De familie Recurvirostridae, behorend tot de orde Charadriiformes, omvat middelgrote steltlopers die gespecialiseerd zijn in het leven in waterrijke omgevingen. De familie bestaat uit twee nauw verwante groepen: de kluten (Recurvirostra) en de steltkluten (Himantopus).
Kluten vallen op door hun sierlijk omhooggebogen snavels, waarmee ze zigzaggend door het water bewegen om kleine ongewervelden uit het oppervlak te filteren. Steltkluten daarentegen hebben een rechte of licht opwaarts gebogen snavel en extreem lange roze poten, waardoor ze diepere delen van ondiepe wateren kunnen benutten bij het foerageren.
Recurvirostridae komt voor op alle continenten behalve Antarctica. De meeste soorten broeden in kolonies op open, modderige of zanderige oevers van meren, lagunes en moerassen. Hun roep is vaak scherp en luid, vooral wanneer ze zich bedreigd voelen tijdens het broedseizoen.
Foto’s © Jan Dolphijn
Klik hier Genus Recurvirostra
Soorten binnen dit genus komen vooral voor in kust- en binnenlandse wetlands, zoals lagunes, kwelders, slikken, zoutpannen, ondiepe meren, plassen en overstromingsvlaktes. Ook zout- of brakwatermilieus worden veel benut, en op trek en in de winter kunnen grote groepen worden gevormd op uitgestrekte ondiepe wateren en droogvallende platen. Broedplaatsen liggen vaak op kale of schaars begroeide bodem, zoals slikrandjes, zandige eilandjes of open stukken in zoutvlaktes, waar eieren en kuikens goed camoufleren en waar predatoren op tijd kunnen worden opgemerkt.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit kleine ongewervelden die in ondiep water of in zachte bodem voorkomen, zoals insectenlarven, kleine kreeftachtigen en wormen. Foerageren gebeurt vaak met een typische “zwaaibeweging” van de snavel: de snavel wordt in het water of net over het bodemoppervlak heen en weer bewogen om prooi op te sporen en te grijpen. Hierdoor kan ook in troebel water efficiënt worden gegeten, en op voedselrijke plekken kan langdurig in dezelfde ondiepe zone worden gefilterd en gescharreld.
De voortplanting vindt meestal plaats in open terrein dicht bij ondiep water. Nesten zijn vaak eenvoudige kuiltjes op de grond, soms licht bekleed met plantmateriaal of kleine schelp- en steendeeltjes. Tijdens de broedtijd kan het gedrag uitgesproken territoriaal en beschermend zijn, met luid alarm en actieve verdediging van nest en jongen. Kuikens zijn nestvlieders en kunnen snel na het uitkomen rondlopen en zelf voedsel zoeken in de ondiepe randen, terwijl oudervogels de omgeving bewaken en indringers proberen weg te jagen. Door de sterke binding aan open wetlands zijn kluten lokaal gevoelig voor veranderingen in waterbeheer, verstoring en habitatverlies, ook al kunnen sommige soorten zich bij gunstige omstandigheden goed handhaven.
Kluut




Klik hier Kluut details
De kluut broedt wijdverspreid maar vaak versnipperd in grote delen van Eurazië, met uitzondering van het verre noorden, en broedt daarnaast ook in noordelijke, oostelijke en zuidelijke delen van Afrika. In Europa is het broedareaal gefragmenteerd van het Iberisch Schiereiland en delen van Engeland en de zuidelijke Oostzee tot ver richting Pakistan en China. Binnen de Europese Unie ligt een belangrijk deel van de Europese broedpopulatie. In verschillende regio’s zijn in de loop van de tijd toenames gezien, onder meer door herstel en inrichting van geschikte kust- en brakwaterhabitats, al blijft de soort lokaal gevoelig voor verlies van geschikte gebieden en verstoring.
Het trekgedrag varieert per regio. In noordelijke delen van het broedgebied is de kluut vooral trekkend, terwijl zuidelijker populaties vaker zwervend zijn en gedeeltelijk kunnen overwinteren. In zachte winters blijven duidelijk grotere aantallen in landen rond de Noordzee, en overwintering vindt lokaal plaats in onder meer Groot-Brittannië en Nederland. Veel overwinteraars bevinden zich echter in het Middellandse Zeegebied tot aan de zuidelijke Kaspische regio en verder zuidwaarts tot de Sahel, Arabië en India. In West-Europa begint de verspreiding na het broedseizoen vaak in de tweede helft van juli. In augustus en september concentreren Scandinavische, Duitse en Nederlandse vogels zich op rui- en pleisterplaatsen, onder meer rond de Helgolandbocht en in de Nederlandse delta. In veel jaren nemen aantallen in oktober sterk af door vertrek, al kunnen soms tot in november nog duizenden aanwezig blijven. De voorjaarstrek begint vroeg, met vertrek uit wintergebieden vanaf eind februari of begin maart, terwijl terugkeer naar broedgebieden mede door het weer wordt gestuurd; in West-Europa kunnen de eerste vogels al in maart verschijnen, met een grotere terugkeer van volwassen vogels in april.
In het veld is de kluut onmiskenbaar. Het verenkleed is overwegend wit, met een zwart voorhoofd, een zwarte kruin die doorloopt tot onder de ogen, en een zwart achterhoofd en bovenste achterhals. In rust vallen drie duidelijke zwarte zones op het bovendek op, met zwarte delen op mantel en schouderveren, op de kleinere en middelste vleugeldekveren en op de buitenste handpennen. De snavel is zwart en sterk opwaarts gebogen, de poten zijn lang en blauwgrijs. Vrouwtjes hebben gemiddeld een iets kortere en vaak wat sterker gebogen snavel. Seizoensverschillen in het kleed zijn gering; juvenielen lijken al snel sterk op volwassen vogels.
Het leefgebied bestaat vooral uit vlakke, open gebieden met ondiep water, vaak brak of zout. Broedplaatsen liggen typisch bij ondiepe zoute plassen, lagunes, poelen en estuaria met zeer spaarzame vegetatie, waar open bodem en ondiepe randen veel foerageermogelijkheden bieden. Buiten de broedtijd worden vooral slikrijke getijdengebieden benut, en slechts af en toe ook zoetwatermeren of zelfs rivieren. Belangrijk is een combinatie van voedselrijke, ondiepe zones en veilige rustplekken boven de waterlijn.
Het voedsel is hoofdzakelijk dierlijk en bestaat uit een brede reeks watergebonden ongewervelden, met nadruk op aquatische insecten, kreeftachtigen en wormen. Vis en plantaardig materiaal worden slechts zelden gegeten. Foerageren gebeurt vaak door prooien van het oppervlak te pikken, maar ook heel typisch door de snavel tastend in brede zwaaibewegingen door water of modder te “zeisen”, waardoor ook in troebel water prooi kan worden gevonden. Op voedselrijke plekken kan dit groepsgewijs gebeuren, waarbij meerdere vogels tegelijk in dezelfde ondiepe zone foerageren.
Het broedseizoen loopt in Eurazië grofweg van april tot augustus. Er wordt vaak in grote kolonies gebroed, maar broeden in kleine groepjes of zelfs solitair komt ook voor wanneer geschikt habitat beperkt of verspreid is. Het nest is meestal een ondiepe kuil op open grond of tussen korte vegetatie, vaak licht bekleed met gras. Een legsel bestaat doorgaans uit drie tot vier eieren, die ongeveer 23 tot 25 dagen worden bebroed door beide ouders. De kuikens zijn nestvlieders en hebben een zilvergrijze donslaag met bufftinten aan de zijkanten van kop en rug en een patroon van kleine donkere vlekjes, wat helpt bij camouflage op open bodem. De eerste broedpoging vindt vaak pas plaats op een leeftijd van twee tot drie jaar.
Steltkluut







Klik hier Steltkluut details
Stelten leven vooral in open wetlands met ondiep water, zoals lagunes, kwelders, zoutpannen, overstroomde vlaktes, ondiepe meren en plassen, en ook in rijstvelden of andere geïrrigeerde landbouwgebieden wanneer die voedselrijk en open zijn. Zowel zoet- als brak- en zoutwaterhabitats worden benut, waarbij de aanwezigheid van ondiepe randen en zachte bodems belangrijk is voor foerageren. Broedplaatsen liggen vaak op kale of schaars begroeide eilandjes, slikranden of droogvallende platen, waar predatoren vroeg kunnen worden opgemerkt en waar eieren en kuikens goed camoufleren.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit kleine watergebonden ongewervelden, zoals insecten en hun larven, kleine kreeftachtigen, wormen en soms kleine weekdieren. Foerageren gebeurt meestal wadend in ondiep water met een combinatie van pikken en gericht prikken, soms ook met korte “zeisbewegingen” van de snavel of het afzoeken van het wateroppervlak en de modderranden. Buiten de broedtijd kunnen stelten in losse groepen voorkomen, vooral op voedselrijke stopplaatsen tijdens trek, terwijl in de broedtijd territoriaal gedrag en actieve verdediging van nest en jongen vaak sterk naar voren komen.
De voortplanting vindt doorgaans plaats in open terrein vlak bij ondiep water. Nesten zijn vaak eenvoudige kuilen op de grond, soms licht bekleed met plantmateriaal, schelpfragmenten of kleine steentjes. Bij verstoring worden vaak luidruchtige alarmroepen en afleidingsgedrag vertoond, en in geschikte gebieden kan in losse kolonies worden gebroed. Kuikens zijn nestvlieders en kunnen snel na het uitkomen rondlopen en zelf voedsel zoeken, terwijl oudervogels waakzaam blijven en de jongen naar veilige, voedselrijke randen begeleiden. Door de sterke afhankelijkheid van open wetlands zijn soorten binnen dit genus lokaal gevoelig voor waterbeheer, verdroging, verstoring en habitatverlies, maar bij goede omstandigheden kunnen populaties zich ook snel herstellen.
Australische steltkluut








Klik hier Australische steltkluut details
De verspreiding ligt vooral langs en rondom Australië, met aanwezigheid in aangrenzende delen van Australazië en op verschillende eilanden in de regio. Het voorkomen is sterk verbonden aan geschikte ondiepe wetlands, waardoor aantallen en lokale aanwezigheid kunnen variëren met regenval, waterstanden en het tijdelijk ontstaan of verdwijnen van plassen en ondiepe meren.
Het trekgedrag bestaat meestal uit standvogelgedrag of korte, regionale verplaatsingen. In perioden van droogte kunnen groepen uitwijken naar wateren die langer nat blijven, terwijl na regen juist nieuwe gebieden snel bezet kunnen raken. Duidelijke, vaste langeafstandstrek zoals bij veel arctische steltlopers is minder typerend, maar seizoensgebonden verschuivingen tussen binnenland en kustzones komen wel voor wanneer omstandigheden veranderen.
In het veld is de Australische steltkluut een slanke, middelgrote steltloper met extreem lange roze poten en een lange, fijne, zwarte snavel. Het verenkleed is sterk contrastrijk zwart-wit, met een grotendeels wit lichaam en donkere rug en vleugels. Een opvallend kenmerk is de lichte kop, waardoor de soort ook de naam “witkopsteltkluut” krijgt, en in vlucht vallen de zwarte ondervleugels, het witte lichaam en de ver uitstekende poten duidelijk op. Juvenielen lijken op volwassen vogels, maar tonen vaker een warmere, vaalbruine of fawnkleurige waas in de donkere delen van kop en nek, waardoor het contrast iets zachter oogt.
Het leefgebied bestaat uit open, ondiepe wateren zoals lagunes, zout- en brakwaterplassen, overstroomde vlaktes, ondiepe meren, riviermondingen en brede oevers met slik- of zandranden. Zowel kustgebieden als binnenlandse wetlands worden benut, mits er ondiepe zones zijn om te foerageren en kale of schaars begroeide plekken om te rusten. De soort wordt vaak gezien in zeer open terrein met weinig hoge vegetatie, waar goed overzicht bestaat en prooien in ondiep water bereikbaar blijven.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine watergebonden ongewervelden, met nadruk op insecten en larven, kleine kreeftachtigen, wormen en kleine weekdieren, afhankelijk van het type wetland. Foerageren gebeurt meestal wadend in ondiep water, met gericht pikken en prikken, soms afgewisseld met korte tastende bewegingen van de snavel langs de bodem of door het water. Op voedselrijke plekken kan ook in losse groepen worden gegeten, terwijl individuele vogels vaak een vaste strook langs de waterlijn afzoeken.
De voortplanting vindt doorgaans plaats in open, vlakke wetlands met ondiep water in de buurt. Het nest is meestal een eenvoudige kuil op kale grond of op een laag begroeide rand, soms licht bekleed met kleine plantresten of ander beschikbaar materiaal. Broeden gebeurt vaak in losse kolonies wanneer geschikte plaatsen geconcentreerd liggen, maar solitair broeden komt ook voor bij verspreid habitat. Een legsel bestaat vaak uit meerdere eieren en beide ouders nemen doorgaans een rol in broeden en het begeleiden van de kuikens. Kuikens zijn nestvlieders en kunnen kort na het uitkomen rondlopen en zelf voedsel zoeken langs ondiepe randen, terwijl bescherming en waakzaamheid belangrijk blijven in open terrein waar predatie en verstoring een rol kunnen spelen.
Amerikaanse steltkluut

Klik hier Amerikaanse steltkluut details
De soort broedt vooral in zuidwestelijk Canada en in het westen van de Verenigde Staten. Overwintering vindt plaats van het zuiden van de Verenigde Staten tot in Guatemala. Het trekpatroon is sterk gericht op kust- en laaglandgebieden in de winter, waarbij veel vogels naar de kust trekken of naar valleien in Californië. Daarnaast verplaatst een deel zich opvallend ver naar het oosten, met overwintering langs grote delen van de Atlantische kust. In die oostelijke wintergebieden kunnen zelfs groepen niet-broedende vogels gedurende de zomer blijven, waardoor ook buiten het kernbroedgebied langdurige aanwezigheid kan optreden.
In het veld is de Amerikaanse steltkluut een grote, slanke steltloper met een zeer dunne, opwaarts gebogen snavel die aan een wulpachtige steltloper doet denken. Bij vrouwtjes is de snavel gemiddeld nog iets sterker opgewipt. Het contrastrijke zwart-witte patroon maakt de soort goed herkenbaar. In broedkleed valt een warm roze- tot zandkleurig tint op aan kop en hals, terwijl dit in winterkleed plaatsmaakt voor een veel bleker grijs. Foerageren wordt vaak verraden door het typische “zeisen”, waarbij kop en snavel in een brede, ritmische beweging heen en weer door ondiep water gaan.
Het leefgebied bestaat uit zeer open, ondiepe wateren met brede slikranden. Gebruikte biotopen zijn onder meer stranden, vlaktes met ondiep water, ondiepe meren en plassen, prairiepoelen en uitgestrekte modderplaten, zowel langs de kust als ver landinwaarts. Vegetatie is doorgaans schaars, en binnenlandse populaties gebruiken relatief vaak zoute of alkalische meren en plassen, soms duidelijk vaker dan zuiver zoete wateren, zolang er maar ondiepe zones en voedselrijke randen beschikbaar zijn.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine kreeftachtigen en insecten, aangevuld met zaden. Veel prooi bestaat uit talrijke kleine dieren die in of vlak bij ondiep water leven, zoals larven en volwassen waterinsecten en kleine schaaldieren. In westelijke, zoute meren kan het dieet sterk leunen op pekelkreeftjes en zoutvliegen wanneer die massaal aanwezig zijn. Foerageren gebeurt op verschillende manieren: met de snavel tastend door het water “zeisen” met de snavelpunt net onder het oppervlak, prooi van water- of modderoppervlak pikken, de kop dieper onder water steken en soms zelfs vliegende insecten uit de lucht grijpen.
De voortplanting vindt vaak plaats in kolonies, soms gemengd met kolonies van andere steltlopers zoals de zwartneksteltkluut. Broedkolonies kunnen actief en luidruchtig reageren op predatoren. Bij nadering van een predator te voet kan afleidingsgedrag optreden op enige afstand van het nest, met rennen in een lage houding en gespreide vleugels, terwijl bij directe dreiging voor eieren of kuikens juist aanvliegende “aanvallen” met luide roep kunnen voorkomen. Het nest ligt op kale, open grond niet ver van water. Nestvormen variëren van een eenvoudige kuil in de bodem tot een kuil met bekleding van steentjes en ander klein materiaal, en soms zelfs een opgeworpen nestheuvel die aanzienlijk boven het maaiveld kan uitsteken. Het legsel bestaat meestal uit vier eieren, met variatie van drie tot vijf. De eieren zijn olijf-buff met donkere vlekken. Beide ouders broeden, met een broedduur van ongeveer 23 tot 25 dagen. De kuikens zijn nestvlieders en verlaten het nest kort na uitkomen; voedsel wordt al snel zelfstandig gevonden, terwijl beide ouders de jongen begeleiden en bewaken. Vliegvlug worden gebeurt meestal rond vier tot vijf weken.