kolonies, soms samen met aalscholvers, reigers, lepelaars, ibissen en andere watervogels. De broedtijd verschilt per regio en hangt sterk samen met waterstand, regenval en voedselbeschikbaarheid; in geschikte omstandigheden kan broeden op uiteenlopende momenten van het jaar plaatsvinden. Het nest is een platform van takken, riet en ander plantaardig materiaal, meestal gebouwd in een boom, struik, rietkraag of mangrove boven of dicht bij water. Gewoonlijk worden 3–5 eieren gelegd. Beide oudervogels broeden en voeren de jongen met opgebraakte vis en andere waterdieren. Belangrijke lokale bedreigingen zijn verstoring van kolonies, kap van oeverbomen, drooglegging of regulering van wetlands, vervuiling, vislijnen en vistuig, recreatiedruk en aantasting van moeras- en mangrovegebieden.
Indische slangenhalsvogel




Details Indische slangenhalsvogel
De soort komt voor op het Indisch subcontinent en in delen van Zuidoost-Azië, waaronder India, Nepal, Bangladesh, Sri Lanka, Myanmar, Thailand, Cambodja, Laos, Vietnam, Maleisië en Indonesië. In India is de Indische slangenhalsvogel wijdverbreid in geschikte wetlands, meren, reservoirs, rivieren, moerassen, kanalen en grote vijvers. De soort is meestal standvogel, maar lokale verplaatsingen komen voor wanneer waterstanden veranderen, wetlands opdrogen of voedselrijke gebieden tijdelijk ontstaan.
Een Indische slangenhalsvogel is een grote, slanke watervogel met een zeer lange hals, spitse dolkachtige snavel, lange staart en donker lichaam. Tijdens het zwemmen ligt het lichaam vaak diep in het water, terwijl vooral de lange hals zichtbaar blijft; daardoor lijkt de vogel soms op een zwemmende slang. Het mannetje is overwegend donker met lichte strepen op kop, hals en vleugels, terwijl vrouwtjes en jonge vogels meestal bruiner zijn en een lichtere hals of borst kunnen tonen. In vlucht vallen de lange hals, brede vleugels en lange staart op. Na het duiken zit de vogel vaak met gespreide vleugels te drogen op een tak, paal, rots of oever.
Voorkomen is sterk verbonden met zoetwatergebieden en soms brakke wateren met voldoende vis. De soort gebruikt meren, moerassen, rivieren, reservoirs, vijvers, kanalen, rijstvelden, overstroomde gebieden, rietranden en mangroveranden. Belangrijk zijn rustige oevers, bomen of struiken langs het water, geschikte zitplaatsen om de vleugels te drogen en veilige plekken om in kolonies te broeden. De soort jaagt meestal in ondiep tot matig diep water en gebruikt vooral gebieden waar vis goed bereikbaar is tussen open water, oevervegetatie en waterplanten.
Het menu bestaat vooral uit vis, aangevuld met kikkers, kleine waterdieren, insectenlarven, kreeftachtigen en soms kleine reptielen. De soort jaagt zwemmend en duikend, waarbij de poten onder water krachtige stuwbewegingen maken. Prooi wordt vaak met een snelle stoot van de spitse snavel onder water gespietst of gegrepen. Daarna komt de vogel boven, werkt de prooi los van de snavel en slikt deze meestal met de kop eerst door. Door het relatief nat wordende verenkleed kan de soort goed onder water manoeuvreren, maar moet daarna geregeld de vleugels spreiden om te drogen.
Paarsvorming is monogaam gedurende het broedseizoen en de soort broedt vaak in kolonies, soms samen met reigers, ibissen, lepelaars, aalscholvers en andere watervogels. De broedtijd varieert per regio en hangt sterk samen met regenval, waterstand en voedselbeschikbaarheid; in India valt deze vaak tijdens of na de moesson, maar lokale verschillen zijn groot. Het nest is een platform van takken, meestal gebouwd in een boom, struik of rietvegetatie boven of dicht bij water. De nestkom wordt bekleed met bladeren, riet of ander plantaardig materiaal. Gewoonlijk worden 3–6 eieren gelegd. Beide oudervogels broeden en voeren de jongen met opgebraakte vis en andere waterdieren. Belangrijke lokale bedreigingen zijn verstoring van broedkolonies, kap van nestbomen, vervuiling, drooglegging, visnetten en vislijnen, recreatiedruk en aantasting van grote wetlands.