Moerasbuizerd
Leden van het geslacht Busarellus zijn middelgrote roofvogels met lange, brede vleugels en een korte, brede staart. De matig gehaakte snavel is vrij lang, net als de poten. De onderzijde van de voeten is bedekt met stekelige spiculae (kleine stekeltjes), die helpen bij het vastgrijpen van vis.
Dit is een gespecialiseerde vertegenwoordiger van de groep neotropische, buizerdachtige soorten waartoe ook Heterospizias, Buteogallus en Parabuteo behoren. Busarellus omvat slechts één soort, de moerasbuizerd (Busarellus nigricollis).
Dit is een gespecialiseerde vertegenwoordiger van de groep neotropische, buizerdachtige soorten waartoe ook Heterospizias, Buteogallus en Parabuteo behoren. Busarellus omvat slechts één soort, de moerasbuizerd (Busarellus nigricollis).
Moerasbuizerd
[LAT] *Busarellus nigricollis* |
[UK] Black-collared Hawk |
[FR] Buse à collier noir |
[DE] Schwarzhalsbussard |
[ES] Aguilucho de collar negro |
[NL] Moerasbuizerd



Klik voor Moerasbuizerd details
De moerasbuizerd (Black-collared Hawk) is een visetende roofvogel van Midden- en Zuid-Amerika, van centraal Mexico tot noordelijk Argentinië en Uruguay, vooral ten oosten van de Andes. Hij is meestal standvogel, maar kan rondzwerven wanneer waterstanden sterk veranderen.
Kenmerken: opvallend lichtgekleurde kop (wit met een buffige tint) met donkere schachtstrepen op de kruin. Lichaam en mantel zijn helder kaneel- tot roestbruin, vaak met een zwarte halve maan op de bovenborst. Vlucht- en staartpennen zijn zwart, met aan de staartbasis roestbruine bandering. Ogen roodbruin, snavel en washuid zwart, poten bleek blauw-wit. Jonge vogels zijn donkerder gevlekt en hebben meer roestbruine bandering in de staart.
Biotoop: altijd in de buurt van water, in (semi-)open landschap bij regenwoudranden, overstroomd bos, moerassen, rijstvelden en andere natte, ondergelopen gebieden; meestal tot circa 800 m hoogte. Zit vaak opvallend op bomen, struiken of palen langs water om naar prooi te speuren.
Voedsel: vooral vis. Daarnaast waterinsecten en soms kleine reptielen, slakken of knaagdieren. De poten hebben ruwe stekeltjes om gladde vis beter te grijpen; soms pakt hij een vis met een snelle duik zonder echt nat te worden, maar hij kan ook onhandig in ondiep water plonzen en daarna drogend op een zitplek blijven zitten.
Broeden: bouwt een middelgroot takkennest hoog in een boom, vaak dicht bij water (soms ook in schaduwbomen in plantages). Nest kan met verse groene bladeren worden bekleed. Legsel 3–5 dof-witte eieren met licht geel- of roodbruine vlekjes. Status: niet bedreigd (LC).
Kenmerken: opvallend lichtgekleurde kop (wit met een buffige tint) met donkere schachtstrepen op de kruin. Lichaam en mantel zijn helder kaneel- tot roestbruin, vaak met een zwarte halve maan op de bovenborst. Vlucht- en staartpennen zijn zwart, met aan de staartbasis roestbruine bandering. Ogen roodbruin, snavel en washuid zwart, poten bleek blauw-wit. Jonge vogels zijn donkerder gevlekt en hebben meer roestbruine bandering in de staart.
Biotoop: altijd in de buurt van water, in (semi-)open landschap bij regenwoudranden, overstroomd bos, moerassen, rijstvelden en andere natte, ondergelopen gebieden; meestal tot circa 800 m hoogte. Zit vaak opvallend op bomen, struiken of palen langs water om naar prooi te speuren.
Voedsel: vooral vis. Daarnaast waterinsecten en soms kleine reptielen, slakken of knaagdieren. De poten hebben ruwe stekeltjes om gladde vis beter te grijpen; soms pakt hij een vis met een snelle duik zonder echt nat te worden, maar hij kan ook onhandig in ondiep water plonzen en daarna drogend op een zitplek blijven zitten.
Broeden: bouwt een middelgroot takkennest hoog in een boom, vaak dicht bij water (soms ook in schaduwbomen in plantages). Nest kan met verse groene bladeren worden bekleed. Legsel 3–5 dof-witte eieren met licht geel- of roodbruine vlekjes. Status: niet bedreigd (LC).