De Charadriidae vormen een familie van middelgrote waadvogels, waartoe onder andere plevieren en kieviten behoren. Deze vogels komen wereldwijd voor, meestal in open en natte gebieden zoals stranden, slikken, graslanden en moerassen. Ze zijn te herkennen aan hun compacte lichaam, relatief lange poten en korte snavel, waarmee ze foerageren op kleine ongewervelden in ondiep water of op kale bodem. Bekende soorten zijn de kievit (Vanellus vanellus), de bontbekplevier (Charadrius hiaticula) en de kleine plevier (Charadrius dubius). Charadriidae staan bekend om hun schutkleurige verenkleed en opvallend gedrag, zoals het “afleidingsspel” om roofdieren van hun nest weg te lokken. Ze spelen een belangrijke rol in natte ecosystemen en worden vaak gebruikt als indicatorsoorten voor natuurkwaliteit.
Foto’s © Jan Dolphijn
Klik hier Genus Vanellus
In het broedseizoen zijn kieviten doorgaans opvallend territoriaal en luidruchtig; ze verdedigen hun nestplaats actief en kunnen indringers wegjagen met schijnaanvallen. Nesten liggen meestal op de grond, vaak goed gecamoufleerd tussen lage vegetatie of op kale plekken. Binnen het genus komt veel variatie voor in koptekening en kuifvorming: sommige soorten hebben een duidelijke kuif, andere juist niet, maar vrijwel allemaal hebben ze een herkenbare uitstraling en een uitgesproken gedragspatroon dat past bij leven in open terrein.
Kievit









Klik hier Kievit details
De soort broedt wijdverspreid in Eurazië, van het westen van Europa tot ver richting Azië, en komt ook als broedvogel voor in Noord-Afrika. In Europa bevindt een groot deel van de wereldpopulatie zich binnen het broedareaal, met zeer grote aantallen broedparen. Ondanks periodes van stabiliteit in de late twintigste eeuw zijn er later in veel regio’s dalingen opgetreden, onder meer door ontwatering en verlies van natte gebieden, intensivering van de landbouw en het gebruik van pesticiden en kunstmest, waardoor voedsel en geschikte broedplekken onder druk kunnen komen te staan.
De kievit is grotendeels een trekvogel, al zijn sommige westelijke en zuidelijke deelpopulaties slechts gedeeltelijk trekkend. De winterverspreiding hangt sterk samen met het weer, omdat de soort gevoelig is voor langdurige kou en dan liever uitwijkt naar gebieden met een meer maritiem klimaat. In de nazomer en herfst trekken veel vogels breed-frontig naar het zuidwesten, met overwintering in West-Europa en het Middellandse Zeegebied, en ook verder tot in Iberië en Noord-Afrika. Bij strenge vorst in noordelijke wintergebieden kunnen plotselinge verplaatsingen optreden, soms zelfs midden in de winter, terwijl de voorjaarstrek doorgaans al vanaf late januari op gang komt en piekt in maart, waarna de broedgebieden in maart en april weer worden bezet.
In het veld is de kievit herkenbaar aan de metaalgroen glanzende bovenzijde, de donkere kuif en de brede vleugels, die bij balts en vlucht extra opvallend zijn. Vrouwtjes hebben gemiddeld een wat minder uitgesproken koptekening, en buiten het broedseizoen zijn de tinten zachter met meer buffkleur in het gezicht. Jonge vogels lijken op niet-broedende adulten, maar tonen vaak meer buffkleurige veerranden en een smallere, bruiner ogende borstband.
De soort broedt in open landschappen met korte vegetatie of deels kale bodem, waaronder natte graslanden, moerassige zones, heide- en veengebieden, akkers, weilanden en hooiland. Buiten de broedtijd wordt de kievit ook veel gezien op stoppelvelden en geploegde akkers, terwijl slaapplaatsen vaak bestaan uit ruime, open graslanden en soms ook slikken en andere open, natte plekken. Het voedsel bestaat vooral uit ongewervelden, met een nadruk op regenwormen en insecten zoals kevers, mieren, motten en krekels, aangevuld met onder meer spinnen en slakken. Zowel overdag als ’s nachts wordt gefoerageerd, en op heldere nachten kan dat zelfs vooral in het donker gebeuren; soms wordt prooi bovendien actief opgejaagd met het karakteristieke “voetschudden”.
Het broedseizoen loopt grofweg van maart tot en met juni. De kievit is meestal seizoensmonogaam, maar soms komt polygamie voor. Het nest is een ondiepe kuil in de grond met wat vegetatie, geplaatst in korte grasmat of op een open plek. Er worden meestal vier eieren gelegd, die ongeveer drie tot vier weken worden bebroed. De kuikens zijn nestvlieders en hebben een lichte, bruinige basiskleur met donkere strepen en vlekken, waardoor ze goed camoufleren; beide ouders zorgen voor de jongen, al broedt het vrouwtje vaak het meest. Veel mannetjes keren sterk terug naar dezelfde broedplekken, en jonge vogels broeden later vaak relatief dicht bij hun geboortegebied.
Sporenkievit



Klik hier Sporenkievit details
De soort komt vooral voor in Afrika, met verspreiding in West-, Centraal- en Oost-Afrika, en daarnaast ook in delen van het Midden-Oosten. In Europa is de sporenkievit een zomergast in onder meer delen van Griekenland, Turkije en Cyprus. Over het algemeen zijn Afrikaanse broedpopulaties vooral standvogels, al kunnen ze onregelmatige lokale verplaatsingen maken, bijvoorbeeld naar drogere gebieden tijdens regens, zonder dat de soort sterk afhankelijk lijkt van seizoensschommelingen in het waterpeil. Populaties die in de oostelijke Middellandse Zee broeden zijn juist volledig trekkend en trekken voor de winter zuidwaarts naar Afrika.
In het veld is de sporenkievit opvallend en vrijwel onmiskenbaar. Het is een middelgrote tot vrij grote steltloper met een zwarte kruin, zwarte borst en een donkere band of streep over de voorhals, gecombineerd met een verder overwegend witte koptekening, hals en buik. De rug en vleugels zijn lichtbruin, terwijl snavel en poten zwart zijn. Het uiterlijk wordt nog versterkt door het luidruchtige gedrag, met een doordringende roep die vaak al van ver te horen is.
De sporenkievit houdt van open terrein in de buurt van water, zowel zoet als zout. Hij wordt gevonden bij plassen, meren, rivieren, lagunes en moerassen, maar ook op verbrande graslanden, in akkers en op overstroomde of geïrrigeerde velden zoals rijstvelden. Daarnaast gebruikt hij zoute vlaktes rond alkalische meren, slik- en zandplaten, stranden, duinen en kustgebonden zoutpannen, waarbij hij vaak foerageert op plekken met kale of schaars begroeide bodem.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit insecten, zowel volwassen dieren als larven, waaronder kevers, sprinkhanen, vliegen en muggen, termieten en mieren. Daarnaast worden ook spinnen en andere geleedpotigen gegeten, zoals duizendpoten en miljoenpoten, en af en toe ook grotere of meer uiteenlopende prooien zoals kleine kreeftachtigen, weekdieren, kleine hagedissen, kikkervisjes, volwassen kikkers en zelfs vis. Soms worden ook zaden opgenomen, wat laat zien dat de soort opportunistisch kan zijn wanneer dat gunstig is.
De broedtijd varieert sterk per regio, maar kan in West-Afrika grofweg van maart tot en met september liggen, terwijl in Israël bijvoorbeeld vooral tussen april en juli wordt gebroed en in Griekenland vaak in de late lente. De soort is doorgaans monogaam en broedt solitair of in losse kolonies. Territoria worden fel verdedigd, vooral tegen andere steltlopers, en in sommige gebieden kan een territorium zelfs jaarrond bezet blijven. Het nest ligt op droge, vaak kale grond en bestaat meestal uit een ondiepe kuil, soms zonder bekleding en soms met wat gras, plantmateriaal of ander klein debris, waarbij er ook een randje van aarde, schelpen of steentjes kan worden aangebracht. Er worden meestal twee tot vier eieren gelegd en een tweede legsel komt geregeld voor. Het vrouwtje broedt vooral, terwijl het mannetje vaak een grotere rol speelt bij het begeleiden van jongen van een eerder legsel. De kuikens zijn goed gecamoufleerd met warme kaneel- en bufftinten en donkere tekening, en ze vliegen doorgaans uit na ongeveer zeven tot acht weken.
Zwartkopplevier



Klik hier Zwartkopkieivit details
De soort komt voor in grote delen van West-, Centraal- en Oost-Afrika en wordt vooral gezien in open landschappen waar water in de buurt is, zoals natte laagtes, uiterwaarden, oevers van rivieren en meren en andere vochtige graslanden. Tegelijk foerageert hij ook geregeld in drogere, kort begroeide terreinen wanneer daar veel prooi beschikbaar is.
In het veld valt de zwartkopkievit op door de contrastrijke koptekening met een donkere kruin en het overwegend lichte gezicht en onderlichaam, gecombineerd met bruine bovenzijde en vleugels. Het is een kievit die vaak alert en luidruchtig overkomt, en zich graag ophoudt op plekken met een goed overzicht, zodat hij snel kan reageren op verstoring of roofdieren.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit kleine ongewervelden die van de grond worden gepikt, met een nadruk op insecten en andere bodemdieren die in kort gras of op open bodem makkelijk te vinden zijn. Daardoor zie je hem vaak lopend foerageren, met korte stops om prooien op te nemen.
Over de broedbiologie is minder gedetailleerde, overal consistente informatie beschikbaar dan bij sommige andere kieviten, maar het patroon sluit aan bij veel Vanellus-soorten: er wordt genesteld op de grond in open terrein, meestal in een ondiep kuiltje dat beperkt wordt bekleed met wat plantmateriaal. Het broeden gebeurt doorgaans als paar, en de jongen zijn nestvlieders die al snel na het uitkomen rondlopen en door de ouders worden begeleid, terwijl de familie in open habitat sterk leunt op camouflage en waakzaamheid.
Lelkievit



Klik hier Lelkievit details
De soort, beschreven door Linnaeus in 1766, komt wijdverspreid voor in Sub-Saharisch Afrika, met name buiten de gesloten regenwouden. Het is in veel gebieden vooral een standvogel, maar hij kan wel duidelijke seizoensgebonden of nomadische verplaatsingen maken, bijvoorbeeld afhankelijk van regenval en lokale voedselbeschikbaarheid.
In het veld is de lelkievit opvallend en gemakkelijk te herkennen. Het is een vrij grote kievit met een donkere kruin, een lichtere voorzijde van de kop en vooral de kenmerkende gele, vlezige lellen aan de zijkant van het gezicht. Het lichaam oogt overwegend bruin, met contrastrijke zwart-witte vleugelpatronen in vlucht, en de poten zijn lang en geel. De roep is nadrukkelijk en draagt ver, waardoor de soort vaak al hoorbaar is voordat je hem goed ziet.
De lelkievit broedt veel in natte laaglandhabitats, vooral op vochtige graslanden en open terreinen in de buurt van water, zoals randen van plassen, meren, rivieren en tijdelijke overstromingsvlaktes. Tegelijkertijd foerageert hij ook regelmatig in drogere, kort gemaaide of open gebieden, zoals grazige terreinen en zelfs golfbanen, zolang er maar voldoende prooi te vinden is en het overzicht open blijft.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit insecten en andere ongewervelden die lopend van de grond worden gepikt. Daarbij gaat het vaak om kevers, sprinkhanen en andere bodemdieren, maar de soort is opportunistisch en benut wat lokaal op dat moment het makkelijkst beschikbaar is.
De lelkievit nestelt op de grond in een ondiep kuiltje, meestal op open of schaars begroeide plekken. Er worden doorgaans drie tot vier eieren gelegd en het broedpaar kan in de broedtijd fel territoriaal optreden, met luid roepen en actieve verdediging van de nestomgeving. De jongen zijn nestvlieders en vertrouwen sterk op camouflage en ouderlijke waakzaamheid in het open landschap.
Indische kievit





Klik hier Indische kievit details
De Indische kievit is wijdverspreid in de Oriëntaalse regio en komt daarnaast ook voor in delen van het Midden-Oosten. In veel gebieden is het een standvogel, maar er is ook sprake van verspreiding en lokaal van trek. In de winter trekken vogels vaak weg uit hogere gebieden naar lager gelegen, zachtere zones. In sommige streken verlaten vogels na het broedseizoen tijdelijk uitdrogende plekken, terwijl populaties uit Zuid-Turkmenistan vermoedelijk wegtrekken en overwinteren in Afghanistan, Pakistan of beide, om pas in de tweede helft van april weer terug te keren.
In het veld oogt de Indische kievit ongeveer zo groot als de kievit, maar hij staat duidelijk hoger op de poten en heeft een slanker, langer silhouet. De tekening is contrastrijk en bestaat grofweg uit drie hoofdtinten: dofbruin op de bovenzijde, zwart op de lange kruin, voorhals en het midden van de borst, en wit op de brede baan van het oog naar de schouder en op de onderzijde. Opvallend en diagnostisch zijn de rode basis van de snavel, de kleine vlezige lellen en de rode ring rond het oog, gecombineerd met lange gele poten die bijna altijd meteen opvallen. In vlucht zie je een scherp patroon met een witte band over de vleugel die contrasteert met donkere vliegveren, plus een witte stuit en een witte staart met een donkere subterminale band.
De soort leeft in warme, vaak open landschappen van steppe-achtige gebieden tot tropische zones, van laagland tot ruim boven de 1000 meter en plaatselijk nog hoger in bergachtige regio’s. Hij wordt vooral aangetroffen in open terrein in de buurt van zoet of licht brak water, zoals plassen, tanks en jheels, modderbanken, kanalen, rivieren, sloten en tijdelijke plassen. Juist in cultuurlandschap is hij vaak aanwezig, bijvoorbeeld op akkers met maïs, op geploegd land, braakliggende percelen en in grote geïrrigeerde tuinen of kwekerijen. Daarnaast kan hij ook op ruiger terrein voorkomen, zoals steenachtige wastelands, grind- of kiezeleilandjes en oude, verlaten cultuurlandplekken, en in sommige regio’s zelfs in open, drogere moerassen.
Het voedsel bestaat waarschijnlijk vooral uit insecten, met een nadruk op kevers. De Indische kievit foerageert vaak lopend in korte, doelgerichte stukjes, met pauzes om prooien van de grond op te pikken. In veel gebieden speelt nachtelijk foerageren een belangrijke rol, waarbij de activiteit al bij de schemering op gang kan komen en doorgaat in de avond en nacht, zeker op plekken waar overdag meer verstoring is of waar de omstandigheden ’s nachts gunstiger zijn.
De broedtijd verschilt per regio, maar in Irak worden eieren bijvoorbeeld gelegd van half april tot eind juni, waarbij late legsels vaak vervanglegsels kunnen zijn. Het nest ligt op de grond in open terrein, meestal dicht bij water, en bevindt zich geregeld op een kleine verhoging of een ruggetje in het terrein. Het nest is doorgaans een ondiep kuiltje dat soms is afgewerkt met kleine steentjes en rommelig materiaal, maar ook best onbedekt kan blijven. Een legsel bestaat meestal uit drie tot vier eieren, zelden twee, en de broedduur ligt rond de 26 dagen. Tijdens de broedperiode kan de soort fel en assertief overkomen, met een hardnekkige houding en herhaalde, wat monotone roepen, vooral wanneer er indringers in de buurt van nest of jongen komen.
Maskerkievit






Klik hier Maskerkievit details
De gemaskerde kievit is wijdverspreid in Australië en komt ook voor in aangrenzende gebieden van Australazië, waarbij hij zich opvallend goed heeft aangepast aan door mensen beïnvloede landschappen. Je ziet hem niet alleen in natuurlijke open vlaktes, maar ook vaak in steden en dorpen, op sportvelden, gazons, parkeerterreinen, bermen, luchthaventerreinen en andere kort gehouden grasvelden. In natuurlijke habitats gebruikt hij open graslanden, savanneachtig terrein, akkerland, uiterwaarden en randen van wetlands, zolang er maar overzicht en open ruimte is om te foerageren en om gevaar tijdig te zien aankomen.
In het veld is de soort vaak direct herkenbaar aan de contrastrijke koptekening met een duidelijk “masker” rond het gezicht en een opvallende, gele huidflap aan de basis van de snavel. Het lichaam is stevig gebouwd met relatief lange poten, en in vlucht vallen brede vleugels met duidelijke lichte en donkere vlakken op. Een extra kenmerk is de harde, stekelachtige spoor aan de vleugel, die vooral bij agressieve acties en territoriale verdediging een rol kan spelen en die de vogel een opvallend “bewapend” uiterlijk geeft wanneer hij met gespreide vleugels dreigt.
De soort foerageert vooral op de grond en leeft hoofdzakelijk van ongewervelden. Regenwormen, insecten en hun larven vormen vaak de basis, aangevuld met allerlei kleine bodemdieren die in kort gras of op natte randen van plassen goed bereikbaar zijn. Hij loopt meestal in rustige passen over het terrein en pikt prooien op zodra hij ze ziet, maar kan ook doelgericht plekken afzoeken waar recent is beregend, gemaaid of omgespit, omdat daar voedsel tijdelijk extra beschikbaar is.
De gemaskerde kievit is doorgaans vooral een standvogel, maar kan lokaal zwerven afhankelijk van regenval, droogte en voedselaanbod. In sommige regio’s ontstaan tijdelijk grotere concentraties wanneer omstandigheden gunstig zijn, bijvoorbeeld na regen in drogere streken of bij geschikte broedplekken in open stedelijk groen. Buiten de broedtijd worden soms losse groepjes of grotere foerageer- en rustgroepen gezien, maar ook dan blijven veel vogels sterk plaatsgebonden.
Het broeden gebeurt vaak op de grond in open terrein, meestal in een ondiepe kuil die met wat plantmateriaal kan zijn bekleed, maar soms ook bijna kaal blijft. De soort kan broeden in natuurlijke graslanden en wetlandranden, maar net zo goed midden in een park of op een sportveld, wat geregeld tot conflicten leidt doordat de ouders hun nest en kuikens fel verdedigen. Een legsel bestaat meestal uit meerdere eieren en beide ouders bewaken de omgeving actief. Tijdens de broedperiode staat de gemaskerde kievit bekend om zijn luidruchtige alarmroepen, schijnaanvallen en soms zeer nadrukkelijke duikvluchten op indringers, waarbij hij mensen, honden en andere dieren vaak al op ruime afstand probeert te verjagen. De kuikens zijn nestvlieders, verlaten het nest snel na het uitkomen en blijven onder intensieve begeleiding van de ouders in de buurt van open, voedselrijke plekken waar ze zich met camouflage en alertheid staande houden.
Smidsplevier

Klik hier Smidsplevier details
De zwartvleugelkievit is vooral verbonden aan open landschappen in de buurt van water. Je ziet hem vaak bij rivieren en beken, langs oevers van meren en plassen, in moerassige laagtes en op tijdelijke overstromingsvlaktes. Tegelijk kan hij ook goed uit de voeten in door mensen beïnvloede gebieden zoals natte graslanden rond landbouwpercelen, irrigatiekanalen, stuwmeren en waterzuiveringsplassen, zolang er maar open ruimte is met korte vegetatie en plekken om te rusten en te foerageren.
In het veld is de soort opvallend door de sterke zwart-wit tekening. De vleugels ogen in rust en vooral in vlucht zeer donker, wat mooi contrasteert met lichtere delen van het lichaam. De bouw is typisch “kievitachtig”: een stevige, alerte steltloper die zich lopend voortbeweegt en vaak met een nadrukkelijke houding de omgeving in de gaten houdt. Een kenmerk dat in gedrag direct kan opvallen is de felle territoriale instelling, vooral in de broedtijd, waarbij de vogels luid roepen en indringers actief proberen te verjagen.
Het voedsel bestaat vooral uit ongewervelden die op of net onder het oppervlak van de bodem leven. Insecten en hun larven vormen doorgaans de basis, aangevuld met andere kleine bodemdieren die in natte grond of in kort gras makkelijk bereikbaar zijn. De soort foerageert meestal lopend, met korte stops om prooi snel op te pikken, en benut graag randen van water en vochtige plekken waar prooidieren geconcentreerd kunnen zijn.
De zwartvleugelkievit is grotendeels standvogel, maar kan lokaal zwerven afhankelijk van regenval en waterstanden. In drogere perioden kunnen vogels zich meer concentreren rond blijvende waterpunten, terwijl ze na regen of bij tijdelijke overstromingen juist nieuwe plekken kunnen koloniseren die tijdelijk heel voedselrijk zijn. Buiten het broedseizoen worden soms kleine groepjes gezien, maar veel vogels blijven sterk gebonden aan hun vaste leefgebied.
Het broeden vindt meestal plaats op de grond in open terrein, vaak dicht bij water, in een ondiepe nestkuil die beperkt wordt bekleed met wat plantmateriaal. De soort broedt doorgaans als paar en kan in geschikte gebieden ook relatief dicht bij soortgenoten voorkomen, zonder echt grote kolonies te vormen. Tijdens de broedperiode wordt het nest en later ook de kuikens fel verdedigd, met luid alarm, dreighoudingen en schijnaanvallen. De jongen zijn nestvlieders, verlaten het nest snel na het uitkomen en blijven onder begeleiding van de ouders in open, voedselrijke zones waar camouflage en waakzaamheid essentieel zijn.
Klik hier Genus Pluvialis
Pluvialis-soorten broeden vaak in open, meestal koele of noordelijke landschappen zoals toendra, hooggelegen heide- en veengebieden of andere uitgestrekte terreinen met lage vegetatie. Buiten de broedtijd trekken ze veelal naar mildere gebieden en gebruiken ze een brede reeks aan open habitats, zoals natte graslanden, akkers, kustgebieden met slikken en stranden, en andere plekken waar ongewervelden rijkelijk beschikbaar zijn. Ze foerageren meestal lopend en zoeken prooi vooral op zicht, waarbij ze korte stukjes lopen en dan abrupt stilstaan om te pikken of soms te prikken in de bodem.
Gedragmatig zijn plevieren uit dit genus vaak waakzaam en groepsgericht buiten het broedseizoen, met soms grote rust- en foerageerconcentraties. Tijdens de broedtijd zijn ze juist duidelijk territoriaal en wordt het nest, dat meestal een eenvoudige kuil in de grond is met wat bekleding, actief verdedigd. De jongen zijn nestvlieders en verlaten het nest snel na het uitkomen, waarna ze door de ouders worden begeleid in open terrein waar camouflage en alertheid belangrijk zijn. Door hun voorkeur voor open, vaak kwetsbare habitats kunnen lokale populaties gevoelig zijn voor veranderingen in landgebruik en verstoring, ook al zijn sommige soorten wereldwijd nog algemeen.
Zilverplevier






Klik hier Zilverplevier details
De zilverplevier broedt in het hoge noorden van Eurazië en Noord-Amerika en is buiten het broedseizoen een uitgesproken trek- en kustvogel met een bijna wereldwijde winterverspreiding. Een deel overwintert in Europa, maar het totale overwinteringsgebied strekt zich uit tot de kusten van Zuid-Amerika, Afrika, zuidelijk Azië en zelfs Australië. Vogels die in West-Palearctische gebieden worden gezien, komen vooral uit de broedpopulaties van noordelijk Rusland, waarbij veel individuen verder door trekken naar Afrikaanse overwinteringsgebieden.
De najaarstrek begint meestal in augustus, met vroege doortrek al vanaf eind juli in noordelijke gebieden en passage verder zuidelijk vooral van augustus tot oktober. In Nederland kunnen in de Waddenzee grote aantallen pieken in de eerste helft van september, terwijl in Engeland bijvoorbeeld de Wash vaak al eind augustus een duidelijke piek laat zien. Jonge vogels arriveren doorgaans later dan de eerste volwassen vogels, vaak met een vertraging van meerdere weken. In het voorjaar vertrekken overwinteraars in Zuid-Afrika vooral in februari en maart, en vanuit Marokko vaak vanaf begin april. In West-Europa kan een deel van de overwinteraars al vanaf februari beginnen te vertrekken, maar de daadwerkelijke voorjaarstrek kan er toch relatief laat zijn en doorlopen tot in mei.
In het veld is de zilverplevier een forse, stevige plevier die in vergelijking met andere plevieren wat “zwaarder” en grijzer oogt. In broedkleed valt vooral de combinatie op van glanzend zilverig ogende bovendelen met een contrasterend zwarte onderzijde; bij het mannetje kan het zwart van kin tot buik vrijwel aaneengesloten zijn, terwijl het vrouwtje gemiddeld wat bruiner en minder intens zwart toont. Buiten het broedseizoen en bij juvenielen overheerst een grijsbruin gespikkeld uiterlijk met een grijsbruine borst en een witte buik. Een witte stuit is in alle kleden zichtbaar. In vlucht is een van de beste kenmerken de opvallend zwarte oksels, die sterk contrasteren met de lichtere ondervleugel en waardoor de soort vaak al op afstand goed te herkennen is.
In Europa broedt de zilverplevier slechts in zeer kleine aantallen aan de rand van zijn enorme arctische broedareaal, met het zwaartepunt van de wereldpopulatie buiten Europa. Daardoor kunnen regionale aantallen relatief klein zijn en gevoeliger lijken voor schommelingen, terwijl de soort wereldwijd toch robuust blijft door de veel grotere niet-Europese populatie.
Het broedhabitat bestaat uit arctische toendra, bij voorkeur natte toendra in de buurt van drogere, stenige of beter gedraineerde plekken. Nestplaatsen worden vaak gekozen in lichtgekleurde mossen en korstmossen, en het nest ligt meestal op een iets hogere plek met goed zicht rondom. Buiten het broedseizoen is de soort veel breder in habitatkeuze en zie je hem vooral op slikken, zandplaten, stranden, zoutpannen en andere getijdengebieden, maar ook op natte savanne, oevers van plassen en meren, natte weiden en overstroomde velden. In sommige gebieden worden ook mangroves of rotsige kusten benut, en tijdens trek kan de soort geregeld bij binnenlandse meren en poelen opduiken, al blijft de voorkeur vaak bij open, voedselrijke waterranden.
De zilverplevier is een visuele jager die prooien vaak lopend opspoort en oppikt, maar hij kan ook prikken in de bodem om verborgen prooi te vinden. Tijdens het broedseizoen bestaat het menu vooral uit insecten en soms ook wat plantaardig materiaal zoals zaden of stengeldelen. In de winter schakelt hij vooral over op mariene prooien zoals borstelwormen, weekdieren en kreeftachtigen, en daarnaast af en toe insecten of regenwormen. Voedsel wordt vaak gezocht op intergetijdengebieden bij laagwater, en soms gebeurt foerageren ook in de nacht. Buiten de broedtijd kunnen vogels in groepen rusten en vliegen, terwijl ze tijdens het foerageren vaak meer verspreid raken; in de winter worden soms vaste voedselterritoria verdedigd waar vogels regelmatig naar terugkeren.
Het nest ligt meestal op drogere toendra op een verhoogd plekje met overzicht. Het mannetje begint vaak met het uitkrabben van een nestkuil, waarna het vrouwtje deze kan afwerken met kleine steentjes en wat vegetatie. Een legsel bestaat meestal uit vier eieren en beide ouders broeden, met een broedduur van ongeveer 26 tot 27 dagen. De kuikens zijn nestvlieders en kunnen al snel na het uitkomen zelf foerageren, maar blijven vaak langer in de nestomgeving dan bij veel andere steltlopers. Beide ouders zorgen voor de jongen, en er is doorgaans één broedsel per seizoen. Het broedseizoen start afhankelijk van locatie vaak van eind mei tot eind juni. Ouders kunnen al vertrekken voordat de jongen volledig zijn uitgevlogen, terwijl de jongen pas na enkele weken volledig zelfstandig worden.
Goudplevier




Klik hier Goudplevier details
De goudplevier broedt in Noordwest-Eurazië, met een kerngebied in noordelijke en hooggelegen regio’s, en overwintert in brede zones verder zuid- en westwaarts. In de winter mengen populaties zich, waardoor je een uitgestrekt overwinteringsgebied krijgt dat loopt van West-Europa tot Iberië en rond het Middellandse Zeegebied, met kleinere aantallen verder oostwaarts tot in de richting van het zuidelijke Kaspische gebied. De belangrijkste overwinteringsgebieden liggen vooral in maritieme streken zoals Groot-Brittannië, Ierland, Frankrijk, Iberië en de Maghreb. In zachte winters blijft een groot deel in Europa, met soms zelfs vogels die tot in delen van Midden-Europa blijven. De hoofdmigratie naar het zuiden vindt vooral plaats van oktober tot december, terwijl de broedgebieden meestal weer worden bezet van mei tot begin juni.
In Groot-Brittannië en Ierland is de soort gedeeltelijk trekkend, maar elders is hij in de regel volledig migrerend. Af en toe trekken kleine groepjes ver langs de Atlantische kust van Marokko en kunnen zelfs in de Afrotropen opduiken, waarbij waarnemingen in bijvoorbeeld Gambia vooral in de wintermaanden zijn gedaan.
De goudplevier is de grootste en meest robuuste van de “goudplevieren” en is goed te herkennen aan de witte ondervleugel, wat hem onderscheidt van soorten met meer grijsbruine ondervleugels. In broedkleed toont het mannetje een opvallend zwart gezicht en een zwarte onderzijde, contrasterend met goudgespikkelde bovendelen, terwijl het vrouwtje gemiddeld minder uitgebreid zwart heeft en soms wat bruine tekening aan de onderzijde toont. Buiten het broedseizoen verdwijnt het zwart grotendeels en oogt de vogel lichter, met een meer buff- tot grijzig gezicht en onderzijde en een minder uitgesproken goudspikkeling op de rug. Jonge vogels lijken vaak op niet-broedende adulten, maar kunnen wat warmere tinten en frissere veerranden hebben. Binnen de ondersoort altifrons is het mannetje vaak meer egaal zwart aan de onderzijde, terwijl het vrouwtje juist opvallend gelige wangen met donkere markeringen kan hebben.
Hoewel de goudplevier in veel delen van zijn areaal nog geregeld voorkomt, is het verspreidingsgebied lokaal kleiner geworden door aantasting en vernietiging van geschikt habitat. In delen van Centraal-Europa is de soort als broedvogel sterk teruggedrongen of verdwenen, en komt hij daar vooral nog als doortrekker voor. In Europa ligt een groot deel van het wereldwijde broedareaal, met een omvangrijke broedpopulatie, maar binnen de Europese Unie zijn in meerdere landen duidelijke afnames gemeld en is de soort in sommige gebieden verdwenen door habitatverlies.
Het broedhabitat bestaat vooral uit open, vochtige heide- en veengebieden en hooggelegen landschappen. In het kerngebied gaat het om hoogvenen, natte heiden, veenmoerassen en vergelijkbare open terreinen met lage vegetatie. De ondersoort altifrons broedt daarnaast ook in toendra-achtige habitats, zoals vochtige mos- en korstmostoendra, struiktoendra en open veengebieden in bos-toendra en alpiene toendra. Tijdens trek en in de winter zie je goudplevieren juist vaak in meer agrarische en open laaglandgebieden, zoals graslanden, weiden, stoppelvelden en braakliggende akkers, en ze foerageren ook geregeld op wadplaten en andere getijdengebieden.
De soort eet voornamelijk ongewervelden, met name kevers en regenwormen, maar ook allerlei andere insecten en larven, spinnen, miljoenpoten en slakken. Af en toe wordt ook plantaardig materiaal opgenomen. Foerageren gebeurt vaak door prooi van het oppervlak te pikken of door te prikken in de bodem, en het kan soms ook ’s nachts plaatsvinden. Buiten de broedtijd vormen goudplevieren vaak grote groepen die kunnen uitgroeien tot zeer omvangrijke zwermen, terwijl tijdens het broedseizoen de groepen kleiner zijn en het gedrag veel territorialer wordt.
De broedtijd begint in Groot-Brittannië vaak in april of mei en ligt verder noordelijk meestal tussen mei en juli. De soort is monogaam en staat bekend om een langdurige paarband. Er wordt solitair gebroed, waarbij nesten soms slechts enkele honderden meters uit elkaar liggen. Het nest is een ondiepe kuil, bekleed met mos en ander plantaardig materiaal, geplaatst in open terrein met lage begroeiing. Een legsel bestaat doorgaans uit vier eieren, met een broedduur van ongeveer 28 tot 31 dagen. De kuikens zijn nestvlieders en vallen op door een sterk gemarmerde tekening met donkere vlekken en opvallend geel op de bovendelen, met een lichtere onderzijde. Veel vogels beginnen pas vanaf ongeveer tweejarige leeftijd met broeden.
Amerikaanse Goudplevier



Klik hier Amerikaanse goudplevier details
De soort broedt in het hoge noorden van Noord-Amerika, vooral in uitgestrekte en vaak moeilijk toegankelijke arctische en subarctische gebieden. Het belangrijkste broedgebied loopt grofweg van noordoostelijk Manitoba via grote delen van de Northwest Territories, door Yukon en tot in noordwestelijk British Columbia, en verder door grote delen van Alaska, inclusief de Seward Peninsula. Daarnaast worden ook enkele meer geïsoleerde broedgebieden genoemd, zoals in het noorden van Ontario. Het overwinteringsgebied ligt vooral in Zuid-Amerika, met een zwaartepunt in de pampas en open graslanden van oostelijk en centraal Argentinië, Uruguay en zuidelijk Brazilië, waar geschikt habitat op veel plekken is afgenomen door grootschalige landbouw en veeteelt.
De Amerikaanse goudplevier is een uitgesproken trekvogel en staat bekend om een opvallende, deels “lusvormige” trekroute. Veel volwassen vogels trekken na het broedseizoen oostwaarts richting de Hudson- en Jamesbaai en vliegen vervolgens via de westelijke Atlantische route langs onder meer New England naar het noorden van Zuid-Amerika, waarna ze verder doorreizen naar de belangrijkste overwinteringsgebieden. Een deel van de juveniele vogels trekt juist vaker via het binnenland van Noord-Amerika naar het zuiden, vooral in september en begin oktober. De terugtrek verloopt voor alle vogels meestal via Midden-Amerika, over de Golf van Mexico en vervolgens noordwaarts langs onder meer de Mississippi- en Missouri-vallei. Vertrek uit de overwinteringsgebieden kan al vroeg in februari beginnen, terwijl aankomst in de toendra doorgaans plaatsvindt van eind mei tot begin juni, afhankelijk van breedtegraad en het moment waarop sneeuw smelt. In tegenstelling tot sommige andere steltlopers is de trek minder “gefaseerd” met langdurige tussenstops; vooral volwassen vogels kunnen al vroeg in de zomer vertrekken, terwijl jonge vogels juist tot ver in het najaar kunnen blijven hangen voordat ze vertrekken.
In het veld lijkt de Amerikaanse goudplevier op andere goudplevieren, maar hij oogt vaak wat korter op de poten en tegelijk opvallend langvleugelig. Een belangrijk kenmerk is dat de vleugels in rust duidelijk voorbij de staartpunt kunnen steken, wat hem een gestrekter silhouet geeft. De tekening op de bovendelen is doorgaans goudgespikkeld, maar gemiddeld wat minder fel en contrastrijk dan bij sommige verwante soorten. De soort kan in geschikt open terrein alert en doelgericht bewegen, met korte loopjes en plotselinge stops tijdens het foerageren.
Het broedhabitat bestaat vooral uit droge, open toendra met lage, ijle vegetatie, vaak op iets hogere en goed gedraineerde, steenachtige hellingen of ruggen waar overzicht groot is. Mannetjes zijn sterk territoriaal en verdedigen relatief ruime gebieden, vaak samen met het vrouwtje. Het nest is een ondiepe kuil op de grond, doorgaans bekleed met korstmos en ander licht materiaal, waardoor het goed in de toendra kan opgaan.
Het voedsel is gevarieerd en bestaat vooral uit landbewonende ongewervelden, aangevuld met bessen, bladeren en zaden. Daarnaast worden ook enkele zoetwater- en mariene ongewervelden benut wanneer die lokaal beschikbaar zijn. Er zijn aanwijzingen dat zaden in het spijsverteringsstelsel langer kunnen worden vastgehouden, wat mogelijk helpt om lange trekvluchten te overbruggen wanneer voedselmomenten schaars zijn.
Binnen enkele dagen na aankomst op de broedgronden beginnen mannetjes met territoriale balts- en displayvluchten en vindt paarvorming plaats. Het mannetje maakt vaak de eerste nestkuil, waarna het nest wordt afgewerkt en bekleed. Het legsel bestaat meestal uit vier eieren. Bij het broeden is er vaak een taakverdeling, waarbij het mannetje vooral overdag broedt en het vrouwtje vaker ’s nachts. De kuikens zijn zeer vroeg zelfstandig in hun bewegingen en kunnen al binnen enkele uren na het uitkomen zelf voedsel zoeken, al blijven ze onder bescherming en begeleiding van beide ouders. De soort heeft doorgaans maximaal één broedsel per seizoen.