Meeuwen (met name de grotere soorten) zijn vernuftige, nieuwsgierige en intelligente vogels. Ze spreiden complexe communicatiemethodes tentoon en hebben sterk ontwikkelde sociale structuren. Zo is in veel meeuwenkolonies defensief pestgedrag waar te nemen, waarmee potentiële vijanden op afstand worden gehouden. Sommige soorten, zoals de zilvermeeuw, hebben vaardigheden ontwikkeld om gereedschap te kunnen gebruiken. Vele soorten hebben zich op succesvolle wijze aangepast aan het menselijke milieu en zijn nu zeer algemeen in bewoonde gebieden. Andere soorten verkrijgen hun voedsel door middel van kleptoparasitisme.
Foto’s © Jan Dolphijn
Klik hier Genus Ichthyaetus
Soorten binnen Ichthyaetus gebruiken doorgaans brede, open habitats zoals kustlagunes, estuaria, zand- en slikplaten, zoutpannen, steppe-meren en grote rivieroevers. Broedplaatsen liggen vaak op eilandjes, zandbanken of vlakke, kale stukken in of nabij water, waar predatoren minder toegang hebben en waar kolonievorming mogelijk is. Buiten de broedtijd kunnen grote rustgroepen ontstaan op veilige zandplaten, dammen of oevers, vaak in gezelschap van andere meeuwen en sterns, zeker op plekken waar voedsel tijdelijk overvloedig is.
Het voedsel is meestal opportunistisch en veelzijdig. De prooikeuze varieert van vis en andere waterdieren tot insecten, wormen en schaaldieren, aangevuld met aas en menselijke voedselbronnen wanneer die beschikbaar zijn. Foerageren kan plaatsvinden door laag over water te scheren en prooi van het oppervlak te nemen, door in ondiep water te waden en te pikken, of door voedsel op land te verzamelen op open terrein en langs oevers. Seizoensinvloeden en lokale voedselaanbod bepalen vaak of de nadruk ligt op aquatische prooi, insectenrijke zones of juist op plaatsen waar aas en afval beschikbaar zijn.
De voortplanting verloopt bij veel soorten koloniegewijs. Nesten worden meestal op de grond gebouwd, vaak als een eenvoudige kuil met wat bekleding van plantenmateriaal, schelpen of ander beschikbaar materiaal. In kolonies is territoriaal gedrag sterk, met luide roepen en actieve verdediging van nest en jongen tegen indringers. Trekgedrag varieert per soort en populatie, van standvogelachtige kustpopulaties tot uitgesproken trekkers die tussen broed- en overwinteringsgebieden grote afstanden afleggen, waarbij vaste pleisterplaatsen langs kusten en grote binnenwateren een belangrijke rol kunnen spelen.
Audouins Meeuw



Klik hier Audouins Meeuw details
Het broedareaal ligt vooral in Spanje, met een zeer belangrijk zwaartepunt in de Ebrodelta, en daarnaast in onder meer Algerije, Griekenland, Italië, Frankrijk, Cyprus, Kroatië, Turkije, Tunesië en Marokko. Overwintering vindt plaats langs de kusten van Noord- en West-Afrika, grofweg van Libië westwaarts tot Marokko en zuidwaarts tot in Mauritanië en verder tot in delen van West-Afrika. Buiten het broedseizoen en bij onvolwassen vogels in de zomer worden waarnemingen gemeld op veel plaatsen rondom de Middellandse Zee, maar doorgaans in lage dichtheden en vaak verspreid over grote kuststroken.
Het gedrag is zwervend tot deels trekkend. In het najaar trekken substantiële aantallen westwaarts door de Straat van Gibraltar om te overwinteren langs de Atlantische kust, van noordelijk Marokko zuidwaarts tot minstens Senegambia. Een deel van de onvolwassen vogels kan ook in de zomer voor de kust van Marokko aanwezig blijven. Buiten kolonies is de soort meestal dun verspreid en minder massaal aanwezig dan veel andere meeuwen, waardoor geschikte rust- en foerageerplekken langs de route belangrijk blijven.
In het veld is Audouins meeuw een elegante, mariene meeuw met een witte kop en onderzijde en een grijze mantel en bovenvleugels. Een langgerekt kopprofiel met een wat aflopende voorhoofdlijn draagt bij aan een “slank” uiterlijk. De snavel is opvallend dieprood en duidelijk gehaakt aan de punt, met een zwarte band vlak voor de punt en een smalle geelachtige top. De poten zijn donker grijs-olijf tot bijna zwart, de iris is donker en rond het oog ligt een opvallende karmijnrode oogring. Onvolwassen vogels tonen een blekere rug en donkerder buitenvleugel, waardoor het totaalbeeld minder strak contrasterend is dan bij adulten.
Het leefgebied bestaat uit kustzones met baaien, stranden en riviermondingen, en ook zoetwater in de nabijheid van de kust kan worden benut. Broeden gebeurt vooral op lage, rotsige eilandjes voor de kust, vaak tussen grotere stenen en lage struiken, maar ook op zandstranden en in laag scrub. De voorkeur voor relatief lage, open eilandhabitats hangt samen met predatie- en verstoringsdruk, omdat zulke locaties vaak minder toegankelijk zijn voor landpredatoren en menselijke verstoring.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit vis, met een duidelijke nadruk op kleine pelagische soorten zoals sardines. Daarnaast worden ook insecten en aquatische ongewervelden gegeten, en in mindere mate kleine vogels, kleine zoogdieren zoals woelmuizen en ook plantaardig materiaal. Foerageren vindt vooral op zee plaats, waarbij laag boven het water wordt gevlogen en vis vlak onder het oppervlak wordt gegrepen zonder te landen. Regelmatig worden ook andere zeevogels gevolgd op plekken waar scholen vis aan de oppervlakte komen. Wanneer visserij-activiteiten tijdelijk verminderen, kan een verschuiving optreden naar voedsel zoeken in wetlands, moerassen en rijstvelden, en soms ook naar het benutten van vuilstortplaatsen, wat de flexibiliteit laat zien maar tegelijk de afhankelijkheid van menselijk beïnvloede voedselbronnen onderstreept.
De broedperiode start met aankomst op nestplaatsen tussen eind maart en begin april. Kolonies kunnen variëren van enkele paren tot duizenden paren, soms zelfs tot zeer grote kolonies. Het nest ligt tussen rotsen en vegetatie en bestaat uit een ondiepe kuil die wordt bekleed met beschikbaar materiaal zoals kleine plantresten en ander debris. Er is een sterke terugkeer naar dezelfde kolonie in opeenvolgende jaren, terwijl binnen die kolonie de exacte nestplek kan wisselen afhankelijk van het broedsucces van het jaar ervoor. De eileg valt meestal tussen eind april en begin mei en bestaat vaak uit twee tot drie eieren. De broedduur bedraagt ongeveer 27 tot 33 dagen. De jongen vliegen doorgaans uit rond half juli, waarna zowel adulte vogels als jongen de kolonie verlaten richting overwinteringsgebieden. Kuikens zijn in het dons vaak bleek grijs-buff met donkere vlekken die samen een gestreept patroon kunnen vormen, wat helpt bij camouflage tussen stenen en begroeiing.
Belangrijke kwetsbaarheden hangen samen met het feit dat een zeer groot deel van de broedpopulatie geconcentreerd is in een klein aantal gebieden en sterk kan leunen op voedsel dat mede beschikbaar is door de visserij. Een sterke terugval in visserij-afval of veranderingen in lokale visbeschikbaarheid kunnen daardoor snel doorwerken in broedsucces en aantallen. Aanvullende drukfactoren zijn onder meer kustontwikkelingen en toerisme, veranderingen in water- en rivierbeheer die kust- en delta-ecologie beïnvloeden, en predatie door landroofdieren en loslopende honden. In sommige kolonies kan ook predatie of verstoring door andere vogelsoorten een rol spelen, waardoor de keuze voor veilige broedlocaties en effectief beheer van verstoring lokaal extra belangrijk is.
Zwartkopmeeuw




Klik hier Zwartkopmeeuw details
De soort heeft zijn kerngebied in West-Eurazië, met een historisch zwaartepunt rond het Zwarte Zeegebied en aangrenzende delen van zuidelijk Rusland, Turkije en Griekenland. Vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw is een duidelijke westwaartse uitbreiding en kolonisatie van nieuwe broedgebieden opgetreden, met vestigingen in onder meer Hongarije, Italië, Duitsland, Nederland, België, Frankrijk en Groot-Brittannië. De westelijke broedpopulaties binnen de Europese Unie blijven relatief klein in vergelijking met het totale Europese zwaartepunt, dat vooral in Oekraïne ligt, terwijl de Griekse aantallen sterk kunnen fluctueren.
De zwartkopmeeuw is grotendeels trekkend. Een deel van de vogels overwintert in of nabij het Zwarte Zeegebied, vooral langs de Kaukasische kust en op de Krim, maar het grootste deel overwintert in het Middellandse Zeegebied. Daarnaast trekken sommige aantallen door de Straat van Gibraltar om te overwinteren langs Atlantische kusten. Sinds de jaren vijftig wordt de soort bovendien steeds vaker vastgesteld langs de kusten van West- en Noordwest-Europa, wat past bij de bredere westwaartse uitbreiding. Trekbewegingen verlopen vooral langs kusten, maar een kleiner deel steekt ook landinwaarts over, onder meer via Aziatisch Turkije, en kleine aantallen volgen grote riviervalleien in oostelijk en centraal Europa.
In het veld is de zwartkopmeeuw in volwassen broedkleed zeer kenmerkend door de volledig zwarte kop met opvallende witte halvemaanvormige vlekken rond het oog. De hals is wit en de bovendelen zijn zeer lichtgrijs, waardoor het geheel een opvallend “bleke” indruk kan geven. De slagpennen zijn overwegend wit, met op de buitenste handpen een zwarte buitenvlag, en de staart is wit. De onderzijde is wit. De snavel is scharlakenrood en kan een variabele donkere band vlak voor de punt tonen, vaak vooral op de onderkaak, en geregeld is een kleine gele punt zichtbaar. De poten zijn fel rood, de iris is donkerbruin tot zwartachtig en rond het oog zit een rode oogring. Ten opzichte van de kokmeeuw valt een zwaardere bouw op met een grotere kop en zwaardere snavel, een bleker totaalbeeld, een zwarte kap die verder doorloopt richting achterhoofd en nek, en een minder uitgesproken “zwarte vleugeltip” in het vluchtbeeld.
Het broedhabitat omvat mediterrane kusten, kustlagunes, steppe-meren en moerassen in open laagland, vaak met spaarzame vegetatie. Volledig kale zandvlakten worden doorgaans gemeden, terwijl open terreinen met lage begroeiing of mozaïek van vegetatie en open plekken juist geschikt zijn. Na de broedtijd wordt een veel breder palet aan habitats gebruikt, met verblijf aan kusten, estuaria en havens, maar ook in moerassen, bij binnenlandse meren en geregeld op akkers en graslanden. De soort lijkt relatief goed te kunnen inspelen op nieuwe omstandigheden en kan daardoor sneller dan sommige andere meeuwen nieuwe broed- en overwinteringshabitats benutten.
Het voedsel verschilt per seizoen. In de broedtijd bestaat het dieet vooral uit aquatische en terrestrische insecten, aangevuld met slakken en in kleinere mate vis, wormen en soms kleine knaagdieren. Bij uitbraken van insectenplagen kunnen groepen massaal neerstrijken op landbouwpercelen om daar insecten te benutten, en foerageervluchten tot tientallen kilometers van de kolonie komen voor. Tijdens trek en in de winter, wanneer vaker kusten en havens worden benut, verschuift het menu naar vis, weekdieren en slachtafval, met daarnaast soms rioolwaterinvloeden en ander afval. De foerageertechnieken zijn gevarieerd en omvatten het vangen van prooi in de lucht, oppervlakkig duiken, contact-dippen en het opnemen van voedsel van het wateroppervlak tijdens zwemmen, naast lopend en rennend jagen op de grond.
De eileg begint vaak in de eerste helft van mei. Kolonies blijven meestal onder de duizend paren, maar uitzonderingen komen voor, en soms wordt ook solitair gebroed binnen kolonies van andere soorten. Nesten liggen op schaars begroeide plekken, maar ook in dichter struikgewas of in rietvelden, en bestaan uit een ondiepe kuil die met gras wordt bekleed. Nesten kunnen zeer dicht op elkaar liggen, met nestkransen soms slechts enkele centimeters uit elkaar. Een legsel bestaat meestal uit twee tot drie eieren, met een broedduur van ongeveer 23 tot 26 dagen. Kuikens hebben een gevlekt patroon van bruin, grijs en buff op de kop, met enkele brede bruine banden op de buffkleurige rug en een bleke grijs- tot roze-buff onderzijde. Eerste broeden vindt vaak plaats op een leeftijd van twee tot drie jaar.
Klik hier Genus Larus
Soorten binnen Larus leven in uiteenlopende habitats, waaronder kusten, estuaria, stranden, rotskusten, havens, grote meren, rivieren, wetlands en ook agrarisch gebied. Broedplaatsen liggen vaak op eilandjes, zandbanken, kwelders of klifranden, maar ook op daken en in industriegebieden wanneer veilige, rustige plekken schaars zijn. Kolonievorming is gebruikelijk, al komt solitair broeden ook voor, afhankelijk van soort en lokale omstandigheden. Buiten de broedtijd kunnen grote slaapplaatsen ontstaan op zandplaten, pieren, dammen en rustige oevers, vaak gemengd met andere meeuwensoorten.
Het voedsel is sterk gevarieerd en bestaat uit vis, schaaldieren, weekdieren, wormen, insecten, aas en in veel gebieden ook afval en bijproducten van visserij en landbouw. Sommige soorten zijn gespecialiseerd in het openen van schelpdieren of het volgen van vissersschepen, terwijl andere vooral profiteren van terrestrische prooien zoals insectenplagen op akkers of regenwormen op grasland. Foerageren gebeurt zowel op zee als op land, met technieken zoals oppervlakkig duiken, voedsel van het wateroppervlak nemen, achter prooi aan rennen op de grond, of het plunderen van voedsel van andere vogels.
De voortplanting vindt meestal plaats op de grond met een nest van plantenmateriaal, zeewier of andere beschikbare bekleding, vaak op open plekken met goed zicht. In kolonies is territoriaal gedrag uitgesproken, met luide roepen en actieve verdediging tegen indringers. Eieren en kuikens zijn relatief kwetsbaar voor predatie en verstoring, waardoor broedsucces sterk kan samenhangen met de ligging van de kolonie, voedselbeschikbaarheid en lokale drukfactoren. Trekgedrag varieert sterk binnen het genus, van standvogelpopulaties in kustgebieden tot uitgesproken trekkers die grote afstanden afleggen tussen broed- en overwinteringsgebieden, waarbij vaste pleisterplaatsen langs kusten en grote binnenwateren belangrijk kunnen zijn.
Californische meeuw



Klik hier californische meeuw details
De soort komt vooral voor in West-Noord-Amerika. Binnen het broed- en kerngebied zijn veel populaties grotendeels standvogel, maar er treedt ook duidelijke zwerftrek op. Ringgegevens laten zien dat individuen binnen het bredere areaal relatief ver kunnen rondzwerven, met seizoensmatige verschuivingen naar noordelijker of zuidelijker kuststroken, vooral in de winter. Het voorkomen is sterk gekoppeld aan kustzones en grote wateren; ver landinwaarts worden veel minder waarnemingen gedaan dan bij sommige andere meeuwensoorten die sterker op binnenlandhabitats zijn ingesteld.
In het veld is de Californische meeuw een middelgrote meeuw met een overwegend lichtgrijze mantel en bovenvleugels en een witte kop en onderzijde. In broedkleed valt doorgaans een heldere kop op, terwijl in winterkleed vaak wat fijnere streping op kop en nek zichtbaar kan zijn, zonder dat dit tot een volledig “kap”-achtig patroon leidt. De snavel is relatief stevig en toont meestal duidelijke kleuraccenten aan de puntzone, wat helpt bij determinatie ten opzichte van gelijkende meeuwen in hetzelfde gebied. In vlucht zijn de handpennen contrastrijk getekend met duidelijke witte “spiegels” aan de vleugeltip, wat samen met het formaat en de manteltoon belangrijke veldkenmerken zijn.
Het leefgebied omvat kusten, estuaria, stranden, slik- en zandplaten en grote open wateren, maar ook binnenlandse wateren spelen een grote rol, zeker in het broedseizoen. Broedplaatsen liggen vaak bij grote meren en reservoirs, op eilanden, zand- of grindbanken en in open, vlak terrein in de nabijheid van water. Buiten de broedtijd wordt een breed scala aan plekken benut, waaronder havens, riviermondingen, oevers van meren en ook menselijke omgevingen zoals vuilstorten, parkeerterreinen en stedelijke waterkanten, waar voedsel vaak voorspelbaar aanwezig is.
Het voedsel is zeer gevarieerd en opportunistisch. Veel gegeten prooien zijn vis en watergebonden ongewervelden zoals insecten, wormen, kreeftachtigen en weekdieren. Daarnaast worden ook aas, afval en restproducten van menselijke activiteiten benut, en op sommige plekken worden ook eieren en jongen van andere vogels gegeten wanneer die bereikbaar zijn. Foerageren gebeurt lopend en pikkend op de grond, zwemmend aan het wateroppervlak of door vanuit vlucht kort te duiken naar prooi. Hard-schalige prooien kunnen soms worden losgelaten op harde ondergrond om de schaal te breken, waarna de inhoud wordt gegeten, een techniek die bij meerdere grote meeuwen voorkomt.
De voortplanting vindt doorgaans plaats in kolonies, vaak dicht bij voedselrijke wateren. Nesten liggen meestal op de grond op open plekken en bestaan uit een ondiepe kuil met bekleding van gras en ander plantaardig materiaal. Het legsel bestaat vaak uit twee tot drie eieren, met variatie afhankelijk van omstandigheden. Beide ouders broeden en verzorgen de jongen. Kuikens kunnen al relatief vroeg het nest verlaten om in de directe omgeving dekking te zoeken, terwijl oudervogels voedsel blijven aanbrengen. Het uitvliegen vindt meestal na meerdere weken plaats, waarna nog een periode volgt waarin jonge vogels geleidelijk zelfstandiger worden. De combinatie van koloniebroeden, flexibel voedselgebruik en het benutten van uiteenlopende habitats draagt eraan bij dat de soort in veel delen van het areaal goed kan standhouden.
Kleine mantelmeeuw
[latijn] Larus fuscus | [UK] Lesser Black-backed Gull | [FR] Goeland brun | [DE] Heringsmowe | [ES] Gaviota Sombria | [NL] Kleine Mantelmeeuw



Klik hier Kleine mantelmeeuw
De soort is in de basis trekkend, maar in recente decennia is bij oudere vogels een toegenomen neiging gezien om dichter bij het broedgebied te overwinteren, waaronder vaker binnen Groot-Brittannië. Het totale wintergebied strekt zich uit van Groot-Brittannië via het Middellandse Zeegebied tot in delen rond de Zwarte en Kaspische Zee (daar meestal schaars), en verder oostwaarts tot Turkmenistan, de Perzische Golf en de Arabische Zee. Daarnaast wordt ook in West- en Oost-Afrika overwinterd, doorgaans dunner verspreid verder naar het zuiden. Vooral meer oostelijke populaties ondernemen uitgebreide trek over land, waardoor routes en overwinteringsgebieden per populatie duidelijk kunnen verschillen.
In het veld is de kleine mantelmeeuw een grote maar vrij elegante meeuw, en binnen het westelijk Palearctisch gebied de kleinere van de twee “zwartvleugel/zwartmantel”-types. De mantel- en bovenvleugelkleur varieert per ondersoort: in noordelijke populaties kan de rug bijna zo donker zijn als de slagpennen, terwijl zuidelijker populaties een duidelijk lichtere mantel tonen die soms richting asgrijs kan gaan, waardoor het contrast met de zwarte slagpennen sterker wisselt. De rest van het volwassen kleed is overwegend wit, met in de winter vaak wat donkerdere streping op achterhoofd en nek, in sommige populaties duidelijker uitgesproken. Een belangrijk vluchtkenmerk is dat de onderzijde van de slagpennen in alle seizoenen donker geschaduwd is, in tegenstelling tot sommige vergelijkbare grote meeuwen. De poten zijn doorgaans geel en kunnen in het voorjaar richting oranje neigen. Juveniele vogels zijn opvallend donkerder dan jonge zilvermeeuwen, met een meer egaal donkerbruin mantelbeeld, donkere weinig gebandeerde tertials en buitenste grote dekveren, en juist een relatief “schoner” contrast rond snavelbasis en nek. In vlucht kan een eerste-winter vogel te herkennen zijn aan een bijna uniform donkerbruin buitenvleugelbeeld en een diepere, meer samenhangende donkere staartband die sterk contrasteert met een wittere stuit.
Het broedhabitat ligt vooral in de gematigde en boreale zones langs de oceanische rand van West-Palearctisch Europa, met uitbreiding tot subarctische kusten, terwijl sterk ijsgebonden zeeën worden vermeden. Broedplaatsen liggen vaak op vlakke of licht hellende terreinen met korte vegetatie, maar ook op rotsige eilanden, klifranden en klifplateaus. In vergelijking met de grote mantelmeeuw worden nestplaatsen vaker gekozen die over land relatief toegankelijk zijn, waarbij veiligheid vooral wordt bereikt door koloniegrootte, tolerantie of bescherming door mensen en een zekere afstand tot directe verstoring. Uitzonderingen zijn rotsige eilanden en eilandjes in zoetwatermeren, waar open, hogere delen vaak worden benut. Buiten de broedtijd wordt een veel breder palet aan mariene én binnenlandse habitats gebruikt, van kustwateren en open zee tot lagunes, estuaria, havens en strandzones, maar ook geregeld landinwaarts bij plassen, reservoirs, sportvelden, rivierwerken, kanalen en soms akkers nabij stedelijke gebieden.
Het voedsel is zeer gevarieerd en opportunistisch. Veel gebruikte voedselbronnen zijn vis, aquatische ongewervelden en afval of bijproducten van visserij en menselijke activiteiten. Daarnaast worden ook eieren en jongen van andere vogels, aas, slachtafval, kleine zoogdieren zoals knaagdieren en zelfs bessen gegeten, afhankelijk van seizoen en beschikbaarheid. In sommige regio’s speelt haring een belangrijke rol, terwijl in andere gebieden discards van trawlers een groot aandeel kunnen vormen. Wanneer die bron tijdelijk wegvalt, bijvoorbeeld door visserijbeperkingen, kan het foerageren verschuiven naar vuilstorten, landbouwgebieden zoals olijfgaarden of rijstvelden en andere alternatieve voedselplekken. Foerageertechnieken omvatten onder meer voedsel van het wateroppervlak nemen, oppervlakkig duiken en gericht oppikken van zichtbaar voedsel in de getijdenzone, waarbij minder nadruk ligt op het omwoelen van wier of het zoeken onder stenen dan bij sommige andere meeuwen.
In het Noordzeegebied begint de eileg vaak eind april of begin mei, en in noordelijker gebieden zoals IJsland en Finland kan dit tot ongeveer twee weken later liggen. Het nest is meestal een vrij forse hoop van zeewier, gras en ander plantaardig materiaal, vaak gemengd met uiteenlopend “debris”, met een duidelijke nestkom die met fijner materiaal is bekleed. Nesten liggen op de grond in open terrein of deels beschut door vegetatie, soms ook meer verborgen in hogere begroeiing, en daarnaast op klifrichels en -toppen. Sinds het midden van de twintigste eeuw zijn ook daken en bouwrichels vaker als nestplaats benut. Een legsel bestaat meestal uit drie eieren, met variatie van één tot vier. De broedduur bedraagt ongeveer 24 tot 27 dagen en de jongen vliegen doorgaans uit na circa 30 tot 40 dagen. Kolonies kunnen regionaal sterk verschillen in omvang, met in sommige gebieden kleinere kolonies en in andere gebieden juist grote, dicht bezette broedplaatsen.
Stormmeeuw



Klik hier Stormmeeuw
Het verspreidingsgebied omvat boreale, gematigde en steppegebieden van Eurazië en Noord-Amerika, en lokaal ook arctische zones. In Europa ligt het zwaartepunt van broedgebieden in noordelijke regio’s, terwijl overwintering vooral plaatsvindt langs de westelijke zeekust, inclusief de Baltische regio, met de belangrijkste winterzones grofweg van de Oostzee tot de Britse Eilanden en zuidwaarts tot Bretagne. In strenge winters bereiken kleinere aantallen het Iberisch Schiereiland en het Middellandse Zeegebied. De soort is doorgaans vooral in maritieme landen langs trek te zien en dringt meestal maar beperkt diep door in Midden-Europa, al gebeurt dit de laatste jaren vaker en is er inmiddels ook broeden in delen van Centraal-Europa op gang gekomen.
Het trekgedrag is overwegend migrerend. Britse en Ierse vogels verlaten het gebied zelden volledig, maar vertonen wel uitgesproken interne verplaatsingen, vaak zuidwaarts tot zuidwestwaarts in het najaar. Schotse vogels worden relatief vaak teruggevonden rond de Ierse Zee en in Ierland. Op het vasteland verlopen trekbewegingen vooral langs de kust en langs grotere wateren, met een duidelijke voorkeur voor routes en pleisterplaatsen die dicht bij maritieme voedselgebieden liggen.
In het veld heeft de stormmeeuw een klassiek meeuwbeeld met een lichtgrijze mantel en bovenvleugels, een witte kop, staart en onderzijde, en zwarte vleugeltoppen met duidelijke witte “spiegels”. Poten en snavel zijn doorgaans geel. In broedkleed oogt de kop vaak opvallend schoon wit, met een donker oog en een egaal gele snavel zonder duidelijke tekening. In winterkleed verschijnt vaker een bruine waas of vage streping op de kop, en kan de snavel een donkerder deel tonen, wat het totaalbeeld wat minder strak maakt. Juveniele vogels zijn overwegend bruin gemarmerd met wit en grijs en tonen een minder helder contrastrijk patroon dan volwassen vogels, waardoor jonge stormmeeuwen soms een “vuiler” en donkerder geheel vormen in gemengde meeuwengroepen.
Het leefgebied verschuift met het seizoen. In de winter wordt de soort veel gezien in kustwateren, estuaria en riviermondingen en bij zoetwaterplassen en -vijvers dicht bij de kust. In de zomer ligt de nadruk meer op gebieden rond noordelijke meren en andere binnenlandse wateren waar broeden plaatsvindt. De soort wordt doorgaans minder sterk met vuilstorten geassocieerd dan sommige grotere meeuwen en wordt ook relatief weinig ver op zee waargenomen, met een voorkeur voor kustnabije zones en zoetwater in de nabijheid van de kust.
Het voedsel is opportunistisch en varieert sterk per seizoen en habitat. In broedgebieden bestaat het dieet vaak vooral uit insecten, die regelmatig ook in de lucht worden gevangen. In kustgebieden buiten de broedtijd spelen kleine vis, kreeftachtigen en weekdieren een grotere rol. Daarnaast worden ook regenwormen, kleine knaagdieren, eieren en jongen van vogels, aas, afval, graan en bessen benut wanneer die beschikbaar zijn. Foerageren gebeurt lopend, wadend, zwemmend of vliegend, en bij harde schelpdieren kan soms het loslaten op stenen of verharding worden gebruikt om de schaal te breken.
De voortplanting vindt plaats in kleine kolonies of als losse paren. Nestplaatsen liggen vaak op hoger gelegen terrein nabij water, maar nestbouw kan ook op opvallende plekken gebeuren, zoals op een boomstronk of in dicht sparrenbos, soms meters boven de grond. In Europa zijn ook broedgevallen op grinddaken bekend. Grondnesten bestaan doorgaans uit een ondiepe kuil die met gras wordt bekleed, terwijl nesten in bomen meer het karakter van een ondiepe kom van twijgen en gras hebben. Beide ouders bouwen mee en broeden het legsel, meestal drie eieren, gedurende ongeveer vier weken. Kuikens uit grondnesten kunnen al na enkele dagen het nest verlaten, maar blijven dan in de directe omgeving, terwijl kuikens uit boomnesten doorgaans langer in het nest blijven. Beide ouders voeren de jongen, en uitvliegen vindt meestal rond vier weken leeftijd plaats.
Zilvermeeuw




Klik hier Zilvermeeuw details
Het verspreidingsgebied in Europa loopt grofweg van zuidwestelijk Frankrijk en de Britse Eilanden tot in noordwestelijk Rusland, met broeden vooral in kusthabitats, maar in sommige regio’s ook ver landinwaarts. Het trekgedrag varieert per regio. In noordelijke gebieden zoals noord-Noorwegen, de Botnische Golf, Finland, de Baltische staten en Rusland is sprake van duidelijke trek, terwijl elders vaker standvogelgedrag of regionale zwerftrek voorkomt. Onvolwassen vogels blijven in alle populaties in de zomer opvallend wijd verspreid tussen broedkolonies en overwinteringsgebieden, met daarnaast aanwijzingen voor gedeeltelijke terugbeweging richting kolonie bij sommige langeafstandstrekkers.
In het veld is de zilvermeeuw een grote meeuw met een witte kop, lichaam en staart en een lichtgrijze mantel en bovenvleugels. De snavel is geel met een rode vlek aan de onderzijde nabij de punt. De poten zijn roze tot vleeskleurig. De vleugeltoppen zijn zwart met witte vlekken, waardoor in vlucht een duidelijk patroon aan de handpennen zichtbaar is. In winterkleed verschijnt doorgaans bruine streping op de kop, wat een “vuilere” indruk kan geven. Onvolwassen vogels zijn bruin gemarmerd en hebben meerdere jaren nodig om het volledige volwassen kleed te bereiken, waarbij het verenkleed geleidelijk van bruin gevlekt naar het typische grijs-witte volwassen patroon overgaat.
Het leefgebied is breed. In de winter worden vaak stranden en oevers van zee en grote wateren benut, terwijl in andere seizoenen ook veel verder landinwaarts wordt rondgezworven langs meren en rivieren, in graslanden, op eilanden en kliffen en in sterk door mensen beïnvloede omgevingen zoals havens en vuilstorten. Een betrouwbare voedselbron in de nabijheid is een belangrijke randvoorwaarde, wat verklaart waarom stedelijke en industriële waterkanten en plekken met visserij- of afvalstromen vaak veel zilvermeeuwen aantrekken. In kustgebieden kan de soort ook een “opruimende” rol vervullen door aas en afval te eten, terwijl in dezelfde context ook conflicten met menselijke activiteiten kunnen ontstaan, bijvoorbeeld door het wegnemen van onbeheerde vangst of door vervuiling en schade op rustplaatsen en daken.
Het voedsel is uitgesproken opportunistisch en zeer divers. Vaak gegeten prooien zijn schelpdieren, kleine vis, aas, andere drijvende dode dieren en ook eieren en jongen van andere kolonievogels wanneer die bereikbaar zijn. Daarnaast worden ook regenwormen, kleine knaagdieren, afval, graan en bessen benut, afhankelijk van seizoen en habitat. Voedsel wordt gevonden op stranden, in getijdenzones, op akkers en graslanden, bij viskades en op vuilstorten, waarbij individuen soms duidelijk specialiseren in een bepaalde voedselbron of foerageertechniek. Binnen kolonies kunnen ook gedragingen voorkomen waarbij eieren of kuikens van soortgenoten of buren worden gepakt, vooral wanneer eigen broedsel verloren is gegaan en de druk om energie terug te winnen toeneemt. Foerageerafstanden zijn variabel, maar veel voedselvluchten blijven zo kort mogelijk; wanneer de dichtstbijzijnde rijke bron verder weg ligt, kunnen dagelijkse “pendelvluchten” over tientallen kilometers toch regelmatig voorkomen.
De voortplanting start vaak vroeg in het voorjaar, met balts en paarvorming vanaf aankomst in of rond maart. Nesten worden gebouwd of opnieuw opgeknapt en bestaan uit een ronde structuur met bekleding van mos en gras, waarmee ook de nestrand wordt opgebouwd. In veel gebieden ligt het eerste complete legsel, meestal drie eieren, rond half mei. Onervaren broedvogels leggen vaak later en kunnen vaker één of twee eieren leggen. De broedduur bedraagt doorgaans ongeveer 26 tot 28 dagen. Legselverlies kan optreden door diefstal of predatie door andere meeuwen en door stormen en hoog water, waarna in een vroeg stadium van het seizoen vaak een vervanglegsel kan volgen.
Na het uitkomen zijn kuikens kwetsbaar, vooral in de eerste dagen. Predatie en agressie door naburige meeuwen kan een belangrijke verliesfactor zijn, zeker wanneer kuikens de territoriale grenzen overschrijden. Naarmate kuikens ouder worden verschuift het risico vaker richting voedseltekort, waarbij de overleving sterk samenhangt met de lokale voedselbeschikbaarheid en de mogelijkheid om veilige foerageerplekken te bereiken. De periode tot uitvliegen en vertrek uit de kolonie is relatief lang en kan grofweg enkele weken tot bijna twee maanden beslaan, waarna de zelfstandigheid geleidelijk toeneemt. In dicht bezette gebieden kan ook buiten de kolonie territoriaal gedrag optreden op belangrijke voedselplekken, wat jonge vogels extra benadeelt totdat voldoende ervaring en vaardigheid is opgebouwd.
Grote mantelmeeuw



Klik voor Grote mantelmeeuw details
De soort is in essentie een Noord-Atlantische meeuw die in alle seizoenen sterk aan kustgebieden is gebonden. Het verspreidingsgebied omvat de kust van oostelijk Noord-Amerika en de kusten van West- en Noordwest-Europa. In Europa ligt het broedgebied langs mariene kusten van de Atlantische Oceaan en de Oostzee, met broeden van Frankrijk en de Britse Eilanden tot Noorwegen. In diverse regio’s is uitbreiding en kolonisatie van nieuwe gebieden vastgesteld, waaronder delen van Duitsland en Nederland, terwijl het algemene beeld in de afgelopen decennia stabiel tot groeiend is gebleven.
Het trekgedrag vormt een continuüm. Ten noorden van de poolcirkel kan sprake zijn van volledige trek, terwijl in zuidelijker delen van het broedgebied vaker alleen zwerftrek of standvogelgedrag voorkomt. Het belangrijkste Europese wintergebied reikt doorgaans tot de Golf van Biskaje, met kleinere aantallen verder zuidwaarts langs de kusten tot aan Marokko. Landinwaarts is de soort over het algemeen schaars, vooral in landen zonder zee, maar lokaal kunnen toch concentraties ontstaan in riviervalleien van maritieme landen wanneer daar geschikte foerageer- of slaapplaatsen aanwezig zijn.
In het veld is de grote mantelmeeuw de grootste meeuw van het westelijk Palearctisch gebied. De bouw is indrukwekkend met brede vleugels, een massieve kop en een zeer stevige snavel. Volwassen vogels hebben een witte kop, onderzijde en staart, met een leisteenzwarte mantel en bovenvleugels. De snavel is geel met een rode vlek op de ondersnavel nabij de punt. De poten zijn roze, de iris is geel en rond het oog zit een rode oogring. Juveniele vogels zijn sterk gemarmerd in wit en lichtbruin en hebben een geheel donkere snavel, waardoor jonge vogels een veel “ruwer” en contrastrijker totaalbeeld tonen dan adulten.
Het leefgebied omvat vooral zandige of rotsige kusten, estuaria en open zee, maar lokaal worden ook grotere binnenwateren, akkers en open heide- of veengebieden benut, vooral buiten de broedtijd. Broedplaatsen liggen vaak op begroeide eilanden, duinen en vlakke rotstorens, en ook op kwelder-eilandjes tussen struiken. De keuze voor relatief open, overzichtelijke plekken is typisch, met een voorkeur voor substrates zoals zand, gras of rots, en op sommige plaatsen worden ook daken als nestlocatie gebruikt.
Het voedsel is uitgesproken opportunistisch en zeer breed. Vis, ongewervelden, insecten, aas, afval en slachtafval worden benut, maar ook zoogdieren en vooral vogels spelen regelmatig een rol in het dieet. De soort staat bekend als een agressieve predator op eieren en kuikens van andere kolonievogels, en kan zelfs volwassen vogels doden. Hard-schalige prooien zoals schelpdieren en ook bijvoorbeeld ganzeneieren kunnen worden gekraakt door ze op harde ondergrond te laten vallen. Langs de kust wordt veel geaasd en gezocht op strand en slik, en ook vuilstorten kunnen voedsel leveren wanneer die in de buurt liggen.
De broedperiode valt vooral in april en mei. Er wordt vaak in kleine kolonies gebroed, soms in de nabijheid van zilvermeeuwen, maar solitair broeden tussen andere soorten komt eveneens voor. Nestplaatsen liggen bij voorkeur op richels, rotspunten en rotsige uitsteeksels, maar open zandige of grasrijke plekken worden ook benut. Het nest is meestal groot en fors, opgebouwd uit droog gras, mos en zeewier, vaak geplaatst naast een rotsblok of vegetatie voor enige beschutting. Een legsel bestaat doorgaans uit drie eieren. De broedduur is ongeveer 27 dagen. Kuikens zijn in het dons vaak bleekgrijs met grote donkere vlekken. Eerste broeden vindt meestal pas plaats rond een leeftijd van vier jaar. In kolonies kan de overleving van kuikens samenhangen met de dichtheid van naburige territoria en de frequentie van conflicten, doordat agressieve interacties en verstoring toenemen wanneer nestafstanden klein zijn.
Geelpootmeeuw





Klik hier Geelpootmeeuw details
De soort komt vooral voor rond het Middellandse Zeegebied en aangrenzende kusten en eilanden, met aanwezigheid langs de Atlantische kusten van het Iberisch Schiereiland en zuidwestelijk Frankrijk en op enkele eilandgroepen in de regio. Daarnaast zijn er ook broedgevallen landinwaarts, onder meer bij grote meren en in delen van Centraal-Europa. Het trek- en zwerfgedrag is complex en varieert van standvogelgedrag tot gedeeltelijke trek en uitgesproken post-broed dispersie, vooral bij jonge vogels. In brede zin blijven veel vogels in en rond het Middellandse Zeegebied, terwijl buiten het broedseizoen ook veel verplaatsingen optreden naar Centraal-Europa en naar kusten rond Het Kanaal en de zuidelijke Noordzee. Verplaatsingen verlopen vaak langs riviercorridors en grote wateren, waardoor concentraties kunnen ontstaan bij meren en in rivierdelta’s.
In het veld is de geelpootmeeuw een grote meeuw met een middelgrijze mantel en bovenvleugels, een stevige bouw en opvallend gele poten. De oogring is rood en de snavel is geel met een kleine rode vlek nabij de punt. Juveniele vogels zijn grijzebruin gestreept of gemarmerd, met een donkere snavel en roze poten, waardoor jonge vogels in gemengde meeuwengroepen een duidelijk ander totaalbeeld geven dan volwassen exemplaren. Door de variatie in kleed en de gelijkenis met enkele andere grote meeuwen is een combinatie van kenmerken zoals pootkleur, kopvorm, snavelvorm en het patroon van vleugel- en koptekening in verschillende seizoenen vaak bepalend voor zekere herkenning.
Het leefgebied is breed en omvat kusten, rotskusten, estuaria, havens, stranden en eilanden, met een duidelijke voorkeur voor relatief rustige overnachtings- en broedlocaties zoals kleine eilanden en kustkliffen. Overdag wordt de soort vaak in grotere aantallen gezien in en rond menselijke nederzettingen, waar voedselbronnen voorspelbaar kunnen zijn. De soort profiteert daardoor regelmatig van stedelijke waterkanten, visserijhavens en andere plaatsen waar afval, bijproducten of aas beschikbaar komen, zonder dat de binding aan kust en grotere wateren verdwijnt.
Het voedsel is uitgesproken opportunistisch. Vis, mariene ongewervelden, aas en allerlei menselijke voedselbronnen worden benut, en ook het roven of afpakken van voedsel bij andere zeevogels komt voor. In veel gebieden wordt alles gegeten wat bereikbaar is en energetisch loont, waardoor dieet en foerageerstrategie sterk kunnen meebewegen met lokale omstandigheden en menselijke activiteiten. Foerageren gebeurt zowel op zee als op land, lopend en pikkend, zwemmend aan het oppervlak, of door kort te duiken of prooi van het wateroppervlak te nemen.
De voortplanting verloopt doorgaans monogaam en in kolonies. Het nest wordt door beide partners gebouwd op de grond of op klifrichels en wordt bekleed met een mix van beschikbaar materiaal zoals gras, takjes, veren en ander “debris”. Een legsel bestaat meestal uit drie eieren, vaak buff- tot olijfkleurig met donkere vlekken. De broedduur bedraagt ongeveer 28 tot 30 dagen en beide ouders broeden. De jongen blijven doorgaans meerdere weken bij het nest en worden gevoerd en beschermd totdat uitvliegen mogelijk is, waarna nog een periode van geleidelijke zelfstandigheid volgt. Er wordt meestal één broedsel per jaar grootgebracht, waarbij het broedsucces sterk kan samenhangen met voedselbeschikbaarheid, verstoring en predatiedruk rond de kolonie.
Heermans meeuw





Klik hier Heermanns Meeuw
De broedgebieden liggen vooral op eilanden voor de kust van noordwestelijk Mexico. Buiten het broedseizoen verschijnt de soort als post-broed bezoeker langs de westkust van Noord-Amerika, met slechts incidentele of toevallige waarnemingen landinwaarts. Na het broeden verplaatst een groot deel van de populatie zich noordwaarts langs de Pacifische kust, waarbij de eerste grotere aantallen vaak vanaf eind mei verschijnen. Een lange periode van aanwezigheid langs de kust volgt, met blijven tot in de winter, en een terugkeer richting Mexico in de loop van de winter, vaak rond begin februari wanneer het merendeel weer zuidwaarts trekt. Daarnaast treedt ook verspreiding zuidwaarts op langs de Mexicaanse kust, waardoor de soort in verschillende kustzones buiten het broedgebied kan worden aangetroffen.
In het veld is Heermanns meeuw in West-Noord-Amerika zeer herkenbaar. Het verenkleed is overwegend donkergrijs met een zwarte staart, gecombineerd met een lichte tot witte kop en een opvallend rode snavel. In winterkleed wordt de kop vaak grijzer, waardoor het contrast met het lichaam minder scherp is. Jonge vogels zijn veel donkerder en missen de lichte koptekening; de snavel oogt dan bruin of bruin met variabele roodtinten, waardoor juvenielen een meer egaal donker totaalbeeld hebben dan volwassen vogels.
Het leefgebied bestaat vooral uit kust en nabijgelegen open zee. Gebruikte biotopen zijn onder meer stranden, rotskusten, estuaria, kustlagunes, offshore kelpwouden en kustwateren direct langs de kustlijn. In tegenstelling tot verschillende andere meeuwen wordt zoetwater en sterk stedelijk milieu minder vaak benut; bezoeken aan binnenlandse plassen en vuilstorten zijn doorgaans zeldzaam, zelfs wanneer die relatief dicht bij de kust liggen. Waarnemingen ver uit de kust komen wel voor, waarbij vogels soms buiten zicht van land op open zee worden aangetroffen.
Het voedsel bestaat vooral uit vis en andere kleine mariene prooien. Naast veel kleine vis worden ook kreeftachtigen, weekdieren en insecten gegeten. Af en toe worden eieren van andere vogels genomen en in beperkte mate wordt ook aas, afval of ander gemakkelijk beschikbaar voedsel benut, maar gemiddeld minder nadrukkelijk dan bij sommige andere grote meeuwen. Foerageren gebeurt veel in vlucht boven zee, met het oppikken van prooi van het oppervlak of kort duiken en plonzen om vis te grijpen. Een opvallend onderdeel van het gedrag is kleptoparasitisme: voedsel wordt regelmatig van andere vogels gestolen, onder meer door andere zeevogels lastig te vallen totdat prooi wordt losgelaten of uitgebraakt. Ook directe diefstal van gevangen vis kan voorkomen, wat de soort langs visrijke kustzones extra opvallend maakt in gemengde groepen zeevogels.
De voortplanting is minder gedetailleerd beschreven dan bij veel andere meeuwen, maar broeden vindt in het voorjaar plaats in kolonies op eilanden voor de westkust van Mexico. Kolonies kunnen zeer groot zijn, terwijl broedgevallen aan de Amerikaanse westkust schaars en versnipperd zijn. Nestplaatsen liggen meestal op vlakke grond binnen de kolonie. Het nest kan bestaan uit een eenvoudige kuil met weinig bekleding, maar er zijn ook nesten bekend die meer als kom zijn opgebouwd uit gras en kruiden en bekleed met veren. Het legsel bestaat meestal uit twee tot drie eieren, met variatie in tinten van lichtgrijs tot blauwgrijs en vlekken in bruinachtige en olijfkleurige tonen. Beide ouders broeden, met een broedduur die rond vier weken ligt. In het warme klimaat van droge, zonrijke eilanden speelt temperatuurbeheer een belangrijke rol, waarbij eieren bij koelte worden verwarmd en overdag juist beschaduwd om oververhitting te voorkomen. Kuikens worden door beide ouders gevoerd en beschermd, terwijl de leeftijd waarop uitvliegen plaatsvindt minder consistent beschreven is en per omstandigheden kan variëren.