Middelste zaagbek
[LAT] Mergus serrator |
[UK] Red-breasted Merganser |
[FR] Harle huppé |
[DE] Mittelsäger |
[ES] Serreta mediana |
[NL] Middelste zaagbek








De middelste zaagbek (Mergus serrator), ook wel red-breasted merganser genoemd, is een slanke, visetende zaagbek met een dunne, gezaagde snavel. Het is een (gedeeltelijke) trekvogel: een deel van de vogels rond IJsland en de Britse eilanden blijft (deels) in de regio, terwijl grote aantallen uit Scandinavië, Finland, de Baltische staten en Noordwest-Rusland ’s winters naar de Oostzee en verder west-zuidwest trekken, onder andere naar Nederland en Groot-Brittannië. In het najaar vertrekken vrouwtjes en jonge vogels vaak eerder en verder dan mannetjes; de voorjaarstrek begint soms al eind februari.
Het mannetje heeft in broedkleed een groen glanzende kop met kuif, een witte halsring, een roestbruin gevlekte borst en rode ogen. Het vrouwtje is grijzer met een roodbruine kop en eveneens roodachtige ogen; in tegenstelling tot de grote zaagbek mist ze meestal een duidelijke witte kinvlek. Middelste zaagbekken zitten vaak in kleine groepjes en jagen duikend, soms in samenwerking waarbij ze vis naar ondieper water drijven.
Broeden gebeurt in toendra- en boreale zones bij zoet, brak of zout water, vaak in beschutte baaien en wetlands. In trek- en wintertijd zitten ze vooral op zout water: kustbaaien, estuaria en andere beschutte kustgebieden. Jonge vogels eten aanvankelijk veel waterinsecten, terwijl volwassen vogels vooral vis eten, aangevuld met kreeftachtigen en andere waterdieren.
Het nest ligt op de grond op een beschutte plek, meestal dicht bij water, als een eenvoudige kuil bekleed met plantenmateriaal en dons. Het vrouwtje legt meestal 7–10 eieren en broedt 28–35 dagen. De kuikens gaan snel na uitkomen het water op en zoeken zelf voedsel; soms worden meerdere broedsels samengevoegd tot een crèche. Na enkele weken laat het vrouwtje de jongen vaak grotendeels zelfstandig; ze kunnen pas na ongeveer twee maanden vliegen. Status: Niet bedreigd (LC).
Het mannetje heeft in broedkleed een groen glanzende kop met kuif, een witte halsring, een roestbruin gevlekte borst en rode ogen. Het vrouwtje is grijzer met een roodbruine kop en eveneens roodachtige ogen; in tegenstelling tot de grote zaagbek mist ze meestal een duidelijke witte kinvlek. Middelste zaagbekken zitten vaak in kleine groepjes en jagen duikend, soms in samenwerking waarbij ze vis naar ondieper water drijven.
Broeden gebeurt in toendra- en boreale zones bij zoet, brak of zout water, vaak in beschutte baaien en wetlands. In trek- en wintertijd zitten ze vooral op zout water: kustbaaien, estuaria en andere beschutte kustgebieden. Jonge vogels eten aanvankelijk veel waterinsecten, terwijl volwassen vogels vooral vis eten, aangevuld met kreeftachtigen en andere waterdieren.
Het nest ligt op de grond op een beschutte plek, meestal dicht bij water, als een eenvoudige kuil bekleed met plantenmateriaal en dons. Het vrouwtje legt meestal 7–10 eieren en broedt 28–35 dagen. De kuikens gaan snel na uitkomen het water op en zoeken zelf voedsel; soms worden meerdere broedsels samengevoegd tot een crèche. Na enkele weken laat het vrouwtje de jongen vaak grotendeels zelfstandig; ze kunnen pas na ongeveer twee maanden vliegen. Status: Niet bedreigd (LC).
Nonnetje
[LAT] Mergellus albellus |
[UK] Smew |
[FR] Harle piette |
[DE] Zwergsäger |
[ES] Serreta chica |
[NL] Nonnetje








De nonnetje (Mergellus albellus), ook wel smew genoemd, is een kleine zaagbek en een echte duikeend die in de winter bij ons vooral op rustig binnenwater te zien is. Het is een trekvogel: een deel van de Fenno-Scandinavische en Noordwest-Russische broedvogels overwintert in Noordwest-Europa (onder meer Duitsland, Denemarken, Nederland en soms Groot-Brittannië). Grote aantallen trekken echter naar het oosten en zuidoosten, met belangrijke wintergebieden rond de Zee van Azov, de Zwarte Zee en de Kaspische Zee. De trek start meestal in september, met hoofdpassage in oktober–november; in West-Europa vallen de grootste aantallen vaak pas in december of januari na koudeperiodes verder oostelijk. In het voorjaar is de terugtrek al duidelijk in maart.
Het mannetje is zeer opvallend: overwegend wit met een witte kuifkop, een zwart “masker” en een zwarte V-vormige tekening achterop de kop. Rug en stuit zijn donker, en de flanken zijn fijn zwart-wit gegolfd. Het vrouwtje is grijzer met een kastanjebruine kop en een duidelijke witte wangvlek, plus witte kin en keel. Beide hebben een smalle, zwarte, gezaagde snavel.
Nonnetjes broeden vooral in bosrijke wetlandgebieden en houden van helder water. In winter en trek worden ze gezien op meren, brede rivieren en ook estuaria. Ze jagen duikend op kleine vissen en nemen daarnaast waterinsecten en andere kleine waterdieren.
Broeden gebeurt in boomholtes of nestkasten, meestal in of nabij bos bij water. Het legsel bestaat gemiddeld uit 6–9 eieren. Status: Niet bedreigd (LC).
Het mannetje is zeer opvallend: overwegend wit met een witte kuifkop, een zwart “masker” en een zwarte V-vormige tekening achterop de kop. Rug en stuit zijn donker, en de flanken zijn fijn zwart-wit gegolfd. Het vrouwtje is grijzer met een kastanjebruine kop en een duidelijke witte wangvlek, plus witte kin en keel. Beide hebben een smalle, zwarte, gezaagde snavel.
Nonnetjes broeden vooral in bosrijke wetlandgebieden en houden van helder water. In winter en trek worden ze gezien op meren, brede rivieren en ook estuaria. Ze jagen duikend op kleine vissen en nemen daarnaast waterinsecten en andere kleine waterdieren.
Broeden gebeurt in boomholtes of nestkasten, meestal in of nabij bos bij water. Het legsel bestaat gemiddeld uit 6–9 eieren. Status: Niet bedreigd (LC).