De Columbidae vormen een grote en wereldwijd verspreide familie van vogels, waaronder alle soorten duiven vallen. Met meer dan 300 soorten behoren ze tot de meest diverse vogelgroepen op aarde. Duiven komen voor op alle continenten behalve Antarctica en bewonen uiteenlopende habitats: van regenwoud en woestijn tot steden en landbouwgebieden.
Kenmerkend voor Columbidae is de compacte lichaamsbouw, korte poten, relatief kleine kop en een zachte, vaak melodieuze roep. Ze hebben een korte snavel met een kleine cere (wasachtig gebied aan de basis) en kunnen als enige vogels water opzuigen via hun snavel — andere vogels moeten het achterover laten glijden.
Ze voeden zich vooral met zaden, vruchten en soms insecten. Beide ouders produceren een voedzame stof, de zogenaamde ‘duivenmelk’, waarmee ze hun jongen voeden in de eerste levensdagen.
Duiven hebben niet alleen een ecologische rol, maar ook een grote culturele betekenis, als symbool van vrede, liefde en trouw — en als postduif, gezelschapsdier en jachtwild.
Foto’s © Jan Dolphijn
Klik hier Genus Columba
Soorten binnen Columba leven in een breed spectrum aan habitats, van loof- en naaldbossen tot rotsige hellingen, kustgebieden en agrarische landschappen. In de nabijheid van mensen worden parken, erven, steden en industriegebieden vaak benut wanneer voedsel en nestgelegenheid ruim aanwezig zijn. Rusten en broeden gebeurt afhankelijk van de soort in bomen, op rotsrichels, in gebouwen of op andere beschutte plekken, waarbij vaste nestlocaties in de loop van jaren opnieuw gebruikt kunnen worden.
Het voedsel bestaat meestal uit zaden, granen, knoppen en vruchten, soms aangevuld met jonge scheuten en andere plantaardige delen. Foerageren vindt vaak plaats op de grond, maar in bossen worden ook bessen en vruchten direct uit struiken en bomen genomen. De voortplanting volgt het bekende duivenpatroon met een eenvoudig takkennest en doorgaans twee eieren, waarbij de jongen worden gevoerd met kropmelk en later met een geleidelijk grover dieet. Trekgedrag varieert sterk per soort en regio, van standvogelgedrag tot duidelijke seizoensverplaatsingen, vooral in gebieden waar voedselbeschikbaarheid en klimaat door het jaar heen sterk wisselen.
Houtduif






Klik hier Houtduif details
De soort komt wijdverspreid voor in West- en Zuidwest-Eurazië. Trekgeneigdheid verschilt per regio: vogels uit Noord- en Oost-Europa zijn grotendeels trekvogel, net als populaties uit West-Siberië, terwijl in West-, Midden- en Zuid-Europa veel populaties deels trekvogel of standvogel zijn. In Marokko maken populaties in het Midden-Atlasgebied opvallende dagelijkse verplaatsingen naar lager gelegen vlaktes om te foerageren, terwijl foerageren in de directe omgeving van het nest ook kan voorkomen wanneer voedsel daar beschikbaar is.
Houtduif heeft een herkenbaar verenkleed met zwarte handpennen met lichte randen en een borst die mauveroze oogt en overgaat in een meer crèmekleurige buik. Flanken zijn grijs en langs de voorrand van de vleugel lopen witte veren die bij gespreide vleugel een duidelijke witte band vormen. Aan weerszijden van de hals bevindt zich een opvallende witte vlek, geflankeerd door iriserende veren met paarsroze en groenige glans. De staartveren zijn grijs met een brede zwarte eindband, en aan de onderzijde van de staart is een lichtere centrale band zichtbaar. De iris varieert van groenig wit tot bleek goudkleurig, met grijze huid rond het oog. De snavel is aan de basis purperroze en meer goudkleurig naar de punt, met een witte washuid, en de poten tonen een roodpaarsige tint. Ondersoorten verschillen subtiel in onder meer helderheid van het verenkleed en de grootte en kleurtoon van de halsvlekken.
Binnen Europa is houtduif een zeer algemene broedvogel en een belangrijk deel van het wereldbroedareaal ligt in Europa. De Europese broedpopulatie is zeer groot en was in de periode 1970–1990 overwegend stabiel. In 1990–2000 namen kernpopulaties in onder meer Duitsland en het Verenigd Koninkrijk toe, en op Europese schaal trad een lichte groei op.
Het leefgebied bestaat vaak uit overgangszones tussen bos en open terrein, met gebruik van loof- en naaldbos, bosranden, parken en boomrijke cultuurlandschappen. Broeden vindt regelmatig plaats aan de rand van oudere gemengde bossen, maar ook essenbossen en aanplant van uitheemse naaldbomen kunnen geschikt zijn, waaronder plantages met bijvoorbeeld Sitkaspar en Douglasspar. In berggebieden kan voorkomen tot nabij de boomgrens, afhankelijk van beschikbaarheid van geschikte bomen en voedsel.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit plantaardig materiaal zoals groene bladeren, knoppen, bloemen, zaden, bessen en wortelgewassen. Daarnaast worden af en toe ongewervelden opgenomen, zoals regenwormen, galwespen, kevers, rupsenpoppen, spinnen, naaktslakken en huisjesslakken. Het grootste deel van het voedsel wordt van de grond opgenomen, maar foerageren in bomen komt ook veel voor, vooral bij beschikbaarheid van bessen, knoppen en andere boomgebonden voedselbronnen.
Het nest wordt opgebouwd uit twijgjes, gras en bladeren en kan bij herhaald gebruik geleidelijk forser worden. De nestplaats ligt vaak tot ongeveer drie meter boven de grond in een vork van een boom of op een tak, soms ook in klimplanten in een boom. Zeldzamer worden nesten op de grond aangelegd in dichte vegetatie of onder een haag. Meestal worden één tot drie witte eieren gelegd. De broedduur bedraagt ongeveer 17 dagen.
Holenduif



Klik hier Holenduif details
De soort komt voor in West- en Zuidwest-Eurazië en broedt in grote delen van Europa. Trekgeneigdheid verschilt per regio: noordelijke populaties, zoals die uit Fenno-Scandinavië en Oost-Europa, zijn vrijwel allemaal trekvogel. Meer zuidelijk wordt trekgedrag geleidelijk minder uitgesproken en in Zuid-Europa en Klein-Azië zijn veel populaties vooral standvogel. Overwintering vindt voor noordelijke vogels onder meer plaats op het Iberisch Schiereiland en in de zuidelijke helft van Frankrijk, en daarnaast in de rest van het noordelijke Middellandse Zeegebied.
Holenduif oogt overwegend blauwgrijs. Handpennen en armpennen hebben zwarte toppen die in vlucht goed kunnen opvallen. Op de gevouwen vleugel zijn twee korte zwarte dwarsbanden zichtbaar, met soms nog een derde, kortere en vagere band; bij sommige mannetjes kan deze extra band duidelijker afsteken. De borst heeft een mauveroze tint. Aan weerszijden van de hals bevindt zich een iriserende vlek met groen en mauveroze glans, die bij sommige vogels aan de achterzijde van de hals bijna samenkomt. De staart is grijs met een zwarte eindband en de buitenste staartveren hebben witte randen. De iris is donkerbruin, de huid rond het oog blauwgrijs. De snavel is aan de basis roze en meer geel naar de punt, met een witte washuid. Poten zijn rood. Vrouwtjes zijn gemiddeld doffer en tonen vaak donkerder snavel en poten. Juvenielen zijn nog doffer, met een meer roestbruinige borsttint en donkere poten. De ondersoort yarkandensis is gemiddeld bleker en heeft een iets langere vleugel.
Binnen Europa vormt het broedareaal een groot deel van het wereldareaal. De Europese broedpopulatie is groot en nam toe tussen 1970 en 1990. In 1990–2000 trad in veel gebieden, vooral in Oost-Europa, een afname op, maar kernpopulaties in Frankrijk, Duitsland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk namen toe, waardoor op Europese schaal een matige toename werd gezien. In de Europese Unie wordt de broedpopulatie op honderden duizenden paren geschat, met uiteenlopende regionale trends.
Het leefgebied bestaat uit vrij open landschap, vaak met landbouw, en loopt door tot open bos. Voorkeur gaat uit naar randen tussen bos en open terrein, vooral waar veel oude bomen aanwezig zijn die geschikte broedholtes bieden. In verschillende regio’s is aanpassing aan stedelijke habitats mogelijk, zeker wanneer er voldoende nestgelegenheid en rustige foerageerplekken aanwezig zijn.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit plantaardig materiaal zoals zaden, granen, groene bladeren, knoppen en bloemen. Daarnaast worden ook ongewervelden opgenomen, al vormen die meestal een kleiner deel van het dieet. Foerageren gebeurt vooral op de grond, vaak op akkers, graslanden en open plekken waar zaden en plantaardig materiaal gemakkelijk bereikbaar zijn.
Broeden vindt bij voorkeur plaats in holtes, bijvoorbeeld in oude bomen, rotsspleten, konijnenholen of gebouwen. Ook nestplaatsen in dichte vegetatie of onder struiken komen voor. Het nest is meestal een eenvoudig platform van twijgjes, al worden eieren soms ook op vrijwel kale ondergrond in de holte gelegd. Meestal worden twee witte eieren gelegd. De broedduur bedraagt ongeveer 16 tot 18 dagen.
Rotsduif



Klik hier Rotsduif details
De soort is wijdverspreid en komt in zeer veel gebieden voor. In het broedgebied is rotsduif doorgaans standvogel. Binnen Europa is de soort in grote delen resident, met uitzondering van het uiterste noorden. Een belangrijk aandachtspunt is dat de status van werkelijk wilde rotsduiven in Europa lastig te scheiden is van verwilderde en gedomesticeerde populaties, doordat er veel overlap en vermenging bestaat. De oorspronkelijke verspreiding lag in Europa, Noord-Afrika en delen van Azië, waarna domesticatie en verspreiding door de mens tot een zeer brede aanwezigheid in verstedelijkte gebieden hebben geleid.
Rotsduif is een gedrongen duif met relatief puntige vleugels en een snelle, krachtige vlucht. De bekende “stadsduif” kan in veel kleurvarianten voorkomen door domesticatie en verwildering, maar de klassieke grijze vorm is het meest herkenbaar, vaak met twee donkere vleugelbanden. De snavel is donker met een duidelijk lichtere washuid aan de basis. De ogen zijn rood met een roodachtige oogring. Poten zijn vaak zalm- tot rozeachtig van tint. Vliegen gebeurt vaak in groepen en rustplaatsen worden veel gezocht op richels, dakranden, vensterbanken en kabels, waar grote concentraties kunnen ontstaan.
Het leefgebied is zeer breed. Oorspronkelijk ligt het zwaartepunt bij rots- en klifwanden, met broeden op beschutte richels. In de moderne situatie wordt een groot scala aan door mensen beïnvloede habitats benut, met nadruk op stedelijke en suburbane omgeving en agrarisch gebied. Gebouwen, bruggen en andere constructies bieden veel nestgelegenheid die qua vorm overeenkomt met natuurlijke rotsrichels, waardoor de soort zich uitstekend kan handhaven in bebouwd landschap.
Het voedsel bestaat vooral uit zaden en granen, zeker in agrarische gebieden. In steden wordt het dieet vaak aangevuld met door mensen aangeboden of achtergelaten voedsel, zoals brood, graanproducten en andere etensresten. Foerageren gebeurt meestal op de grond, maar foerageren in bomen komt ook voor, zij het doorgaans minder behendig dan bij meer uitgesproken boomduiven.
Broeden vindt in steden en dorpen plaats op beschutte, vlakke oppervlakken zoals balken, richels en nissen in gebouwen en bruggen, terwijl in natuurlijke gebieden beschutte klifrichels worden gebruikt. Paarbanden kunnen langdurig zijn. Nestmateriaal wordt vaak door het mannetje aangevoerd, waarna een nestplatform van twijgen en gras wordt opgebouwd. Nestplaatsen worden herhaaldelijk gebruikt en bij elke nieuwe ronde wordt materiaal toegevoegd, waardoor nesten geleidelijk groter kunnen worden. Meerdere broedsels per jaar komen veel voor en aantallen van vijf of meer broedsels per jaar zijn mogelijk. Meestal worden twee eieren gelegd, die ongeveer 16 tot 19 dagen worden bebroed. Beide ouders voeren de jongen met kropmelk, een eiwit- en vetrijk voedsel dat in de krop wordt geproduceerd. Rond vier weken na uitkomst verlaten de jongen het nest.
Trocazduif






Klik hier Trocazduif details
De soort is een standvogel en endemisch voor Madeira. Historisch kwam de soort ook voor op Porto Santo, maar de huidige verspreiding is beperkt tot het eiland Madeira. Binnen Europa is het broedareaal zeer klein, met een oppervlak van minder dan 500 km². De populatie wordt als klein beschreven, met schattingen die in bronnen uiteenlopen, en is daardoor gevoelig voor risico’s die bij kleine populaties zwaarder doorwerken, zoals toevallige sterfte, predatie en lokale habitatverandering.
Trocazduif is een relatief forse, donkergrijze duif met opvallend grote roodkleurige tenen. Aan de zijkant van de hals is een subtiele glanzende, zilverachtige vlek zichtbaar. In de staart valt een duidelijke witte band op, vooral wanneer de staart wordt gespreid. De snavel is rood. Vrouwtjes zijn gemiddeld iets kleiner dan mannetjes, maar in het veld is dit verschil meestal moeilijk betrouwbaar te gebruiken.
Binnen Madeira vinden het hele jaar door verplaatsingen plaats, waarbij gebruik wordt gemaakt van verschillende valleien en gebieden afhankelijk van seizoen en beschikbaarheid van voedsel. In de zomer is een sterke voorkeur beschreven voor laurierbos op lagere hoogten, vooral waar de bosstructuur goed ontwikkeld is en steile hellingen aanwezig zijn. In gebieden met weinig bebouwing en landbouw kan aanwezigheid dicht bij de kust voorkomen. Biotopen met dominante aanwezigheid van Ocotea foetens worden vaak sterk benut, terwijl ook gebieden met exotische beplanting relatief aantrekkelijk kunnen zijn, zeker wanneer vergelijking wordt gemaakt met minder geschikte delen van het laurierbos. Het grootste deel van de waarnemingen valt binnen het hoogtebereik van het laurierbos, met een duidelijke voorkeur voor bos onder ongeveer 850 meter.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit vruchten van laurierbosbomen, vooral Laurus azorica en Ocotea foetens. Daarnaast worden ook bladeren en bloemen van verschillende plantensoorten gegeten, waaronder soorten uit Sonchus en planten zoals Apium nodiflorum en Nasturtium officinale, aangevuld met een bredere reeks andere planten. Voedselkeuze kan per jaar en per seizoen verschillen. Er zijn waarnemingen dat in perioden met weinig bosvruchten vaker naar landbouwgebieden wordt uitgeweken, waar schade aan gewassen kan optreden, vooral aan koolgewassen, wat in het verleden heeft bijgedragen aan vervolging en jacht.
Nestbouw gebeurt met droge twijgjes, meestal in een bosboom. Incidenteel worden nesten op de grond gemaakt of in holtes en spleten van kliffen. Meestal wordt één ei gelegd en slechts af en toe twee, waarbij nesten met twee jongen nauwelijks of niet zijn vastgesteld. De broedduur bedraagt ongeveer 19 tot 20 dagen en de periode tot uitvliegen kan tot ongeveer 28 dagen duren. Predatie op eieren en jongen komt voor, onder meer door ratten, waardoor bescherming van broedplekken en beheer van predatoren belangrijk blijft binnen het kleine verspreidingsgebied.
Witkopduif





Klik hier Witkopduif details
De soort komt voor in Oost-Australië en is vooral bekend van gebieden ten oosten van de Great Dividing Range, van het verre noorden van Queensland tot in het zuiden van New South Wales. In recente decennia worden ook vaker waarnemingen gedaan verder zuidelijk, tot in oostelijk Victoria. Het verspreidingspatroon valt binnen de Australaziatische regio en aanwezigheid hangt sterk samen met geschikte bos- en groenzones met voldoende fruitdragende bomen.
Witkopduif is een forse duif met een opvallend wit op kop, hals, borst en buik, gecombineerd met donkergrijze tot grijszwarte bovendelen en vleugels. Bij volwassen vogels kan een groenige of paarsige glans zichtbaar zijn op de donkere veren. Snavelkleuren variëren van roze tot donkerrood met vaak een lichtere, geelachtige of witachtige punt. Poten en voeten zijn roze tot rood. Vrouwtjes ogen meestal iets minder helder wit dan mannetjes en juvenielen tonen doorgaans een grijzere kop en doffere onderzijde, met gemiddeld grijzere poten en snavel.
De soort wordt vaak als standvogel beschouwd, maar verplaatsingen binnen het leefgebied komen regelmatig voor. Aanwezigheid kan seizoensmatig verschuiven afhankelijk van regen, lokale fruitzetting en de beschikbaarheid van voedselrijke bomen, waardoor tijdelijke concentraties in bepaalde valleien, waterlopen of stedelijke groenzones kunnen ontstaan.
Het leefgebied bestaat uit (sub)tropisch regenwoud, vochtig bos, dichte scrub, bosranden en vegetatie langs waterlopen. Ook straatbomen, parken en tuinen kunnen belangrijk zijn wanneer voedsel aanwezig is. De soort heeft in veel gebieden duidelijk geprofiteerd van de aanwezigheid van geïntroduceerde kamferlaurier, die in meerdere regio’s een belangrijke voedselbron vormt en daardoor ook vaker gebruik van door mensen beïnvloede landschappen mogelijk maakt.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit vruchten en zaden die grotendeels in het bladerdak worden opgenomen. Kamferlaurier speelt vaak een grote rol, waarbij niet alleen rijpe vruchten maar ook knoppen, bloemen en bladeren benut kunnen worden. Daarnaast worden uiteenlopende bessen en andere bosvruchten gegeten, en lokaal kan ook gevallen graan of zadenrijk voedsel op de grond worden opgenomen, vooral aan bosranden en in agrarisch mozaïeklandschap.
Broeden vindt vooral plaats in het voorjaar en de vroege zomer, met een zwaartepunt rond oktober tot en met december. Het nest bestaat meestal uit een schaars platform van twijgjes dat hoog in de boomkruin kan liggen, soms tot ongeveer 18 meter. Meestal wordt één crèmekleurig tot wit ei gelegd. De broedzorg volgt het typische duivenpatroon, met gezamenlijke verzorging van het jong en voeding via kropmelk in de eerste fase.
Gespikkelde duif


Klik hier Gespikkelde duif details
De soort is wijdverspreid in Afrika en komt in veel regio’s algemeen voor, vooral in open landschappen en in de nabijheid van menselijke bewoning. Trekgedrag is doorgaans beperkt; aanwezigheid kan lokaal wel verschuiven afhankelijk van regenval, voedselbeschikbaarheid en landbouwactiviteiten, waardoor plaatselijke concentraties in bepaalde seizoenen kunnen ontstaan.
Het uiterlijk is kenmerkend door een donkergrijze tot leisteenkleurige basis met een opvallend, licht gespikkeld patroon op vleugeldekveren en schouderpartij, waardoor in rust een “gestippelde” indruk ontstaat. Op de hals kan een subtiele glans zichtbaar zijn, terwijl poten en snavel doorgaans roodachtig tot roze tinten kunnen tonen. In vlucht vallen de brede vleugels en het contrastrijke vleugelpatroon vaak op, zeker bij goed licht.
Het leefgebied bestaat vooral uit open tot halfopen terrein, zoals savanne, rotsige hellingen, open bosranden, dorre struikgebieden en agrarisch mozaïeklandschap. Ook dorpen, steden, erven en industrieterreinen worden regelmatig benut, vooral waar geschikte rust- en nestplekken beschikbaar zijn, zoals rotsrichels, gebouwen, bruggen en andere constructies. De soort is daardoor vaak zichtbaar in menselijke omgeving zonder volledig afhankelijk te zijn van stedelijk habitat.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit zaden en granen, aangevuld met knoppen, jonge scheuten en kleine vruchten wanneer die beschikbaar zijn. Foerageren gebeurt meestal op de grond, vaak op open plekken, akkers, wegbermen en erven, waarbij gemorst graan en zaadrijk onkruid een belangrijke rol kunnen spelen. Drinkplaatsen worden geregeld bezocht, vooral in drogere perioden.
Broeden kan in veel gebieden over een lange periode plaatsvinden, met een duidelijke piek wanneer voedsel ruim aanwezig is, vaak in of rond het regenseizoen. Het nest is meestal een relatief eenvoudig platform van twijgjes. Nestplaatsen worden vaak gekozen op rotsen en kliffen, maar ook op gebouwen en andere beschutte structuren in bebouwde omgeving, afhankelijk van lokale mogelijkheden. Het legsel bestaat meestal uit twee witte eieren. De broedzorg volgt het bekende duivenpatroon, met intensieve ouderzorg en voeding van jongen in de eerste fase via kropmelk en daarna een geleidelijke overgang naar zadenrijk voedsel.
Klik hier Genus Leucosarcia
Soorten binnen Leucosarcia zijn vooral verbonden aan bosrijke en struikrijke landschappen met een dichte ondergroei, waar beschutting en voedsel op de bodem beschikbaar zijn. In dergelijke biotopen wordt veel gebruikgemaakt van bospaden, open plekken en randen van begroeiing, terwijl rusten en schuilen plaatsvindt in lagere takken of in dichte vegetatie. Het gedrag is vaak terughoudend en minder nadrukkelijk aanwezig dan bij stedelijke duivensoorten, waardoor waarneming geregeld afhankelijk is van geluid, korte vlucht of beweging in de ondergroei.
Het voedsel bestaat vooral uit zaden, vruchten en ander plantaardig materiaal dat op de bodem wordt opgenomen, soms aangevuld met kleine ongewervelden wanneer die gemakkelijk beschikbaar zijn. Broeden gebeurt meestal met een eenvoudig takkennist, vaak laag in bomen of struiken, waarbij de algemene duivenstrategie met een klein legsel en intensieve ouderzorg goed herkenbaar is.
Wongaduif



Klik hier Wongaduif details
De soort komt voor in Oost-Australië, vooral langs en nabij de oostelijke kuststrook en de aangrenzende gebergtezones, waar dichte ondergroei en beschutte bosstructuren aanwezig zijn. Trekgedrag is doorgaans beperkt. Aanwezigheid kan lokaal verschuiven afhankelijk van voedselbeschikbaarheid en verstoring, maar het algemene beeld is dat veel populaties standplaatsgebonden zijn met vooral korte verplaatsingen binnen het leefgebied.
Wongaduif is een forse, relatief plomp gebouwde bosduif met een opvallend contrastrijk zwart-wit uiterlijk. De kop en onderzijde ogen vaak licht tot witachtig, terwijl bovendelen donkerder zijn, wat in schaduwrijke vegetatie toch goed kan opvallen wanneer de vogel over een pad loopt. De soort staat bekend om een rustige, bedachtzame manier van bewegen op de bosbodem, met regelmatig stilstaan en scharrelen tussen strooisel. Bij verstoring volgt vaak een krachtige, luidruchtige vlucht naar lagere takken of dichte dekking, waarna snel weer rust wordt gezocht.
Het leefgebied bestaat vooral uit vochtige bossen en regenwoudranden, eucalyptusbossen met goed ontwikkelde ondergroei, dicht struweel en vegetatie langs waterlopen. Ook secundair bos en bosranden met dichte dekking worden benut, zolang er voldoende strooisel en voedsel op de bodem beschikbaar is. De soort wordt vaak gezien op bospaden, open plekken en randen van dicht struikgewas, waar foerageren relatief efficiënt is en dekking snel bereikbaar blijft.
Het voedsel bestaat vooral uit zaden en gevallen vruchten die op de grond worden opgenomen, aangevuld met jonge scheuten en ander plantaardig materiaal uit het strooisel. Af en toe worden ook kleine ongewervelden meegenomen wanneer die gemakkelijk beschikbaar zijn. Foerageren gebeurt meestal lopend, vaak in de vroege ochtend en later op de dag, met een voorkeur voor rustige plekken waar verstoring beperkt blijft.
Broeden gebeurt doorgaans met een eenvoudig nestplatform van twijgjes, meestal in een boom of struik op beschutte plekken. Het legsel is klein en bestaat vaak uit één ei, passend bij een relatief trage voortplantingsstrategie met intensieve ouderzorg. De jongen worden in de eerste fase gevoerd met kropmelk en daarna met steeds grover voedsel, volgens het bekende duivenpatroon. De timing van broeden kan regionaal variëren en hangt vaak samen met perioden waarin voedsel op de bosbodem ruimer beschikbaar is.
Klik hier Genus Ocyphaps
Soorten binnen Ocyphaps zijn sterk verbonden aan open tot halfopen landschappen, zoals droge graslanden, savanne-achtige gebieden, open bosranden en agrarische zones. Ook parken, erven en stedelijke randen kunnen worden benut wanneer water en voedsel gemakkelijk beschikbaar zijn. Foerageren gebeurt veelal op de grond, waar zaden en andere plantaardige delen worden opgenomen, en aanwezigheid hangt vaak samen met plekken waar gemorst graan, graszaden of tijdelijke voedselconcentraties voorkomen.
Broeden vindt doorgaans plaats in bomen of struiken, met een relatief eenvoudig nestplatform van twijgjes, passend bij het algemene duivenpatroon. Het geslacht staat bekend om een goede aanpassing aan wisselende omstandigheden in drogere gebieden, waarbij lokale verplaatsingen en schommelingen in aantallen vaak samenhangen met regenval, beschikbaarheid van drinkwater en de hoeveelheid zaadvorming in de vegetatie.
Spitskuifduif





Klik hier Spitskuifduif details
De soort komt wijdverspreid voor in Australië en is in veel landschappen een opvallende en vaak algemene duif. Trekgedrag is doorgaans beperkt en bestaat vooral uit lokale verplaatsingen die samenhangen met regenval, beschikbaar drinkwater en tijdelijke pieken in zaadvorming. In drogere perioden kan aanwezigheid sterker geconcentreerd raken rond waterpunten en voedselrijke open plekken.
Spitskuifduif is herkenbaar aan de slanke, rechtopstaande kuif die als een spitse “top” op de kop staat. Het verenkleed oogt overwegend grijs met subtiele tekening, vaak met contrasterende vleugelmarkeringen die in vlucht extra opvallen. De lichaamsbouw is compact maar elegant, met een relatief lange staart en een snelle, directe vlucht. Bij opvliegen klinkt geregeld een duidelijk fluitend vleugelgeluid, wat samen met de kuif een sterk herkenningsbeeld geeft.
Het leefgebied bestaat vooral uit open tot halfopen landschap, zoals droge graslanden, savanne-achtige gebieden, open eucalyptusbos, scrub, agrarische zones en randen van nederzettingen. Ook parken, erven en stedelijke groenzones worden gebruikt wanneer voedsel en water aanwezig zijn. In zulke gebieden wordt veel tijd op de grond doorgebracht, vaak op paden, open grond en korte vegetatie, waar zaden gemakkelijk bereikbaar zijn.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit graszaden en andere fijne zaden, aangevuld met graankorrels en kleine plantaardige delen in landbouwgebied. Foerageren gebeurt vooral op de bodem, vaak in kleine groepjes, met een rustige, lopende manier van zoeken en regelmatig kort pauzeren om omgeving te scannen. Drinkplaatsen zijn belangrijk, waardoor concentraties bij water in de ochtend en later op de dag vaak voorkomen.
Broeden kan in grote delen van het verspreidingsgebied over een lange periode plaatsvinden, met pieken wanneer regenval en voedselaanbod gunstig zijn. Het nest is een eenvoudig, relatief los platform van twijgjes, meestal in een struik of lage boom. Het legsel bestaat doorgaans uit twee eieren. Broedzorg volgt het bekende duivenpatroon, met intensieve ouderzorg en voeding van jongen in de eerste fase via kropmelk en daarna een geleidelijke overgang naar zadenrijk voedsel.
Klik hier Genus Goura
Kroondduiven zijn groot en zwaar gebouwd, met een krachtige lichaamsvorm en een duidelijke, sierlijke kuif die als “kroon” op de kop ligt. Het gedrag is sterk op het bosbodemleven gericht, waarbij veel tijd lopend wordt doorgebracht op zoek naar voedsel. Voedsel bestaat vooral uit gevallen vruchten en zaden, soms aangevuld met andere kleine, makkelijk beschikbare prooien van de bosbodem. Bij verstoring volgt vaak een zware, luidruchtige vlucht naar een hogere zitplaats, waarna rust in de vegetatie wordt gezocht.
De voortplanting sluit aan bij het duivenpatroon met intensieve ouderzorg. Er wordt meestal een enkel ei gelegd, dat door beide ouders wordt bebroed. De jongen worden in de eerste fase gevoerd met kropmelk en daarna met steeds grover voedsel. Broedsucces en aanwezigheid hangen in hoge mate samen met rustige, aaneengesloten bosgebieden met voldoende voedsel op de bodem en veilige rust- en broedplekken.
Waaierduif


Klik hier Waaierduif details
De soort komt voor in noordelijk Nieuw-Guinea en enkele omliggende eilanden. Verspreiding omvat onder meer Biak-Supiori (mogelijk geïntroduceerd) en Yapen, en een brede zone langs de noordkust van Nieuw-Guinea van de regio rond Geelvinkbaai in het Indonesische Papua tot Astrolabebaai, met daarnaast een geïsoleerd gebied rond Collingwood Bay in het uiterste oosten van Papoea-Nieuw-Guinea. Over seizoensmatige trek is in de aangeleverde gegevens geen specifieke informatie opgenomen; het algemene voorkomen wijst vooral op standplaatsgebonden gebruik van geschikt laaglandbos, met verplaatsingen op lokale schaal afhankelijk van voedsel en verstoring.
Waaierduif is een zeer grote, zwaar gebouwde duif die vooral op de bosbodem leeft. Het meest opvallende kenmerk is de brede, kantachtige kuif die als een waaier op de kop ligt, met lichte tot witachtige punten die het “gekroonde” uiterlijk versterken. Het verenkleed is overwegend blauwgrijs, met een duidelijke kastanjebruine tot purperige borstzone en opvallend rood gekleurde iris. Op de vleugels kan een contrasterende band zichtbaar zijn door lichter getinte veren die aan de punt donkerder kleuren. Het silhouet oogt statig, met een relatief lange staart en een krachtige bouw die goed past bij leven in dichte laaglandvegetatie.
Het leefgebied bestaat uit laaglandbos, waaronder moerasbos en andere natte bosvormen, meestal in de extreem lage zones en soms tot ongeveer 600 meter hoogte. Voorkeur gaat vaak uit naar aaneengesloten bos op vlak terrein, met voldoende dekking op de bodem en veilige, hoge rustplaatsen in grotere bomen. In de nabijheid van dorpen neemt aanwezigheid vaak sterk af door jachtdruk en verstoring, waardoor de soort vooral in minder toegankelijke bossen regelmatiger voorkomt.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit gevallen vruchten en zaden die op de bosbodem worden opgenomen. Vijgen en andere bosvruchten spelen vaak een grote rol wanneer beschikbaar. Zaden en kleine ongewervelden kunnen aanvullend worden benut, afhankelijk van aanbod. Foerageren gebeurt vaak lopend in kleine groepjes, met een rustige, doelgerichte manier van zoeken tussen strooisel en ondergroei.
Broeden vindt plaats met een stevig takkennist in een boom, opgebouwd uit stengels, takken en bladmateriaal zoals palmbladeren. Meestal wordt één wit ei gelegd. De broedduur ligt rond een maand, waarna een lange verzorgingsperiode volgt; jonge vogels worden na het verlaten van het nest nog geruime tijd begeleid en gevoerd. Broedactiviteit kan regionaal samenhangen met het einde van de natte tijd en het begin van de drogere periode, wanneer voedsel en omstandigheden lokaal gunstig zijn.
Klik hier Genus Treron
Soorten binnen Treron komen vooral voor in tropische en subtropische zones van Azië en Afrika en benutten een breed palet aan bos- en boomrijke habitats. Loofbossen, moessonbossen, galerijbossen, savannebos en cultuurlandschap met veel bomen worden frequent gebruikt, zolang er voldoende vruchtdragende bomen aanwezig zijn. Veel tijd wordt in het bladerdek doorgebracht, waar voedsel wordt gezocht en waar ook rustplaatsen liggen. Foerageren op de grond komt voor, maar is doorgaans minder belangrijk dan het opnemen van vruchten en zaden direct uit bomen en struiken.
Het dieet bestaat voornamelijk uit vruchten, bessen en zaden, waarbij vooral vijgen en andere kleinvruchtige boomsoorten vaak een grote rol spelen. Door intensief vruchtengebruik kunnen soorten binnen Treron belangrijk zijn voor zaadverspreiding in bosecosystemen. Broeden gebeurt met een relatief eenvoudig takkennist, meestal in bomen, waarbij het legsel vaak klein is en beide ouders doorgaans betrokken zijn bij broedzorg en het voeren van de jongen volgens het bekende duivenpatroon.
Afrikaanse papegaaiduif

Klik hier Afrikaanse Papegaaiduif details
De soort komt wijdverspreid voor in Afrika en kan in geschikte bos- en savannegebieden plaatselijk algemeen zijn. Trekgedrag is doorgaans beperkt. Aanwezigheid verschuift vooral op lokale schaal, afhankelijk van regenval en het seizoensaanbod van vruchten, waardoor in bepaalde perioden duidelijke concentraties kunnen ontstaan rond voedselrijke bomen.
Afrikaanse papegaaiduif is een middelgrote, overwegend groene vruchtenduif. Het groene verenkleed werkt sterk camouflerend in bladerdek. Vaak zijn gele of olijfkleurige tinten zichtbaar op onderzijde en vleugels, en bij goed licht kan een zachte glans optreden. De kop oogt relatief compact, met een stevige duivensnavel die geschikt is voor het opnemen van vruchten. In vlucht vallen de ronde vleugels en de relatief korte, duifachtige staart op, met een snelle maar soepele vleugelslag tussen boomkruinen.
Het leefgebied bestaat uit uiteenlopende boomrijke landschappen, zoals rivierbos, galerijbos, loofbos, bosranden, savannebos en vochtige boscomplexen, maar ook secundair bos en boomrijke cultuurlandschappen worden benut wanneer er voldoende vruchtdragende bomen aanwezig zijn. In veel gebieden ligt de activiteit vooral in de kruinlaag, met rusten en foerageren in dichte vegetatie, waardoor waarneming vaak afhankelijk is van roep of korte verplaatsingen tussen bomen.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vruchten en bessen, met regelmatig een duidelijke nadruk op vijgen en andere kleinvruchtige bomen wanneer die in productie zijn. Daarnaast worden ook knoppen, jonge scheuten en zaden gebruikt, afhankelijk van beschikbaarheid. Door intensief vruchtengebruik speelt de soort vaak een rol in zaadverspreiding binnen bos- en savannesystemen, vooral wanneer vruchten in korte perioden massaal beschikbaar zijn.
Broeden gebeurt meestal met een eenvoudig nestplatform van twijgjes in bomen, vaak goed beschut in bladerdek. Het legsel is doorgaans klein, vaak één tot twee eieren, met broedzorg door beide ouders volgens het bekende duivenpatroon. De timing van broeden verschilt per regio en hangt vaak samen met perioden waarin voedsel ruim aanwezig is, zodat jongen kunnen opgroeien wanneer vruchtenaanbod het gunstigst is.
Maleise papegaaiduif



Klik hier Maleise papegaaiduif details
De soort komt voor in Zuidoost-Azië en strekt zich uit tot de Filipijnen, met daarnaast aanwezigheid op Sulawesi. Binnen dit gebied wordt vooral gebruikgemaakt van boomrijke landschappen in laagland en lagere heuvelzones. Trekgedrag is doorgaans beperkt; lokale verplaatsingen komen voor en hangen vaak samen met seizoensaanbod van vruchten, waardoor tijdelijke concentraties rond voedselrijke bomen kunnen ontstaan.
Maleise papegaaiduif is een middelgrote groene vruchtenduif met een opvallende kleurtekening bij volwassen mannetjes. Het verenkleed is overwegend groen, wat in het bladerdek sterk camouflerend werkt. Kenmerkend is een roze tot lilaroze tint op hals en borst, vaak gecombineerd met een grijze kop en een duidelijke contrasterende gele tot geelgroene zone op onderzijde of flanken. Vleugels tonen vaak donkerder slagpennen en een warme, soms kastanjebruine of donkerdere vleugelvlek die in vlucht of bij goede lichtval zichtbaar kan zijn. Vrouwtjes zijn doorgaans egaler groen en missen de uitgesproken roze halskleur, waardoor het totaalbeeld soberder oogt.
Het leefgebied omvat open bos, bosranden, mangroveranden, secundair bos, parken, tuinen en agrarische mozaïeklandschappen met voldoende grote bomen. In stedelijke of dorpsomgeving kan aanwezigheid opvallend zijn wanneer fruitbomen, schaduwrijke lanen en rustige rustplaatsen beschikbaar zijn. Rusten en foerageren vindt grotendeels plaats in de kruinlaag, vaak hoog in bomen, waarbij waarneming geregeld wordt verraden door roep en korte, snelle verplaatsingen tussen boomtoppen.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vruchten en bessen, met vaak een sterke voorkeur voor vijgen en andere kleinvruchtige bomen wanneer die in productie zijn. Daarnaast worden ook zaden, knoppen en jonge scheuten benut, afhankelijk van lokale beschikbaarheid. Door het intensieve gebruik van vruchten draagt de soort vaak bij aan zaadverspreiding binnen boomrijke habitats.
Broeden gebeurt met een eenvoudig, vrij los nestplatform van twijgjes in bomen of hoge struiken, meestal goed beschut tussen bladeren. Het legsel bestaat doorgaans uit twee witte eieren. Broedzorg volgt het bekende duivenpatroon met gezamenlijke verzorging, waarbij jongen in de eerste fase met kropmelk worden gevoerd en later met steeds grover vruchten- en zadenrijk voedsel. De timing van broeden kan per regio verschillen en valt vaak samen met perioden waarin vruchtenaanbod hoog is.