De Scolopacidae-familie, beter bekend als strandlopers en snippen, is een diverse groep waadvogels die wereldwijd voorkomt. Deze vogels staan bekend om hun slanke snavels, lange poten en gespecialiseerde foerageergedrag, waarbij ze vaak in modder of zand naar ongewervelde dieren zoeken. Tot deze familie behoren onder andere strandlopers, wulpen, grutto’s, snippen en franjepoten. Veel soorten zijn trekvogels die in de Arctische gebieden broeden en in kust- of wetlandgebieden overwinteren. Dankzij genetische studies is de taxonomie van deze familie in de afgelopen jaren herzien, wat heeft geleid tot een beter begrip van de onderlinge relaties binnen de groep.
Alle foto’s ©Jan Dolphijn
Klik hier Genus Calidris
Het genus Calidris omvat een grote en zeer bekende groep strandlopers, vooral typische steltlopers van slikken, zandplaten, kwelders, toendra’s en ondiepe wetlands. Veel soorten zijn klein tot middelgroot, met een compacte bouw, relatief lange vleugels en vaak een fijne, rechte of licht gebogen snavel die past bij het zoeken naar kleine prooidieren in modder, nat zand en ondiep water. Binnen het genus is veel variatie in pootlengte, snavellengte en foerageerstijl, waardoor soorten verschillende niches kunnen benutten binnen hetzelfde kust- of wetlandgebied.
Een groot deel van de Calidris-soorten is uitgesproken migrerend en legt jaarlijks grote afstanden af tussen arctische of subarctische broedgebieden en gematigde tot tropische overwinteringsgebieden. Trek vindt vaak plaats in etappes via vaste “staging areas” waar enorme aantallen kunnen samenkomen om vetreserves op te bouwen. In zulke perioden zijn gemengde groepen met meerdere Calidris-soorten heel normaal, waarbij herkenning vaak draait om subtiele verschillen in formaat, snavelvorm, roepjes en het patroon van schouderveren, borst en mantel. De seizoensruien zijn bij veel soorten sterk: in broedkleed kunnen warme roodbruine, kastanjekleurige of contrastrijke patronen ontstaan, terwijl het winterkleed vaak egaler grijs en wit is, wat de determinatie in winter soms extra uitdagend maakt.
Het leefgebied is sterk gekoppeld aan plekken waar het bodemleven rijk is. Langs de kust worden intergetijdengebieden intensief benut, met foerageren op het moment dat slik en zand droogvallen. Landinwaarts spelen plassen, overstroomde graslanden, rivieroevers, zoutpannen en ondiepe meren een rol, vooral tijdens trek en in overwinteringsgebieden. In broedgebieden ligt het zwaartepunt bij open toendra, natte vegetaties en moerassige laagtes, waar nestplaatsen vaak op de grond liggen en camouflage belangrijk is. Veel soorten zijn sociaal buiten het broedseizoen en vormen dichte, wendbare zwermen die tegelijk opvliegen en als één geheel van richting kunnen veranderen, een gedrag dat zowel met predatiedruk als met efficiënt zoeken naar voedsel samenhangt.
Het voedsel bestaat meestal uit kleine ongewervelden zoals wormen, kreeftachtigen, insectenlarven en weekdieren, aangevuld met andere kleine waterdiertjes afhankelijk van habitat en seizoen. Foerageren gebeurt vaak met een ritme van snel lopen, kort stoppen en dan pikken of prikken, of met herhaald sonderen in de bovenste bodemlaag. Sommige soorten zoeken meer op zicht en pikken prooi van het oppervlak, terwijl andere juist meer op tast werken en de snavel in modder of nat zand gebruiken. In de broedtijd worden ook landgebonden insecten belangrijker, omdat die op toendra en in vochtige vegetaties massaal beschikbaar kunnen zijn.
De voortplanting vindt bij veel Calidris-soorten plaats in open landschap met relatief eenvoudige grondnesten, vaak niet meer dan een ondiepe kuil met wat vegetatie. Baltsvluchten en roepjes spelen een grote rol bij partnerkeuze en territoriumvorming, waarna de nadruk verschuift naar broeden, kuikenbegeleiding en het optimaal benutten van het korte arctische seizoen. De kuikens zijn nestvlieders en kunnen snel zelf foerageren, maar blijven een tijdlang afhankelijk van ouderlijke bescherming. Door de sterke afhankelijkheid van zowel arctische broedhabitats als een netwerk van voedselrijke tussenstops tijdens trek, reageren Calidris-soorten vaak gevoelig op veranderingen in kustdynamiek, verstoring, droogte, waterbeheer en de beschikbaarheid van intergetijdengebieden.
Een groot deel van de Calidris-soorten is uitgesproken migrerend en legt jaarlijks grote afstanden af tussen arctische of subarctische broedgebieden en gematigde tot tropische overwinteringsgebieden. Trek vindt vaak plaats in etappes via vaste “staging areas” waar enorme aantallen kunnen samenkomen om vetreserves op te bouwen. In zulke perioden zijn gemengde groepen met meerdere Calidris-soorten heel normaal, waarbij herkenning vaak draait om subtiele verschillen in formaat, snavelvorm, roepjes en het patroon van schouderveren, borst en mantel. De seizoensruien zijn bij veel soorten sterk: in broedkleed kunnen warme roodbruine, kastanjekleurige of contrastrijke patronen ontstaan, terwijl het winterkleed vaak egaler grijs en wit is, wat de determinatie in winter soms extra uitdagend maakt.
Het leefgebied is sterk gekoppeld aan plekken waar het bodemleven rijk is. Langs de kust worden intergetijdengebieden intensief benut, met foerageren op het moment dat slik en zand droogvallen. Landinwaarts spelen plassen, overstroomde graslanden, rivieroevers, zoutpannen en ondiepe meren een rol, vooral tijdens trek en in overwinteringsgebieden. In broedgebieden ligt het zwaartepunt bij open toendra, natte vegetaties en moerassige laagtes, waar nestplaatsen vaak op de grond liggen en camouflage belangrijk is. Veel soorten zijn sociaal buiten het broedseizoen en vormen dichte, wendbare zwermen die tegelijk opvliegen en als één geheel van richting kunnen veranderen, een gedrag dat zowel met predatiedruk als met efficiënt zoeken naar voedsel samenhangt.
Het voedsel bestaat meestal uit kleine ongewervelden zoals wormen, kreeftachtigen, insectenlarven en weekdieren, aangevuld met andere kleine waterdiertjes afhankelijk van habitat en seizoen. Foerageren gebeurt vaak met een ritme van snel lopen, kort stoppen en dan pikken of prikken, of met herhaald sonderen in de bovenste bodemlaag. Sommige soorten zoeken meer op zicht en pikken prooi van het oppervlak, terwijl andere juist meer op tast werken en de snavel in modder of nat zand gebruiken. In de broedtijd worden ook landgebonden insecten belangrijker, omdat die op toendra en in vochtige vegetaties massaal beschikbaar kunnen zijn.
De voortplanting vindt bij veel Calidris-soorten plaats in open landschap met relatief eenvoudige grondnesten, vaak niet meer dan een ondiepe kuil met wat vegetatie. Baltsvluchten en roepjes spelen een grote rol bij partnerkeuze en territoriumvorming, waarna de nadruk verschuift naar broeden, kuikenbegeleiding en het optimaal benutten van het korte arctische seizoen. De kuikens zijn nestvlieders en kunnen snel zelf foerageren, maar blijven een tijdlang afhankelijk van ouderlijke bescherming. Door de sterke afhankelijkheid van zowel arctische broedhabitats als een netwerk van voedselrijke tussenstops tijdens trek, reageren Calidris-soorten vaak gevoelig op veranderingen in kustdynamiek, verstoring, droogte, waterbeheer en de beschikbaarheid van intergetijdengebieden.
Bonte strandloper
[LAT] Calidris alpina |
[UK] Dunlin |
[FR] Bécasseau variable |
[DE] Alpenstrandläufer |
[ES] Correlimos común |
[NL] Bonte strandloper






Klik hier Bonte strandloper details
De bonte strandloper (Calidris alpina) is wereldwijd ingedeeld als niet bedreigd (Least Concern). De soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en een zeer grote populatie. Hoewel in verschillende regio’s afnemende trends worden genoemd, wordt de afname niet als snel genoeg beschouwd om de drempels voor een hogere bedreigingscategorie te benaderen. Binnen Europa ligt het zwaartepunt van het broeden vooral in noordelijke gebieden, met regionale verschillen in trend en aantallen, en met een duidelijk belang van grote pleisterplaatsen tijdens trek.
Het verspreidingsgebied omvat noordelijke delen van Eurazië en Noord-Amerika, met broeden in arctische en subarctische zones en overwintering in gematigde en subtropische kustgebieden. Trekgedrag is gevarieerd en omvat zowel relatief korte kustverplaatsingen als lange, soms non-stop vluchten over land in brede fronten. Verschillende ondersoorten gebruiken deels eigen routes en wintergebieden. Er zijn populaties die via Groenland, IJsland, de Britse Eilanden en West-Frankrijk naar Noordwest-Afrika trekken, met belangrijke concentraties in onder meer Mauritanië. Andere populaties trekken via West-Europa richting Noordwest-Afrika, met lokaal ook overwintering in milde delen van Zuidwest-Engeland. Weer andere groepen overwinteren in Europa en Noordwest-Afrika, waarbij oostelijke vogels doorgaans verder trekken en soms lange overlandvluchten maken richting het oostelijke Middellandse Zeegebied. In Oost-Azië worden kustroutes gebruikt langs onder meer Korea, Japan, Hongkong en de kust van China. In het Pacifische gebied spelen pleisterplaatsen in Alaska en de Beringregio een rol. Een deel van de éénjarige vogels blijft soms een heel jaar buiten het broedgebied en slaat de eerste broedpoging nog over.
In het veld is de bonte strandloper een kleine steltloper die in broedkleed opvallend wordt door een duidelijke zwarte buikvlek die tot achter de zwarte poten doorloopt, gecombineerd met warm roodbruine tinten op rug en schouderveren. Kop en borst zijn relatief licht, waardoor het geheel sterk contrasterend kan ogen. In winterkleed overheerst een soberder grijs beeld met een wat bruinige kop en borst. In vlucht vallen witte ondervleugels op, een lichte streep over de bovenvleugel en wit langs de zijkanten van stuit en staart, waardoor een groep in vlucht vaak “flitsende” witte indrukken geeft wanneer de zwerm draait. Grote zwermen zijn kenmerkend, vooral op trek en in wintergebieden, en gecoördineerde luchtmanoeuvres komen vaak voor bij verstoring, bijvoorbeeld door roofvogels.
Het leefgebied tijdens het broeden ligt vooral in toendra- en natte weidetundra met lage ruggen, pollen en microreliëf, vaak in de nabijheid van kleine plassen en ondiepe wateren. Nestplaatsen liggen meestal op de grond en zijn goed verborgen in vegetatie of tegen een pol aan. Tijdens trek en in winter ligt de nadruk sterk op slikken en wadplaten, maar ook zandstranden, estuaria, kustgraslanden en soms modderige zoetwaterzones worden gebruikt. De soort foerageert zowel op droogvallend slik als in ondiep water en kan dag en nacht actief zijn, vaak afgestemd op het moment van laagwater.
Het voedsel bestaat in broedgebieden vooral uit insecten en insectenlarven. In kustgebieden worden daarnaast mariene wormen, kleine kreeftachtigen, weekdieren en andere watergebonden prooidieren gegeten, en soms ook zaden en bladeren. Foerageren gebeurt met een combinatie van prooi van het oppervlak pikken en herhaald sonderen in modder, vaak met korte rennen afgewisseld door stopmomenten waarop snel wordt geprikt. Het ritme en de intensiteit worden sterk bepaald door getij en beschikbaarheid van prooien in de bovenste bodemlaag.
De voortplanting start wanneer mannetjes doorgaans vroeg in het seizoen in het broedgebied aankomen en territoria bezetten. Bij vertraagde aankomst door weer kan paarvorming ook al eerder plaatsvinden, nog vóór het bereiken van het broedgebied. Er worden vaak meerdere ondiepe nestkuiltjes aangelegd, waarna één plek wordt uitgekozen en verder wordt afgewerkt met gras, zeggen en bladmateriaal. Het nest ligt meestal goed verscholen onder vegetatie of op een pol. Een legsel bestaat meestal uit vier eieren. Beide ouders broeden, met een broedduur van ongeveer 20 tot 22 dagen. Kuikens verlaten het nest kort na uitkomen en zoeken zelfstandig voedsel, terwijl bescherming en begeleiding door ouders belangrijk blijven. In veel situaties blijft vooral het mannetje langer bij de kuikens, vaak tot dicht bij het moment van uitvliegen, dat ongeveer drie weken na uitkomen kan liggen.
Het verspreidingsgebied omvat noordelijke delen van Eurazië en Noord-Amerika, met broeden in arctische en subarctische zones en overwintering in gematigde en subtropische kustgebieden. Trekgedrag is gevarieerd en omvat zowel relatief korte kustverplaatsingen als lange, soms non-stop vluchten over land in brede fronten. Verschillende ondersoorten gebruiken deels eigen routes en wintergebieden. Er zijn populaties die via Groenland, IJsland, de Britse Eilanden en West-Frankrijk naar Noordwest-Afrika trekken, met belangrijke concentraties in onder meer Mauritanië. Andere populaties trekken via West-Europa richting Noordwest-Afrika, met lokaal ook overwintering in milde delen van Zuidwest-Engeland. Weer andere groepen overwinteren in Europa en Noordwest-Afrika, waarbij oostelijke vogels doorgaans verder trekken en soms lange overlandvluchten maken richting het oostelijke Middellandse Zeegebied. In Oost-Azië worden kustroutes gebruikt langs onder meer Korea, Japan, Hongkong en de kust van China. In het Pacifische gebied spelen pleisterplaatsen in Alaska en de Beringregio een rol. Een deel van de éénjarige vogels blijft soms een heel jaar buiten het broedgebied en slaat de eerste broedpoging nog over.
In het veld is de bonte strandloper een kleine steltloper die in broedkleed opvallend wordt door een duidelijke zwarte buikvlek die tot achter de zwarte poten doorloopt, gecombineerd met warm roodbruine tinten op rug en schouderveren. Kop en borst zijn relatief licht, waardoor het geheel sterk contrasterend kan ogen. In winterkleed overheerst een soberder grijs beeld met een wat bruinige kop en borst. In vlucht vallen witte ondervleugels op, een lichte streep over de bovenvleugel en wit langs de zijkanten van stuit en staart, waardoor een groep in vlucht vaak “flitsende” witte indrukken geeft wanneer de zwerm draait. Grote zwermen zijn kenmerkend, vooral op trek en in wintergebieden, en gecoördineerde luchtmanoeuvres komen vaak voor bij verstoring, bijvoorbeeld door roofvogels.
Het leefgebied tijdens het broeden ligt vooral in toendra- en natte weidetundra met lage ruggen, pollen en microreliëf, vaak in de nabijheid van kleine plassen en ondiepe wateren. Nestplaatsen liggen meestal op de grond en zijn goed verborgen in vegetatie of tegen een pol aan. Tijdens trek en in winter ligt de nadruk sterk op slikken en wadplaten, maar ook zandstranden, estuaria, kustgraslanden en soms modderige zoetwaterzones worden gebruikt. De soort foerageert zowel op droogvallend slik als in ondiep water en kan dag en nacht actief zijn, vaak afgestemd op het moment van laagwater.
Het voedsel bestaat in broedgebieden vooral uit insecten en insectenlarven. In kustgebieden worden daarnaast mariene wormen, kleine kreeftachtigen, weekdieren en andere watergebonden prooidieren gegeten, en soms ook zaden en bladeren. Foerageren gebeurt met een combinatie van prooi van het oppervlak pikken en herhaald sonderen in modder, vaak met korte rennen afgewisseld door stopmomenten waarop snel wordt geprikt. Het ritme en de intensiteit worden sterk bepaald door getij en beschikbaarheid van prooien in de bovenste bodemlaag.
De voortplanting start wanneer mannetjes doorgaans vroeg in het seizoen in het broedgebied aankomen en territoria bezetten. Bij vertraagde aankomst door weer kan paarvorming ook al eerder plaatsvinden, nog vóór het bereiken van het broedgebied. Er worden vaak meerdere ondiepe nestkuiltjes aangelegd, waarna één plek wordt uitgekozen en verder wordt afgewerkt met gras, zeggen en bladmateriaal. Het nest ligt meestal goed verscholen onder vegetatie of op een pol. Een legsel bestaat meestal uit vier eieren. Beide ouders broeden, met een broedduur van ongeveer 20 tot 22 dagen. Kuikens verlaten het nest kort na uitkomen en zoeken zelfstandig voedsel, terwijl bescherming en begeleiding door ouders belangrijk blijven. In veel situaties blijft vooral het mannetje langer bij de kuikens, vaak tot dicht bij het moment van uitvliegen, dat ongeveer drie weken na uitkomen kan liggen.
Kleine strandloper
[LAT] Calidris minuta |
[UK] Little Stint |
[FR] Bécasseau minute |
[DE] Zwergstrandläufer |
[ES] Correlimos menudo |
[NL] Kleine strandloper






Klik hier Kleine strandloper details
De kleine strandloper (Calidris minuta) is wereldwijd ingedeeld als niet bedreigd (Least Concern). Het verspreidingsgebied is zeer groot en de populatie is zeer omvangrijk. Hoewel op sommige plekken een afnemende trend wordt genoemd, wordt de afname niet als snel genoeg beschouwd om de drempels voor een hogere bedreigingscategorie te benaderen. In Europa broedt de soort vooral in het arctische noorden van Noorwegen en Rusland en vormt Europa minder dan de helft van het wereldwijde broedareaal. Schattingen van aantallen lopen uiteen, maar het beeld is dat het om een talrijke soort gaat die op grotere schaal over langere perioden niet sterk is afgenomen.
De soort is uitgesproken trekkend en trekt in een breed front door een groot deel van het westelijk Palearctisch gebied. De najaarstrek verloopt grofweg zuid- tot zuidwestwaarts van juli tot november, terwijl de terugkeer naar broedgebieden meestal van half mei tot begin juni plaatsvindt. Jonge vogels kunnen relatief vaker westelijker opduiken dan volwassen vogels, vermoedelijk doordat weersystemen en windverdrijving meer invloed hebben tijdens de eerste trek. Populaties uit Finland en Zweden trekken onder meer via Centraal-Europa, Italië en het Middellandse Zeegebied, met verbindingen richting Noord-Afrika. Daarnaast spelen routes tussen het centrale Middellandse Zeegebied en het Zwarte Zeegebied een rol, en ook een oostelijke route via de Kaspische Zee en merengebieden in Kazachstan richting Oost- en Zuid-Afrika, waarbij de keten van Riftvallei-meren als belangrijke corridor wordt gezien. Broedvogels uit West- en Centraal-Siberië overwinteren vermoedelijk veelal in India en trekken dan via Kazachstan, en ook via noordelijker routes door Mongolië en Tuva. In Groot-Brittannië is de soort doorgaans talrijker in de herfst dan in het voorjaar, met slechts weinig overwinterende vogels. In kleine aantallen komen verplaatsingen langs Oost-Aziatische kusten voor, met onder meer meldingen tot in Hongkong en de Filipijnen. Veel onvolwassen vogels blijven bovendien het hele jaar in zuidelijke gebieden en keren niet meteen terug naar het broedgebied.
In het veld is de kleine strandloper een zeer kleine “stint” met een korte snavel. In broedkleed vallen bovendelen op met donkere centra in de veren en lichtere, vaak warm roest- of rossig getinte randen, waardoor een fijn geschubd patroon ontstaat. Op de mantel kunnen gelige randen een duidelijke V-tekening suggereren. Kop, hals en borst hebben vaak een ros-buffe toon met bruine streping, terwijl kin, keel en het grootste deel van de onderzijde wit blijven. Vrouwtjes zijn gemiddeld iets groter. In winterkleed wordt het geheel grijzer en minder contrastrijk, met bruingrijze bovendelen, een grijzig gekroond hoofd met donkere streping, een doffere oogstreep en grijze zweem langs de borstzijden, terwijl gezicht en onderzijde verder overwegend wit blijven. Het kleine formaat, de korte snavel en het snelle foerageerritme zijn in combinatie vaak goede aanknopingspunten in gemengde steltlopergezelschappen.
Het leefgebied in de broedtijd ligt op toendra, vaak op relatief drogere stukken grond, geregeld tussen dwergwilgen, maar meestal wel in de nabijheid van nattere zones zoals moerassige laagtes of kustgebonden zoutige plekken. Tijdens trek worden uiteenlopende rust- en foerageerplaatsen gebruikt, zoals kleine binnenwateren, rivieroevers en kustgebieden met slikken en strandzones. In de winter liggen de belangrijkste gebieden vaak aan de kust, met estuariene slikken, lagunes, getijdekreken en beschutte inhammen, maar ook zoetwaterplekken landinwaarts kunnen worden benut wanneer voedsel en rust aanwezig zijn.
Foerageren gebeurt meestal met zeer snelle pikbewegingen en af en toe sonderen. Prooi wordt vooral op zicht opgespoord, vaak in de bovenste bodemlaag of aan het oppervlak van slik en nat zand. De soort is sociaal en kan in kleine tot zeer grote groepen voorkomen, soms tot in de duizenden, waarbij de groepsgrootte en dichtheid sterk meebewegen met getij, waterstand en voedselbeschikbaarheid. In sommige situaties kunnen kleine foerageerterritoria worden verdedigd, vooral op plekken waar prooi geconcentreerd is en concurrentie hoog is.
De voortplanting vindt vooral plaats in juni en juli. Het paarsysteem is variabel en kan monogaam zijn, maar ook polygynie of polyandrie komt voor. Trouw aan een broedplek is vaak beperkt, wat past bij het dynamische karakter van toendrahabitats en lokale verschillen in sneeuwsmelt en voedsel. Het nest ligt op de grond en kan vrij open liggen, maar soms ook gedeeltelijk door vegetatie worden afgeschermd. Bekleding bestaat uit bladeren en grasdeeltjes. Het legsel bestaat meestal uit vier eieren. De broedduur bedraagt ongeveer 21 dagen. Broeden kan door beide ouders gebeuren, maar bij polygame systemen kan één ouder het broeden en de zorg grotendeels dragen. Kuikens zijn nestvlieders en hebben een warm oranje- tot taankleurig dons met donkere bandering en lichte spikkeling, met een lichte onderzijde. De zorg voor de kuikens wordt vaak door één ouder voortgezet na het uitkomen.
De soort is uitgesproken trekkend en trekt in een breed front door een groot deel van het westelijk Palearctisch gebied. De najaarstrek verloopt grofweg zuid- tot zuidwestwaarts van juli tot november, terwijl de terugkeer naar broedgebieden meestal van half mei tot begin juni plaatsvindt. Jonge vogels kunnen relatief vaker westelijker opduiken dan volwassen vogels, vermoedelijk doordat weersystemen en windverdrijving meer invloed hebben tijdens de eerste trek. Populaties uit Finland en Zweden trekken onder meer via Centraal-Europa, Italië en het Middellandse Zeegebied, met verbindingen richting Noord-Afrika. Daarnaast spelen routes tussen het centrale Middellandse Zeegebied en het Zwarte Zeegebied een rol, en ook een oostelijke route via de Kaspische Zee en merengebieden in Kazachstan richting Oost- en Zuid-Afrika, waarbij de keten van Riftvallei-meren als belangrijke corridor wordt gezien. Broedvogels uit West- en Centraal-Siberië overwinteren vermoedelijk veelal in India en trekken dan via Kazachstan, en ook via noordelijker routes door Mongolië en Tuva. In Groot-Brittannië is de soort doorgaans talrijker in de herfst dan in het voorjaar, met slechts weinig overwinterende vogels. In kleine aantallen komen verplaatsingen langs Oost-Aziatische kusten voor, met onder meer meldingen tot in Hongkong en de Filipijnen. Veel onvolwassen vogels blijven bovendien het hele jaar in zuidelijke gebieden en keren niet meteen terug naar het broedgebied.
In het veld is de kleine strandloper een zeer kleine “stint” met een korte snavel. In broedkleed vallen bovendelen op met donkere centra in de veren en lichtere, vaak warm roest- of rossig getinte randen, waardoor een fijn geschubd patroon ontstaat. Op de mantel kunnen gelige randen een duidelijke V-tekening suggereren. Kop, hals en borst hebben vaak een ros-buffe toon met bruine streping, terwijl kin, keel en het grootste deel van de onderzijde wit blijven. Vrouwtjes zijn gemiddeld iets groter. In winterkleed wordt het geheel grijzer en minder contrastrijk, met bruingrijze bovendelen, een grijzig gekroond hoofd met donkere streping, een doffere oogstreep en grijze zweem langs de borstzijden, terwijl gezicht en onderzijde verder overwegend wit blijven. Het kleine formaat, de korte snavel en het snelle foerageerritme zijn in combinatie vaak goede aanknopingspunten in gemengde steltlopergezelschappen.
Het leefgebied in de broedtijd ligt op toendra, vaak op relatief drogere stukken grond, geregeld tussen dwergwilgen, maar meestal wel in de nabijheid van nattere zones zoals moerassige laagtes of kustgebonden zoutige plekken. Tijdens trek worden uiteenlopende rust- en foerageerplaatsen gebruikt, zoals kleine binnenwateren, rivieroevers en kustgebieden met slikken en strandzones. In de winter liggen de belangrijkste gebieden vaak aan de kust, met estuariene slikken, lagunes, getijdekreken en beschutte inhammen, maar ook zoetwaterplekken landinwaarts kunnen worden benut wanneer voedsel en rust aanwezig zijn.
Foerageren gebeurt meestal met zeer snelle pikbewegingen en af en toe sonderen. Prooi wordt vooral op zicht opgespoord, vaak in de bovenste bodemlaag of aan het oppervlak van slik en nat zand. De soort is sociaal en kan in kleine tot zeer grote groepen voorkomen, soms tot in de duizenden, waarbij de groepsgrootte en dichtheid sterk meebewegen met getij, waterstand en voedselbeschikbaarheid. In sommige situaties kunnen kleine foerageerterritoria worden verdedigd, vooral op plekken waar prooi geconcentreerd is en concurrentie hoog is.
De voortplanting vindt vooral plaats in juni en juli. Het paarsysteem is variabel en kan monogaam zijn, maar ook polygynie of polyandrie komt voor. Trouw aan een broedplek is vaak beperkt, wat past bij het dynamische karakter van toendrahabitats en lokale verschillen in sneeuwsmelt en voedsel. Het nest ligt op de grond en kan vrij open liggen, maar soms ook gedeeltelijk door vegetatie worden afgeschermd. Bekleding bestaat uit bladeren en grasdeeltjes. Het legsel bestaat meestal uit vier eieren. De broedduur bedraagt ongeveer 21 dagen. Broeden kan door beide ouders gebeuren, maar bij polygame systemen kan één ouder het broeden en de zorg grotendeels dragen. Kuikens zijn nestvlieders en hebben een warm oranje- tot taankleurig dons met donkere bandering en lichte spikkeling, met een lichte onderzijde. De zorg voor de kuikens wordt vaak door één ouder voortgezet na het uitkomen.
Krombekstrandloper
[LAT] Calidris ferruginea |
[UK] Curlew Sandpiper |
[FR] Bécasseau cocorli |
[DE] Sichelstrandläufer |
[ES] Correlimos zarapitin |
[NL] Krombekstrandloper






Klik hier Krombekstrandloper details
De krombekstrandloper (Calidris ferruginea) is wereldwijd ingedeeld als niet bedreigd (Least Concern). Het verspreidingsgebied is zeer groot en de populatie is zeer omvangrijk. De trend wordt op wereldschaal vaak als toenemend omschreven, waardoor de soort niet in de buurt komt van de drempels voor een hogere bedreigingscategorie. In Europa is de soort vooral een doortrekker en wordt slechts een zeer klein deel van de wereldpopulatie in de winter aan de westelijke randen van Europa gezien; de kern van de overwintering ligt veel zuidelijker.
Het broedgebied ligt in een smalle gordel in het centrale Siberische Arctische gebied, terwijl overwintering vooral plaatsvindt in West- en sub-Sahara Afrika. Trek is uitgesproken en bestaat uit langeafstandsvluchten, vaak met lange non-stop etappes. In het westelijk Palearctisch gebied worden grofweg drie grote routes onderscheiden: een route naar de Witte Zee en vervolgens langs West-Europese kusten naar West-Afrika, een route over Oost-Europa via onder meer het Zwarte Zeegebied en Tunesië naar West-Afrika, en een meer oostelijke route via Zwarte en Kaspische Zee, het Midden-Oosten en langs de keten van Riftvallei-meren naar Oost- en Zuidelijk Afrika. De noordwaartse trek verloopt relatief minder via West-Europa; veel vogels gebruiken dan juist Tunesië en gebieden rond de Sivash, waarbij een deel van de vogels dat zuidwaarts via de Sivash trekt, in Oost-, Centraal- en Zuidelijk Afrika overwintert en vermoedelijk noordwaarts terugkeert via de Kaspische Zee. Buiten dit westelijke systeem bestaan routes dwars door Siberië richting India, met een deel dat door kan trekken naar Zuidoost-Azië en Australië, terwijl veel vogels in Zuid-India en Sri Lanka overwinteren. Ook een overlandroute naar Oost-Azië en vervolgens langs de Chinese kust richting Australië wordt genoemd, met relatief meer gebruik tijdens de noordwaartse trek. Veel éénjarige vogels blijven vaak in de wintergebieden en slaan de eerste terugkeer naar het broedgebied over; daarnaast kunnen niet-broedende vogels ook net ten zuiden van het broedgebied verblijven.
Het trektempo kent duidelijke verschillen naar leeftijd en geslacht. Tijdens de najaarstrek vertrekken volwassen vogels eerder dan juvenielen, met volwassen mannetjes die vaak al begin juli wegtrekken, enkele weken vóór vrouwtjes. In sommige patronen trekken relatief veel mannetjes verder zuidwaarts dan vrouwtjes. De zuidwaartse passage door Europa vindt vooral in juli plaats, met aankomst in Afrika vanaf half juli in noordelijke delen en vooral in september verder zuidelijk. In Australië kunnen aankomsten vanaf eind augustus tot begin september voorkomen, terwijl juvenielen doorgaans vier tot zes weken later volgen. De noordwaartse trek valt vooral in late april en mei, met aankomst op de broedplaatsen vanaf begin juni. Plaatstrouw kan hoog zijn, vooral bij mannetjes, wat past bij het terugkerende gebruik van vaste broed- en tussenstoplocaties.
In het veld is de krombekstrandloper een middelgrote Calidris met een relatief lange nek en poten en een opvallend lange, neerwaarts gebogen snavel. In broedkleed is het totaalbeeld zeer warm: kop, hals en onderzijde kunnen roest- tot diep kastanjebruin tonen, met donkere streping op de kruin. Mantel en schouderveren zijn donkerbruin met kastanjekleurige en witachtige randen, terwijl dekveren vaak wat grijzer ogen. Vrouwtjes hebben gemiddeld een langere snavel en kunnen iets bleker ogen, met vaker een indruk van lichte barring op de onderzijde. In winterkleed is het beeld soberder en egaler, met grijze bovendelen en een witte onderzijde, vaak met een contrasterende lichte wenkbrauwstreep en een grijze waas langs de borstzijden. In gemengde groepen met andere strandlopers helpt de combinatie van snavellengte, snavelkromming, pootlengte en het vluchtbeeld bij snelle herkenning.
Het leefgebied in de broedtijd ligt in arctische laaglanden, zowel langs kust als op eilanden in de Noordelijke IJszee, op open toendra met moerassige depressies en plassen. Nestplaatsen kunnen liggen op randen van moerassen en poelen, op hellingen van polderige toendra, of op drogere plekken in polygonale toendra. In de winter ligt de nadruk sterk op kusthabitats, met slikken en zandige getijdeplaten, kustlagunes, estuaria en zoute kwelders. Regelmatig wordt ook landinwaarts gebruikgemaakt van modderige randen van grote rivieren, meren en moerassen, zoutpannen en tijdelijk overstroomde gebieden, vooral waar ondiep water en zachte bodem een hoge prooidichtheid opleveren.
Het voedsel bestaat buiten de broedtijd vooral uit mariene en brakwaterprooien zoals borstelwormen, weekdieren en kreeftachtigen, aangevuld met insecten wanneer die beschikbaar zijn. Foerageren gebeurt door prooi van het oppervlak te pikken en door herhaald sonderen in modder, vaak wadend in ondiep water. Activiteit kan zowel overdag als ’s nachts plaatsvinden, mede afhankelijk van getij, temperatuur en verstoring. Buiten de broedtijd is de soort duidelijk sociaal en kan in grote groepen voorkomen, soms tot in de duizenden, waarbij slaapplaatsen en foerageerplaatsen vaak dicht bij elkaar liggen om energieverbruik tijdens de trek- en winterperiode te beperken.
De voortplanting vindt plaats in juni en juli. Het nest ligt op de grond en is doorgaans eenvoudig, maar geplaatst op plekken die een combinatie bieden van dekking en overzicht. Legselgroottes kunnen variëren, waarbij vaak meerdere eieren worden genoemd. De broedduur bedraagt ongeveer 20 dagen en broeden vindt in veel beschrijvingen vooral door het vrouwtje plaats. Broedsucces is sterk afhankelijk van de prooidynamiek in het arctische systeem, met name de beschikbaarheid van lemmingen. In jaren met weinig lemmingen kan predatie door poolvossen sterk toenemen, omdat predatoren dan vaker uitwijken naar eieren en kuikens van grondbroeders. Dit zorgt voor uitgesproken schommelingen in broedsucces tussen jaren, zelfs wanneer de totale populatie op langere termijn groot blijft.
Het broedgebied ligt in een smalle gordel in het centrale Siberische Arctische gebied, terwijl overwintering vooral plaatsvindt in West- en sub-Sahara Afrika. Trek is uitgesproken en bestaat uit langeafstandsvluchten, vaak met lange non-stop etappes. In het westelijk Palearctisch gebied worden grofweg drie grote routes onderscheiden: een route naar de Witte Zee en vervolgens langs West-Europese kusten naar West-Afrika, een route over Oost-Europa via onder meer het Zwarte Zeegebied en Tunesië naar West-Afrika, en een meer oostelijke route via Zwarte en Kaspische Zee, het Midden-Oosten en langs de keten van Riftvallei-meren naar Oost- en Zuidelijk Afrika. De noordwaartse trek verloopt relatief minder via West-Europa; veel vogels gebruiken dan juist Tunesië en gebieden rond de Sivash, waarbij een deel van de vogels dat zuidwaarts via de Sivash trekt, in Oost-, Centraal- en Zuidelijk Afrika overwintert en vermoedelijk noordwaarts terugkeert via de Kaspische Zee. Buiten dit westelijke systeem bestaan routes dwars door Siberië richting India, met een deel dat door kan trekken naar Zuidoost-Azië en Australië, terwijl veel vogels in Zuid-India en Sri Lanka overwinteren. Ook een overlandroute naar Oost-Azië en vervolgens langs de Chinese kust richting Australië wordt genoemd, met relatief meer gebruik tijdens de noordwaartse trek. Veel éénjarige vogels blijven vaak in de wintergebieden en slaan de eerste terugkeer naar het broedgebied over; daarnaast kunnen niet-broedende vogels ook net ten zuiden van het broedgebied verblijven.
Het trektempo kent duidelijke verschillen naar leeftijd en geslacht. Tijdens de najaarstrek vertrekken volwassen vogels eerder dan juvenielen, met volwassen mannetjes die vaak al begin juli wegtrekken, enkele weken vóór vrouwtjes. In sommige patronen trekken relatief veel mannetjes verder zuidwaarts dan vrouwtjes. De zuidwaartse passage door Europa vindt vooral in juli plaats, met aankomst in Afrika vanaf half juli in noordelijke delen en vooral in september verder zuidelijk. In Australië kunnen aankomsten vanaf eind augustus tot begin september voorkomen, terwijl juvenielen doorgaans vier tot zes weken later volgen. De noordwaartse trek valt vooral in late april en mei, met aankomst op de broedplaatsen vanaf begin juni. Plaatstrouw kan hoog zijn, vooral bij mannetjes, wat past bij het terugkerende gebruik van vaste broed- en tussenstoplocaties.
In het veld is de krombekstrandloper een middelgrote Calidris met een relatief lange nek en poten en een opvallend lange, neerwaarts gebogen snavel. In broedkleed is het totaalbeeld zeer warm: kop, hals en onderzijde kunnen roest- tot diep kastanjebruin tonen, met donkere streping op de kruin. Mantel en schouderveren zijn donkerbruin met kastanjekleurige en witachtige randen, terwijl dekveren vaak wat grijzer ogen. Vrouwtjes hebben gemiddeld een langere snavel en kunnen iets bleker ogen, met vaker een indruk van lichte barring op de onderzijde. In winterkleed is het beeld soberder en egaler, met grijze bovendelen en een witte onderzijde, vaak met een contrasterende lichte wenkbrauwstreep en een grijze waas langs de borstzijden. In gemengde groepen met andere strandlopers helpt de combinatie van snavellengte, snavelkromming, pootlengte en het vluchtbeeld bij snelle herkenning.
Het leefgebied in de broedtijd ligt in arctische laaglanden, zowel langs kust als op eilanden in de Noordelijke IJszee, op open toendra met moerassige depressies en plassen. Nestplaatsen kunnen liggen op randen van moerassen en poelen, op hellingen van polderige toendra, of op drogere plekken in polygonale toendra. In de winter ligt de nadruk sterk op kusthabitats, met slikken en zandige getijdeplaten, kustlagunes, estuaria en zoute kwelders. Regelmatig wordt ook landinwaarts gebruikgemaakt van modderige randen van grote rivieren, meren en moerassen, zoutpannen en tijdelijk overstroomde gebieden, vooral waar ondiep water en zachte bodem een hoge prooidichtheid opleveren.
Het voedsel bestaat buiten de broedtijd vooral uit mariene en brakwaterprooien zoals borstelwormen, weekdieren en kreeftachtigen, aangevuld met insecten wanneer die beschikbaar zijn. Foerageren gebeurt door prooi van het oppervlak te pikken en door herhaald sonderen in modder, vaak wadend in ondiep water. Activiteit kan zowel overdag als ’s nachts plaatsvinden, mede afhankelijk van getij, temperatuur en verstoring. Buiten de broedtijd is de soort duidelijk sociaal en kan in grote groepen voorkomen, soms tot in de duizenden, waarbij slaapplaatsen en foerageerplaatsen vaak dicht bij elkaar liggen om energieverbruik tijdens de trek- en winterperiode te beperken.
De voortplanting vindt plaats in juni en juli. Het nest ligt op de grond en is doorgaans eenvoudig, maar geplaatst op plekken die een combinatie bieden van dekking en overzicht. Legselgroottes kunnen variëren, waarbij vaak meerdere eieren worden genoemd. De broedduur bedraagt ongeveer 20 dagen en broeden vindt in veel beschrijvingen vooral door het vrouwtje plaats. Broedsucces is sterk afhankelijk van de prooidynamiek in het arctische systeem, met name de beschikbaarheid van lemmingen. In jaren met weinig lemmingen kan predatie door poolvossen sterk toenemen, omdat predatoren dan vaker uitwijken naar eieren en kuikens van grondbroeders. Dit zorgt voor uitgesproken schommelingen in broedsucces tussen jaren, zelfs wanneer de totale populatie op langere termijn groot blijft.
Paarse Strandloper
[LAT] Calidris maritima |
[UK] Purple Sandpiper |
[FR] Bécasseau violet |
[DE] Meerstrandläufer |
[ES] Correlimos oscuro |
[NL] Paarse strandloper


Klik hier Paarse strandloper details
De paarse strandloper (Calidris maritima) is wereldwijd ingedeeld als niet bedreigd (Least Concern). De soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en een grote populatie. Hoewel in sommige regio’s dalende trends worden genoemd, wordt die afname niet als snel genoeg gezien om de drempels voor een hogere bedreigingscategorie te benaderen. Een groot deel van het wereldwijde broedareaal ligt in Europa, met broeden in onder meer Groenland, Scandinavië en arctisch Rusland. De Europese broedpopulatie wordt relatief klein genoemd, maar het algemene beeld over langere perioden is vaak stabiel, waarbij in enkele kerngebieden vooral lacunes in trendinformatie zijn benadrukt.
Trekgedrag is wisselend en niet overal even goed uitgekristalliseerd. De soort is migrerend en deels ook gedeeltelijk trekkend, met bewegingen in lage arctische en noordelijke gematigde regio’s die per populatie kunnen verschillen. Opvallend is dat de niet-broedverspreiding noordelijker reikt dan bij veel andere Calidris-soorten, tot vlak onder de ijsrand, met bijvoorbeeld aanwezigheid in zuidwestelijk Groenland, Finnmark en Murmansk. Naar het zuiden reikt de winter- en doortrekverspreiding tot onder meer Maryland in de Verenigde Staten en de westkust van Frankrijk. De noordelijkste broedvogels zijn volledig trekkend. Populaties uit het uiterste oosten kunnen westwaarts verplaatsen richting Murmansk of nog verder. Er is onzekerheid over de mate waarin zuidelijk broedende populaties in wintergebieden worden “ingehaald” door noordelijke broedvogels, of dat er juist een sprongsgewijze trek (leap-frog) optreedt waarbij noordelijke broedvogels zuidelijker overwinteren dan zuidelijke broedvogels. Voor oostelijk Groenland wordt overwintering in IJsland genoemd, terwijl broedvogels uit westelijk Groenland juist in west- en zuidwestelijk Groenland kunnen overwinteren. Ringterugmeldingen ondersteunen uitwisseling tussen West-Europa en IJsland, Groenland, Newfoundland en Baffineiland, en ook tussen Noorwegen en Groot-Brittannië.
De najaarstrek verloopt gemiddeld later dan bij veel andere strandlopers. Na het broeden vertrekken vrouwtjes doorgaans eerder dan mannetjes en jonge vogels. Vanuit IJsland worden vertrekken al eind juni genoemd, terwijl mannetjes daar tot eind augustus kunnen blijven, en op arctische eilanden vertrekpieken eerder van eind augustus tot half september liggen. Aankomst in het Noordzeegebied en in IJsland wordt vooral in oktober en november genoemd. De noordwaartse verplaatsing vindt in april en mei plaats, met aankomst op noordelijke broedgronden grofweg van half mei tot half juni.
In het veld is de paarse strandloper een compacte strandloper met een robuuste indruk, waarbij mannetjes en vrouwtjes qua kleur sterk op elkaar lijken en vooral in formaat licht kunnen verschillen. Het soortbeeld is duidelijk seizoensafhankelijk. In vlucht vallen een smalle witte vleugelstreep en een geheel donkere staart op. In broedkleed is de kruin vaak warm taankleurig met zwarte streping, terwijl rugveren lichte witachtige en buffe randen kunnen hebben. Borst en flanken tonen wit met donkere, zwartbruin gespikkelde tekening en de buik is wit. De snavel is relatief lang, slank en licht neerwaarts gebogen, meestal zwart met een oranje basis, en de poten zijn oranjegeel. In winterkleed overheersen donker grijsbruin op kop, hals en bovenborst, met grijsbruin op de rug en lichtere randen aan de veren; flanken blijven gestreept en gespikkeld. Juvenielen hebben vaak een warmere, taankleurige kruin met lichtere streping, een buffig grijsbruine indruk op wangen en nek en een overwegend witachtige kin, met al vroeg de typische combinatie van lichte veerranden en fijne spikkeling op borst en flanken. De soort wordt vaak relatief benaderbaar op rotsige kusten, waar foerageren doorgaat onder ruige omstandigheden en zelfs vlak langs de golfslag.
Het broedhabitat ligt in arctische en subarctische zones op rotsige kusten en toendra, met een overlap richting de bosrand in de zuidelijkste delen. In het hoge Arctische gebied ligt broeden vaak dicht bij zeeniveau tot enkele honderden meters hoogte. In lage arctische en subarctische gebieden wordt ook vaker in hogere binnenlandse uplands gebroed, tot rond 1300 meter in Zweden en lokaal nog hoger in zuidelijk Noorwegen, vaak in de buurt van sneeuwvelden of bevroren bodemzones. Buiten de broedtijd is er een sterke binding aan rotsige eilanden, kapen en kuststroken met krachtige golfslag en een zekere getijdewerking, waarbij het wintergebied meestal alleen zo ver zuidelijk opschuift dat ijsvrije omstandigheden gegarandeerd zijn.
Het voedsel bestaat overwegend uit ongewervelden, met in de broedtijd plaatselijk ook een merkbaar aandeel plantaardig materiaal. In de kustzone wordt snel gerend over wier en rotsen die door het getij droogvallen, met opvallend behendig ontwijken van golven. Prooi wordt gegrepen terwijl het water zich terugtrekt, en er wordt gefoerageerd in spleten van rotsen en tussen mosselen. Wier en aangespoeld materiaal kunnen worden omgekeerd om verborgen prooidieren te vinden. Af en toe wordt in ondiep water gewaad. Dit foerageergedrag sluit nauw aan bij dynamische, ruwe kusthabitats waar voedsel in korte vensters beschikbaar komt.
De voortplanting start in het voorjaar, met legbegin rond half mei op de Faeröer en IJsland, en later in het seizoen in de hogere Arctische gebieden. Op Spitsbergen ligt de hoofdpiek vaak in de tweede helft van juni en in delen van Rusland wordt veelal half juni tot half juli genoemd. Het nest ligt op de grond in open terrein en bestaat uit een klein komvormig nest, vaak deels gevuld met kleine wilgenblaadjes. Een legsel bestaat meestal uit drie tot vier eieren, doorgaans één broedsel per seizoen. De broedduur ligt rond 21 tot 22 dagen. De periode tot uitvliegen wordt minder consistent beschreven, maar kuikens zijn nestvlieders en blijven in de eerste fase afhankelijk van dekking, beschutting en ouderlijke begeleiding in een landschap waar weer en predatiedruk sterk kunnen variëren.
Trekgedrag is wisselend en niet overal even goed uitgekristalliseerd. De soort is migrerend en deels ook gedeeltelijk trekkend, met bewegingen in lage arctische en noordelijke gematigde regio’s die per populatie kunnen verschillen. Opvallend is dat de niet-broedverspreiding noordelijker reikt dan bij veel andere Calidris-soorten, tot vlak onder de ijsrand, met bijvoorbeeld aanwezigheid in zuidwestelijk Groenland, Finnmark en Murmansk. Naar het zuiden reikt de winter- en doortrekverspreiding tot onder meer Maryland in de Verenigde Staten en de westkust van Frankrijk. De noordelijkste broedvogels zijn volledig trekkend. Populaties uit het uiterste oosten kunnen westwaarts verplaatsen richting Murmansk of nog verder. Er is onzekerheid over de mate waarin zuidelijk broedende populaties in wintergebieden worden “ingehaald” door noordelijke broedvogels, of dat er juist een sprongsgewijze trek (leap-frog) optreedt waarbij noordelijke broedvogels zuidelijker overwinteren dan zuidelijke broedvogels. Voor oostelijk Groenland wordt overwintering in IJsland genoemd, terwijl broedvogels uit westelijk Groenland juist in west- en zuidwestelijk Groenland kunnen overwinteren. Ringterugmeldingen ondersteunen uitwisseling tussen West-Europa en IJsland, Groenland, Newfoundland en Baffineiland, en ook tussen Noorwegen en Groot-Brittannië.
De najaarstrek verloopt gemiddeld later dan bij veel andere strandlopers. Na het broeden vertrekken vrouwtjes doorgaans eerder dan mannetjes en jonge vogels. Vanuit IJsland worden vertrekken al eind juni genoemd, terwijl mannetjes daar tot eind augustus kunnen blijven, en op arctische eilanden vertrekpieken eerder van eind augustus tot half september liggen. Aankomst in het Noordzeegebied en in IJsland wordt vooral in oktober en november genoemd. De noordwaartse verplaatsing vindt in april en mei plaats, met aankomst op noordelijke broedgronden grofweg van half mei tot half juni.
In het veld is de paarse strandloper een compacte strandloper met een robuuste indruk, waarbij mannetjes en vrouwtjes qua kleur sterk op elkaar lijken en vooral in formaat licht kunnen verschillen. Het soortbeeld is duidelijk seizoensafhankelijk. In vlucht vallen een smalle witte vleugelstreep en een geheel donkere staart op. In broedkleed is de kruin vaak warm taankleurig met zwarte streping, terwijl rugveren lichte witachtige en buffe randen kunnen hebben. Borst en flanken tonen wit met donkere, zwartbruin gespikkelde tekening en de buik is wit. De snavel is relatief lang, slank en licht neerwaarts gebogen, meestal zwart met een oranje basis, en de poten zijn oranjegeel. In winterkleed overheersen donker grijsbruin op kop, hals en bovenborst, met grijsbruin op de rug en lichtere randen aan de veren; flanken blijven gestreept en gespikkeld. Juvenielen hebben vaak een warmere, taankleurige kruin met lichtere streping, een buffig grijsbruine indruk op wangen en nek en een overwegend witachtige kin, met al vroeg de typische combinatie van lichte veerranden en fijne spikkeling op borst en flanken. De soort wordt vaak relatief benaderbaar op rotsige kusten, waar foerageren doorgaat onder ruige omstandigheden en zelfs vlak langs de golfslag.
Het broedhabitat ligt in arctische en subarctische zones op rotsige kusten en toendra, met een overlap richting de bosrand in de zuidelijkste delen. In het hoge Arctische gebied ligt broeden vaak dicht bij zeeniveau tot enkele honderden meters hoogte. In lage arctische en subarctische gebieden wordt ook vaker in hogere binnenlandse uplands gebroed, tot rond 1300 meter in Zweden en lokaal nog hoger in zuidelijk Noorwegen, vaak in de buurt van sneeuwvelden of bevroren bodemzones. Buiten de broedtijd is er een sterke binding aan rotsige eilanden, kapen en kuststroken met krachtige golfslag en een zekere getijdewerking, waarbij het wintergebied meestal alleen zo ver zuidelijk opschuift dat ijsvrije omstandigheden gegarandeerd zijn.
Het voedsel bestaat overwegend uit ongewervelden, met in de broedtijd plaatselijk ook een merkbaar aandeel plantaardig materiaal. In de kustzone wordt snel gerend over wier en rotsen die door het getij droogvallen, met opvallend behendig ontwijken van golven. Prooi wordt gegrepen terwijl het water zich terugtrekt, en er wordt gefoerageerd in spleten van rotsen en tussen mosselen. Wier en aangespoeld materiaal kunnen worden omgekeerd om verborgen prooidieren te vinden. Af en toe wordt in ondiep water gewaad. Dit foerageergedrag sluit nauw aan bij dynamische, ruwe kusthabitats waar voedsel in korte vensters beschikbaar komt.
De voortplanting start in het voorjaar, met legbegin rond half mei op de Faeröer en IJsland, en later in het seizoen in de hogere Arctische gebieden. Op Spitsbergen ligt de hoofdpiek vaak in de tweede helft van juni en in delen van Rusland wordt veelal half juni tot half juli genoemd. Het nest ligt op de grond in open terrein en bestaat uit een klein komvormig nest, vaak deels gevuld met kleine wilgenblaadjes. Een legsel bestaat meestal uit drie tot vier eieren, doorgaans één broedsel per seizoen. De broedduur ligt rond 21 tot 22 dagen. De periode tot uitvliegen wordt minder consistent beschreven, maar kuikens zijn nestvlieders en blijven in de eerste fase afhankelijk van dekking, beschutting en ouderlijke begeleiding in een landschap waar weer en predatiedruk sterk kunnen variëren.
Grote kanoet
[LAT] Calidris tenuirostris |
[UK] Great Knot |
[FR] Bécasseau à bec grêle |
[DE] Großer Knutt |
[ES] Correlimos grande |
[NL] Grote kanoet

Klik hier Grote kanoet
De grote kanoetstrandloper (Calidris tenuirostris) staat wereldwijd als kwetsbaar (Vulnerable) vermeld, doordat een snelle afname is vastgesteld die sterk samenhangt met het verdwijnen van belangrijke pleisterplaatsen buiten de broedtijd. Met name grootschalige landaanwinning en het verlies van intergetijdengebieden langs trek- en tussenstoproutes hebben de soort hard geraakt. Daarbij wordt aangenomen dat geplande en toekomstige inpolderings- en ontwikkelingsprojecten extra druk blijven zetten op de populatie, waardoor verdere dalingen waarschijnlijk zijn.
Het broedgebied ligt in noordoostelijk Siberië, in een nog onvolledig in kaart gebracht verspreidingsgebied dat vermoedelijk grofweg van het Verchoyansk-gebergte tot het Korjakengebergte reikt. Van deze broedgebieden zijn relatief weinig nesten gevonden, wat past bij de afgelegen en moeilijk toegankelijke omstandigheden. Buiten de broedtijd strekt het overwinteringsgebied zich uit van Pakistan en delen van zuidelijk China tot ver naar het zuiden, met een belangrijk deel van de populatie in Australië. Daarnaast komen kleine aantallen in of via het Arabisch Schiereiland voor, met meldingen in landen als Oman, de Verenigde Arabische Emiraten en Saudi-Arabië. Zeldzame dwaalgasten zijn gemeld in West- en Noordwest-Europa en in Noordwest-Afrika, wat de soort lokaal extra bijzonder maakt wanneer waarnemingen plaatsvinden.
De trek is een uitgesproken langeafstandstrek en verloopt vooral langs kustlijnen, waarschijnlijk met relatief weinig tussenstops per individueel traject. Vrouwtjes verlaten de broedgebieden vaak al vroeg in juli, terwijl mannetjes en jonge vogels later volgen, meestal eind juli. Noord- en zuidtrekroutes verschillen duidelijk van elkaar. Tijdens de zuidwaartse trek speelt de kust van de Zee van Ochotsk een rol, terwijl routes ook via gebieden als Ussuriland lopen. Zuid-Korea is vooral belangrijk tijdens de noordwaartse trek, en oostelijk China fungeert ten minste in het voorjaar als belangrijk stopovergebied. Aankomst in noordwestelijk Australië valt veelal eind augustus en begin september, met eerstejaars vogels die geregeld pas in oktober verschijnen. In het gebied rond de Golf van Carpentaria wordt het zwaartepunt later bereikt, vaak pas in december. De noordwaartse trek vindt vooral in maart en april plaats; vertrek uit noordoostelijk Australië valt meestal van eind maart tot half april, waarna waarschijnlijk in één lange vlucht koers wordt gezet naar zuidelijk China. Terugkeer op de broedgronden volgt in de periode eind mei tot begin juni. Een deel van de eerstejaars kan de eerste boreale zomer, en mogelijk langer, in het niet-broedgebied blijven, terwijl andere jonge vogels wel noordwaarts verplaatsen, bijvoorbeeld richting Sachalin.
Qua formaat is dit een van de grootste strandlopers binnen het genus. In broedkleed vallen een zwaar zwart gevlekte borst en flanken op, met schouderveren die grote kastanjebruine vlekken tonen met donkerdere toppen. De bovenstaartdekveren ogen overwegend wit, wat in vlucht en bij opvliegen soms kort opvalt. Vrouwtjes zijn gemiddeld iets groter en tonen vaak minder kastanjebruin in de schouderveren. In winterkleed is het totaalbeeld soberder, met bleker grijze bovendelen en een lichter ogende borst. Kop, hals en bovendelen zijn dan fijn donkergrijs gestreept, met een borst die meer gestreept dan gevlekt oogt en flanken met lichtere streping. Dit seizoensverschil kan in gemengde groepen met andere steltlopers belangrijk zijn voor determinatie, zeker op grote afstand op wadplaten.
In de niet-broedtijd wordt vooral gebruikgemaakt van beschutte kusten met uitgestrekte intergetijden-slikken en zandplaten, zoals inhammen, baaien, havens, estuaria en lagunes. Juist die habitats liggen vaak in zones waar grootschalige kustontwikkeling en landaanwinning plaatsvinden, wat de gevoeligheid van de soort verklaart. Het broedhabitat ligt in subarctische gebieden op plateaus of flauwe hellingen met bergtoendra. Het spectrum loopt van grindige zones met korstmossen en plukjes kruiden en struikhei tot plekken met een aaneengesloten dikke laag korstmos, afgewisseld met laagten en verspreide lork of dwergden. Die combinatie biedt zowel dekking als voedselmogelijkheden in een relatief open landschap.
Het voedsel bestaat in kustgebieden vooral uit tweekleppigen die in zacht sediment ingegraven zitten, aangevuld met slakken, kreeftachtigen, ringwormen en zeekomkommers. Foerageren gebeurt zowel overdag als ’s nachts en vaak in grote groepen. Grote concentraties kunnen samen optrekken met andere wadvogels, waarbij gedeelde slaapplaatsen en voedselrijke platen de energetische kosten van de lange trek helpen beperken. Tijdens de broedtijd verschuift het dieet opvallend: dan wordt vooral plantaardig materiaal benut, met name bessen, en daarnaast ook zaden of kernen van dwergdennen, wat past bij het arctische voedselaanbod in de korte zomerperiode.
De broedperiode valt in mei en juni. De soort wordt beschreven als monogaam, territoriaal en sterk plaatstrouw, met een duidelijke neiging om dezelfde broedlocaties opnieuw te gebruiken wanneer omstandigheden gunstig blijven. Er wordt meestal één broedsel per seizoen grootgebracht met vier eieren. De broedduur ligt rond 21 dagen en beide ouders broeden, waarna na het uitkomen vaak een taakverdeling optreedt waarbij het vrouwtje het gebied verlaat en de zorg voor de kuikens vooral bij het mannetje komt te liggen. Kuikens zijn nestvlieders en hebben een gemarmerd donkerbruin tot zwartbruin bovendek met buff- en witachtige tinten, waarbij rijen lichte dons-topjes een fijn geschubd patroon geven; de onderzijde is wit tot licht buff. In het open toendralandschap is snelle mobiliteit van kuikens belangrijk, maar het broedsucces blijft sterk afhankelijk van weer, predatie en de beschikbaarheid van veilige microhabitats.
Het broedgebied ligt in noordoostelijk Siberië, in een nog onvolledig in kaart gebracht verspreidingsgebied dat vermoedelijk grofweg van het Verchoyansk-gebergte tot het Korjakengebergte reikt. Van deze broedgebieden zijn relatief weinig nesten gevonden, wat past bij de afgelegen en moeilijk toegankelijke omstandigheden. Buiten de broedtijd strekt het overwinteringsgebied zich uit van Pakistan en delen van zuidelijk China tot ver naar het zuiden, met een belangrijk deel van de populatie in Australië. Daarnaast komen kleine aantallen in of via het Arabisch Schiereiland voor, met meldingen in landen als Oman, de Verenigde Arabische Emiraten en Saudi-Arabië. Zeldzame dwaalgasten zijn gemeld in West- en Noordwest-Europa en in Noordwest-Afrika, wat de soort lokaal extra bijzonder maakt wanneer waarnemingen plaatsvinden.
De trek is een uitgesproken langeafstandstrek en verloopt vooral langs kustlijnen, waarschijnlijk met relatief weinig tussenstops per individueel traject. Vrouwtjes verlaten de broedgebieden vaak al vroeg in juli, terwijl mannetjes en jonge vogels later volgen, meestal eind juli. Noord- en zuidtrekroutes verschillen duidelijk van elkaar. Tijdens de zuidwaartse trek speelt de kust van de Zee van Ochotsk een rol, terwijl routes ook via gebieden als Ussuriland lopen. Zuid-Korea is vooral belangrijk tijdens de noordwaartse trek, en oostelijk China fungeert ten minste in het voorjaar als belangrijk stopovergebied. Aankomst in noordwestelijk Australië valt veelal eind augustus en begin september, met eerstejaars vogels die geregeld pas in oktober verschijnen. In het gebied rond de Golf van Carpentaria wordt het zwaartepunt later bereikt, vaak pas in december. De noordwaartse trek vindt vooral in maart en april plaats; vertrek uit noordoostelijk Australië valt meestal van eind maart tot half april, waarna waarschijnlijk in één lange vlucht koers wordt gezet naar zuidelijk China. Terugkeer op de broedgronden volgt in de periode eind mei tot begin juni. Een deel van de eerstejaars kan de eerste boreale zomer, en mogelijk langer, in het niet-broedgebied blijven, terwijl andere jonge vogels wel noordwaarts verplaatsen, bijvoorbeeld richting Sachalin.
Qua formaat is dit een van de grootste strandlopers binnen het genus. In broedkleed vallen een zwaar zwart gevlekte borst en flanken op, met schouderveren die grote kastanjebruine vlekken tonen met donkerdere toppen. De bovenstaartdekveren ogen overwegend wit, wat in vlucht en bij opvliegen soms kort opvalt. Vrouwtjes zijn gemiddeld iets groter en tonen vaak minder kastanjebruin in de schouderveren. In winterkleed is het totaalbeeld soberder, met bleker grijze bovendelen en een lichter ogende borst. Kop, hals en bovendelen zijn dan fijn donkergrijs gestreept, met een borst die meer gestreept dan gevlekt oogt en flanken met lichtere streping. Dit seizoensverschil kan in gemengde groepen met andere steltlopers belangrijk zijn voor determinatie, zeker op grote afstand op wadplaten.
In de niet-broedtijd wordt vooral gebruikgemaakt van beschutte kusten met uitgestrekte intergetijden-slikken en zandplaten, zoals inhammen, baaien, havens, estuaria en lagunes. Juist die habitats liggen vaak in zones waar grootschalige kustontwikkeling en landaanwinning plaatsvinden, wat de gevoeligheid van de soort verklaart. Het broedhabitat ligt in subarctische gebieden op plateaus of flauwe hellingen met bergtoendra. Het spectrum loopt van grindige zones met korstmossen en plukjes kruiden en struikhei tot plekken met een aaneengesloten dikke laag korstmos, afgewisseld met laagten en verspreide lork of dwergden. Die combinatie biedt zowel dekking als voedselmogelijkheden in een relatief open landschap.
Het voedsel bestaat in kustgebieden vooral uit tweekleppigen die in zacht sediment ingegraven zitten, aangevuld met slakken, kreeftachtigen, ringwormen en zeekomkommers. Foerageren gebeurt zowel overdag als ’s nachts en vaak in grote groepen. Grote concentraties kunnen samen optrekken met andere wadvogels, waarbij gedeelde slaapplaatsen en voedselrijke platen de energetische kosten van de lange trek helpen beperken. Tijdens de broedtijd verschuift het dieet opvallend: dan wordt vooral plantaardig materiaal benut, met name bessen, en daarnaast ook zaden of kernen van dwergdennen, wat past bij het arctische voedselaanbod in de korte zomerperiode.
De broedperiode valt in mei en juni. De soort wordt beschreven als monogaam, territoriaal en sterk plaatstrouw, met een duidelijke neiging om dezelfde broedlocaties opnieuw te gebruiken wanneer omstandigheden gunstig blijven. Er wordt meestal één broedsel per seizoen grootgebracht met vier eieren. De broedduur ligt rond 21 dagen en beide ouders broeden, waarna na het uitkomen vaak een taakverdeling optreedt waarbij het vrouwtje het gebied verlaat en de zorg voor de kuikens vooral bij het mannetje komt te liggen. Kuikens zijn nestvlieders en hebben een gemarmerd donkerbruin tot zwartbruin bovendek met buff- en witachtige tinten, waarbij rijen lichte dons-topjes een fijn geschubd patroon geven; de onderzijde is wit tot licht buff. In het open toendralandschap is snelle mobiliteit van kuikens belangrijk, maar het broedsucces blijft sterk afhankelijk van weer, predatie en de beschikbaarheid van veilige microhabitats.
Breedbekstrandloper
[LAT] Calidris falcinellus |
[UK] Broad-billed Sandpiper |
[FR] Bécasseau falcinelle |
[DE] Sumpfläufer |
[ES] Correlimos falcinelo |
[NL] Breedbekstrandloper


Klik hier Breedbekstrandloper details
De breedbekstrandloper (Calidris falcinellus) staat wereldwijd als niet bedreigd (Least Concern) vermeld. Het verspreidingsgebied is groot en de wereldpopulatie wordt in brede bandbreedtes als omvangrijk ingeschat. Wereldwijde trends zijn niet overal strak gekwantificeerd, maar er is geen aanwijzing dat de soort op wereldschaal snel genoeg afneemt om de drempels voor een hogere bedreigingscategorie te halen. In Europa is het beeld minder geruststellend: in delen van het noordelijke broedareaal zijn in meerdere perioden afnames genoemd, waardoor de soort regionaal als dalend kan worden beschouwd, ook al blijft de wereldstatus Least Concern.
De soort broedt in het noorden van Eurazië, met een zwaartepunt in Fennoscandië en noordelijk Rusland, waarbij Europa minder dan de helft van het totale broedbereik vertegenwoordigt. Het gaat om een soort van natte, open landschappen in de subarctische laaglandzone, met gebruik van veenmoerassen, natte hoogvenen en open veenland. In het noordelijkste deel van het bosgebied kan broeden mogelijk nog net voorkomen. Een oostelijke populatie (sibirica) broedt in natte arctische toendra, wat aangeeft dat het broedhabitat varieert van veenmos- en moerascomplexen tot vochtige tundra met ondiepe plassen en slenken.
De breedbekstrandloper is trekkend, maar het wintergebied van de westpalearctische broedvogels is lang niet overal goed gedocumenteerd. De najaarstrek verloopt grotendeels zuid- tot zuidoostwaarts over Europa, breedfrontig en vooral over land, waarbij waarnemingen ten westen van een lijn van de westelijke Oostzee naar Italië schaars tot zeldzaam worden genoemd. Daarbij speelt determinatie een rol: door de gelijkenis met andere kleine steltlopers kan de soort in West-Europa onderschat zijn, en het is aannemelijk dat een deel van de passage weinig opvalt. In gebieden als Zuid-Frankrijk, met name de Camargue, wijzen waarnemingen op een dunne maar regelmatige doortrek in mei en in augustus. Het hoofddeel van het wintergebied wordt vaak gezocht rond de Rode Zee en van de Perzische Golf richting India en Sri Lanka, met daarnaast een belangrijk aandeel in noordoostelijk en oostelijk Afrika. Dit patroon onderstreept het karakter van een langeafstandstrekker die sterk afhankelijk is van een keten van geschikte tussenstopgebieden.
In het veld is de breedbekstrandloper een kleine wader van de slik- en oeverzones, iets kleiner dan de bonte strandloper, met een opvallend lange en relatief brede snavel die aan de punt licht neerwaarts buigt. Een kenmerkend detail is de “gespleten” wenkbrauwstreep, waarbij de lichte tekening boven het oog in twee banen uiteen kan vallen. Vers verenkleed toont vaak een donker ogende mantel en schouderveren met lichte, witachtige randen, waardoor fijne lichte lijntjes langs de veerranden zichtbaar zijn. Bovendekveren van de vleugel ogen grijsbruin met eveneens lichte franje. Vrouwtjes zijn gemiddeld wat groter. In winterkleed wordt het geheel soberder, met grijsbruine bovendelen met donkere veercentra en lichte randen, en een overwegend witte onderzijde met hooguit een lichte, grijsbruine streping op de borst. De oostelijke vorm sibirica kan warmer gekleurde, meer rossige veerranden tonen en een net andere verhouding in de wenkbrauwstreep, wat vooral bij goede omstandigheden in de hand of op korte afstand opvalt.
Tijdens trek en in de overwinteringsperiode wordt vooral gebruikgemaakt van zachte, modderige zones langs plassen en meren, maar ook van wadplaten, ondiepe lagunes van zoet tot zout, sterk begraasde natte graslanden, fjordinhammen en rivierstrandbanken. De gemeenschappelijke noemer is een zachte bodem met ondiep water en rijk bodemleven, waar foerageren mogelijk is met een combinatie van “pikken” en gericht peilen in het substraat. Op zulke plekken kan de soort vrij verspreid en onopvallend tussen andere steltlopers aanwezig zijn, wat opnieuw bijdraagt aan de kans op onderschatting in tellingen.
Het voedsel bestaat uit een brede mix van ongewervelden zoals mariene wormen, slakken, tweekleppigen, kreeftachtigen en insecten, met af en toe ook zaden. Foerageren gebeurt vaak langzaam lopend, met korte bewegingen van links naar rechts en af en toe boren of peilen in modder of nat zand. Kenmerkend is dat de kop tijdens het zoeken regelmatig in een wat zijwaartse hoek wordt gehouden, alsof de blik en de snavel voortdurend een specifiek strookje bodem “aftasten”. Waarnemingen betreffen vaak solitaire vogels of kleine groepjes, maar menging met andere steltlopers komt geregeld voor wanneer meerdere soorten hetzelfde slik of dezelfde plasrand benutten.
De broedtijd valt vooral in juni en juli, met in Fennoscandië vaak een start in juni en in noordelijk Rusland doorgaans juni tot juli. Er wordt meestal monogaam gebroed, vaak in losse kolonies tot ongeveer tien paren, waarbij territoriumdrift bij mannetjes opvallend kan zijn. Het nest is een komvormig nest, met vegetatie bekleed en geregeld geplaatst bovenop een graspollen of een verhoogd stukje veen, wat helpt tegen natte ondergrond en tijdelijke waterstijging. Een legsel bestaat meestal uit drie tot vier eieren in één broedsel. De broedduur ligt rond 21 dagen. Kuikens zijn nestvlieders en hebben een warm kastanje- tot hazelbruin bovendek met duidelijke donkere banden en lijnen, en een contrasterend witte onderzijde met een licht buffige tint op de borst. Beide ouders begeleiden de kuikens, maar het vrouwtje kan het gezin vóór het uitvliegen verlaten, waardoor de latere zorg vooral bij het mannetje komt te liggen.
De soort broedt in het noorden van Eurazië, met een zwaartepunt in Fennoscandië en noordelijk Rusland, waarbij Europa minder dan de helft van het totale broedbereik vertegenwoordigt. Het gaat om een soort van natte, open landschappen in de subarctische laaglandzone, met gebruik van veenmoerassen, natte hoogvenen en open veenland. In het noordelijkste deel van het bosgebied kan broeden mogelijk nog net voorkomen. Een oostelijke populatie (sibirica) broedt in natte arctische toendra, wat aangeeft dat het broedhabitat varieert van veenmos- en moerascomplexen tot vochtige tundra met ondiepe plassen en slenken.
De breedbekstrandloper is trekkend, maar het wintergebied van de westpalearctische broedvogels is lang niet overal goed gedocumenteerd. De najaarstrek verloopt grotendeels zuid- tot zuidoostwaarts over Europa, breedfrontig en vooral over land, waarbij waarnemingen ten westen van een lijn van de westelijke Oostzee naar Italië schaars tot zeldzaam worden genoemd. Daarbij speelt determinatie een rol: door de gelijkenis met andere kleine steltlopers kan de soort in West-Europa onderschat zijn, en het is aannemelijk dat een deel van de passage weinig opvalt. In gebieden als Zuid-Frankrijk, met name de Camargue, wijzen waarnemingen op een dunne maar regelmatige doortrek in mei en in augustus. Het hoofddeel van het wintergebied wordt vaak gezocht rond de Rode Zee en van de Perzische Golf richting India en Sri Lanka, met daarnaast een belangrijk aandeel in noordoostelijk en oostelijk Afrika. Dit patroon onderstreept het karakter van een langeafstandstrekker die sterk afhankelijk is van een keten van geschikte tussenstopgebieden.
In het veld is de breedbekstrandloper een kleine wader van de slik- en oeverzones, iets kleiner dan de bonte strandloper, met een opvallend lange en relatief brede snavel die aan de punt licht neerwaarts buigt. Een kenmerkend detail is de “gespleten” wenkbrauwstreep, waarbij de lichte tekening boven het oog in twee banen uiteen kan vallen. Vers verenkleed toont vaak een donker ogende mantel en schouderveren met lichte, witachtige randen, waardoor fijne lichte lijntjes langs de veerranden zichtbaar zijn. Bovendekveren van de vleugel ogen grijsbruin met eveneens lichte franje. Vrouwtjes zijn gemiddeld wat groter. In winterkleed wordt het geheel soberder, met grijsbruine bovendelen met donkere veercentra en lichte randen, en een overwegend witte onderzijde met hooguit een lichte, grijsbruine streping op de borst. De oostelijke vorm sibirica kan warmer gekleurde, meer rossige veerranden tonen en een net andere verhouding in de wenkbrauwstreep, wat vooral bij goede omstandigheden in de hand of op korte afstand opvalt.
Tijdens trek en in de overwinteringsperiode wordt vooral gebruikgemaakt van zachte, modderige zones langs plassen en meren, maar ook van wadplaten, ondiepe lagunes van zoet tot zout, sterk begraasde natte graslanden, fjordinhammen en rivierstrandbanken. De gemeenschappelijke noemer is een zachte bodem met ondiep water en rijk bodemleven, waar foerageren mogelijk is met een combinatie van “pikken” en gericht peilen in het substraat. Op zulke plekken kan de soort vrij verspreid en onopvallend tussen andere steltlopers aanwezig zijn, wat opnieuw bijdraagt aan de kans op onderschatting in tellingen.
Het voedsel bestaat uit een brede mix van ongewervelden zoals mariene wormen, slakken, tweekleppigen, kreeftachtigen en insecten, met af en toe ook zaden. Foerageren gebeurt vaak langzaam lopend, met korte bewegingen van links naar rechts en af en toe boren of peilen in modder of nat zand. Kenmerkend is dat de kop tijdens het zoeken regelmatig in een wat zijwaartse hoek wordt gehouden, alsof de blik en de snavel voortdurend een specifiek strookje bodem “aftasten”. Waarnemingen betreffen vaak solitaire vogels of kleine groepjes, maar menging met andere steltlopers komt geregeld voor wanneer meerdere soorten hetzelfde slik of dezelfde plasrand benutten.
De broedtijd valt vooral in juni en juli, met in Fennoscandië vaak een start in juni en in noordelijk Rusland doorgaans juni tot juli. Er wordt meestal monogaam gebroed, vaak in losse kolonies tot ongeveer tien paren, waarbij territoriumdrift bij mannetjes opvallend kan zijn. Het nest is een komvormig nest, met vegetatie bekleed en geregeld geplaatst bovenop een graspollen of een verhoogd stukje veen, wat helpt tegen natte ondergrond en tijdelijke waterstijging. Een legsel bestaat meestal uit drie tot vier eieren in één broedsel. De broedduur ligt rond 21 dagen. Kuikens zijn nestvlieders en hebben een warm kastanje- tot hazelbruin bovendek met duidelijke donkere banden en lijnen, en een contrasterend witte onderzijde met een licht buffige tint op de borst. Beide ouders begeleiden de kuikens, maar het vrouwtje kan het gezin vóór het uitvliegen verlaten, waardoor de latere zorg vooral bij het mannetje komt te liggen.
Temminck’s strandloper
[LAT] Calidris temminckii |
[UK] Temminck’s Stint |
[FR] Bécasseau de Temminck |
[DE] Temminckstrandläufer |
[ES] Correlimos de Temminck |
[NL] Temminck’s strandloper






Klik hier Temminck’s strandloper details
De Temmincks strandloper (Calidris temminckii) heeft wereldwijd de status niet bedreigd (Least Concern). Het verspreidingsgebied is zeer groot en de populatie wordt als omvangrijk gezien. De wereldwijde trend is niet overal precies bekend, maar er zijn geen aanwijzingen dat de soort in een tempo afneemt dat past bij een hogere bedreigingscategorie. In Europa zijn in sommige landen regionale afnames genoemd, terwijl andere kerngebieden stabiel bleven, wat past bij het beeld van een soort die lokaal kan schommelen maar op wereldschaal breed gedragen blijft.
De soort broedt in het noorden van Eurazië, met belangrijke broedgebieden in Fennoscandië en arctisch Rusland. Het broedhabitat bestaat vaak uit zuidelijke toendra en struiktoendra, maar ook uit vlakke delen van rivier- en beekdalen in de bos-toendra. Broedplekken liggen geregeld op open, vlakke stukken die vrijwel vegetatieloos zijn of begroeid met korte grassen met verspreide struikjes. Ook randen van inhammen, fjorden, delta’s en stroompjes worden benut, evenals beschutte plekken hogerop of meer landinwaarts waar struikzones overgaan in opener terrein. Het geheel geeft een voorkeur weer voor koele noordelijke landschappen met een mozaïek van natte en drogere microhabitats, waar kuikens beschutting en voedsel kunnen vinden zonder dat de begroeiing te hoog of te dicht wordt.
Temmincks strandloper is een echte trekker. De trek verloopt breedfrontig richting Noord-Afrika en Zuid-Azië. Aankomst in Noord-Afrika valt grofweg van eind juli tot half september en soms tot half oktober, met doortrek en aankomst in de Sahelzone (zoals Mali) vooral in augustus tot oktober en in het noordoosten van Afrika (zoals Eritrea) vooral van september tot begin oktober. Verder zuidelijk in de tropen worden de grootste aantallen vaak vanaf oktober gemeld. De terugtrek uit de overwinteringsgebieden ligt vooral in eind maart en april, met een deel van de vogels pas in mei. Kleine aantallen overwinteren soms in Europa, in uitzonderlijke gevallen zelfs tot in noordelijk Groot-Brittannië. Scandinavische vogels trekken in het najaar veelal zuid- tot zuidwestwaarts. Trek vindt meestal plaats in kleine groepjes, maar op geschikte rust- en foerageerplekken kunnen ook grotere concentraties ontstaan, met aantallen die kunnen oplopen tot enkele honderden individuen.
In het veld is dit een kleine strandloper, met een opvallend kenmerk dat binnen het geslacht Calidris vrijwel uniek is: brede witte zijkanten van de staart en een duidelijke witte romp, die vooral in vlucht goed opvallen. De bovendelen kunnen variëren van dof grijs tot olijfbruin, vaak met wisselende vlekken van donkerbruin tot zwartbruin en soms wat dof rossige of grijzige accenten. Kop en borst zijn grijsbruin, met op de borst meestal vrij zware bruine streping. Kin, keel en buik zijn wit, wat de borsttekening extra laat uitkomen. Vrouwtjes zijn gemiddeld iets groter. In winterkleed oogt het geheel soberder, met donkergrijze bovendelen en kop, en een vrij egaal licht grijsbruine borst, terwijl kin en keel wit blijven. Door dit subtiele kleed en de kleine afmetingen kan de soort tussen andere “stints” snel over het hoofd worden gezien, maar het witte stuit- en staartpatroon helpt vaak bij een zekere determinatie.
Buiten de broedtijd wordt een brede waaier aan wetlands gebruikt, met een duidelijke voorkeur voor binnenlandse zoetwatergebieden. Overstromingsvlaktes, geïrrigeerde akkers, waterzuiverings- en rioolwatergebieden en moerassen met meer of minder dichte vegetatie kunnen allemaal geschikt zijn, mits er ondiep water en slikranden aanwezig zijn. Aan de kust kan foerageren ook voorkomen, maar het algemene beeld is dat zoetwaterlocaties in het binnenland een belangrijk deel van de pleister- en wintergebieden vormen. Dit maakt de soort op trek regelmatig aanwezig bij plassen, poldersloten, inundatievelden en andere zoetwaterstructuren waar kleine ongewervelden bereikbaar zijn.
Het voedsel bestaat uit kleine ongewervelden. Aan de kust worden vooral wormen (anneliden), kreeftachtigen en kleine weekdieren genoemd. Foerageren gebeurt vooral door prooien van het oppervlak te pikken, met relatief weinig diep “prikken” in het substraat. De soort foerageert vaak alleen of in kleine groepjes tot ongeveer dertig vogels, soms losjes gemengd met andere steltlopers. Door het rustige, vrij methodische “pikken” langs slikrandjes en ondiep water wordt vaak een heel smalle strook microhabitat intensief benut, waarbij kleine prooitjes snel worden opgenomen.
De broedperiode loopt grofweg van mei tot juli. Er is een opmerkelijk flexibel broedsysteem gemeld, met opeenvolgende partnerwisselingen bij beide seksen en soms een derde legsel binnen hetzelfde seizoen. Plaatstrouw komt voor, en er zijn aanwijzingen dat een deel van de vogels terugkeert naar het gebied waar het uit het ei kwam. Het nest ligt op de grond, in open terrein of in lage vegetatie, en is bekleed met plantaardig materiaal zoals stengels en bladeren. Een legsel bestaat doorgaans uit vier eieren. Een tweede legsel kan al ongeveer een week na het eerste worden gestart. Elk nest wordt vervolgens vooral door één oudervogel verzorgd, met een broedduur van ongeveer 21 dagen. De kuikens hebben een warm kaneelbuff tot okerkleurig bovendek met een donkere bandering en lichte, wit- tot buffkleurige dons-topjes, met een geelbuff gezicht en keel en een witte onderzijde. Eerste broedpogingen kunnen al op éénjarige leeftijd plaatsvinden, wat past bij het snelle levensritme van veel arctische steltlopers.
De soort broedt in het noorden van Eurazië, met belangrijke broedgebieden in Fennoscandië en arctisch Rusland. Het broedhabitat bestaat vaak uit zuidelijke toendra en struiktoendra, maar ook uit vlakke delen van rivier- en beekdalen in de bos-toendra. Broedplekken liggen geregeld op open, vlakke stukken die vrijwel vegetatieloos zijn of begroeid met korte grassen met verspreide struikjes. Ook randen van inhammen, fjorden, delta’s en stroompjes worden benut, evenals beschutte plekken hogerop of meer landinwaarts waar struikzones overgaan in opener terrein. Het geheel geeft een voorkeur weer voor koele noordelijke landschappen met een mozaïek van natte en drogere microhabitats, waar kuikens beschutting en voedsel kunnen vinden zonder dat de begroeiing te hoog of te dicht wordt.
Temmincks strandloper is een echte trekker. De trek verloopt breedfrontig richting Noord-Afrika en Zuid-Azië. Aankomst in Noord-Afrika valt grofweg van eind juli tot half september en soms tot half oktober, met doortrek en aankomst in de Sahelzone (zoals Mali) vooral in augustus tot oktober en in het noordoosten van Afrika (zoals Eritrea) vooral van september tot begin oktober. Verder zuidelijk in de tropen worden de grootste aantallen vaak vanaf oktober gemeld. De terugtrek uit de overwinteringsgebieden ligt vooral in eind maart en april, met een deel van de vogels pas in mei. Kleine aantallen overwinteren soms in Europa, in uitzonderlijke gevallen zelfs tot in noordelijk Groot-Brittannië. Scandinavische vogels trekken in het najaar veelal zuid- tot zuidwestwaarts. Trek vindt meestal plaats in kleine groepjes, maar op geschikte rust- en foerageerplekken kunnen ook grotere concentraties ontstaan, met aantallen die kunnen oplopen tot enkele honderden individuen.
In het veld is dit een kleine strandloper, met een opvallend kenmerk dat binnen het geslacht Calidris vrijwel uniek is: brede witte zijkanten van de staart en een duidelijke witte romp, die vooral in vlucht goed opvallen. De bovendelen kunnen variëren van dof grijs tot olijfbruin, vaak met wisselende vlekken van donkerbruin tot zwartbruin en soms wat dof rossige of grijzige accenten. Kop en borst zijn grijsbruin, met op de borst meestal vrij zware bruine streping. Kin, keel en buik zijn wit, wat de borsttekening extra laat uitkomen. Vrouwtjes zijn gemiddeld iets groter. In winterkleed oogt het geheel soberder, met donkergrijze bovendelen en kop, en een vrij egaal licht grijsbruine borst, terwijl kin en keel wit blijven. Door dit subtiele kleed en de kleine afmetingen kan de soort tussen andere “stints” snel over het hoofd worden gezien, maar het witte stuit- en staartpatroon helpt vaak bij een zekere determinatie.
Buiten de broedtijd wordt een brede waaier aan wetlands gebruikt, met een duidelijke voorkeur voor binnenlandse zoetwatergebieden. Overstromingsvlaktes, geïrrigeerde akkers, waterzuiverings- en rioolwatergebieden en moerassen met meer of minder dichte vegetatie kunnen allemaal geschikt zijn, mits er ondiep water en slikranden aanwezig zijn. Aan de kust kan foerageren ook voorkomen, maar het algemene beeld is dat zoetwaterlocaties in het binnenland een belangrijk deel van de pleister- en wintergebieden vormen. Dit maakt de soort op trek regelmatig aanwezig bij plassen, poldersloten, inundatievelden en andere zoetwaterstructuren waar kleine ongewervelden bereikbaar zijn.
Het voedsel bestaat uit kleine ongewervelden. Aan de kust worden vooral wormen (anneliden), kreeftachtigen en kleine weekdieren genoemd. Foerageren gebeurt vooral door prooien van het oppervlak te pikken, met relatief weinig diep “prikken” in het substraat. De soort foerageert vaak alleen of in kleine groepjes tot ongeveer dertig vogels, soms losjes gemengd met andere steltlopers. Door het rustige, vrij methodische “pikken” langs slikrandjes en ondiep water wordt vaak een heel smalle strook microhabitat intensief benut, waarbij kleine prooitjes snel worden opgenomen.
De broedperiode loopt grofweg van mei tot juli. Er is een opmerkelijk flexibel broedsysteem gemeld, met opeenvolgende partnerwisselingen bij beide seksen en soms een derde legsel binnen hetzelfde seizoen. Plaatstrouw komt voor, en er zijn aanwijzingen dat een deel van de vogels terugkeert naar het gebied waar het uit het ei kwam. Het nest ligt op de grond, in open terrein of in lage vegetatie, en is bekleed met plantaardig materiaal zoals stengels en bladeren. Een legsel bestaat doorgaans uit vier eieren. Een tweede legsel kan al ongeveer een week na het eerste worden gestart. Elk nest wordt vervolgens vooral door één oudervogel verzorgd, met een broedduur van ongeveer 21 dagen. De kuikens hebben een warm kaneelbuff tot okerkleurig bovendek met een donkere bandering en lichte, wit- tot buffkleurige dons-topjes, met een geelbuff gezicht en keel en een witte onderzijde. Eerste broedpogingen kunnen al op éénjarige leeftijd plaatsvinden, wat past bij het snelle levensritme van veel arctische steltlopers.
Alaskastrandloper
[LAT] Calidris mauri |
[UK] Western Sandpiper |
[FR] Bécasseau d’Alaska |
[DE] Alaska-Strandläufer |
[ES] Correlimos occidental |
[NL] Alaskastrandloper



Klik hier Alaskastrandloper details
De westelijke strandloper (Calidris mauri) heeft wereldwijd de status niet bedreigd (Least Concern). Het verspreidingsgebied is zeer groot en de populatieomvang wordt als zeer groot beschouwd. Hoewel in sommige bronnen een afnemende trend wordt genoemd, wordt die afname niet gezien als snel genoeg om binnen de IUCN-criteria richting kwetsbaar te gaan. Tegelijk maakt de soort wel gevoelig voor problemen op enkele sleutelplekken, omdat tijdens de trek een groot deel van de wereldpopulatie zich op relatief weinig pleisterplaatsen concentreert.
Het broedgebied ligt vooral in westelijk Alaska. Buiten de broedtijd strekt het gebied zich langs de Pacifische kust van Noord- en Midden-Amerika uit, van zuidelijk Canada tot Peru, met in de winter de grootste concentraties in west- en centraal Mexico en in Panama. Daarnaast komen kleinere aantallen langs de Atlantische zijde van de Amerika’s voor, en in het najaar wordt de soort ook als doortrekker aan de Atlantische kust gezien, onder meer richting het Caribisch gebied. In Suriname is de soort een minder algemene trek- en wintergast, met name op getijdenplaten langs de kust.
De trek verloopt anders dan bij veel andere kleine Calidris-strandlopers. In plaats van lange non-stopvluchten lijkt de verplaatsing vaker te bestaan uit een reeks kortere etappes, met een geschatte actieradius per vlucht van ongeveer 600 kilometer. Vogels uit oostelijk Siberië kunnen zich tijdens de trek bij de Nearctische populatie voegen. De meeste trek gaat langs de Pacifische kust, maar er is ook een duidelijke binnenlandroute door Noord-Amerika, waarbij Cheyenne Bottoms als een van de belangrijkste binnenlandse stopplaatsen geldt in zowel voor- als najaar. Tijdens de voorjaarstrek fungeert vooral de Copper River Delta als cruciale “staging site”, die door een zeer groot deel van de totale populatie wordt gebruikt. Andere belangrijke voorjaarspleisterplaatsen zijn onder meer San Francisco Bay, Grays Harbor, de Fraser Delta, Chesterman Beach en de slikken rond Tofino, plus de Stikine Delta. In het najaar spelen onder andere de Yukon Delta, Kuskokwim Bay en Boundary Bay een prominente rol. Het vertrek in de nazomer valt grofweg van juli tot begin augustus, waarbij volwassen vogels doorgaans eerder vertrekken dan juvenielen en volwassen vrouwtjes gemiddeld iets eerder dan mannetjes. De soort kan op trek in enorme zwermen optreden. Veel onvolwassen vogels blijven bovendien het hele jaar in het niet-broedgebied, waardoor in de winter- en trekgebieden ook in de zomer geregeld groepen aanwezig kunnen zijn.
In broedkleed is de soort herkenbaar aan warme roodbruine tinten op kruin en wangvlek, en vaak ook aan rossige accenten op de vleugels. Borst en bovendelen tonen dan duidelijke streping en spikkeling, wat het geheel een “druk” getekend uiterlijk geeft. Later in het seizoen kan een deel van die warme kleur verbleken of slijten. De snavel is relatief fijn en vaak licht neerwaarts gebogen, de poten zijn zwart, en in vlucht valt een witte vleugelstreep op, met daarnaast wit aan weerszijden van de staart. In winterkleed oogt het verenkleed veel soberder: overwegend grijsbruin boven en witter op borst en onderzijde. Juvenielen kunnen nog vrij warm getekend zijn op rug en schouderveren, maar missen doorgaans de duidelijke borststreping van broedkleed; een rossige toon zit eerder op de rugveren dan op kop en wangen. Er is geen uitgesproken kleurverschil tussen de seksen in het verenkleed, maar snavellengte kan gemiddeld iets verschillen, met doorgaans wat langere snavels bij vrouwtjes.
Het broedhabitat bestaat uit drogere toendragebieden met lage struikvegetatie en natte elementen in de nabijheid, zoals moerassige zones en plasjes. Tijdens de trek ligt de nadruk meestal op kustgebieden, maar een deel van de populatie trekt over land en gebruikt binnenlandse wetlands als tussenstop. In winter- en kusttrekgebieden wordt een brede reeks oeverhabitats benut, maar slikplaten en zandstranden hebben vaak de voorkeur, vooral waar ondiep water en rijke bodemdieren beschikbaar zijn.
Het voedsel verschuift per seizoen. In de broedtijd domineren insecten en vooral insectenlarven. Tijdens trek en winter bestaat het dieet vooral uit kleine water- en bodemorganismen, zoals kreeftachtigen, weekdieren, zeewormen en andere aquatische ongewervelden. Foerageren gebeurt veelal op slik of in ondiep water, waar prooien van het oppervlak worden gepikt of ondiep uit het substraat worden gehaald, vaak in een ritmisch “rennen-stoppen-pikken” patroon dat typisch is voor strandlopers.
De broedcyclus start met vroege aankomst op de broedgronden, waarbij territoria eerst worden bezet en daarna paren worden gevormd. Er worden meerdere nestkuiltjes geschraapt, waarna één kuiltje wordt uitgekozen en bekleed met bladresten, korstmossen en zegge-achtig materiaal. Een legsel bestaat doorgaans uit vier eieren en de broedduur is ongeveer 21 dagen, met broeden door beide ouders. Kuikens verlaten het nest snel na uitkomen en zoeken zelfstandig voedsel, terwijl de ouderzorg vooral bestaat uit begeleiden, waarschuwen en warmhouden bij slecht weer. Het is gebruikelijk dat het vrouwtje al kort na het uitkomen vertrekt en zich aansluit bij groepen van andere post-broedende vrouwtjes, terwijl het mannetje de kuikens langer begeleidt tot het uitvliegen, doorgaans na ongeveer 17 tot 21 dagen.
Het broedgebied ligt vooral in westelijk Alaska. Buiten de broedtijd strekt het gebied zich langs de Pacifische kust van Noord- en Midden-Amerika uit, van zuidelijk Canada tot Peru, met in de winter de grootste concentraties in west- en centraal Mexico en in Panama. Daarnaast komen kleinere aantallen langs de Atlantische zijde van de Amerika’s voor, en in het najaar wordt de soort ook als doortrekker aan de Atlantische kust gezien, onder meer richting het Caribisch gebied. In Suriname is de soort een minder algemene trek- en wintergast, met name op getijdenplaten langs de kust.
De trek verloopt anders dan bij veel andere kleine Calidris-strandlopers. In plaats van lange non-stopvluchten lijkt de verplaatsing vaker te bestaan uit een reeks kortere etappes, met een geschatte actieradius per vlucht van ongeveer 600 kilometer. Vogels uit oostelijk Siberië kunnen zich tijdens de trek bij de Nearctische populatie voegen. De meeste trek gaat langs de Pacifische kust, maar er is ook een duidelijke binnenlandroute door Noord-Amerika, waarbij Cheyenne Bottoms als een van de belangrijkste binnenlandse stopplaatsen geldt in zowel voor- als najaar. Tijdens de voorjaarstrek fungeert vooral de Copper River Delta als cruciale “staging site”, die door een zeer groot deel van de totale populatie wordt gebruikt. Andere belangrijke voorjaarspleisterplaatsen zijn onder meer San Francisco Bay, Grays Harbor, de Fraser Delta, Chesterman Beach en de slikken rond Tofino, plus de Stikine Delta. In het najaar spelen onder andere de Yukon Delta, Kuskokwim Bay en Boundary Bay een prominente rol. Het vertrek in de nazomer valt grofweg van juli tot begin augustus, waarbij volwassen vogels doorgaans eerder vertrekken dan juvenielen en volwassen vrouwtjes gemiddeld iets eerder dan mannetjes. De soort kan op trek in enorme zwermen optreden. Veel onvolwassen vogels blijven bovendien het hele jaar in het niet-broedgebied, waardoor in de winter- en trekgebieden ook in de zomer geregeld groepen aanwezig kunnen zijn.
In broedkleed is de soort herkenbaar aan warme roodbruine tinten op kruin en wangvlek, en vaak ook aan rossige accenten op de vleugels. Borst en bovendelen tonen dan duidelijke streping en spikkeling, wat het geheel een “druk” getekend uiterlijk geeft. Later in het seizoen kan een deel van die warme kleur verbleken of slijten. De snavel is relatief fijn en vaak licht neerwaarts gebogen, de poten zijn zwart, en in vlucht valt een witte vleugelstreep op, met daarnaast wit aan weerszijden van de staart. In winterkleed oogt het verenkleed veel soberder: overwegend grijsbruin boven en witter op borst en onderzijde. Juvenielen kunnen nog vrij warm getekend zijn op rug en schouderveren, maar missen doorgaans de duidelijke borststreping van broedkleed; een rossige toon zit eerder op de rugveren dan op kop en wangen. Er is geen uitgesproken kleurverschil tussen de seksen in het verenkleed, maar snavellengte kan gemiddeld iets verschillen, met doorgaans wat langere snavels bij vrouwtjes.
Het broedhabitat bestaat uit drogere toendragebieden met lage struikvegetatie en natte elementen in de nabijheid, zoals moerassige zones en plasjes. Tijdens de trek ligt de nadruk meestal op kustgebieden, maar een deel van de populatie trekt over land en gebruikt binnenlandse wetlands als tussenstop. In winter- en kusttrekgebieden wordt een brede reeks oeverhabitats benut, maar slikplaten en zandstranden hebben vaak de voorkeur, vooral waar ondiep water en rijke bodemdieren beschikbaar zijn.
Het voedsel verschuift per seizoen. In de broedtijd domineren insecten en vooral insectenlarven. Tijdens trek en winter bestaat het dieet vooral uit kleine water- en bodemorganismen, zoals kreeftachtigen, weekdieren, zeewormen en andere aquatische ongewervelden. Foerageren gebeurt veelal op slik of in ondiep water, waar prooien van het oppervlak worden gepikt of ondiep uit het substraat worden gehaald, vaak in een ritmisch “rennen-stoppen-pikken” patroon dat typisch is voor strandlopers.
De broedcyclus start met vroege aankomst op de broedgronden, waarbij territoria eerst worden bezet en daarna paren worden gevormd. Er worden meerdere nestkuiltjes geschraapt, waarna één kuiltje wordt uitgekozen en bekleed met bladresten, korstmossen en zegge-achtig materiaal. Een legsel bestaat doorgaans uit vier eieren en de broedduur is ongeveer 21 dagen, met broeden door beide ouders. Kuikens verlaten het nest snel na uitkomen en zoeken zelfstandig voedsel, terwijl de ouderzorg vooral bestaat uit begeleiden, waarschuwen en warmhouden bij slecht weer. Het is gebruikelijk dat het vrouwtje al kort na het uitkomen vertrekt en zich aansluit bij groepen van andere post-broedende vrouwtjes, terwijl het mannetje de kuikens langer begeleidt tot het uitvliegen, doorgaans na ongeveer 17 tot 21 dagen.
Drieteenstrandloper
[LAT] Calidris alba |
[UK] Sanderling |
[FR] Bécasseau sanderling |
[DE] Sanderling |
[ES] Correlimos tridáctilo |
[NL] Drieteenstrandloper


Klik hier Drieteenstrandloper details
De drieteenstrandloper (Calidris alba) heeft wereldwijd de status niet bedreigd (Least Concern). Het verspreidingsgebied is zeer groot en de populatie wordt als zeer omvangrijk beschouwd. De populatietrend is niet overal goed bekend, maar er zijn geen aanwijzingen dat de afname snel genoeg is om binnen de IUCN-criteria richting kwetsbaar te verschuiven.
De soort is een uitgesproken langeafstandstrekker en gebruikt tijdens de trek relatief weinig, maar vaak zeer belangrijke pleisterplaatsen. Er is doorgaans sterke trouw aan vaste overwinteringsplekken. De trek verloopt grotendeels langs kusten en boven zee, maar lokaal wordt ook geregeld landinwaarts getrokken, vooral in Afrika en Noord-Amerika. Daarnaast duikt de soort op bij vele kleine oceaan-eilanden. Vogels uit Groenland en Siberië kunnen via de Britse Eilanden trekken, waarbij een deel daar blijft, terwijl veel exemplaren verder zuidwaarts overwinteren langs de Atlantische kusten van Europa tot in zuidelijk Afrika. Er is aanwijzing voor lusmigratie: in het voorjaar gaan bepaalde groepen vanuit West-Afrika over de Sahara richting het centrale Middellandse Zeegebied. Siberische populaties ten oosten van Taymyr trekken onder meer via de oostkust van Rusland of over land naar de Indische Oceaan en het zuidwestelijke deel van de Stille Oceaan. In Oost-Azië is doortrek bekend via onder andere Korea, oostelijk China en Japan, met ook passage in delen van Zuidoost-Azië. Populaties die in Zuidoost-Azië en Australië overwinteren worden doorgaans gekoppeld aan noordelijke Siberische broedgebieden. Nearctische populaties verplaatsen zich langs de Pacifische en Atlantische kusten en via binnenlandroutes zoals prairies en de Texaskust. Aan de Pacifische kust van Zuid-Amerika bevinden zich vaak grote aantallen; de voorjaarsmigratie naar het noorden kan dan relatief veel via binnenland- en Atlantische routes verlopen. Een bekende massale verzamelplek tijdens de trek is Delaware Bay, waar grote aantallen tijdelijk profiteren van zeer rijke voedselpieken.
Het uiterlijk is compact en licht van kleur. Kenmerkend zijn een rechte, zwarte snavel en zwarte poten. Mannetje en vrouwtje zijn uiterlijk vrijwel gelijk. In broedkleed zijn kop en hals duidelijk roestbruin met een warmbruine waas die doorloopt op de rug. In winterkleed is de onderzijde helder wit en de bovenzijde zeer lichtgrijs. Juvenielen hebben eveneens een witte onderzijde, maar tonen op de bovendelen een contrastrijker, geschubd patroon met lichte en donkere veerranden. Een opvallend determinatiekenmerk is het ontbreken van een achterteen, wat samenhangt met het sterke “rennende” gedrag op stranden.
Qua gedrag valt de soort op door snelle bewegingen langs de waterlijn op brede zandstranden, waarbij opkomende en terugrollende golven nauwgezet worden gevolgd. Foerageren gebeurt veelal door peckend zoeken en door ondiep te prikken en te “sonderen” in nat zand, waardoor vaak rijen kleine gaatjes achterblijven. Ook kunstmatige structuren op het strand kunnen benut worden als foerageerplek, bijvoorbeeld in sporen of kuilen waar kleine prooien zich verzamelen. Buiten de broedtijd worden vaak groepen gevormd, met relatief vrije uitwisseling tussen groepen op hetzelfde strand of estuarium.
Het broedhabitat ligt extreem noordelijk, op droge, stenige of grindrijke toendra, vaak in open terrein met goed overzicht en geregeld in de nabijheid van plassen of meren. Buiten het broedseizoen ligt de nadruk op kusthabitats: brede, open zandstranden met lichtgekleurde zandbodems zijn typisch, maar ook kiezel- en rotskusten, slikken en kelp- of wierbanken kunnen worden gebruikt. Tijdens najaarstrek en overwintering kan er een ruimtelijke verdeling optreden waarbij ervaren volwassen vogels vaker de gunstigste microhabitats bezetten en jongere vogels uitwijken naar minder optimale zones.
Het voedsel bestaat vooral uit aquatische ongewervelden en soms aas. Prooien worden meestal op of net onder het oppervlak van zand en slik gevonden. Op sommige kusten vormen jonge schelpdieren, kleine kreeftachtigen, wormen en andere strandfauna een belangrijk deel van het dieet, afhankelijk van lokale beschikbaarheid en getij.
Het broeden vindt plaats op de droge noordelijke toendra. Het nest is een ondiep kuiltje op de grond, vaak op een iets verhoogde plek in open terrein, met een lichte bekleding van blad- of plantmateriaal. Het broedsysteem kan opvallend variabel zijn: er worden vaak twee legsels geproduceerd, waarbij de broedzorg verdeeld kan worden over twee mannetjes, of over een mannetje en het vrouwtje. Een legsel bestaat meestal uit vier eieren. De broedduur ligt grofweg tussen 24 en 31 dagen. Kuikens verlaten het nest snel na uitkomen, zoeken zelfstandig voedsel en groeien snel; uitvliegen kan al rond circa 17 dagen plaatsvinden, terwijl begeleidende ouderzorg vooral bestaat uit beschermen, alarmeren en sturen naar geschikte foerageerplekken.
De soort is een uitgesproken langeafstandstrekker en gebruikt tijdens de trek relatief weinig, maar vaak zeer belangrijke pleisterplaatsen. Er is doorgaans sterke trouw aan vaste overwinteringsplekken. De trek verloopt grotendeels langs kusten en boven zee, maar lokaal wordt ook geregeld landinwaarts getrokken, vooral in Afrika en Noord-Amerika. Daarnaast duikt de soort op bij vele kleine oceaan-eilanden. Vogels uit Groenland en Siberië kunnen via de Britse Eilanden trekken, waarbij een deel daar blijft, terwijl veel exemplaren verder zuidwaarts overwinteren langs de Atlantische kusten van Europa tot in zuidelijk Afrika. Er is aanwijzing voor lusmigratie: in het voorjaar gaan bepaalde groepen vanuit West-Afrika over de Sahara richting het centrale Middellandse Zeegebied. Siberische populaties ten oosten van Taymyr trekken onder meer via de oostkust van Rusland of over land naar de Indische Oceaan en het zuidwestelijke deel van de Stille Oceaan. In Oost-Azië is doortrek bekend via onder andere Korea, oostelijk China en Japan, met ook passage in delen van Zuidoost-Azië. Populaties die in Zuidoost-Azië en Australië overwinteren worden doorgaans gekoppeld aan noordelijke Siberische broedgebieden. Nearctische populaties verplaatsen zich langs de Pacifische en Atlantische kusten en via binnenlandroutes zoals prairies en de Texaskust. Aan de Pacifische kust van Zuid-Amerika bevinden zich vaak grote aantallen; de voorjaarsmigratie naar het noorden kan dan relatief veel via binnenland- en Atlantische routes verlopen. Een bekende massale verzamelplek tijdens de trek is Delaware Bay, waar grote aantallen tijdelijk profiteren van zeer rijke voedselpieken.
Het uiterlijk is compact en licht van kleur. Kenmerkend zijn een rechte, zwarte snavel en zwarte poten. Mannetje en vrouwtje zijn uiterlijk vrijwel gelijk. In broedkleed zijn kop en hals duidelijk roestbruin met een warmbruine waas die doorloopt op de rug. In winterkleed is de onderzijde helder wit en de bovenzijde zeer lichtgrijs. Juvenielen hebben eveneens een witte onderzijde, maar tonen op de bovendelen een contrastrijker, geschubd patroon met lichte en donkere veerranden. Een opvallend determinatiekenmerk is het ontbreken van een achterteen, wat samenhangt met het sterke “rennende” gedrag op stranden.
Qua gedrag valt de soort op door snelle bewegingen langs de waterlijn op brede zandstranden, waarbij opkomende en terugrollende golven nauwgezet worden gevolgd. Foerageren gebeurt veelal door peckend zoeken en door ondiep te prikken en te “sonderen” in nat zand, waardoor vaak rijen kleine gaatjes achterblijven. Ook kunstmatige structuren op het strand kunnen benut worden als foerageerplek, bijvoorbeeld in sporen of kuilen waar kleine prooien zich verzamelen. Buiten de broedtijd worden vaak groepen gevormd, met relatief vrije uitwisseling tussen groepen op hetzelfde strand of estuarium.
Het broedhabitat ligt extreem noordelijk, op droge, stenige of grindrijke toendra, vaak in open terrein met goed overzicht en geregeld in de nabijheid van plassen of meren. Buiten het broedseizoen ligt de nadruk op kusthabitats: brede, open zandstranden met lichtgekleurde zandbodems zijn typisch, maar ook kiezel- en rotskusten, slikken en kelp- of wierbanken kunnen worden gebruikt. Tijdens najaarstrek en overwintering kan er een ruimtelijke verdeling optreden waarbij ervaren volwassen vogels vaker de gunstigste microhabitats bezetten en jongere vogels uitwijken naar minder optimale zones.
Het voedsel bestaat vooral uit aquatische ongewervelden en soms aas. Prooien worden meestal op of net onder het oppervlak van zand en slik gevonden. Op sommige kusten vormen jonge schelpdieren, kleine kreeftachtigen, wormen en andere strandfauna een belangrijk deel van het dieet, afhankelijk van lokale beschikbaarheid en getij.
Het broeden vindt plaats op de droge noordelijke toendra. Het nest is een ondiep kuiltje op de grond, vaak op een iets verhoogde plek in open terrein, met een lichte bekleding van blad- of plantmateriaal. Het broedsysteem kan opvallend variabel zijn: er worden vaak twee legsels geproduceerd, waarbij de broedzorg verdeeld kan worden over twee mannetjes, of over een mannetje en het vrouwtje. Een legsel bestaat meestal uit vier eieren. De broedduur ligt grofweg tussen 24 en 31 dagen. Kuikens verlaten het nest snel na uitkomen, zoeken zelfstandig voedsel en groeien snel; uitvliegen kan al rond circa 17 dagen plaatsvinden, terwijl begeleidende ouderzorg vooral bestaat uit beschermen, alarmeren en sturen naar geschikte foerageerplekken.
Grijze Strandloper
[LAT] Calidris pusilla|
[UK] Semipalmated Sandpiper |
[FR] Bécasseau semipalmé |
[DE] Sandstrandlaüfer |
[ES] Correlimos semipalmeado |
[NL] Grijze strandloper

Klik hier Grijze strandloper details
De Grijze strandloper (Calidris pusilla) is een kleine, compacte strandloper van ongeveer 14 cm, met zwarte poten en een relatief korte, rechte tot licht neerwaarts gebogen snavel. Het verenkleed oogt meestal vrij sober: grijs- tot bruinachtig aan de bovenzijde en wit aan de onderzijde, met in het broedkleed vaak wat warmere bruintinten op kop en borst. In vlucht vallen de snelle vleugelslagen en het alerte, schichtige gedrag op, vooral wanneer groepen langs de waterlijn foerageren.
Het verspreidingsgebied ligt in Noord-Amerika, waar de soort broedt in de sub- en middenarctische toendra van Canada en Alaska, vaak in de buurt van water. Buiten de broedtijd concentreert de soort zich vooral langs kusten en estuaria en overwintert in grote delen van (noordelijk en centraal) Zuid-Amerika. Tijdens de trek worden enkele sleutelpleisterplaatsen intensief benut, waar soms enorme aantallen samenkomen om vetreserves op te bouwen voor lange, aaneengesloten trekvluchten.
De trek verloopt in het voorjaar meestal vanaf begin tot half mei vanuit Zuid-Amerika naar het noorden. In de nazomer start de terugtrek opvallend vroeg: niet-broeders en mislukte broeders kunnen al vanaf begin juli vertrekken, waarna volwassen vrouwtjes en daarna mannetjes volgen. In veel gebieden piekt de doortrek van volwassen vogels eind juli of begin augustus, terwijl juvenielen doorgaans enkele weken later passeren. Een aanzienlijk deel van de eerstejaars vogels blijft tijdens de eerste zomer in het overwinteringsgebied en keert dan niet terug naar de broedgebieden.
De soort gebruikt tijdens broeden en trek vooral open, natte tot halfdroge plekken met lage vegetatie. Op de broedplaatsen gaat het vaak om toendra met zegges, grassen en verspreide poelen of beekjes, en soms om rivierdelta’s met een mozaïek van drogere en vochtige zones. Tijdens trek en winter worden slibrijke getijdengebieden, modderplaten, ondiepe lagunes en oevers van brak of zoet water benut, meestal op plekken met weinig hoge begroeiing.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine ongewervelden, zoals insecten en larven, wormen en kleine kreeftachtigen. Foerageren gebeurt lopend, met korte sprints en stops, waarbij prooien van het oppervlak worden gepikt of ondiep uit zachte modder worden gehaald. Waar het voedselaanbod hoog is, kunnen grote groepen dicht opeen foerageren en snel wisselen tussen rusten en eten, passend bij het opbouwen van energiereserves voor de volgende etappe.
Het broedseizoen valt meestal in juni tot begin juli. In de toendra worden ondiepe nestkuiltjes gemaakt, waarvan er één wordt gekozen en met fijn plantmateriaal wordt bekleed. Een legsel bestaat doorgaans uit vier eieren, met een broedduur van ongeveer negentien dagen. De kuikens zijn nestvlieders en zoeken snel zelfstandig voedsel, maar worden in de eerste periode nog geregeld warm gehouden. Vaak verlaat het vrouwtje de kuikens relatief vroeg na het uitkomen, terwijl het mannetje de zorg langer voortzet tot rond het moment dat de jongen kunnen vliegen.
De soort staat wereldwijd bekend als niet bedreigd (Least Concern), mede doordat het totale verspreidingsgebied zeer groot is en de totale populatie eveneens omvangrijk is. Wel kan de soort kwetsbaar zijn doordat een groot deel van de populatie tijdens de trek afhankelijk is van een beperkt aantal belangrijke pleisterplaatsen, waar verstoring of habitatverlies direct veel effect kan hebben.
Het verspreidingsgebied ligt in Noord-Amerika, waar de soort broedt in de sub- en middenarctische toendra van Canada en Alaska, vaak in de buurt van water. Buiten de broedtijd concentreert de soort zich vooral langs kusten en estuaria en overwintert in grote delen van (noordelijk en centraal) Zuid-Amerika. Tijdens de trek worden enkele sleutelpleisterplaatsen intensief benut, waar soms enorme aantallen samenkomen om vetreserves op te bouwen voor lange, aaneengesloten trekvluchten.
De trek verloopt in het voorjaar meestal vanaf begin tot half mei vanuit Zuid-Amerika naar het noorden. In de nazomer start de terugtrek opvallend vroeg: niet-broeders en mislukte broeders kunnen al vanaf begin juli vertrekken, waarna volwassen vrouwtjes en daarna mannetjes volgen. In veel gebieden piekt de doortrek van volwassen vogels eind juli of begin augustus, terwijl juvenielen doorgaans enkele weken later passeren. Een aanzienlijk deel van de eerstejaars vogels blijft tijdens de eerste zomer in het overwinteringsgebied en keert dan niet terug naar de broedgebieden.
De soort gebruikt tijdens broeden en trek vooral open, natte tot halfdroge plekken met lage vegetatie. Op de broedplaatsen gaat het vaak om toendra met zegges, grassen en verspreide poelen of beekjes, en soms om rivierdelta’s met een mozaïek van drogere en vochtige zones. Tijdens trek en winter worden slibrijke getijdengebieden, modderplaten, ondiepe lagunes en oevers van brak of zoet water benut, meestal op plekken met weinig hoge begroeiing.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine ongewervelden, zoals insecten en larven, wormen en kleine kreeftachtigen. Foerageren gebeurt lopend, met korte sprints en stops, waarbij prooien van het oppervlak worden gepikt of ondiep uit zachte modder worden gehaald. Waar het voedselaanbod hoog is, kunnen grote groepen dicht opeen foerageren en snel wisselen tussen rusten en eten, passend bij het opbouwen van energiereserves voor de volgende etappe.
Het broedseizoen valt meestal in juni tot begin juli. In de toendra worden ondiepe nestkuiltjes gemaakt, waarvan er één wordt gekozen en met fijn plantmateriaal wordt bekleed. Een legsel bestaat doorgaans uit vier eieren, met een broedduur van ongeveer negentien dagen. De kuikens zijn nestvlieders en zoeken snel zelfstandig voedsel, maar worden in de eerste periode nog geregeld warm gehouden. Vaak verlaat het vrouwtje de kuikens relatief vroeg na het uitkomen, terwijl het mannetje de zorg langer voortzet tot rond het moment dat de jongen kunnen vliegen.
De soort staat wereldwijd bekend als niet bedreigd (Least Concern), mede doordat het totale verspreidingsgebied zeer groot is en de totale populatie eveneens omvangrijk is. Wel kan de soort kwetsbaar zijn doordat een groot deel van de populatie tijdens de trek afhankelijk is van een beperkt aantal belangrijke pleisterplaatsen, waar verstoring of habitatverlies direct veel effect kan hebben.