De Alcidae vormen een familie van zeevogels die bekendstaan als alken, zeekoeten, papegaaiduikers en hun verwanten. Ze leven vooral op het noordelijk halfrond en zijn het ecologische tegenwicht van de pinguïns op het zuidelijk halfrond — hoewel ze wél kunnen vliegen.
Alkachtigen zijn perfect aangepast aan het leven op zee: met hun gestroomlijnde lichaam, korte vleugels en krachtige zwemtechniek duiken ze behendig onder water om vis en andere zeedieren te vangen. Aan land komen ze meestal alleen om te broeden, vaak op steile kliffen of rotsige eilanden in grote kolonies.
Bekende soorten zijn de papegaaiduiker (Fratercula arctica), de zeekoet (Uria aalge), en de alk (Alca torda). Hun charmante uiterlijk en spectaculaire duikgedrag maken ze geliefd bij vogelaars — maar veel soorten staan onder druk door klimaatverandering, vervuiling en visserij.
Klik hier Genus Fratercula
De verspreiding van papegaaiduikers ligt grotendeels rond de Stille Oceaan, terwijl de Atlantische papegaaiduiker de Atlantische regio vertegenwoordigt. Binnen die Atlantische soort worden meerdere ondersoorten onderscheiden, met een duidelijke geografische variatie in formaat: de grootste dieren leven doorgaans in het noorden van het verspreidingsgebied en richting het zuiden neemt de gemiddelde grootte af.
Opvallend binnen de alkenfamilie is dat papegaaiduikers een uitgesproken seizoensverschil in snavelvorm en -kleur tonen. Na het broedseizoen wordt de snavel zichtbaar kleiner doordat de buitenste hoornlaag wordt geruid, waardoor veel van de felle kleuren verdwijnt en een soberder snavel overblijft. Bij de Neushoornalk verdwijnt in die periode ook het kenmerkende ‘hoorntje’ en blijft een doffer oranje snavel over. De Kuifpapegaaiduiker heeft in het broedseizoen een oranje snavel met een groenige basis, terwijl de Gehoornde papegaaiduiker qua koptekening sterk aan de Atlantische soort kan doen denken, maar met een snavel die meer geel toont met een oranje punt. De Atlantische papegaaiduiker staat bekend om de meest uitgesproken meerkleurige snavel, met oranje en geel en een blauwgrijze basis.
Papegaaiduiker






Klik hier papegaaiduiker details
Buiten het broedseizoen leeft de soort vrijwel volledig op zee en blijft meestal ver uit de kust. In de broedperiode keren vogels terug naar kolonies op rotsige eilanden of veilige klifkusten; zuidelijke kolonies zijn doorgaans bezet van eind maart tot half augustus, noordelijke kolonies van mei tot begin september. Na het uitvliegen trekken jonge vogels zelfstandig naar zee en blijven daar langdurig, vaak tot het moment waarop de eerste bezoeken aan kolonies als niet-broedvogel beginnen. Jonge, nog niet broedrijpe vogels verschijnen meestal pas na enkele jaren weer bij kolonies, vaak vanaf april en later in het seizoen, waarbij veel individuen pas rond het tweede kalenderjaar voor het eerst een kolonie bezoeken. In de winter kan een deel van de populatie ver zuidwaarts uitzwerven, met waarnemingen tot aan New Jersey in het westen en tot aan Marokko in het oosten; trans-Atlantische verplaatsingen door onvolwassen vogels komen eveneens voor.
In broedkleed is het uiterlijk zeer herkenbaar: een opvallend oranje, gele en blauwgrijze snavel met zachte, gekleurde platen en rozetachtige huidstructuren aan de snavelbasis, oranje poten en een contrastrijke zwart-wit tekening met zwarte bovendelen en helder witte onderdelen. Rond de ogen vallen rode ringen en kleine blauwachtige platen op. Mannetjes en vrouwtjes tonen hetzelfde kleed, met gemiddeld iets grotere afmetingen bij mannetjes. Na het broedseizoen verdwijnt een groot deel van de opvallende snavel- en gezichtsplaten door rui, waardoor het winteruiterlijk veel soberder wordt en de kop donkerder oogt, vooral rond het oog. Onvolwassen vogels lijken vaak op wintervogels, maar met een kleinere en puntigere snavel; in die fase kan verwarring ontstaan met zeekoetenachtige soorten.
Kolonies liggen bij voorkeur op kleine, ruige eilanden zonder landroofdieren, zoals nertsen en vossen. Waar op het vasteland wordt gebroed, ligt de nadruk op kliffen en moeilijk bereikbare plekken. Kolonies kunnen variëren van duizenden tot soms honderdduizenden broedparen. Grote concentraties bevinden zich rond onder meer IJsland, Noorwegen, de Faeröer, de Britse Eilanden en oostelijk Canada. In de winter verspreidt de soort zich doorgaans over de open Noord-Atlantische Oceaan, vaak ver van land, met waarnemingen tot nabij de rand van pakijs in het noorden en tot ver zuidelijk in zowel het westen als het oosten.
Het leefgebied is dat van een echte zeevogel: het grootste deel van het jaar bestaat uit zwemmen, duiken en foerageren op zee, met slechts enkele maanden landbezoek voor de voortplanting. Een vaste partnerrelatie en trouw aan dezelfde nestplaats komen veel voor, waarbij burrows of nestholtes herhaaldelijk worden gebruikt. In de kolonieperiode kan intensief territoriaal gedrag zichtbaar zijn rond nestplaatsen, variërend van dreighoudingen tot gevechten. Boven zee bij kolonies treden soms grote, cirkelende groepen op, een gedrag dat vaak wordt gezien als een manier om predatoren te verwarren en predatierisico te verkleinen.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine mariene dieren, met een sterke nadruk op vis zoals lodde en zandspiering. Daarnaast worden, afhankelijk van beschikbaarheid, ook andere vissen, kreeftachtigen, inktvissen en mariene wormen gegeten. Foerageren gebeurt door vanaf het wateroppervlak kop voorover te duiken en onder water actief achter prooi aan te gaan. Tijdens de jongenfase wordt vis dwars in de snavel naar de nestplaats gedragen; de speciale bouw van de snavel en de naar achteren gerichte stekels in de mond maken het mogelijk meerdere vissen tegelijk vast te houden.
Broeden begint meestal pas na vier tot vijf jaar. Nestplaatsen bestaan vaak uit gangen in grashellingen (ongeveer 50 tot 200 cm lang) die met snavel en klauwen worden uitgegraven. In gebieden met weinig bodem kunnen spleten onder rotsblokken of richels en klifkieren als alternatief dienen. De nestkamer aan het einde van de gang wordt vaak met gras, twijgen en veren bekleed. Balts vindt veelal op het water plaats, met opvallend “snavelklapperen” waarbij twee vogels tegenover elkaar de snavels herhaaldelijk tegen elkaar tikken. Per broedsel wordt doorgaans één ei gelegd. Beide oudervogels wisselen de broedzorg af; de broedduur bedraagt ongeveer zes weken. Het jong groeit in de beschutting van de nestgang op en wordt vooral gevoerd met aangevoerde vis. Uitvliegen gebeurt vaak rond de 40 dagen, maar bij voedselschaarste kan dit aanzienlijk langer duren. Broedsucces varieert per jaar en per kolonie en hangt sterk samen met voedselaanbod.
Klik hier Genus Uria
Uria-soorten zijn relatief compacte, “kortvleugelige” zeevogels die onder water met de vleugels zwemmen en daardoor sterk gebonden zijn aan voedselrijke mariene gebieden. Broeden vindt plaats in grote kolonies op steile kliffen en rotsige kustlijnen, waar eieren en kuikens profiteren van moeilijk bereikbare nestplaatsen en de veiligheid van groepsbroedgedrag. Het genus wordt vaak geassocieerd met de overwegend Atlantische alken, waarbij meerdere verwante soorten vooral rond de Atlantische kusten voorkomen, maar de ecologie en bouw blijven typisch voor de Alcidae: uitstekende duikers, sterk marien georiënteerd en op land vooral zichtbaar tijdens de broedperiode.
Binnen Uria kent de Zeekoet meerdere ondersoorten met een verspreiding in zowel de Stille Oceaan als de Atlantische Oceaan, terwijl de Kortbekzeekoet eveneens in verschillende ondersoorten wordt verdeeld, al is de afbakening daarvan in sommige bronnen onderwerp van discussie. Het uitgestorven, vliegloze Reuzenalk (Pinguinus impennis) behoorde niet tot Uria maar was wel een iconische Atlantische alk en wordt vaak genoemd in dezelfde context wanneer de geschiedenis en diversiteit van Atlantische alken worden besproken.
Zeekoet






Klik hier Zeekoet details
Het grootste deel van het jaar speelt zich op zee af. Buiten de broedtijd blijft de soort doorgaans in mariene wateren, vaak niet heel ver van de broedgebieden, met in de winter een duidelijke voorkeur voor ijsvrije of relatief open wateren. In het Atlantisch gebied kan de winterverspreiding zuidwaarts doorlopen tot onder andere de westelijke Middellandse Zee en delen van de noordwestelijke Atlantische kust van Noord-Amerika. In het Pacifisch gebied blijven veel vogels dicht bij de broedkusten, terwijl noordelijk broedende populaties na het broeden vaak zuidelijker uitwijken, afhankelijk van weer en ijscondities. Terugkeer naar kolonies vindt veelal in het vroege voorjaar plaats, met latere aankomst in gebieden waar ijs lang blijft liggen.
In zomerkleed is de zeekoet donker op rug, kop en borst met een scherp contrasterende witte onderzijde, wat het typische “pinguïnachtige” silhouet op rotsen versterkt. In winterkleed worden keel en wangen opvallend lichter, waardoor het contrast op de kop minder hard oogt. De snavel is recht, puntig en dolkvormig, geschikt voor het grijpen van vis onder water. Ten opzichte van de kortbekzeekoet is de bouw doorgaans iets slanker en de snavel relatief langer en minder gedrongen, terwijl het verenkleed op de bovenzijde vaak minder donker glanst.
Op land is de soort weinig behendig, met een wat schuifelende, onhandige gang door de ver naar achteren geplaatste poten. In de lucht is opstijgen lastig en vereist het snelle vleugelslagen en vaak een “aanloop” over het wateroppervlak, maar eenmaal in vlucht kunnen hoge snelheden worden gehaald. Tijdens de broedperiode wordt het rotsige kolonie-leven gekenmerkt door dichte groepen op richels en plateaus, met veel onderlinge roepcontacten en een uitgesproken koloniale dynamiek.
Leefgebied bestaat uit kustwateren met voldoende voedsel en geschikte rotsige broedplaatsen, zoals steile kliffen, rotsige eilandjes en zeestapels. In gebieden waar zeekoet en kortbekzeekoet samen voorkomen, worden bredere richels en vlakker rotsoppervlak relatief vaak benut, terwijl de kortbekzeekoet vaker is gebonden aan smallere, steilere richels. Buiten de broedtijd wordt het open zeegebied gebruikt, meestal boven voedselrijke wateren en langs stromingszones waar prooien geconcentreerd raken.
Voedsel bestaat vooral uit vis, aangevuld met inktvis en kleine kreeftachtigen zoals krill. Jacht en voedselopname vinden vrijwel volledig duikend plaats, waarbij onder water met de vleugels wordt “gevlogen”. Prooien kunnen van onderaf worden benaderd en gegrepen, vaak in zones waar scholen vis op diepte hangen. Het dieet kan per regio en seizoen verschuiven, afhankelijk van de beschikbaarheid van kleine pelagische vissen en andere mariene prooidieren.
Voortplanting vindt plaats in grote kolonies op rotsen, meestal op locaties die voor landroofdieren slecht bereikbaar zijn. Er wordt geen nest gebouwd; het ei ligt direct op de rots. Per seizoen wordt meestal één ei gelegd en door beide ouders om beurten bebroed. Bij verlies kan soms een vervangend ei volgen, maar late legsels hebben minder marge omdat de groeiperiode vóór de nazomer beperkt is. Na het uitkomen groeit het jong snel en wordt het op de kolonie warm gehouden en gevoerd met kleine vissen. Na ongeveer drie weken verlaat het jong de broedplaats, vaak ’s avonds of in de nacht, en gaat samen met een ouder de zee op. Verdere opgroei en het leren zelf voedsel vangen gebeuren vervolgens op zee, waarna de jonge vogel pas later, na enkele jaren, weer in de buurt van kolonies verschijnt om uiteindelijk te gaan broeden.
Klik hier Genus Alca
Het genus Alca is bijzonder omdat het in de huidige fauna nog slechts één soort omvat, de alk (Alca torda), en die soort is beperkt tot het Noord-Atlantisch gebied. Binnen de soort worden doorgaans twee ondersoorten onderscheiden die vooral in grootte verschillen, waarbij torda gemiddeld de grotere vorm is. De soort is herkenbaar aan een zwart-wit verenkleed met een scherp contrast, een gedrongen bouw en een stevige, zijdelings afgeplatte snavel die geschikt is voor het grijpen van vis. Net als andere alkachtigen is de soort op land minder behendig, maar op zee juist uitzonderlijk vaardig, met een krachtige duiktechniek waarbij onder water met de vleugels wordt voortbewogen.
De levenswijze sluit nauw aan op voedselrijke kustwateren en stromingszones in de Noord-Atlantische oceaan. Broeden vindt plaats op rotsachtige locaties met voldoende veilige plekjes op richels, vaak in kolonies waar dicht op elkaar wordt genesteld. Buiten de broedtijd verschuift het zwaartepunt naar het mariene leefgebied, waarbij foerageergebieden op zee worden gebruikt en de aanwezigheid sterk kan samenhangen met visaanbod en lokale omstandigheden zoals weer, zeestromingen en ijsgrenzen in de noordelijkste delen van het verspreidingsgebied.
Alk






Klik hier Alk details
Het uiterlijk wordt gekenmerkt door een stevige, zware snavel en een zwart-wit verenkleed met sterk contrast. In het zomerkleed zijn kop en keel donker, met een smalle lichte lijn die vanaf het oog richting de snavel loopt; in het winterkleed zijn keel en delen van hals en gezicht lichter, waardoor het contrast in de koptekening afneemt. Poten en voeten zijn donker, passend bij een uitgesproken mariene leefwijze.
Broeden gebeurt in kolonies op rotsige kusten, kliffen en eilanden. Nestplaatsen liggen vaak in rotsspleten, tussen keien of op smalle richels, bij voorkeur op locaties met directe toegang tot zee omdat jonge vogels het nest verlaten voordat volledig vliegvermogen is ontwikkeld. Foerageren vindt plaats in ondiepere zeeën op het continentale plat en vaak relatief dichter bij de kust dan bij sommige verwante alkachtigen, waarbij groepen soms gemengd voorkomen met zeekoeten.
Het voedsel bestaat vooral uit middelgrote, zwemmende scholenvissen in de waterkolom, zoals zandspiering, haringachtige soorten en jonge kabeljauwachtigen, met regionale variatie afhankelijk van beschikbaarheid. In bepaalde wintergebieden kan een groter aandeel kreeftachtigen in het dieet voorkomen. Voor jongen worden doorgaans meerdere vissen per voederbeurt aangevoerd, meestal dwars in de snavel gedragen, waarbij het aantal prooien per keer kan variëren met de grootte van de aangevoerde vissen.
De voortplanting start in veel kolonies in het late voorjaar. Per broedseizoen wordt doorgaans één ei gelegd, meestal direct op kale rots of in een ondiepe, beschutte nis, soms met wat kleine steentjes, korstmos of ander materiaal uit de directe omgeving als eenvoudige begrenzing. De broedplaatskeuze is vaak gedeeltelijk omsloten, wat helpt tegen weersinvloed en predatie. Na het uitkomen volgt een intensieve periode van ouderzorg met regelmatige voedselvluchten, waarna de jonge vogel de kolonie verlaat en de mariene fase domineert.