Roodwangkruiplijster
De Timaliidae vormen een familie van zangvogels die vooral bekend staat als de babbelaars of timalia’s dan wel kruipsluipere. Het zijn meestal kleine tot middelgrote vogels met een zachte, vaak wat losse bevedering. Ze leven vooral in struikgewas, bosranden, bamboe en dichte ondergroei in Azië, met de grootste soortenrijkdom in Zuidoost-Azië en het Indisch subcontinent. Veel soorten zijn sociaal, bewegen in groepjes door de vegetatie en zoeken naar insecten, kleine ongewervelden en soms vruchten.
De familie is taxonomisch sterk veranderd: veel soorten die vroeger onder Timaliidae vielen, zijn inmiddels verplaatst naar verwante families zoals Pellorneidae en Leiothrichidae. Daardoor is Timaliidae tegenwoordig een beperktere groep dan in oudere vogelboeken.
Gouden boomtimalia
Genus Cyanoderma
Soorten van Cyanoderma komen vooral voor in Zuid- en Zuidoost-Azië en leven in bossen, bosranden, struikrijke hellingen, bamboevegetaties en andere dichte, beschutte habitats. Het zijn meestal vrij kleine, beweeglijke vogels die zich onopvallend door lage tot middelhoge vegetatie verplaatsen. Vaak worden ze eerder gehoord dan gezien.
In uiterlijk zijn soorten van Cyanoderma doorgaans warm bruin, olijfkleurig of geelachtig, vaak met subtiele koptekening, een lichtere keel of een contrasterende borst- of gezichtstekening. Binnen het genus komen duidelijke verschillen voor, maar de soorten delen over het algemeen een fijne bouw en een leven in dichte begroeiing dicht bij de bosstructuur.
Het genus Cyanoderma vormt daarmee een goed herkenbare groep van bosgebonden Aziatische babbelaars die vooral opvallen door hun verborgen leefwijze, zachte kleuren en de moderne taxonomische afsplitsing van verwante groepen binnen de Timaliidae.
Sitabani National park, Ramnagar



Details Gouden boomtimalia

De soort komt voor langs de oostelijke Himalaya en in delen van Zuidoost-Azië, waaronder Noordoost-India, Nepal, Bhutan, Bangladesh, Myanmar, Zuid-China, Thailand, Laos en Vietnam. In India wordt de gouden boomtimalia vooral aangetroffen in bosrijke heuvel- en berggebieden van het noordoosten. De soort is overwegend standvogel. Verplaatsingen zijn meestal lokaal en hangen samen met hoogte, seizoen, voedselbeschikbaarheid en weersomstandigheden.
Een gouden boomtimalia is een kleine tot middelgrote, warm gekleurde timalia met een opvallend goudgele tot oranjebruine kop en onderdelen, olijfbruine tot grijsgroene bovendelen en een fijne, donkere snavel. De kop kan helder goudkleurig lijken, vooral in goed licht, terwijl de rug en vleugels minder opvallend zijn en goed opgaan in dichte vegetatie. De soort beweegt actief en vaak laag door struiken, bamboe, klimplanten en dichte ondergroei. Door het verborgen gedrag wordt de vogel vaker gehoord dan gezien. De roep bestaat uit korte, heldere contactgeluiden en zachte zangachtige tonen, vaak afkomstig uit dichte begroeiing.
Voorkomen is vooral verbonden met vochtige bossen, heuvelbossen, bergbossen, bamboe, secundair bos, bosranden, ravijnen, struikrijke hellingen en dichte ondergroei langs paden en beekjes. De soort houdt zich meestal op in de lagere en middelste vegetatielagen, waar veel bladstrooisel, twijgen, klimplanten en struiken aanwezig zijn. Open terrein wordt doorgaans gemeden, behalve wanneer er voldoende dekking aanwezig is langs bosranden of in dicht struikgewas.
Het menu bestaat vooral uit kleine insecten en andere ongewervelden, zoals kevertjes, rupsen, mieren, spinnen, kleine sprinkhanen en larven. Daarnaast kunnen soms kleine bessen of zacht plantaardig materiaal worden gegeten. De gouden boomtimalia foerageert meestal in paren of kleine groepjes, vaak laag in struiken of tussen bamboe en dichte ondergroei. Voedsel wordt gezocht door bladeren af te speuren, tussen twijgen te pikken en soms in bladstrooisel of mos te peuteren. De soort kan ook aansluiten bij gemengde foerageergroepen van kleine bosvogels.
Paarsvorming is vermoedelijk monogaam en territoriaal tijdens de broedtijd. De broedtijd varieert per regio en hoogte, maar valt in de Himalaya en Noordoost-India vaak in het voorjaar en de vroege zomer, grofweg van april tot juli. Het nest is een klein komvormig bouwsel van gras, bladeren, mos, vezels en fijn plantaardig materiaal, meestal laag geplaatst in dichte struiken, bamboe of klimplanten. Gewoonlijk worden 2–4 eieren gelegd. Beide oudervogels kunnen betrokken zijn bij het voeren van de jongen. Belangrijke lokale bedreigingen zijn het verwijderen van ondergroei, kap van bamboe en struikrijke bosranden, intensieve verstoring langs bospaden en versnippering van vochtige heuvel- en bergbossen.
Genus Erythrogynus
Soorten van Erythrogenys leven meestal in dichte ondergroei, struiklagen, bamboe en laag bos, waar zij zich vooral op of vlak boven de bodem ophouden. Het zijn eerder verborgen dan opvallende vogels, die zich vaak schuilhouden in dicht gebladerte en daardoor vaker worden opgemerkt door beweging of geluid dan door een langdurig zichtbare aanwezigheid.
In uiterlijk hebben soorten van Erythrogenys doorgaans een vrij stevige bouw, een relatief forse snavel en warme tinten zoals roestbruin, kastanjebruin, olijfbruin of grijzig bruin. Bij verschillende soorten spelen ook opvallende tekening rond keel, wenkbrauw of oorstreek een rol. De groep sluit daarmee goed aan bij het algemene beeld van grond- en struikbewonende babbelaars van dichte bosvegetatie.
Het voedsel bestaat vooral uit insecten en andere kleine ongewervelden, aangevuld met klein plantaardig materiaal. Soorten van Erythrogenys zoeken hun voedsel meestal scharrelend en speurend tussen bladeren, takken en bodembedekking. Het genus vormt daarmee een herkenbare groep van verborgen levende, warm gekleurde Aziatische babbelaars die sterk verbonden zijn met dichte, beschutte boshabitats.
Roodwangkruiplijster
C = Sitabani National Park, Ramnagar




Details Roodwangkruiplijster
De soort komt voor in de Himalaya, van Noord-Pakistan en Noord-India via Nepal tot Bhutan. In India wordt de roodwangkruiplijster vooral aangetroffen in de noordelijke berg- en heuvelgebieden, onder meer in de Himalayavoet en aangrenzende bosrijke hellingen. De soort is overwegend standvogel. Verplaatsingen zijn meestal lokaal en kunnen samenhangen met hoogte, seizoen, voedselbeschikbaarheid en weersomstandigheden.
Een roodwangkruiplijster is een middelgrote, stevig gebouwde timalia met een lange, duidelijk omlaag gebogen snavel, olijfbruine bovendelen, een lichte buik en opvallend roodbruine tot roestkleurige wangen, kopzijden, flanken en dijen. De lange kromme snavel geeft de vogel een kenmerkend “kruipend” en speurend uiterlijk wanneer voedsel tussen bladeren, twijgen en strooisel wordt gezocht. Beide geslachten lijken sterk op elkaar. De soort beweegt meestal laag en verborgen door dichte vegetatie, vaak lopend, springend en sluipend tussen struiken en ondergroei. De roep is luid, fluitend en vaak duetachtig tussen partners, waardoor de vogel geregeld eerder wordt gehoord dan gezien.
Voorkomen is vooral verbonden met vochtige loofbossen, subtropisch en gematigd heuvelbos, bosranden, ravijnen, dicht struikgewas, bamboe, secundair bos en hellingen met veel ondergroei. De soort houdt zich meestal op in de lage en middelste vegetatielagen, vaak dicht bij de grond. Open terrein wordt doorgaans gemeden, behalve wanneer struiken, bosranden of dichte ruigte voldoende dekking bieden. In geschikt terrein kan de roodwangkruiplijster in paren of kleine groepjes aanwezig zijn, maar door het verborgen gedrag blijft de soort gemakkelijk onopgemerkt.
Het menu bestaat vooral uit insecten en andere ongewervelden, zoals kevers, rupsen, larven, mieren, termieten, spinnen en kleine slakken, aangevuld met zaden en ander plantaardig materiaal. De soort foerageert meestal laag bij de grond, tussen bladstrooisel, mos, wortels, dichte twijgen en ondergroei. Met de lange gebogen snavel wordt voedsel uit spleten, opgerolde bladeren, losse bodem en dichte vegetatie gehaald. Soms sluiten vogels zich losjes aan bij gemengde foerageergroepen, maar vaak wordt in paren of kleine familiegroepjes gezocht.
Paarsvorming is vermoedelijk monogaam en territoriaal tijdens de broedtijd. De broedtijd valt in de Himalaya vaak in het voorjaar en de vroege zomer, grofweg van april tot juli, met regionale verschillen afhankelijk van hoogte en klimaat. Het nest is een komvormig bouwsel van bladeren, gras, worteltjes, mos en ander plantaardig materiaal, meestal laag geplaatst in dichte struiken, bamboe, klimplanten of ondergroei. Gewoonlijk worden 2–4 eieren gelegd. Beide oudervogels kunnen betrokken zijn bij het voeren van de jongen. Belangrijke lokale bedreigingen zijn het verwijderen van ondergroei, intensieve boskap, branden, verstoring langs bosranden en versnippering van vochtige heuvelbossen.