De niet-Europese spechten vormen een indrukwekkend diverse groep binnen de familie Picidae, met soorten die verspreid zijn over Noord- en Zuid-Amerika, Afrika en Azië. Van de kleurrijke geelvleugelspecht in Zuid-Amerika tot de imposante grijskopspecht in Azië: deze vogels hebben zich op verbluffende wijze aangepast aan uiteenlopende leefomgevingen, van tropisch regenwoud tot droge savannes. Net als hun Europese verwanten gebruiken ze hun stevige snavels om te hakken in hout, op zoek naar insecten of om nestholtes te maken. Sommige soorten, zoals de grote helmspecht, zijn zeldzaam of bedreigd, wat de aandacht vestigt op het belang van natuurbehoud wereldwijd. Hun verscheidenheid in gedrag, formaat en uiterlijk maakt niet-Europese spechten tot een fascinerend onderdeel van de wereldwijde vogelrijkdom.
De Europese spechten (familie Picidae) vormen een opvallende groep vogels die bekendstaan om hun bijzondere gedrag en aanpassingen. Met hun krachtige snavels en stijve staarten zijn ze perfect uitgerust om in boomschors te hakken op zoek naar insecten, larven en boomsappen. In Europa komen een tiental soorten voor, waaronder de grote bonte specht, de zwarte specht en de groene specht. Ze spelen een belangrijke rol in het bos-ecosysteem, onder andere door nestholtes te maken waar later ook andere dieren gebruik van kunnen maken. Hun roffelgeluiden en roepjes zijn vaak eerder te horen dan dat ze te zien zijn, wat ze tot mysterieuze, maar fascinerende bosbewoners maakt.
© Foto’s Jan Dolphijn
Genus Dendrocopos
Soorten van Dendrocopos leven vooral in bossen, parklandschappen, boomrijke cultuurlandschappen en andere gebieden met voldoende oude bomen of dood hout. Ze zijn sterk aangepast aan een leven op boomstammen en dikke takken, waar ze klimmend voedsel zoeken en nestholtes uithakken. Net als andere spechten gebruiken zij hun krachtige snavel om in hout te hakken en hun stijve staartveren als steun tijdens het klimmen.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit insecten en insectenlarven die uit schors, hout of spleten worden gehaald. Daarnaast worden ook zaden, noten en ander plantaardig voedsel gegeten, vooral buiten de broedtijd. Sommige soorten zijn daardoor vrij flexibel in voedselkeuze en komen ook voor in gebieden waar naaldbomen of loofbomen domineren.
Voor het broeden worden nestholtes in bomen uitgehakt, meestal in dood of verzwakt hout. Beide oudervogels nemen doorgaans deel aan het uithakken van de nestplaats, het broeden en het voeren van de jongen. Het genus Dendrocopos vormt daarmee een herkenbare groep van zwart-wit getekende, vaak rood gemarkeerde spechten die sterk verbonden zijn met boomrijke leefgebieden van het Palearctische gebied.
Grote bonte specht







Genus Dendrocoptes
Soorten van Dendrocoptes leven vooral in bossen, parkachtige landschappen, boomrijke cultuurlandschappen en andere gebieden met voldoende oude bomen. Net als andere spechten zijn zij sterk aangepast aan een leven op boomstammen en takken, waar zij klimmend voedsel zoeken en nestholtes uithakken. Daarbij worden de krachtige snavel, stijve staartveren en sterke poten gebruikt om zich goed op verticale oppervlakken te handhaven.
Het voedsel bestaat vooral uit insecten en insectenlarven die uit schorsspleten, hout of van het oppervlak van stammen en takken worden gehaald. Daarnaast worden ook zaden en ander plantaardig voedsel gegeten, afhankelijk van het seizoen en de soort. Vooral buiten de broedtijd kan het aandeel plantaardig voedsel toenemen.
Voor het broeden worden nestholtes in bomen uitgehakt, meestal in zachter of aangetast hout. Beide oudervogels nemen doorgaans deel aan het uithakken van de nestplaats, het broeden en het voeren van de jongen. Het genus Dendrocoptes vormt daarmee een herkenbare groep van Euraziatische spechten die nauw verbonden zijn met boomrijke leefgebieden en die in taxonomisch opzicht een afzonderlijke plaats innemen binnen de bonte spechten.
Middelste bonte specht




Genus Dryobates
Soorten van Dryobates komen voor in Noord- en Midden-Amerika, delen van Zuid-Amerika, Europa, Azië en Noord-Afrika. Het gaat meestal om zwart-wit getekende spechten, vaak met rode accenten op de kop of onderzijde. Veel soorten zijn relatief klein gebouwd en leven in bossen, bosranden, parklandschappen, boomrijke cultuurlandschappen en andere gebieden met voldoende bomen en dood hout.
Het voedsel bestaat vooral uit insecten en insectenlarven die uit schors, hout of spleten worden gehaald. Daarnaast worden ook zaden, bessen en ander plantaardig voedsel gegeten, afhankelijk van seizoen en soort. Net als andere spechten zijn soorten van Dryobates goed aangepast aan een leven op boomstammen en takken, met sterke poten, stijve staartveren en een krachtige snavel.
Voor het broeden worden nestholtes uitgehakt in bomen, meestal in zachter of aangetast hout. Beide oudervogels nemen doorgaans deel aan het uithakken van de nestholte, het broeden en het voeren van de jongen. Het genus Dryobates vormt daarmee een herkenbare en gevarieerde groep van vooral kleine spechten die sterk verbonden zijn met boomrijke leefgebieden.
Nuttallspecht




Kleine bonte specht




Genus Picus
Soorten van Picus leven vooral in bossen, parklandschappen, boomrijke cultuurlandschappen, rivierbossen en andere gebieden met voldoende grote bomen. Het zijn typische boombewonende vogels die veel tijd doorbrengen op stammen, dikke takken en ook regelmatig op de grond. In vergelijking met sommige andere spechten zoeken soorten van Picus opvallend vaak voedsel op open plekken, graslanden of bosbodems.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit insecten en hun larven, waarbij vooral mieren bij veel soorten een belangrijk deel van het dieet vormen. Met de krachtige snavel wordt in hout gehakt, maar ook op de grond wordt veel gezocht. De lange tong maakt het mogelijk om prooien uit spleten, gangen en mierennesten te halen. Daardoor zijn soorten van Picus goed aangepast aan een gemengde manier van foerageren, zowel op bomen als op de bodem.
Voor het broeden worden nestholtes uitgehakt in bomen, meestal in zachter of deels aangetast hout. Beide oudervogels nemen doorgaans deel aan het uithakken van de nestholte, het broeden en het verzorgen van de jongen. Het genus Picus vormt daarmee een herkenbare groep van vooral groen gekleurde spechten die sterk verbonden zijn met boomrijke landschappen en die binnen de spechten opvallen door hun combinatie van boomgebonden en grondgebonden voedselzoekgedrag.
Groene Specht




Birmese schubbuikspecht




Grijskopspecht



Kleine Geelkuifspecht
Sitabani National Park, Ramnagar




Details Kleine geelkuifspecht
De soort komt voor van het Indisch subcontinent tot in delen van Zuidoost-Azië, waaronder India, Nepal, Bhutan, Bangladesh, Myanmar, Thailand, Laos, Vietnam, Maleisië en delen van Indonesië. In India wordt de kleine geelkuifspecht vooral aangetroffen in bosrijke gebieden van de Himalayavoet, Noordoost-India, Midden-India, de West-Ghats en plaatselijk in andere beboste streken. De soort is overwegend standvogel. Verplaatsingen zijn meestal lokaal en hangen samen met voedsel, hoogte, seizoen en beschikbaarheid van geschikte bossen.
Een kleine geelkuifspecht is een vrij kleine tot middelgrote groene specht met een opvallende gele kuif, groenachtige bovenzijde, donkere vleugeltekening en een lichte, vaak geschubde of gestreepte onderzijde. De koptekening is opvallend, met geel op kruin en kuif en bij het mannetje vaak extra rood in de koptekening, afhankelijk van ondersoort en leeftijd. De vogel oogt kleiner en fijner gebouwd dan grotere groene spechten. In vlucht valt de groene bovenzijde op, maar tussen bladeren is de soort vaak moeilijk te zien. De vlucht is typisch spechtachtig en golvend, met snelle vleugelslagen gevolgd door korte glijmomenten. De roep is luid en scherp en kan helpen om de soort in dicht bos op te sporen.
Voorkomen is vooral verbonden met bos en boomrijke landschappen. De soort gebruikt vochtige loofbossen, gemengde bossen, heuvelbossen, secundair bos, bosranden, bamboe, open plekken met oude bomen, plantages en soms boomrijke tuinen of parken. De kleine geelkuifspecht wordt vaak gezien in de middelste en hogere boomlagen, maar kan ook lager op stammen en dode takken foerageren. Oude bomen, dood hout en natuurlijk bosstructuur zijn belangrijk, omdat daarin voedsel wordt gezocht en nestholten worden uitgehakt.
Het menu bestaat vooral uit mieren, termieten, kevers, larven en andere insecten die uit schors, dood hout, spleten en zachte stammen worden gehaald. Daarnaast kunnen soms vruchten, bessen of boomsappen worden benut. De soort foerageert meestal alleen of in paren, vaak vrij rustig langs stammen, takken en dood hout. Met de snavel wordt gehakt, gepeuterd en gezocht onder losse schors. In insectenrijke bomen kan de vogel langere tijd blijven foerageren, soms samen met andere bosvogels in gemengde foerageergroepen.
Paarsvorming is monogaam en territoriaal. In de broedtijd laten vogels roepen en roffelen horen, vooral rond geschikte nestbomen. De broedtijd verschilt per regio, maar valt in India vaak grofweg van maart tot juni. Het nest wordt uitgehakt in een boomstam of dikke tak, meestal in dood, zacht of vermolmd hout. Beide oudervogels werken aan de nestholte, broeden en voeren de jongen. Gewoonlijk worden 2–4 witte eieren gelegd. De nestholte wordt niet bekleed; houtsnippers vormen de eenvoudige bodem. Belangrijke lokale bedreigingen zijn het verwijderen van oude bomen en dood hout, intensieve boskap, verstoring bij nestplaatsen en het verdwijnen van insectenrijke bosranden.
Genus Picumnus
Soorten van Picumnus zijn klein, compact en fijn gebouwd, met een korte snavel en een relatief korte staart in vergelijking met grotere spechten. Het verenkleed is vaak onopvallend bruin, grijs, olijfgroen of zwart-wit getekend, meestal met vlekjes, bandering of fijne strepen. Mannetjes hebben vaak kleine rode, gele of oranje markeringen op de kruin, terwijl vrouwtjes daar juist lichtere stippen of een soberder tekening tonen.
Het genus komt vooral voor in bossen, bosranden, struikgebieden, savannebos, rivierbegeleidend bos en andere boomrijke habitats. Veel soorten bewegen zich actief door dunne takken, twijgen en kleine stammen, waar voedsel wordt gezocht op een manier die iets subtieler en lichter oogt dan bij grotere spechten. In tegenstelling tot veel grotere spechten hakken dwergspechten minder zwaar in hout en zoeken zij vaak voedsel aan het oppervlak van schors en twijgen.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit kleine insecten en andere ongewervelden. Mieren, kevertjes, larven en andere kleine prooien worden van takken, schorsspleten en bladeren gehaald. Voor het broeden worden meestal kleine nestholtes gebruikt of uitgehakt in zacht of dood hout. Het genus Picumnus vormt daarmee een herkenbare groep van uiterst kleine, behendige en vaak fijn getekende spechten die vooral in warme, boomrijke gebieden voorkomen.
Aziatische dwergspecht

Guyana Dwergspecht




Genus Meiglyptes
Soorten van Meiglyptes leven vooral in tropische bossen, zowel in vochtige laaglandbossen als in drogere bosgebieden. Ze komen voor in landen als Myanmar, Thailand, Maleisië, Indonesië, Cambodja, Laos en Vietnam, afhankelijk van de soort. Sommige soorten hebben een vrij ruim verspreidingsgebied, terwijl andere juist veel beperkter voorkomen en daardoor kwetsbaarder zijn.
In vergelijking met veel bonter gekleurde spechten vallen soorten van Meiglyptes minder op door felle kleuren en meer door hun subtiele tekening, bandering en warme bruinachtige tinten. Ze zoeken voedsel op stammen en takken, waar vooral insecten en larven uit schors en hout worden gehaald. Zoals andere spechten zijn het typische boombewonende vogels die goed aangepast zijn aan klimmen en hakken.
Voor het broeden worden nestholtes in bomen gebruikt, meestal in zachter of aangetast hout. Het genus Meiglyptes vormt daarmee een herkenbare groep van Zuidoost-Aziatische bos-spechten die nauw verbonden zijn met tropische boomrijke leefgebieden en waarvan enkele soorten gevoelig zijn voor verlies van geschikt bos.
Bruinstuitspecht



Genus Melanerpes
Soorten van Melanerpes leven in uiteenlopende boomrijke habitats, zoals bossen, savannes, open boslandschappen, parkgebieden, rivierbossen, tuinen en agrarische gebieden met verspreide bomen. In vergelijking met sommige andere spechten zijn soorten uit dit genus vaak vrij zichtbaar en minder strikt gebonden aan gesloten bos. Veel soorten zitten geregeld open en opvallend op stammen, takken, hekken of elektriciteitsdraden.
Het voedsel is gevarieerd en bestaat uit insecten, larven, vruchten, zaden, noten en soms ook kleine dierlijke prooien. Sommige soorten vangen insecten in de lucht of pikken vruchten van bomen en struiken, terwijl andere vaker voedsel uit hout of van schors halen. Daardoor zijn soorten van Melanerpes vaak flexibeler in hun voedselkeuze dan meer gespecialiseerd hakwerk verrichtende spechten.
Voor het broeden worden nestholtes in bomen gebruikt, meestal zelf uitgehakt in dood of verzwakt hout. Beide oudervogels nemen doorgaans deel aan het uithakken van de nestholte, het broeden en het verzorgen van de jongen. Het genus Melanerpes vormt daarmee een herkenbare groep van vaak contrastrijk gekleurde, vrij veelzijdige en opvallende Amerikaanse spechten die goed aangepast zijn aan uiteenlopende boomrijke leefgebieden.
Roodbuikspecht




Eikelspecht




Genus Campephilus details
Soorten van Campephilus leven vooral in uitgestrekte bossen, van tropisch regenwoud tot droger bos en bergbos, afhankelijk van de soort. Het zijn uitgesproken boombewonende vogels die sterk afhankelijk zijn van oude bomen, dood hout en structuurrijke bosgebieden. Door hun formaat en krachtige hakwerk kunnen zij diep in hout doordringen op zoek naar insecten en larven die voor kleinere spechten moeilijk bereikbaar zijn.
Het voedsel bestaat vooral uit houtbewonende insecten en hun larven, aangevuld met andere ongewervelden en soms ook vruchten. Tijdens het foerageren wordt vaak krachtig in stammen en dikke takken gehakt. Daarbij kunnen grote stukken schors worden losgemaakt. Veel soorten van Campephilus vallen bovendien op door hun luide roffels en roepen, die ver door het bos dragen.
Voor het broeden worden ruime nestholtes uitgehakt in grote bomen, meestal in zachter of deels aangetast hout. Beide oudervogels nemen doorgaans deel aan het uithakken van de nestholte, het broeden en het verzorgen van de jongen. Het genus Campephilus vormt daarmee een indrukwekkende groep van grote, krachtige en vaak opvallend gekleurde bos-spechten die sterk verbonden zijn met oude, boomrijke en ecologisch rijke boslandschappen.
Bloedrugspecht







Genus Dinopium details
Soorten van Dinopium leven in uiteenlopende boomrijke habitats, zoals tropisch en subtropisch bos, open boslandschappen, bosranden, cultuurlandschappen met bomen, plantages en parken. Sommige soorten zijn vrij goed aangepast aan door mensen beïnvloede omgevingen, zolang er voldoende oude bomen of dood hout aanwezig zijn. Andere soorten zijn sterker gebonden aan natuurlijk bos.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit insecten en insectenlarven die uit schors, hout en spleten worden gehaald. Daarnaast worden ook andere kleine ongewervelden gegeten en soms vruchten of ander plantaardig materiaal. Tijdens het zoeken naar voedsel klimmen deze spechten over stammen en dikke takken, waarbij ze zowel hakken als peuteren om prooien te vinden.
Voor het broeden worden nestholtes in bomen uitgehakt, meestal in zachter of aangetast hout. Beide oudervogels nemen doorgaans deel aan het uithakken van de nestholte, het broeden en het verzorgen van de jongen. Het genus Dinopium vormt daarmee een herkenbare groep van kleurrijke Aziatische spechten die nauw verbonden zijn met boomrijke leefgebieden en die in veel gebieden tot de opvallendste spechten behoren.
Javaanse Goudrugspecht

Kleine Goudrugspecht
Keoladeo national park, Bharatpur



Details Kleine goudrugspecht
De soort komt voor op het Indisch subcontinent en is wijdverbreid in India, Pakistan, Nepal, Bangladesh en Sri Lanka. In India is de kleine goudrugspecht in veel laaglandgebieden een bekende en vaak algemene specht van dorpen, parken, tuinen, landbouwgebieden, open bos en boomrijke steden. De soort is overwegend standvogel. Verplaatsingen zijn meestal lokaal en hangen samen met beschikbaarheid van voedsel, nestbomen en geschikte boomrijke leefgebieden.
Een kleine goudrugspecht is een middelgrote, opvallende specht met een goudgele tot oranjegele rug, donkere vleugels met lichte tekening, een zwart-wit getekende kop en een stevige, rechte snavel. Het mannetje heeft een rode kruin, terwijl het vrouwtje een donkere of zwartachtige kruin met lichtere tekening heeft. De onderzijde is licht met donkere schub- of streeptekening. In vlucht valt de gele rug vaak sterk op, vooral wanneer de vogel tussen bomen of over open plekken vliegt. De vlucht is typisch spechtachtig, golvend, met korte reeksen vleugelslagen gevolgd door een glijfase. De roep is luid, scherp en lachend en verraadt de soort vaak al voordat de vogel wordt gezien.
Voorkomen is sterk verbonden met boomrijke, halfopen landschappen. De soort gebruikt open loofbos, droge bossen, boomgaarden, palmen, parken, tuinen, dorpen, steden, lanen, landbouwgebieden met verspreide bomen en rivierbossen. Dicht aaneengesloten bos is minder belangrijk dan halfopen terrein met oude bomen, stammen, palmen en dood hout. De soort klimt behendig langs stammen en dikke takken en gebruikt zowel hoge bomen als lagere stammen en palen om voedsel te zoeken. Door de tolerantie voor menselijke aanwezigheid wordt de kleine goudrugspecht vaak gezien in stedelijke parken, campusgebieden en boomrijke woonwijken.
Het menu bestaat vooral uit mieren, termieten, keverlarven en andere insecten die uit schors, spleten en hout worden gehaald. Daarnaast worden soms vruchten, nectar en boomsappen benut. De soort foerageert meestal op stammen, grote takken, palmen en dood hout, waarbij met de snavel wordt gehakt, gepeuterd en gezocht in schorsspleten. Ook termietennesten en mierennesten worden opengebroken. Soms foerageert de vogel laag bij de grond of op houten palen en gebouwen wanneer daar insecten aanwezig zijn.
Paarsvorming is monogaam en territoriaal. In de broedtijd laten vogels luide roepen horen en wordt ook geroffeld, al is het roffelen vaak minder hard en lang dan bij sommige andere spechten. De broedtijd varieert regionaal, maar valt in India vaak grofweg van februari tot juli. Het nest wordt uitgehakt in een boomstam, dikke tak, palm of soms een houten paal, meestal in zacht of deels vermolmd hout. Beide oudervogels helpen bij het uithakken van de nestholte, broeden en voeren van de jongen. Gewoonlijk worden 2–3 witte eieren gelegd. De nestholte wordt niet echt bekleed; houtsnippers op de bodem vormen de eenvoudige ondergrond. Belangrijke lokale bedreigingen zijn het verwijderen van oude of dode bomen, intensief snoeien, verlies van palmen en het verdwijnen van insectenrijke boomstructuren.
Genus Campethera details
Soorten van Campethera leven in bossen, bosranden, savannes met bomen, rivierbegeleidend bos, struikgebieden en andere landschappen met voldoende houtige vegetatie. Sommige soorten zijn sterk aan dicht bos gebonden, terwijl andere juist ook goed voorkomen in meer open boomrijke gebieden. In vergelijking met sommige grotere spechten ogen soorten van dit genus vaak iets fijner gebouwd en beweeglijker.
Het voedsel bestaat vooral uit insecten en insectenlarven die van schors, uit hout of van de grond worden gehaald. Mieren en termieten spelen bij veel soorten een belangrijke rol. Soorten van Campethera zoeken niet alleen op stammen en takken naar voedsel, maar foerageren soms ook opvallend vaak op dood hout, stronken of dichter bij de bodem. Daardoor nemen zij binnen de spechten een vrij gevarieerde plaats in wat betreft voedselzoekgedrag.
Voor het broeden worden nestholtes in bomen of soms in termietenheuvels uitgegraven, afhankelijk van de soort en het leefgebied. Beide oudervogels nemen doorgaans deel aan het uithakken van de nestplaats, het broeden en het verzorgen van de jongen. Het genus Campethera vormt daarmee een karakteristieke groep van Afrikaanse spechten die sterk verbonden zijn met insectenrijke, boomrijke landschappen.
Stippelspecht




Genus Colaptes details
Vlekborstgrondspecht





