Witwangfluiteend
[LAT] Dendrocygna viduata |
[UK] White-faced Whistling Duck |
[FR] Dendrocygne veuf |
[DE] Witwenpfeifgans |
[ES] Suirirí cariblanco |
[NL] Witwangfluiteend


De witwangfluiteend (Dendrocygna viduata), ook wel White-faced Tree-Duck genoemd, is een fluiteend met lange poten en een lange hals. De soort is niet echt een trekvogel: hij is meestal standvogel en verplaatst zich vooral lokaal, afhankelijk van regen, waterstanden en voedselaanbod. Hij komt van nature voor in grote delen van Afrika ten zuiden van de Sahara en in een groot deel van (tropisch en subtropisch) Zuid-Amerika; waarnemingen in Europa zijn meestal dwaalgasten of ontsnapte vogels.
Kenmerkend is het sterke contrast in de koptekening: een witte “masker”-achtige gezichtstekening met keel en voorhoofd licht, tegen een donkere kop en nek. De borst heeft vaak een warm kastanjebruin waas, de buik en staart zijn donker en de flanken zijn fijn zwart-wit gegolfd. De snavel is zwart met vaak een lichtere band bij de punt.
Witwangfluiteenden leven op zoetwatermeren, rivieren, moerassen en overstroomde velden, maar ze worden ook gezien in brakke moerassen en rivierdelta’s, meestal op plekken met ondiepe oevers of veel opkomende waterplanten. Ze eten vooral plantaardig materiaal zoals zaden en groen, aangevuld met ongewervelden. Het broedseizoen volgt vaak het regenseizoen en verschilt per regio. Het nest kan op de grond in hoog gras liggen, maar soms ook op lage takken of in boomholtes. Een legsel bestaat meestal uit 6–12 eieren; beide ouders broeden (ongeveer 26–30 dagen) en verzorgen de jongen. Status: Niet bedreigd (LC).
Kenmerkend is het sterke contrast in de koptekening: een witte “masker”-achtige gezichtstekening met keel en voorhoofd licht, tegen een donkere kop en nek. De borst heeft vaak een warm kastanjebruin waas, de buik en staart zijn donker en de flanken zijn fijn zwart-wit gegolfd. De snavel is zwart met vaak een lichtere band bij de punt.
Witwangfluiteenden leven op zoetwatermeren, rivieren, moerassen en overstroomde velden, maar ze worden ook gezien in brakke moerassen en rivierdelta’s, meestal op plekken met ondiepe oevers of veel opkomende waterplanten. Ze eten vooral plantaardig materiaal zoals zaden en groen, aangevuld met ongewervelden. Het broedseizoen volgt vaak het regenseizoen en verschilt per regio. Het nest kan op de grond in hoog gras liggen, maar soms ook op lage takken of in boomholtes. Een legsel bestaat meestal uit 6–12 eieren; beide ouders broeden (ongeveer 26–30 dagen) en verzorgen de jongen. Status: Niet bedreigd (LC).
Carolina-eend
[LAT] Aix sponsa |
[UK] Wood Duck |
[FR] Canard branchu |
[DE] Brautente |
[ES] Pato joyuyo |
[NL] Carolina-eend


De carolina-eend (Aix sponsa) is een kleurrijke boomeend uit Noord-Amerika. Het is een (gedeeltelijke) trekvogel: vogels uit Canada trekken in het najaar naar het zuidoosten van de Verenigde Staten, terwijl zuidelijkere populaties vaak minder trekken of zelfs jaarrond blijven. In Europa gaat het bij waarnemingen vrijwel altijd om ontsnapte of verwilderde vogels.
De soort leeft in rustige, beschutte moerasbossen, beverplassen en waterrijke bosgebieden. Bijzonder is dat carolina-eenden in boomholtes broeden, meestal 1 tot 15 meter hoog, vaak dicht bij water. Het vrouwtje legt meestal 8 tot 15 roomwitte eieren en broedt ongeveer 28 tot 30 dagen. Na het uitkomen klimmen de kuikens naar de opening en springen ze naar buiten, waarna het vrouwtje ze naar het water leidt.
Het voedsel bestaat vooral uit plantaardig materiaal zoals zaden, waterplanten, eikels en grasachtigen; jonge kuikens eten in het begin ook veel insecten en andere kleine ongewervelden voor snelle groei. Status: Niet bedreigd (LC).
Mandarijneend
[LAT] Aix galericulata |
[UK] Mandarin Duck |
[FR] Canard mandarin |
[DE] Mandarinente |
[ES] Pato mandarín |
[NL] Mandarijneend


De mandarijneend (Aix galericulata) is een opvallende boomeend uit Oost-Azië. Wilde vogels zijn vooral trekvogels en overwinteren op lagere breedten in oostelijk China. In Japan en in verwilderde populaties in Europa is de soort vaak grotendeels standvogel; in Europa zijn de meeste broedgevallen het gevolg van ontsnappingen en uitzettingen.
Het mannetje is in prachtkleed zeer herkenbaar met opstaande “zeilen” op de rug, een oranje-crèmekleurige kuif en een brede witte wenkbrauwstreep. Het vrouwtje is veel grijzer en subtieler, met een witte boogstreep achter het oog en lichte vlekjes op de flanken. In vlucht laten beide seksen een blauwgroen glanzend vleugelveld zien.
Mandarijneenden leven bij stilstaand of langzaam stromend zoet water in loofbosgebieden, met veel bomen en struiken langs de oever voor dekking. Ze broeden in boomholtes, soms hoog boven de grond. Het vrouwtje legt meestal 9–12 eieren en broedt die 28–30 dagen uit. Na het uitkomen springen de kuikens uit de nestholte naar beneden en volgen de moeder naar het water. Het voedsel is gemengd: vooral zaden en noten (eikels zijn belangrijk), aangevuld met onder andere insecten en slakken. Status: Niet bedreigd (LC).
Het mannetje is in prachtkleed zeer herkenbaar met opstaande “zeilen” op de rug, een oranje-crèmekleurige kuif en een brede witte wenkbrauwstreep. Het vrouwtje is veel grijzer en subtieler, met een witte boogstreep achter het oog en lichte vlekjes op de flanken. In vlucht laten beide seksen een blauwgroen glanzend vleugelveld zien.
Mandarijneenden leven bij stilstaand of langzaam stromend zoet water in loofbosgebieden, met veel bomen en struiken langs de oever voor dekking. Ze broeden in boomholtes, soms hoog boven de grond. Het vrouwtje legt meestal 9–12 eieren en broedt die 28–30 dagen uit. Na het uitkomen springen de kuikens uit de nestholte naar beneden en volgen de moeder naar het water. Het voedsel is gemengd: vooral zaden en noten (eikels zijn belangrijk), aangevuld met onder andere insecten en slakken. Status: Niet bedreigd (LC).
Wilde eend
[latin]
Anas platyrhynchos |
[authority] Linnaeus, 1758 |
[UK] Mallard |
[FR] Canard colvert |
[DE] Stockente |
[ES] Anade Real |
[NL] Wilde Eend







De wilde eend (Anas platyrhynchos) is de bekendste en meest algemene eend van het noordelijk halfrond. Het is een gedeeltelijke trekvogel: vogels uit de noordelijkste broedgebieden trekken ’s winters verder naar het zuiden, terwijl populaties in gematigde streken (zoals het grootste deel van Europa) vaak grotendeels standvogel zijn. Buiten het natuurlijke verspreidingsgebied zijn waarnemingen soms het gevolg van ontsnapte of uitgezette vogels.
Het mannetje is in broedkleed onmiskenbaar met een glanzend groen hoofd, een smalle witte halsring, kastanjebruine borst en grijs lichaam; de vleugel heeft een paarsblauw spiegelveld. Het vrouwtje is bruin gemarmerd en heeft dezelfde wit omrande vleugelspiegel. Wilde eenden leven in een breed scala aan waterrijke gebieden: plassen, meren, rivieren, moerassen en ook stadsvijvers. Ze foerageren vooral “oppervlakkig” door te dabbelen of te kantelen, en eten zaden, wortelknollen en waterplanten, maar ook graag graan zoals tarwe en gerst.
Ze broeden meestal op de grond, vaak goed verborgen in hoog gras of struiken, soms op afstand van water. Het legsel bestaat doorgaans uit 8–12 eieren (soms meer) en het vrouwtje broedt ongeveer 28 dagen. Na uitkomst leidt ze de kuikens naar het water; als een nest verloren gaat kan ze opnieuw beginnen, maar doorgaans wordt maar één brood per jaar grootgebracht. Status: Niet bedreigd (LC).
Het mannetje is in broedkleed onmiskenbaar met een glanzend groen hoofd, een smalle witte halsring, kastanjebruine borst en grijs lichaam; de vleugel heeft een paarsblauw spiegelveld. Het vrouwtje is bruin gemarmerd en heeft dezelfde wit omrande vleugelspiegel. Wilde eenden leven in een breed scala aan waterrijke gebieden: plassen, meren, rivieren, moerassen en ook stadsvijvers. Ze foerageren vooral “oppervlakkig” door te dabbelen of te kantelen, en eten zaden, wortelknollen en waterplanten, maar ook graag graan zoals tarwe en gerst.
Ze broeden meestal op de grond, vaak goed verborgen in hoog gras of struiken, soms op afstand van water. Het legsel bestaat doorgaans uit 8–12 eieren (soms meer) en het vrouwtje broedt ongeveer 28 dagen. Na uitkomst leidt ze de kuikens naar het water; als een nest verloren gaat kan ze opnieuw beginnen, maar doorgaans wordt maar één brood per jaar grootgebracht. Status: Niet bedreigd (LC).
Slobeend
[latin] Anas clypeata | [authority] Linnaeus, 1758 | [UK] Northern Shoveler | [FR] Canard souchet | [DE] Loffelente | [ES] Pato Cuchara | [NL] Slobeend






De slobeend (Anas clypeata) is een opvallende eend met een zeer brede, lepelvormige snavel. Het is vooral een trekvogel: broedvogels uit noordelijke gebieden trekken in het najaar naar West- en Zuid-Europa, het Middellandse Zeegebied en deels tot West- en Oost-Afrika. De najaarstrek begint relatief vroeg (vaak al september–oktober) en in het voorjaar keren ze vooral in maart–april terug.
Slobeenden leven vooral op ondiepe, voedselrijke plassen, moerassen en andere wetlands met modderige oevers. In trek- en wintertijd gebruiken ze vrijwel elk watertype zolang er genoeg slib en ondiep water is; ze foerageren zelfs in wateren die andere eenden vaak mijden. Het mannetje heeft in broedkleed een groen glanzende kop, witte borst en kastanjebruine flanken; het vrouwtje is bruin gemarmerd. In vlucht vallen de lichte vleugelpartijen met een gekleurd voorvleugelveld op.
De brede snavel werkt als een zeef: slobeenden “maaien” met de snavel door het water en filteren kleine waterdiertjes uit slib en oppervlakkig water, zoals kleine kreeftachtigen en insectenlarven. Daarnaast eten ze ook zaden en waterplanten, vooral in de winter. Ze broeden op de grond in gras of lage vegetatie, meestal dicht bij ondiep water. Het vrouwtje legt doorgaans 9–12 eieren en broedt 23–28 dagen; de kuikens kunnen direct zwemmen en zelf voedsel zoeken, maar blijven bij het vrouwtje tot ze na ongeveer 52–66 dagen kunnen vliegen. Status: Niet bedreigd (LC).
Slobeenden leven vooral op ondiepe, voedselrijke plassen, moerassen en andere wetlands met modderige oevers. In trek- en wintertijd gebruiken ze vrijwel elk watertype zolang er genoeg slib en ondiep water is; ze foerageren zelfs in wateren die andere eenden vaak mijden. Het mannetje heeft in broedkleed een groen glanzende kop, witte borst en kastanjebruine flanken; het vrouwtje is bruin gemarmerd. In vlucht vallen de lichte vleugelpartijen met een gekleurd voorvleugelveld op.
De brede snavel werkt als een zeef: slobeenden “maaien” met de snavel door het water en filteren kleine waterdiertjes uit slib en oppervlakkig water, zoals kleine kreeftachtigen en insectenlarven. Daarnaast eten ze ook zaden en waterplanten, vooral in de winter. Ze broeden op de grond in gras of lage vegetatie, meestal dicht bij ondiep water. Het vrouwtje legt doorgaans 9–12 eieren en broedt 23–28 dagen; de kuikens kunnen direct zwemmen en zelf voedsel zoeken, maar blijven bij het vrouwtje tot ze na ongeveer 52–66 dagen kunnen vliegen. Status: Niet bedreigd (LC).
Krakeend
[latin] Anas strepera | [authority] Linnaeus, 1758 | [UK] Gadwall | [FR] Canard chipeau | [DE] Schnatterente | [ES] Anade Friso | [NL] Krakeend







Krakeend (Anas strepera)
Leefgebied: Zoetwatergebieden met veel oevervegetatie zoals meren, moerassen, sloten en rustige plassen. In Nederland een algemene broedvogel.
Broedgedrag: Broedt op de grond in dichte vegetatie, vaak vlakbij het water. Het nest bestaat uit een met dons beklede kuil. Het vrouwtje zorgt alleen voor de jongen.
Migratie: Standvogel in delen van West-Europa, maar ook deels trekvogel. Noordelijke populaties trekken ‘s winters zuidelijker, o.a. naar Zuidwest-Europa en Noord-Afrika.
Herkenning: Het mannetje is overwegend grijsbruin met zwarte stuit en witte spiegel; het vrouwtje lijkt op een wilde eend, maar is grijzer met een subtielere tekening.
Zomertaling
[latin] Anas querquedula | [authority] Linnaeus, 1758 | [UK] Garganey | [FR] Sarcelle de ete | [DE] Knakente | [ES] Cerceta Carretona | [NL] Zomertaling






De zomertaling (Spatula querquedula) is een kleine, slank gebouwde dabbelende eend die in grote delen van Eurazië broedt en vrijwel volledig wegtrekt. Hij overwintert vooral in Afrika ten zuiden van de Sahara, en daarnaast ook in Zuid-Azië en Zuidoost-Azië. In het voorjaar verschijnt hij relatief vroeg op de broedplaatsen; in het najaar vertrekt hij eveneens vroeg vergeleken met veel andere eenden.
Het mannetje is in broedkleed herkenbaar aan de opvallende witte wenkbrauwstreep, een bruin gemarmerde kop en borst, grijzig flanken en een licht buikdeel. In vlucht valt de bleke voorvleugel op. Het vrouwtje lijkt op een wintertaling, maar is doorgaans wat bleker en contrastrijker getekend in de kop, met een lichte vlek bij de basis van de snavel en een duidelijke donkere kruin- en oogstreep.
Zomertalingen leven graag in beschutte, ondiepe zoetwaterplassen, sloten en moerassen met veel drijf- en oevervegetatie. Ze eten een mix van dierlijk en plantaardig voedsel, zoals kleine waterdiertjes, insecten en zaden, verzameld al zwemmend met de kop onder water of door kort te “kanten”. Het nest ligt op de grond in dichte vegetatie, meestal dicht bij water. Het legsel bestaat meestal uit 8–9 eieren; het vrouwtje broedt 21–23 dagen en de jongen kunnen na ongeveer 35–40 dagen vliegen. Status: Niet bedreigd (LC).
Het mannetje is in broedkleed herkenbaar aan de opvallende witte wenkbrauwstreep, een bruin gemarmerde kop en borst, grijzig flanken en een licht buikdeel. In vlucht valt de bleke voorvleugel op. Het vrouwtje lijkt op een wintertaling, maar is doorgaans wat bleker en contrastrijker getekend in de kop, met een lichte vlek bij de basis van de snavel en een duidelijke donkere kruin- en oogstreep.
Zomertalingen leven graag in beschutte, ondiepe zoetwaterplassen, sloten en moerassen met veel drijf- en oevervegetatie. Ze eten een mix van dierlijk en plantaardig voedsel, zoals kleine waterdiertjes, insecten en zaden, verzameld al zwemmend met de kop onder water of door kort te “kanten”. Het nest ligt op de grond in dichte vegetatie, meestal dicht bij water. Het legsel bestaat meestal uit 8–9 eieren; het vrouwtje broedt 21–23 dagen en de jongen kunnen na ongeveer 35–40 dagen vliegen. Status: Niet bedreigd (LC).
Wintertaling
[latin] Anas crecca | [authority] Linnaeus, 1758 | [UK] Eurasian Teal | [FR] Sarcelle de hiver | [DE] Krickente | [ES] Cerceta comun | [NL] Wintertaling








De wintertaling (Anas crecca) is een kleine, beweeglijke dabbelende eend die in grote delen van Eurazië broedt. Het is een gedeeltelijke trekvogel: vogels uit het noorden trekken ’s winters naar lagere breedten, terwijl talingen uit gematigde gebieden vaak (deels) blijven. In Europa overwinteren grote aantallen langs Atlantische kusten en rond Middellandse Zee en Zwarte Zee.
Het mannetje is in broedkleed herkenbaar aan de kastanjebruine kop met een brede, donkergroene oogvlek die tot in de nek doorloopt. Het vrouwtje is bruin gemarmerd met een donkere oogstreep. In vlucht vallen de witte buik en het groene spiegelveld met lichte randen vaak het meest op.
Wintertalingen houden van ondiepe wetlands met veel drijf- en oevervegetatie: plassen, moerassen, slenken en ook tijdelijk overstroomde gebieden. Tijdens trek gebruiken ze vaak ondiepe binnenwateren en modderige oevers, en ze foerageren relatief vaak op slikken. Het voedsel is gevarieerd: in herfst en winter vooral zaden van grassen en zeggen en andere waterplanten, en in het broedseizoen meer dierlijk, zoals waterinsecten, larven, weekdieren en kleine kreeftachtigen. Ze eten door te dabbelen, te kantelen of al “zevend” langs de waterlijn te foerageren.
Het nest ligt goed verborgen op de grond in dicht gras, zeggen of struikjes. Het legsel bestaat meestal uit 10–12 eieren. Het vrouwtje broedt ongeveer drie weken en leidt de kuikens kort na uitkomst naar het water. Status: Niet bedreigd (LC).
Het mannetje is in broedkleed herkenbaar aan de kastanjebruine kop met een brede, donkergroene oogvlek die tot in de nek doorloopt. Het vrouwtje is bruin gemarmerd met een donkere oogstreep. In vlucht vallen de witte buik en het groene spiegelveld met lichte randen vaak het meest op.
Wintertalingen houden van ondiepe wetlands met veel drijf- en oevervegetatie: plassen, moerassen, slenken en ook tijdelijk overstroomde gebieden. Tijdens trek gebruiken ze vaak ondiepe binnenwateren en modderige oevers, en ze foerageren relatief vaak op slikken. Het voedsel is gevarieerd: in herfst en winter vooral zaden van grassen en zeggen en andere waterplanten, en in het broedseizoen meer dierlijk, zoals waterinsecten, larven, weekdieren en kleine kreeftachtigen. Ze eten door te dabbelen, te kantelen of al “zevend” langs de waterlijn te foerageren.
Het nest ligt goed verborgen op de grond in dicht gras, zeggen of struikjes. Het legsel bestaat meestal uit 10–12 eieren. Het vrouwtje broedt ongeveer drie weken en leidt de kuikens kort na uitkomst naar het water. Status: Niet bedreigd (LC).
Amerikaanse Wintertaling
[LAT] Anas carolinensis |
[UK] Green-winged Teal |
[FR] Sarcelle à ailes vertes |
[DE] Grünflügelente |
[ES] Cerceta aliverde americana |
[NL] Amerikaanse wintertaling






De Amerikaanse wintertaling (Anas crecca carolinensis), ook wel green-winged teal genoemd, is een kleine dabbelende eend van Noord-Amerika. Het is een gedeeltelijke trekvogel: vogels uit de noordelijke broedgebieden trekken ’s winters zuidwaarts, terwijl populaties uit gematigde streken vaak (deels) blijven. In de winter wordt hij vooral gevonden op ondiepe moerassen, slenken, rivierarmen en estuaria, maar ook in landbouwgebieden.
Het mannetje is herkenbaar aan het donkergrijze lichaam, de kastanjebruine kop en de grote donkergroene oogvlek tot in de nek; het vrouwtje is bruin gemarmerd met een donkere oogstreep. In vlucht vallen de witte buik en het groene spiegelveld met lichte randen vaak het meest op. De soort foerageert opportunistisch: in herfst en winter vooral zaden van grassen, zeggen en andere oever- en waterplanten (soms ook gewassen), en in de broedtijd meer dierlijk voedsel zoals waterinsecten, larven, weekdieren en kleine kreeftachtigen. Hij eet door te dabbelen, te kantelen en opvallend vaak langs modderige slikranden te scharrelen.
Broeden gebeurt goed verborgen op de grond in dichte vegetatie. Het vrouwtje maakt een nestkuiltje met plantenmateriaal en dons en legt meestal 10–12 eieren. Zij broedt ongeveer drie weken; kort na uitkomst gaan de kuikens naar het water en zoeken ze vrijwel meteen zelf voedsel, terwijl het vrouwtje ze beschermt en warm houdt. Status: Niet bedreigd (LC).
Het mannetje is herkenbaar aan het donkergrijze lichaam, de kastanjebruine kop en de grote donkergroene oogvlek tot in de nek; het vrouwtje is bruin gemarmerd met een donkere oogstreep. In vlucht vallen de witte buik en het groene spiegelveld met lichte randen vaak het meest op. De soort foerageert opportunistisch: in herfst en winter vooral zaden van grassen, zeggen en andere oever- en waterplanten (soms ook gewassen), en in de broedtijd meer dierlijk voedsel zoals waterinsecten, larven, weekdieren en kleine kreeftachtigen. Hij eet door te dabbelen, te kantelen en opvallend vaak langs modderige slikranden te scharrelen.
Broeden gebeurt goed verborgen op de grond in dichte vegetatie. Het vrouwtje maakt een nestkuiltje met plantenmateriaal en dons en legt meestal 10–12 eieren. Zij broedt ongeveer drie weken; kort na uitkomst gaan de kuikens naar het water en zoeken ze vrijwel meteen zelf voedsel, terwijl het vrouwtje ze beschermt en warm houdt. Status: Niet bedreigd (LC).
Smient
[latin] Mareca penelope | [authority] Linnaeus, 1758 | [UK] Eurasian Wigeon| [FR] Canard siffleur | [DE] Pfeifente | [ES] Anade Silbon | [NL] Smient







De smient (Anas penelope) is een algemene wintergast en doortrekker in Noordwest-Europa. Het is een sterke trekker: veel broedvogels uit Scandinavië en Rusland overwinteren rond de Noordzee (waaronder Nederland), terwijl andere populaties ook naar de Middellandse Zee en de Zwarte Zee trekken. In zachte winters blijven ze vaak noordelijk, maar bij strenge kou schuiven grote aantallen zuidwaarts tot in Frankrijk en Spanje.
Smienten gebruiken in de broedtijd vooral ondiepe, open zoetwaterplassen en meren in boreale en subarctische zones, met voldoende onderwater- en drijfbladvegetatie maar zonder dichte rietkragen. In de winter zitten ze vooral in laaglandgebieden met een maritiem klimaat: kustwateren, beschutte baaien, slikken en schorren, maar ook brakke lagunes en ondergelopen graslanden.
Het mannetje heeft in broedkleed een roestbruine kop met een opvallend lichtgeel voorhoofd, een zalmroze borst en een grijs lichaam; op de vleugel zit een groen spiegelveld met lichte dekveren. Vrouwtjes en jonge vogels zijn bruiner en soberder getekend. Smienten eten vrijwel volledig plantaardig en foerageren vaak grazend op graslanden, maar nemen ook waterplanten en zaden op vanuit ondiep water of van het oppervlak.
Ze broeden op de grond, goed verborgen in dichte vegetatie, meestal niet ver van water. Het vrouwtje legt meestal 8–9 eieren en broedt ongeveer 24–25 dagen. De kuikens gaan kort na uitkomen naar het water, zoeken zelf voedsel en vliegen na ongeveer 40–45 dagen uit. Status: Niet bedreigd (LC).
Smienten gebruiken in de broedtijd vooral ondiepe, open zoetwaterplassen en meren in boreale en subarctische zones, met voldoende onderwater- en drijfbladvegetatie maar zonder dichte rietkragen. In de winter zitten ze vooral in laaglandgebieden met een maritiem klimaat: kustwateren, beschutte baaien, slikken en schorren, maar ook brakke lagunes en ondergelopen graslanden.
Het mannetje heeft in broedkleed een roestbruine kop met een opvallend lichtgeel voorhoofd, een zalmroze borst en een grijs lichaam; op de vleugel zit een groen spiegelveld met lichte dekveren. Vrouwtjes en jonge vogels zijn bruiner en soberder getekend. Smienten eten vrijwel volledig plantaardig en foerageren vaak grazend op graslanden, maar nemen ook waterplanten en zaden op vanuit ondiep water of van het oppervlak.
Ze broeden op de grond, goed verborgen in dichte vegetatie, meestal niet ver van water. Het vrouwtje legt meestal 8–9 eieren en broedt ongeveer 24–25 dagen. De kuikens gaan kort na uitkomen naar het water, zoeken zelf voedsel en vliegen na ongeveer 40–45 dagen uit. Status: Niet bedreigd (LC).
Nijlgans
[LAT] Alopochen aegyptiaca |
[UK] Egyptian Goose |
[FR] Ouette d’Égypte |
[DE] Nilgans |
[ES] Ganso del Nilo |
[NL] Nijlgans






De nijlgans (Alopochen aegyptiaca) is een grote, opvallende ganzensoort met lange roze poten en een roze snavel. In Afrika is hij grotendeels standvogel en trekt vooral lokaal mee met de beschikbaarheid van water. In Europa komt de soort vooral voor als verwilderde populatie; in Nederland is de nijlgans inmiddels een algemene broedvogel.
Je herkent de nijlgans aan de lange hals, de bruine oogvlekken en de kenmerkende bruine vlek op de borst. De bovenvleugel en kop zijn bruin, de rest van het lichaam is lichtbruin; in vlucht valt de lichte ondervleugel met contrasterende kleuren op. Mannetjes en vrouwtjes lijken sterk op elkaar, al zijn vrouwtjes gemiddeld kleiner.
Nijlganzen leven bij rivieren, plassen, meren en wetlands, maar foerageren veel op graslanden en akkers. Ze eten vooral gras, granen en zachte planten, aangevuld met insecten, wormen en soms kikkers. Broeden kan in dichte vegetatie of gewoon op de grond, maar ook in holtes of in verlaten nesten van andere grote vogels. Het legsel telt meestal 5–12 eieren; beide ouders broeden ongeveer 28–30 dagen en beschermen de jongen, die na ongeveer 70 dagen kunnen vliegen. Status: Niet bedreigd (LC).
Je herkent de nijlgans aan de lange hals, de bruine oogvlekken en de kenmerkende bruine vlek op de borst. De bovenvleugel en kop zijn bruin, de rest van het lichaam is lichtbruin; in vlucht valt de lichte ondervleugel met contrasterende kleuren op. Mannetjes en vrouwtjes lijken sterk op elkaar, al zijn vrouwtjes gemiddeld kleiner.
Nijlganzen leven bij rivieren, plassen, meren en wetlands, maar foerageren veel op graslanden en akkers. Ze eten vooral gras, granen en zachte planten, aangevuld met insecten, wormen en soms kikkers. Broeden kan in dichte vegetatie of gewoon op de grond, maar ook in holtes of in verlaten nesten van andere grote vogels. Het legsel telt meestal 5–12 eieren; beide ouders broeden ongeveer 28–30 dagen en beschermen de jongen, die na ongeveer 70 dagen kunnen vliegen. Status: Niet bedreigd (LC).
Chileense Smient
[LAT] Mareca sibilatrix |
[UK] Chiloe Wigeon |
[FR] Canard de Chiloé |
[DE] Chilepfeifente |
[ES] Pato overo |
[NL] Chileense smient


De Chileense smient (Mareca sibilatrix), ook wel Chiloe Wigeon genoemd, is een smientachtige eend uit het zuiden van Zuid-Amerika. De soort is meestal standvogel, maar vogels uit het uiterste zuiden kunnen in de winter korte afstanden noordwaarts trekken naar meer centrale delen van het continent.
Het mannetje heeft opvallend wit op voorhoofd en wangen, met een groen glanzende kopzijde en kruin, een klein donker snaveltje en een zwarte staart. Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje maar is meestal wat doffer met minder groene glans. Chiloësmeienten leven vooral op zoetwater: meren, lagunes en langzaam stromende rivieren.
Ze foerageren zoals andere smienten: vooral plantaardig voedsel, dat ze van het wateroppervlak opnemen door te “kanten” of met de kop onder water te zoeken, en daarnaast grazen ze ook op het land. Het broedseizoen begint met gezamenlijke balts en sterke paarvorming. Het nest ligt in hoog gras of ruigte; het vrouwtje broedt alleen, terwijl het mannetje in de buurt blijft om te waken. Het legsel telt meestal 5–8 eieren, met een broedduur van ongeveer 25 dagen. De jongen vliegen na nog eens circa 7 weken uit. Status: Niet bedreigd (LC), al kunnen jacht en verlies van leefgebied lokaal invloed hebben.
Het mannetje heeft opvallend wit op voorhoofd en wangen, met een groen glanzende kopzijde en kruin, een klein donker snaveltje en een zwarte staart. Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje maar is meestal wat doffer met minder groene glans. Chiloësmeienten leven vooral op zoetwater: meren, lagunes en langzaam stromende rivieren.
Ze foerageren zoals andere smienten: vooral plantaardig voedsel, dat ze van het wateroppervlak opnemen door te “kanten” of met de kop onder water te zoeken, en daarnaast grazen ze ook op het land. Het broedseizoen begint met gezamenlijke balts en sterke paarvorming. Het nest ligt in hoog gras of ruigte; het vrouwtje broedt alleen, terwijl het mannetje in de buurt blijft om te waken. Het legsel telt meestal 5–8 eieren, met een broedduur van ongeveer 25 dagen. De jongen vliegen na nog eens circa 7 weken uit. Status: Niet bedreigd (LC), al kunnen jacht en verlies van leefgebied lokaal invloed hebben.