De Megapodiidae, of stormhoenders, vormen een unieke familie van hoendervogels die voorkomen in Australië, Nieuw-Guinea, Indonesië en enkele eilanden in de Stille Oceaan. Wat deze vogels bijzonder maakt, is hun bijzondere broedgedrag: in plaats van hun eieren zelf uit te broeden, leggen ze ze in composthopen, zandheuvels of geothermisch verwarmde grond, waar de warmte de eieren uitbroedt.
Stormhoenders zijn middelgrote tot grote grondvogels met krachtige poten en lange tenen, aangepast aan het graven. De jongen komen volledig ontwikkeld uit het ei, kunnen meteen lopen, foerageren en zelfs vliegen — uniek onder vogels.
Bekende soort is lectura lathami (Boskalkoen). Deze familie is een fascinerend voorbeeld van alternatieve voortplantingsstrategieën in de vogelwereld, en speelt een belangrijke rol in de ecologie van tropische bosbodems.
Foto’s © Jan Dolphijn
Genus Alectura
Soorten uit dit geslacht zijn groot, stevig gebouwd en leven hoofdzakelijk op de grond. Het verenkleed is meestal donker, terwijl de kop en hals gedeeltelijk kaal kunnen zijn. De poten zijn krachtig en goed aangepast aan het krabben en verplaatsen van grote hoeveelheden blad, zand en ander bodemmateriaal. Daardoor zijn deze vogels uitstekend ingericht voor een leven in dichte begroeiing en op de bosbodem.
Alectura-soorten bewonen vooral vochtige bossen, regenwouden, bosranden en dicht begroeide terreinen. Ook meer door mensen beïnvloede landschappen, zoals parken en grote tuinen aan bosranden, kunnen worden gebruikt. Het voedsel bestaat uit zaden, vruchten, insecten en andere kleine ongewervelden die tussen de strooisellaag worden gezocht.
De voortplanting is zeer kenmerkend. Mannetjes bouwen grote broedhopen van bladeren, aarde en ander rottend plantenmateriaal. De warmte die in deze hopen ontstaat door rotting zorgt voor het uitbroeden van de eieren. Het mannetje bewaakt de hoop en regelt nauwkeurig de temperatuur door materiaal toe te voegen of te verwijderen. De jongen komen ver ontwikkeld uit het ei en zijn vrijwel direct in staat zelfstandig rond te lopen en voedsel te zoeken.
Boskalkoen




Boskalkoen details
De boskalkoen is een grote, donker gekleurde bodembewonende vogel met een forse bouw, lange poten en een relatief kleine kop. Het verenkleed is overwegend zwartachtig tot donkerbruin. De kale kop en hals vallen op, evenals de felgekleurde huidkwab aan de hals, die vooral bij volwassen vogels duidelijk zichtbaar is. De staart is breed en wordt vaak waaiervormig gedragen. Door de krachtige poten en de losse houding op de grond is deze soort goed aangepast aan een leven tussen bladstrooisel en dichte begroeiing.
Deze soort leeft vooral in vochtige bossen, regenwouden, bosranden en dicht begroeide terreinen in oostelijk Australië. Ook tuinen, parken en andere groene gebieden in de nabijheid van bos worden regelmatig gebruikt. De boskalkoen verblijft meestal op de grond en scharrelt daar tussen bladeren, takjes en ander organisch materiaal.
Het voedsel bestaat uit zaden, vruchten, insecten en andere kleine ongewervelden. Veel voedsel wordt gevonden door in de strooisellaag te krabben en te woelen. Daardoor speelt deze soort ook een duidelijke rol in het omwerken van de bosbodem.
De voortplanting van de boskalkoen is bijzonder. Het mannetje bouwt een grote broedhoop van bladeren, aarde en ander rottend plantenmateriaal. In deze hoop worden de eieren gelegd, waarna de warmte van het rottingsproces voor de uitbroeding zorgt. Het mannetje bewaakt en verzorgt de broedhoop en regelt de temperatuur door materiaal toe te voegen of weg te halen. Na het uitkomen zijn de jongen direct vrij zelfstandig en kunnen zij al snel lopen en voedsel zoeken.