Genus Mergus details
Mergus (Linnaeus, 1758) is het geslacht van de echte zaagbekken, een groep visetende eenden binnen de zee-eenden. Hoewel zij tot de zee-eenden worden gerekend, hebben de meeste soorten binnen dit geslacht juist een sterke voorkeur voor rivieren, meren en andere binnenwateren. Alleen de middelste zaagbek wordt ook veel op zee aangetroffen. Binnen dit geslacht behoren de soorten tot de meest uitgesproken viseters onder de eenden.
Soorten binnen Mergus zijn middelgrote tot grote eenden met een slanke, langgerekte bouw, een smalle snavel en vaak een ruige of warrige kuif. Het verenkleed bestaat meestal uit combinaties van zwart, wit, bruin en soms groenzwarte glans. De lange, smalle snavel heeft fijne, zaagachtige randen waarmee gladde prooien goed kunnen worden vastgehouden. Daardoor worden deze vogels ook wel zaagbekken genoemd. In tegenstelling tot veel andere eenden is de snavel duidelijk gespecialiseerd op het grijpen van vis.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vis, aangevuld met andere waterdieren zoals kreeftachtigen en ongewervelden. Soorten uit Mergus duiken volledig onder water om prooien te achtervolgen en te grijpen. Daardoor behoren zij tot de echte duikeenden. Vooral heldere, visrijke wateren met voldoende jachtmogelijkheden zijn belangrijk voor deze groep.
De voortplanting vindt meestal plaats in noordelijke of gematigde streken, vaak langs rivieren, meren en bosrijke wateren. Het nest ligt afhankelijk van de soort in boomholten, spleten of op beschutte plaatsen op de grond. De jongen zijn nestvlieders en gaan al snel het water op. Door de combinatie van slanke zaagsnavel, duikgedrag en sterke voorkeur voor vis vormt Mergus een zeer karakteristiek geslacht binnen de eenden.
Soorten binnen Mergus zijn middelgrote tot grote eenden met een slanke, langgerekte bouw, een smalle snavel en vaak een ruige of warrige kuif. Het verenkleed bestaat meestal uit combinaties van zwart, wit, bruin en soms groenzwarte glans. De lange, smalle snavel heeft fijne, zaagachtige randen waarmee gladde prooien goed kunnen worden vastgehouden. Daardoor worden deze vogels ook wel zaagbekken genoemd. In tegenstelling tot veel andere eenden is de snavel duidelijk gespecialiseerd op het grijpen van vis.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vis, aangevuld met andere waterdieren zoals kreeftachtigen en ongewervelden. Soorten uit Mergus duiken volledig onder water om prooien te achtervolgen en te grijpen. Daardoor behoren zij tot de echte duikeenden. Vooral heldere, visrijke wateren met voldoende jachtmogelijkheden zijn belangrijk voor deze groep.
De voortplanting vindt meestal plaats in noordelijke of gematigde streken, vaak langs rivieren, meren en bosrijke wateren. Het nest ligt afhankelijk van de soort in boomholten, spleten of op beschutte plaatsen op de grond. De jongen zijn nestvlieders en gaan al snel het water op. Door de combinatie van slanke zaagsnavel, duikgedrag en sterke voorkeur voor vis vormt Mergus een zeer karakteristiek geslacht binnen de eenden.
Grote Zaagbek
[LAT] Mergus merganser |
[UK] Common Merganser |
[FR] Harle bièvre |
[DE] Gänsesäger |
[ES] Serreta grande |
[NL] Grote zaagbek








Grote Zaagbek details
De grote zaagbek (Mergus merganser), ook wel goosander genoemd, is een grote, slanke visetende eend met een lange, smalle “gezaagde” snavel. Het is een (gedeeltelijke) trekvogel: broedvogels uit IJsland en Groot-Brittannië blijven meestal in de regio en verplaatsen zich vooral over korte afstanden, terwijl vogels uit Scandinavië, Finland, de Baltische staten en Rusland in de winter westwaarts trekken naar de Oostzee, Noordzee en onder meer Nederland en Groot-Brittannië. Grote verplaatsingen volgen vaak pas als wateren dichtvriezen; de terugtrek begint meestal vanaf begin maart.
Het mannetje heeft een donkergroen tot zwartglanzende kop met kuif, een zwart rugdeel en verder overwegend wit tot roomwit lichaam. Het vrouwtje heeft een roodbruine kuifkop met een duidelijke witte kin en een grijs lichaam. In vlucht oogt de soort langgerekt en vliegt vaak in lijntjes laag over het water.
Grote zaagbekken leven bij helder water: rivieren, meren en bergwateren, maar ’s winters ook op beschutte kustwateren en estuaria. Ze jagen duikend en eten vooral vis, aangevuld met amfibieën en allerlei waterdieren zoals kreeftachtigen, weekdieren en insectenlarven.
Broeden gebeurt meestal in boomholtes of nestkasten, maar ook in rotsspleten of soms op de grond, vrijwel altijd dichtbij water. Het vrouwtje legt gemiddeld 9–12 eieren. Status: Niet bedreigd (LC).
Het mannetje heeft een donkergroen tot zwartglanzende kop met kuif, een zwart rugdeel en verder overwegend wit tot roomwit lichaam. Het vrouwtje heeft een roodbruine kuifkop met een duidelijke witte kin en een grijs lichaam. In vlucht oogt de soort langgerekt en vliegt vaak in lijntjes laag over het water.
Grote zaagbekken leven bij helder water: rivieren, meren en bergwateren, maar ’s winters ook op beschutte kustwateren en estuaria. Ze jagen duikend en eten vooral vis, aangevuld met amfibieën en allerlei waterdieren zoals kreeftachtigen, weekdieren en insectenlarven.
Broeden gebeurt meestal in boomholtes of nestkasten, maar ook in rotsspleten of soms op de grond, vrijwel altijd dichtbij water. Het vrouwtje legt gemiddeld 9–12 eieren. Status: Niet bedreigd (LC).
Middelste zaagbek
[LAT] Mergus serrator |
[UK] Red-breasted Merganser |
[FR] Harle huppé |
[DE] Mittelsäger |
[ES] Serreta mediana |
[NL] Middelste zaagbek








Middelste Zaagbek details
De middelste zaagbek (Mergus serrator), ook wel red-breasted merganser genoemd, is een slanke, visetende zaagbek met een dunne, gezaagde snavel. Het is een (gedeeltelijke) trekvogel: een deel van de vogels rond IJsland en de Britse eilanden blijft (deels) in de regio, terwijl grote aantallen uit Scandinavië, Finland, de Baltische staten en Noordwest-Rusland ’s winters naar de Oostzee en verder west-zuidwest trekken, onder andere naar Nederland en Groot-Brittannië. In het najaar vertrekken vrouwtjes en jonge vogels vaak eerder en verder dan mannetjes; de voorjaarstrek begint soms al eind februari.
Het mannetje heeft in broedkleed een groen glanzende kop met kuif, een witte halsring, een roestbruin gevlekte borst en rode ogen. Het vrouwtje is grijzer met een roodbruine kop en eveneens roodachtige ogen; in tegenstelling tot de grote zaagbek mist ze meestal een duidelijke witte kinvlek. Middelste zaagbekken zitten vaak in kleine groepjes en jagen duikend, soms in samenwerking waarbij ze vis naar ondieper water drijven.
Broeden gebeurt in toendra- en boreale zones bij zoet, brak of zout water, vaak in beschutte baaien en wetlands. In trek- en wintertijd zitten ze vooral op zout water: kustbaaien, estuaria en andere beschutte kustgebieden. Jonge vogels eten aanvankelijk veel waterinsecten, terwijl volwassen vogels vooral vis eten, aangevuld met kreeftachtigen en andere waterdieren.
Het nest ligt op de grond op een beschutte plek, meestal dicht bij water, als een eenvoudige kuil bekleed met plantenmateriaal en dons. Het vrouwtje legt meestal 7–10 eieren en broedt 28–35 dagen. De kuikens gaan snel na uitkomen het water op en zoeken zelf voedsel; soms worden meerdere broedsels samengevoegd tot een crèche. Na enkele weken laat het vrouwtje de jongen vaak grotendeels zelfstandig; ze kunnen pas na ongeveer twee maanden vliegen. Status: Niet bedreigd (LC).
Het mannetje heeft in broedkleed een groen glanzende kop met kuif, een witte halsring, een roestbruin gevlekte borst en rode ogen. Het vrouwtje is grijzer met een roodbruine kop en eveneens roodachtige ogen; in tegenstelling tot de grote zaagbek mist ze meestal een duidelijke witte kinvlek. Middelste zaagbekken zitten vaak in kleine groepjes en jagen duikend, soms in samenwerking waarbij ze vis naar ondieper water drijven.
Broeden gebeurt in toendra- en boreale zones bij zoet, brak of zout water, vaak in beschutte baaien en wetlands. In trek- en wintertijd zitten ze vooral op zout water: kustbaaien, estuaria en andere beschutte kustgebieden. Jonge vogels eten aanvankelijk veel waterinsecten, terwijl volwassen vogels vooral vis eten, aangevuld met kreeftachtigen en andere waterdieren.
Het nest ligt op de grond op een beschutte plek, meestal dicht bij water, als een eenvoudige kuil bekleed met plantenmateriaal en dons. Het vrouwtje legt meestal 7–10 eieren en broedt 28–35 dagen. De kuikens gaan snel na uitkomen het water op en zoeken zelf voedsel; soms worden meerdere broedsels samengevoegd tot een crèche. Na enkele weken laat het vrouwtje de jongen vaak grotendeels zelfstandig; ze kunnen pas na ongeveer twee maanden vliegen. Status: Niet bedreigd (LC).
Genus Mergellus details
Mergellus (Selby, 1840) is een klein geslacht binnen de zee-eenden en omvat alleen de nonnetje. Deze vogel neemt een bijzondere plaats in tussen de echte zaagbekken van het geslacht Mergus en de brilduikers van het geslacht Bucephala. Daardoor heeft Mergellus zowel kenmerken van zaagbekken als van brilduikers, maar geldt het toch als een afzonderlijk en goed herkenbaar geslacht.
De nonnetje is een kleine, sierlijke duikeend met een smalle snavel en een vrij compacte bouw. In vergelijking met de typische zaagbekken is de soort kleiner en lichter gebouwd, terwijl bepaalde kenmerken juist doen denken aan de brilduikers. De snavel is aangepast aan het vangen van kleine waterdieren en vis, en net als bij verwante groepen wordt het voedsel duikend onder water gezocht.
Soorten of fossiele vormen binnen dit geslacht zijn van belang voor het begrijpen van de evolutie van de zee-eenden. Fossiel materiaal dat sterk op de nonnetje lijkt, laat zien dat deze lijn al zeer oud is en al vroeg duidelijk te onderscheiden was van andere verwante eendengeslachten. Ook van de huidige soort zijn fossielen bekend uit het vroege Pleistoceen, wat aangeeft dat de nonnetje al zeer lang als herkenbare vogel bestaat.
Mergellus vormt daarmee een klein maar evolutionair interessant geslacht. Door de combinatie van zaagbekachtige kenmerken, verwantschap met brilduikers en een lange fossiele geschiedenis neemt het nonnetje een bijzondere plaats in binnen de eendenfamilie.
De nonnetje is een kleine, sierlijke duikeend met een smalle snavel en een vrij compacte bouw. In vergelijking met de typische zaagbekken is de soort kleiner en lichter gebouwd, terwijl bepaalde kenmerken juist doen denken aan de brilduikers. De snavel is aangepast aan het vangen van kleine waterdieren en vis, en net als bij verwante groepen wordt het voedsel duikend onder water gezocht.
Soorten of fossiele vormen binnen dit geslacht zijn van belang voor het begrijpen van de evolutie van de zee-eenden. Fossiel materiaal dat sterk op de nonnetje lijkt, laat zien dat deze lijn al zeer oud is en al vroeg duidelijk te onderscheiden was van andere verwante eendengeslachten. Ook van de huidige soort zijn fossielen bekend uit het vroege Pleistoceen, wat aangeeft dat de nonnetje al zeer lang als herkenbare vogel bestaat.
Mergellus vormt daarmee een klein maar evolutionair interessant geslacht. Door de combinatie van zaagbekachtige kenmerken, verwantschap met brilduikers en een lange fossiele geschiedenis neemt het nonnetje een bijzondere plaats in binnen de eendenfamilie.
Nonnetje
[LAT] Mergellus albellus |
[UK] Smew |
[FR] Harle piette |
[DE] Zwergsäger |
[ES] Serreta chica |
[NL] Nonnetje








Nonnetje Details
De nonnetje (Mergellus albellus), ook wel smew genoemd, is een kleine zaagbek en een echte duikeend die in de winter bij ons vooral op rustig binnenwater te zien is. Het is een trekvogel: een deel van de Fenno-Scandinavische en Noordwest-Russische broedvogels overwintert in Noordwest-Europa (onder meer Duitsland, Denemarken, Nederland en soms Groot-Brittannië). Grote aantallen trekken echter naar het oosten en zuidoosten, met belangrijke wintergebieden rond de Zee van Azov, de Zwarte Zee en de Kaspische Zee. De trek start meestal in september, met hoofdpassage in oktober–november; in West-Europa vallen de grootste aantallen vaak pas in december of januari na koudeperiodes verder oostelijk. In het voorjaar is de terugtrek al duidelijk in maart.
Het mannetje is zeer opvallend: overwegend wit met een witte kuifkop, een zwart “masker” en een zwarte V-vormige tekening achterop de kop. Rug en stuit zijn donker, en de flanken zijn fijn zwart-wit gegolfd. Het vrouwtje is grijzer met een kastanjebruine kop en een duidelijke witte wangvlek, plus witte kin en keel. Beide hebben een smalle, zwarte, gezaagde snavel.
Nonnetjes broeden vooral in bosrijke wetlandgebieden en houden van helder water. In winter en trek worden ze gezien op meren, brede rivieren en ook estuaria. Ze jagen duikend op kleine vissen en nemen daarnaast waterinsecten en andere kleine waterdieren.
Broeden gebeurt in boomholtes of nestkasten, meestal in of nabij bos bij water. Het legsel bestaat gemiddeld uit 6–9 eieren. Status: Niet bedreigd (LC).
Het mannetje is zeer opvallend: overwegend wit met een witte kuifkop, een zwart “masker” en een zwarte V-vormige tekening achterop de kop. Rug en stuit zijn donker, en de flanken zijn fijn zwart-wit gegolfd. Het vrouwtje is grijzer met een kastanjebruine kop en een duidelijke witte wangvlek, plus witte kin en keel. Beide hebben een smalle, zwarte, gezaagde snavel.
Nonnetjes broeden vooral in bosrijke wetlandgebieden en houden van helder water. In winter en trek worden ze gezien op meren, brede rivieren en ook estuaria. Ze jagen duikend op kleine vissen en nemen daarnaast waterinsecten en andere kleine waterdieren.
Broeden gebeurt in boomholtes of nestkasten, meestal in of nabij bos bij water. Het legsel bestaat gemiddeld uit 6–9 eieren. Status: Niet bedreigd (LC).
Genus Lophodytes details
Lophodytes (Reichenbach, 1853) is een klein geslacht binnen de zee-eenden en omvat alleen de kapzaagbek. Deze soort werd oorspronkelijk bij het geslacht Mergus geplaatst, maar wordt tegenwoordig meestal als een afzonderlijk geslacht beschouwd. Binnen de zaagbekken neemt Lophodytes een bijzondere positie in, omdat de kapzaagbek in verschillende kenmerken een tussenvorm lijkt te zijn tussen de echte zaagbekken van Mergus en de brilduikers van Bucephala.
De kapzaagbek is een kleine, slanke duikeend met een langgerekt en gestroomlijnd lichaam. De snavel is lang, smal en voorzien van fijne zaagachtige randen, waarmee gladde prooien goed kunnen worden vastgehouden. De poten staan ver naar achteren op het lichaam, wat de soort een uitstekende duiker maakt, maar minder geschikt voor een vlotte beweging op het land. Om op te stijgen is meestal een aanloop over het water nodig. De geslachten verschillen sterk van elkaar, wat deze soort binnen de duikeenden extra opvallend maakt.
Door de combinatie van een gestroomlijnde lichaamsbouw, gespecialiseerde snavel en een positie tussen verschillende verwante eendengeslachten vormt Lophodytes een interessant en duidelijk herkenbaar geslacht. Binnen de evolutionaire ontwikkeling van de zaagbekken vertegenwoordigt de kapzaagbek waarschijnlijk een vroege aftakking, nog vóór de lijn die leidde naar de grotere zaagbekken, maar al boven de aftakking naar de brilduikers en het nonnetje.
Lophodytes is daardoor een klein maar taxonomisch belangrijk geslacht. De kapzaagbek laat goed zien hoe gespecialiseerde visetende duikeenden zich binnen de eendenfamilie hebben ontwikkeld, met een eigen combinatie van zaagbekachtige, brilduikerachtige en unieke kenmerken.
De kapzaagbek is een kleine, slanke duikeend met een langgerekt en gestroomlijnd lichaam. De snavel is lang, smal en voorzien van fijne zaagachtige randen, waarmee gladde prooien goed kunnen worden vastgehouden. De poten staan ver naar achteren op het lichaam, wat de soort een uitstekende duiker maakt, maar minder geschikt voor een vlotte beweging op het land. Om op te stijgen is meestal een aanloop over het water nodig. De geslachten verschillen sterk van elkaar, wat deze soort binnen de duikeenden extra opvallend maakt.
Door de combinatie van een gestroomlijnde lichaamsbouw, gespecialiseerde snavel en een positie tussen verschillende verwante eendengeslachten vormt Lophodytes een interessant en duidelijk herkenbaar geslacht. Binnen de evolutionaire ontwikkeling van de zaagbekken vertegenwoordigt de kapzaagbek waarschijnlijk een vroege aftakking, nog vóór de lijn die leidde naar de grotere zaagbekken, maar al boven de aftakking naar de brilduikers en het nonnetje.
Lophodytes is daardoor een klein maar taxonomisch belangrijk geslacht. De kapzaagbek laat goed zien hoe gespecialiseerde visetende duikeenden zich binnen de eendenfamilie hebben ontwikkeld, met een eigen combinatie van zaagbekachtige, brilduikerachtige en unieke kenmerken.
Kokardezaagbek
[LAT] Lophodytes cucullatus |
[UK] Hooded merganser |
[FR] Harle couronné |
[DE] Kappensäger |
[ES] Serreta capuchona |
[NL] Kokardezaagbek

Kokardezaagbek details
De Kokardezaagbek (Lophodytes cucullatus) (Linnaeus, 1758) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied in Noord-Amerika en de populatie neemt toe. De soort broedt van het noordwesten van de Verenigde Staten via zuidelijk Canada tot oostelijk van de Mississippi. In de winter verblijft de kokardezaagbek vooral langs de Pacifische kust, de Atlantische kust en de Golfkust. De belangrijkste overwinteringsgebieden liggen in beschutte kustwateren, estuaria en getijdenkreken, vooral binnen de Mississippi-trekroute.
De kokardezaagbek is met een lengte van ongeveer 40 tot 49 centimeter de kleinste Noord-Amerikaanse zaagbek. Net als andere zaagbekken heeft deze soort een lange, smalle snavel met fijne zaagachtige randen, aangepast aan het vangen van gladde prooien. Het mannetje heeft een zwartbruine rug en vleugels, een witte onderzijde en een zwarte kop met een opvallende witte waaiervormige kuif die zwart omrand is. De iris is bij het mannetje helder geel. Vrouwtjes en jonge mannetjes zijn soberder gekleurd en hebben een bruinere kop en een matter oogkleur. Door de grote kuif en de compacte bouw is deze soort zeer herkenbaar.
De kokardezaagbek leeft in het broedseizoen vooral in beboste moerassen, bosrijke plassen, rivieren, beken en overstroomde bossen. Ook nestkasten en andere kunstmatige nestplaatsen in open landschap of niet-beboste wetlands kunnen worden gebruikt. In de winter worden vooral ondiepe zoete en brakke baaien, estuaria, vijvers en getijdenkreken opgezocht. Op het land beweegt deze soort zich wat onhandig, maar in de lucht is de vlucht snel en krachtig, met een snelle, voortdurende vleugelslag. Om op te stijgen is meestal een aanloop over het water nodig.
Het voedsel wordt vooral gezocht in helder water. De kokardezaagbek duikt uitstekend en houdt daarbij de vleugels strak langs het lichaam terwijl met de poten wordt voortbewogen. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit waterinsecten, vissen en kreeftachtigen. Jonge vogels kunnen direct na het uitkomen al zelf voedsel zoeken en duiken, wat goed past bij de gespecialiseerde levenswijze van deze soort.
Het vrouwtje kiest de nestplaats, meestal een boomholte in een levende of dode boom. Ook nestkasten en verlaten nesten of bestaande holten worden graag gebruikt. De nestholten liggen vaak enkele meters boven de grond. Gewoonlijk worden zeven tot vijftien eieren gelegd, meestal tussen eind februari en begin juni, met een piek in maart en april. Het broeden begint pas wanneer alle eieren zijn gelegd. Kort daarna verlaat het mannetje het vrouwtje. Het vrouwtje broedt ongeveer een maand en verzorgt daarna ook de jongen. De kuikens verlaten het nest meestal al binnen ongeveer vierentwintig uur na het uitkomen en kunnen dan direct zwemmen, duiken en zelf voedsel zoeken.
De kokardezaagbek is met een lengte van ongeveer 40 tot 49 centimeter de kleinste Noord-Amerikaanse zaagbek. Net als andere zaagbekken heeft deze soort een lange, smalle snavel met fijne zaagachtige randen, aangepast aan het vangen van gladde prooien. Het mannetje heeft een zwartbruine rug en vleugels, een witte onderzijde en een zwarte kop met een opvallende witte waaiervormige kuif die zwart omrand is. De iris is bij het mannetje helder geel. Vrouwtjes en jonge mannetjes zijn soberder gekleurd en hebben een bruinere kop en een matter oogkleur. Door de grote kuif en de compacte bouw is deze soort zeer herkenbaar.
De kokardezaagbek leeft in het broedseizoen vooral in beboste moerassen, bosrijke plassen, rivieren, beken en overstroomde bossen. Ook nestkasten en andere kunstmatige nestplaatsen in open landschap of niet-beboste wetlands kunnen worden gebruikt. In de winter worden vooral ondiepe zoete en brakke baaien, estuaria, vijvers en getijdenkreken opgezocht. Op het land beweegt deze soort zich wat onhandig, maar in de lucht is de vlucht snel en krachtig, met een snelle, voortdurende vleugelslag. Om op te stijgen is meestal een aanloop over het water nodig.
Het voedsel wordt vooral gezocht in helder water. De kokardezaagbek duikt uitstekend en houdt daarbij de vleugels strak langs het lichaam terwijl met de poten wordt voortbewogen. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit waterinsecten, vissen en kreeftachtigen. Jonge vogels kunnen direct na het uitkomen al zelf voedsel zoeken en duiken, wat goed past bij de gespecialiseerde levenswijze van deze soort.
Het vrouwtje kiest de nestplaats, meestal een boomholte in een levende of dode boom. Ook nestkasten en verlaten nesten of bestaande holten worden graag gebruikt. De nestholten liggen vaak enkele meters boven de grond. Gewoonlijk worden zeven tot vijftien eieren gelegd, meestal tussen eind februari en begin juni, met een piek in maart en april. Het broeden begint pas wanneer alle eieren zijn gelegd. Kort daarna verlaat het mannetje het vrouwtje. Het vrouwtje broedt ongeveer een maand en verzorgt daarna ook de jongen. De kuikens verlaten het nest meestal al binnen ongeveer vierentwintig uur na het uitkomen en kunnen dan direct zwemmen, duiken en zelf voedsel zoeken.
Genus Bucephala details
Bucephala (Baird, 1858) is een geslacht van kleine tot middelgrote zee-eenden van het noordelijk halfrond. Tot dit geslacht behoren de brilduikers. Het zijn overwegend noordelijke vogels die meestal broeden in boomholten en daarmee binnen de zee-eenden een vrij gespecialiseerde groep vormen. Veel soorten uit dit geslacht zijn sterk gebonden aan bosrijke meren en andere noordelijke wateren tijdens de broedtijd.
Soorten binnen Bucephala hebben een compact lichaam, een vrij grote kop en een zwart-wit verenkleed dat vooral bij de mannetjes sterk contrasterend is. De naam van het geslacht verwijst ook naar de opvallende kopvorm. Deze eenden zijn uitstekende duikers en zoeken hun voedsel onder water. In vergelijking met zaagbekken is de snavel korter en meer eendachtig van vorm, omdat het voedsel minder sterk op vis gericht is.
Het voedsel bestaat uit vis, kreeftachtigen, weekdieren en andere waterdieren. Vooral in de winter worden ook mariene prooien opgenomen, terwijl in zoetwatergebieden eveneens allerlei ongewervelden worden gegeten. De soorten uit Bucephala duiken volledig onder water om voedsel te zoeken en kunnen daardoor goed gebruikmaken van zowel binnenlandse als kustgebonden wateren.
De voortplanting vindt meestal plaats in noordelijke bosgebieden. Het nest ligt vaak in een boomholte, soms in oude spechtenholen of natuurlijke holten. De jongen zijn nestvlieders en verlaten kort na het uitkomen de nestholte om het water op te zoeken. Door de combinatie van boomholtebroeden, contrastrijk verenkleed en sterk duikgedrag vormt Bucephala een zeer kenmerkend geslacht binnen de noordelijke zee-eenden.
Soorten binnen Bucephala hebben een compact lichaam, een vrij grote kop en een zwart-wit verenkleed dat vooral bij de mannetjes sterk contrasterend is. De naam van het geslacht verwijst ook naar de opvallende kopvorm. Deze eenden zijn uitstekende duikers en zoeken hun voedsel onder water. In vergelijking met zaagbekken is de snavel korter en meer eendachtig van vorm, omdat het voedsel minder sterk op vis gericht is.
Het voedsel bestaat uit vis, kreeftachtigen, weekdieren en andere waterdieren. Vooral in de winter worden ook mariene prooien opgenomen, terwijl in zoetwatergebieden eveneens allerlei ongewervelden worden gegeten. De soorten uit Bucephala duiken volledig onder water om voedsel te zoeken en kunnen daardoor goed gebruikmaken van zowel binnenlandse als kustgebonden wateren.
De voortplanting vindt meestal plaats in noordelijke bosgebieden. Het nest ligt vaak in een boomholte, soms in oude spechtenholen of natuurlijke holten. De jongen zijn nestvlieders en verlaten kort na het uitkomen de nestholte om het water op te zoeken. Door de combinatie van boomholtebroeden, contrastrijk verenkleed en sterk duikgedrag vormt Bucephala een zeer kenmerkend geslacht binnen de noordelijke zee-eenden.
Buffelkopeend
[LAT] Bucephala albeola |
[UK] Bufflehead |
[FR] Petit Garrot |
[DE] Büffelkopfente |
[ES] Porrón coronado |
[NL] Buffelkopeend



Buffelkopeend details
De Buffelkopeend (Bucephala albeola) (Linnaeus, 1758) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied in Noord-Amerika en de populatie neemt toe. De trek naar de overwinteringsgebieden begint meestal eind oktober. Buffelkopeenden trekken en overwinteren vaak in kleine groepen van vijf tot tien vogels, maar soms worden ook grotere groepen gevormd. De meeste vogels overwinteren langs de Atlantische kust van zuidelijk Newfoundland tot zuidelijk Florida en langs de Pacifische kust van de Aleoeten tot in Mexico. Af en toe verschijnen dwaalgasten buiten het normale areaal, onder meer in Groenland, noordoostelijk Siberië, Hawaï, Japan en zelden in West-Europa.
De buffelkopeend is de kleinste duikeend van Canada en is een compact gebouwde soort met een opvallend zwart-wit verenkleed. Volwassen mannetjes zijn zwart van boven en wit van onder, met felroze poten. Op de achterzijde van de kop ligt een grote witte vlek die sterk opvalt. Over de vleugels loopt een brede witte band. Vrouwtjes en eerstejaars mannetjes zijn veel soberder gekleurd, met donkergrijze tot bruinige bovendelen en kleinere, doffere witte vlekken. Jonge mannetjes krijgen het volwassen verenkleed pas in hun tweede winter. Door de relatief grote kop en de compacte lichaamsvorm is deze soort goed herkenbaar.
Tijdens het broedseizoen leeft de buffelkopeend vooral in het boreale bos, waar wordt gebroed in boomholten in grote populieren en espachtige bomen bij kleine blijvende zoetwaterplassen. Tijdens trek en winter wordt de soort aangetroffen op binnenlandse meren en rivieren, maar de hoogste aantallen komen voor in beschutte zoutwaterbaaien en inhammen langs de Atlantische en Pacifische kusten. Daardoor wisselt het leefgebied sterk tussen bosrijke broedgebieden en meer open winterwateren.
Het voedsel wordt gezocht door te duiken in beschut en ondiep water. Alleen de donsjonge kuikens nemen soms voedsel van het oppervlak. De buffelkopeend blijft meestal vijftien tot vijfentwintig seconden onder water, met korte pauzes tussen de duiken. In de zomer bestaat het voedsel vooral uit ongewervelden zoals libellenlarven, schietmotten, bootsmannetjes, waterjuffers, eendagsvliegen en muggenlarven. In zoutwatergebieden in de winter worden vooral kreeftachtigen, weekdieren en vis gegeten. Buiten de broedtijd wordt vaak gezamenlijk in groepen gefoerageerd.
De buffelkopeend wordt geslachtsrijp rond de leeftijd van twee jaar. De paarvorming vindt plaats in de eerste helft van april tijdens de voorjaarstrek en paren blijven vaak meerdere jaren bij elkaar. Het baltsgedrag van het mannetje is opvallend, met opgeblazen kopveren, uitgerekte hals, veel kopbewegingen en energieke houdingen op het water. Er wordt vrijwel uitsluitend gebroed in boomholten, vaak in oude spechtenholen in populieren, meestal op geringe hoogte boven de grond en niet ver van water. Gewoonlijk worden tien tot veertien eieren gelegd. De broedduur bedraagt ongeveer achtentwintig tot drieëndertig dagen. Halverwege de broedtijd vertrekt het mannetje naar ruigebieden. De kuikens verlaten het nest ongeveer één tot anderhalve dag na het uitkomen door uit de boomholte naar beneden te springen, waarna het vrouwtje de jongen naar nabijgelegen water leidt. Na ongeveer vijftig tot vijfenvijftig dagen zijn de jongen vliegvlug.
De buffelkopeend is de kleinste duikeend van Canada en is een compact gebouwde soort met een opvallend zwart-wit verenkleed. Volwassen mannetjes zijn zwart van boven en wit van onder, met felroze poten. Op de achterzijde van de kop ligt een grote witte vlek die sterk opvalt. Over de vleugels loopt een brede witte band. Vrouwtjes en eerstejaars mannetjes zijn veel soberder gekleurd, met donkergrijze tot bruinige bovendelen en kleinere, doffere witte vlekken. Jonge mannetjes krijgen het volwassen verenkleed pas in hun tweede winter. Door de relatief grote kop en de compacte lichaamsvorm is deze soort goed herkenbaar.
Tijdens het broedseizoen leeft de buffelkopeend vooral in het boreale bos, waar wordt gebroed in boomholten in grote populieren en espachtige bomen bij kleine blijvende zoetwaterplassen. Tijdens trek en winter wordt de soort aangetroffen op binnenlandse meren en rivieren, maar de hoogste aantallen komen voor in beschutte zoutwaterbaaien en inhammen langs de Atlantische en Pacifische kusten. Daardoor wisselt het leefgebied sterk tussen bosrijke broedgebieden en meer open winterwateren.
Het voedsel wordt gezocht door te duiken in beschut en ondiep water. Alleen de donsjonge kuikens nemen soms voedsel van het oppervlak. De buffelkopeend blijft meestal vijftien tot vijfentwintig seconden onder water, met korte pauzes tussen de duiken. In de zomer bestaat het voedsel vooral uit ongewervelden zoals libellenlarven, schietmotten, bootsmannetjes, waterjuffers, eendagsvliegen en muggenlarven. In zoutwatergebieden in de winter worden vooral kreeftachtigen, weekdieren en vis gegeten. Buiten de broedtijd wordt vaak gezamenlijk in groepen gefoerageerd.
De buffelkopeend wordt geslachtsrijp rond de leeftijd van twee jaar. De paarvorming vindt plaats in de eerste helft van april tijdens de voorjaarstrek en paren blijven vaak meerdere jaren bij elkaar. Het baltsgedrag van het mannetje is opvallend, met opgeblazen kopveren, uitgerekte hals, veel kopbewegingen en energieke houdingen op het water. Er wordt vrijwel uitsluitend gebroed in boomholten, vaak in oude spechtenholen in populieren, meestal op geringe hoogte boven de grond en niet ver van water. Gewoonlijk worden tien tot veertien eieren gelegd. De broedduur bedraagt ongeveer achtentwintig tot drieëndertig dagen. Halverwege de broedtijd vertrekt het mannetje naar ruigebieden. De kuikens verlaten het nest ongeveer één tot anderhalve dag na het uitkomen door uit de boomholte naar beneden te springen, waarna het vrouwtje de jongen naar nabijgelegen water leidt. Na ongeveer vijftig tot vijfenvijftig dagen zijn de jongen vliegvlug.
Brilduiker
[LAT] Bucephala clangula |
[UK] Common Goldeneye |
[FR] Garrot à œil d’or |
[DE] Schellente |
[ES] Porrón osculado |
[NL] Brilduiker








Brilduiker details
De brilduiker (Bucephala clangula) is een stevige duikeend van de noordelijke taiga, die in Europa vaak ’s winters opduikt op Oostzee, Noordzee en grotere meren. Het is een gedeeltelijke trekvogel: sommige vogels blijven jaarrond in Noordwest-Europa, andere trekken zuidwaarts tot onder meer het Middellandse Zeegebied. In de winter zit hij op diepe meren, rivieren, estuaria en beschutte zeebaaien; in de broedtijd vooral bij bosmeren.
Herkenning is relatief makkelijk: het mannetje heeft een glanzend groen-zwarte kop met felgele iris en een witte ronde wangvlek, plus een zwart-wit lichaam. Vrouwtjes hebben een chocoladebruine kop, grijs lichaam en vaak een subtiele lichte halsband. In vlucht vallen de compacte groepjes en het fluitende vleugelgeluid op. De brilduiker duikt naar insectenlarven, kreeftachtigen en andere waterdieren, en aan de kust ook mosselen en soms kleine vis. Bijzonder: hij broedt in boomholtes (of nestkasten) en gebruikt vaak jarenlang dezelfde plek; een legsel telt gemiddeld rond de 9 eieren. Status: Niet bedreigd (LC).
Herkenning is relatief makkelijk: het mannetje heeft een glanzend groen-zwarte kop met felgele iris en een witte ronde wangvlek, plus een zwart-wit lichaam. Vrouwtjes hebben een chocoladebruine kop, grijs lichaam en vaak een subtiele lichte halsband. In vlucht vallen de compacte groepjes en het fluitende vleugelgeluid op. De brilduiker duikt naar insectenlarven, kreeftachtigen en andere waterdieren, en aan de kust ook mosselen en soms kleine vis. Bijzonder: hij broedt in boomholtes (of nestkasten) en gebruikt vaak jarenlang dezelfde plek; een legsel telt gemiddeld rond de 9 eieren. Status: Niet bedreigd (LC).