De Bucconidae, of baardkoekoeken, vormen een familie van tropische vogels die vooral voorkomen in Centraal- en Zuid-Amerika. Ze danken hun naam aan de vaak opvallende borstelige snorharen bij de snavelbasis, wat hen een karakteristiek uiterlijk geeft. Ondanks hun naam zijn ze geen echte koekoeken, maar staan ze dichter bij families als de jacamars (Galbulidae).
Baardkoekoeken hebben een gedrongen lichaam, een grote kop en een rechte snavel. Hun kleuren variëren van dof bruin en zwart tot meer contrastrijke patronen van wit, roest en grijs. Ze zitten vaak stil op lage takken in het bos, waar ze loeren op insecten, kleine gewervelden of vruchten. Hun roep is meestal laag, traag en doordringend.
Ze leven voornamelijk in dichte regenwouden, maar sommige soorten komen ook voor in meer open bosgebieden. Bekende soorten zijn de witte baardkoekoek (Notharchus hyperrhynchus) en de bruinkeelbaardkoekoek (Malacoptila fusca).
Alle foto’s © Jan Dolphijn
Genus Notarchus details
Soorten van Notharchus leven vooral in bosrijke gebieden, bosranden, open boomlandschappen en andere warme tropische leefgebieden. Veel soorten zitten vaak langdurig stil op een uitkijkpost, waarna plotseling wordt uitgehaald naar insecten of andere kleine prooien. Daardoor hebben deze vogels een vrij rustige, afwachtende jachtstijl die kenmerkend is voor de familie.
Binnen het genus komen zowel soorten voor met een brede verspreiding als soorten met een beperkter areaal. De bonte baardkoekoek is daarvan een goed voorbeeld en leeft in een groot deel van tropisch Amerika. Andere soorten, zoals de witnekbaardkoekoek en de zwartborstbaardkoekoek, hebben elk hun eigen verspreidingsgebied binnen het Neotropische gebied.
Het genus Notharchus vormt daarmee een duidelijk herkenbare groep binnen de baardkoekoeken: robuuste, vaak contrastrijk getekende bosvogels die sterk zijn aangepast aan het vangen van prooien vanaf een zitpost en die in veel gevallen nestelen in holtes, onder meer in termietennesten in bomen.
Bonte Baardkoekoek









Bonte Baardkoekoek details
De bonte baardkoekoek komt voor van Costa Rica en Panama via het noorden van Zuid-Amerika tot diep in het Amazonegebied. De soort leeft onder meer in Bolivia, Brazilië, Colombia, Ecuador, Frans-Guyana, Guyana, Peru, Suriname en Venezuela. In het verspreidingsgebied is de soort overwegend standvogel, al vinden plaatselijk seizoensgebonden verplaatsingen plaats. In Suriname is het een vrij algemene vogel van de kustvlakte en plantagegebieden.
De soort is goed te herkennen aan de zwarte kruin met witte vlekjes, de duidelijke witte wenkbrauwstreep en de zwart-witte tekening van het lichaam. De rug, vleugels en staart zijn overwegend zwart, terwijl kin, borst en buik wit zijn met een brede zwarte borstband. De snavel is stevig en zwart, net als de korte poten. Door deze contrastrijke tekening heeft de vogel een opvallend uiterlijk, ondanks het vaak rustige gedrag hoog in de bomen.
De bonte baardkoekoek leeft vooral in subtropische en tropische vochtige laaglandbossen, maar komt ook voor in sterk aangetast voormalig bos en andere meer open boslandschappen. Vaak wordt hoog in het kronendak of in de bovenste boomlagen gefoerageerd. De soort houdt zich daardoor geregeld vrij onopvallend op, ondanks de opvallende tekening.
Het voedsel bestaat uit insecten en andere kleine geleedpotigen. Onder meer kevers, libellen, mieren en wespen worden gegeten. De soort jaagt vaak vanaf een uitkijkpost hoog in de boomkruin en vliegt dan uit om een prooi te grijpen. Ook is gemeld dat voedsel wordt gezocht bij boomtermietennesten.
Voor het broeden worden nestholtes uitgegraven in termietennesten die zich in bomen bevinden, meestal op een hoogte van ongeveer vier tot vijfentwintig meter boven de grond. Een legsel bestaat gewoonlijk uit twee eieren. Verdere details over de broedduur zijn beperkt bekend. Beide oudervogels verzorgen de jongen.
Genus Chelidoptera details
Dit genus neemt binnen de baardkoekoeken een wat bijzondere plaats in. Waar veel andere baardkoekoeken vooral stilzittende bosvogels zijn die vanaf een uitkijkpost naar prooien speuren, is Chelidoptera sterker aangepast aan het vangen van insecten in de lucht. De bouw met brede vleugels, een compacte vorm en een vrij korte staart sluit daar goed op aan.
Soorten uit dit genus leven in tropisch Zuid-Amerika en worden vooral aangetroffen in meer open landschappen, bosranden, rivieroevers, zandige terreinen met verspreide begroeiing en andere halfopen gebieden. Vaak wordt langdurig op een hoge uitkijkpost gezeten, waarna korte jachtvluchten worden gemaakt om vliegende insecten te grijpen.
Het genus Chelidoptera vormt daardoor binnen de baardkoekoeken een goed herkenbare groep met een eigen leefwijze, die in gedrag en silhouet enigszins aan zwaluwen doet denken, wat ook in de Nederlandse naam van de soort tot uitdrukking komt.
Zwaluwbaardkoekoek



Zwaluwbaardkoekoek details
De soort komt voor in grote delen van het Amazonegebied en in oostelijk Brazilië. Het verspreidingsgebied omvat onder meer noordelijk Bolivia, Brazilië, oostelijk Colombia, Ecuador, Frans-Guyana, Guyana, oostelijk Peru, Suriname en Venezuela. Binnen dit areaal is de soort overwegend standvogel. In Suriname is het een algemene vogel van de kuststreek en van het binnenland, vooral op zandige terreinen met verspreide bomen.
De zwaluwbaardkoekoek is overwegend glanzend donker blauwzwart op de bovenzijde, met wit op de onderrug en stuit, al is dat niet altijd gemakkelijk te zien. De buik is kaneelkleurig en de onderstaartdekveren zijn wit. De vogel oogt compact en stevig, met een licht gebogen zwarte snavel en zwarte poten. Beide geslachten lijken sterk op elkaar, al is het vrouwtje gemiddeld iets groter.
De soort leeft in subtropische en tropische vochtige laaglandbossen, moerasbossen en sterk aangetaste voormalige bosgebieden. De voorkeur gaat vaak uit naar meer open, zandige plekken met verspreide begroeiing. Ook langs rivieren en meren worden vaak hoge uitkijkposten in bomen gebruikt.
De zwaluwbaardkoekoek is een rustige vogel die vaak lange tijd onbeweeglijk hoog in een boomtop zit. Van daaruit wordt op vliegenvangerachtige wijze in de lucht op insecten gejaagd, waarna meestal naar dezelfde zitplaats wordt teruggekeerd. Het voedsel bestaat uit langzaam vliegende insecten, waaronder gevleugelde mieren. Prooien worden in de vlucht gegrepen en direct doorgeslikt.
Voor het broeden worden tunnels uitgegraven in zandige grond. Zo’n gang loopt meestal licht schuin naar beneden en is ongeveer één tot anderhalve meter lang. De nestkamer wordt bekleed met droog gras. Gewoonlijk worden één of twee eieren gelegd. Pas uitgekomen jongen zijn naakt en zwart. In Suriname valt het broedseizoen min of meer samen met de droge tijden van het jaar. De meeste broedgevallen worden daar vastgesteld van juli tot december, met daarnaast nog enkele broedsels in maart.
Genus Monasa details
Soorten van Monasa leven vooral in bosranden, open bossen, rivieroevers, secundair bos en andere halfopen tropische leefgebieden. In vergelijking met veel andere baardkoekoeken zijn het vaak wat opvallender en socialer vogels. Regelmatig worden kleine groepen gezien, en sommige soorten zitten graag zichtbaar op een open uitkijkpost vanwaar insecten en andere kleine prooien worden gevangen.
Het gedrag van Monasa-soorten is typisch voor baardkoekoeken, maar vaak iets actiever en luidruchtiger dan bij veel verwante genera. De vogels zitten vaak langdurig stil, waarna plotseling een korte uitval wordt gemaakt om een prooi te grijpen. Daarnaast worden ook grotere insecten, kleine gewervelden en andere dierlijke prooien gegeten, afhankelijk van de soort en het leefgebied.
Binnen het genus vallen onder meer de zwarte baardkoekoek, de zwartvoorhoofdbaardkoekoek, de geelsnavelbaardkoekoek en de witvoorhoofdbaardkoekoek. Samen vormen zij een duidelijk herkenbare groep van overwegend donkere, robuuste en vaak vrij sociale baardkoekoeken van het Neotropische gebied.
Zwarte Trappist



Zwarte trappist details
De soort komt voor in het Amazonebekken ten noorden van de Amazone en ten oosten van de Rio Negro, en daarnaast in de Guyana’s. Binnen dit gebied is de zwarte trappist een standvogel. De soort blijft dus het hele jaar in hetzelfde algemene leefgebied aanwezig.
Het verenkleed is overwegend dof zwart. De slanke, licht neergebogen snavel is opvallend koraalrood, wat een fraai contrast vormt met het donkere lichaam. De vleugeldekveren hebben lichtere witgrijze randen en de poten zijn zwart. Mannetjes en vrouwtjes zien er gelijk uit.
De zwarte trappist leeft in subtropische en tropische vochtige laaglandbossen. De voorkeur gaat uit naar bos van de ondergroei tot in de boomlaag, meestal in vochtige omgeving en vrijwel altijd in de nabijheid van water. Daardoor is het een typische vogel van schaduwrijke, waterrijke bosgebieden.
Het voedsel bestaat vooral uit insecten en andere kleine dieren, waaronder spinnen, rupsen en vliegen. Ook kleine hagedissen worden gegeten. De soort jaagt door vanaf een zitplaats korte uitvallen te maken of even stil in de lucht te hangen om een prooi te grijpen. Soms wordt een prooi in de lucht gevangen, maar meestal wordt voedsel van bladeren of takken genomen. Er zijn ook waarnemingen van vogels die onder groepen oropendola’s of caciques zitten om vallende prooien op te pikken.
Het nest bevindt zich in een holte in de grond. Mogelijk worden twee broedsels per jaar grootgebracht, maar over het broedgedrag is verder weinig bekend.