De Ardeidae-familie, beter bekend als reigers, is een groep middelgrote tot grote waadvogels die wereldwijd voorkomt. Deze vogels hebben lange poten, een slanke nek en een scherpe snavel, perfect aangepast aan hun jachttechniek waarbij ze stilstaand of langzaam lopend vissen, amfibieën en andere kleine dieren vangen. Tot de familie behoren onder andere reigers, roerdompen en kwakken. Veel soorten leven in wetlands, moerassen en langs oevers, waar ze een belangrijke rol spelen in het ecosysteem. Reigers staan bekend om hun sierlijke vlucht en geduldige jachtgedrag.
Foto’s ©Jan Dolphijn
Genus Ardea
Ardea (Linnaeus, 1758) is een geslacht van de echte reigers en omvat enkele van de bekendste en grootste reigersoorten ter wereld. Soorten uit dit geslacht komen vooral voor in warme en gematigde delen van de wereld en ontbreken alleen in de extreem hoge breedten en op de hoogste berggebieden. Binnen de reigerfamilie behoren zij tot de grootste, langpotigste en langhalzigste vertegenwoordigers.
Soorten binnen Ardea zijn grote, krachtig gebouwde vogels met lange poten, een lange hals en een stevige, speervormige snavel. Het verenkleed is meestal vrij egaal van kleur en vaak grijs, blauwgrijs, witachtig of paarsachtig getint, soms met verlengde sierveren op kop, hals of rug. Door de statige houding, de lange lichaamslijnen en de trage, beheerste bewegingen zijn deze reigers direct herkenbaar. In vlucht wordt de hals ingetrokken, wat kenmerkend is voor reigers en roerdompen en hen onderscheidt van bijvoorbeeld ooievaars, kraanvogels en lepelaars, die met gestrekte hals vliegen.
Ardea-soorten leven vooral in moerassen, rietvelden, rivieroevers, meren, plassen, estuaria, kustgebieden en andere ondiepe wateren. Het voedsel bestaat vooral uit vissen, maar ook amfibieën, reptielen, kleine zoogdieren, insecten en andere waterdieren worden gegeten. De jachtwijze is meestal rustig en doelgericht: vaak wordt roerloos gewacht of langzaam door ondiep water geslopen, waarna de prooi met een snelle voorwaartse stoot van de snavel wordt gegrepen.
Veel soorten broeden in kolonies, vaak in bomen of struiken, waar grote takkennesten worden gebouwd. Vooral noordelijke soorten kunnen in de winter naar zuidelijker gebieden trekken wanneer wateren dichtvriezen. Door de combinatie van grote afmetingen, krachtige snavel, ingetrokken hals in vlucht en de typische jachtwijze vormt Ardea een van de meest kenmerkende geslachten binnen de reigerfamilie.
Soorten binnen Ardea zijn grote, krachtig gebouwde vogels met lange poten, een lange hals en een stevige, speervormige snavel. Het verenkleed is meestal vrij egaal van kleur en vaak grijs, blauwgrijs, witachtig of paarsachtig getint, soms met verlengde sierveren op kop, hals of rug. Door de statige houding, de lange lichaamslijnen en de trage, beheerste bewegingen zijn deze reigers direct herkenbaar. In vlucht wordt de hals ingetrokken, wat kenmerkend is voor reigers en roerdompen en hen onderscheidt van bijvoorbeeld ooievaars, kraanvogels en lepelaars, die met gestrekte hals vliegen.
Ardea-soorten leven vooral in moerassen, rietvelden, rivieroevers, meren, plassen, estuaria, kustgebieden en andere ondiepe wateren. Het voedsel bestaat vooral uit vissen, maar ook amfibieën, reptielen, kleine zoogdieren, insecten en andere waterdieren worden gegeten. De jachtwijze is meestal rustig en doelgericht: vaak wordt roerloos gewacht of langzaam door ondiep water geslopen, waarna de prooi met een snelle voorwaartse stoot van de snavel wordt gegrepen.
Veel soorten broeden in kolonies, vaak in bomen of struiken, waar grote takkennesten worden gebouwd. Vooral noordelijke soorten kunnen in de winter naar zuidelijker gebieden trekken wanneer wateren dichtvriezen. Door de combinatie van grote afmetingen, krachtige snavel, ingetrokken hals in vlucht en de typische jachtwijze vormt Ardea een van de meest kenmerkende geslachten binnen de reigerfamilie.
Blauwe Reiger
[latijn] Ardea cinerea | [authoriteit] Linnaeus, 1758 | [UK] Grey Heron | [FR] Heron cendre | [DE] Graureiher | [ES] Garza Real | [NL] Blauwe Reiger



Blauwe reiger details
De Blauwe reiger (Ardea cinerea) (Linnaeus, 1758) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en komt wijdverspreid voor in Eurazië, Afrika en delen van de Oriëntaalse regio. Populaties uit de meest noordelijke delen van het areaal zijn trek- of zwerfvogels, terwijl zuidelijkere populaties meestal standvogel zijn of slechts beperkte verplaatsingen maken. In het Palearctisch gebied neemt de trekneiging toe naar het noorden en oosten. De najaarstrek begint meestal in september of oktober en de terugkeer vangt vaak al in februari aan.
De blauwe reiger is een grote, langpotige en langhalzige viseter met een zware, dolkvormige snavel en een vrij diep lichaam. De kop en hals zijn overwegend licht van kleur en steken af tegen de grijze vleugels en de donkerder lichaamszijden. In vlucht vallen de lichtere markeringen langs de voorrand van de vleugel op, evenals het contrast tussen de grijzere dekveren en de bijna zwarte slagpennen. Jonge vogels hebben een donkerder kruin en een matter verenkleed. Door de ingetrokken hals in vlucht en de trage, krachtige vleugelslag is deze soort goed herkenbaar.
Deze soort is sterk gebonden aan geschikte wateren en aan plaatsen waar kan worden gerust en gebroed, vaak in bomen. De blauwe reiger leeft vooral langs ondiepe zoete wateren, zowel stilstaand als stromend, zoals brede rivieren, kleinere beken, afgesneden rivierarmen, delta’s, moerassen, meren, plassen en overstroomde terreinen. Ook estuaria, modderige oevers en zandige slikranden worden benut. Tegenwoordig verschijnt deze soort ook vaak in stedelijke gebieden, waar onder meer tuinvijvers en visrijke plekken worden bezocht.
Het voedsel bestaat vooral uit vissen, palingen en amfibieën. Daarnaast worden ook kleine zoogdieren, insecten, kreeftachtigen en reptielen gegeten. De jachtwijze is meestal geduldig en doelgericht. Vaak staat de vogel volledig stil op de uitkijk, waarna de hals bliksemsnel wordt gestrekt en de prooi met de dolkvormige snavel wordt gegrepen. Een volwassen blauwe reiger heeft dagelijks een aanzienlijke hoeveelheid voedsel nodig.
De balts en nestbinding gaan gepaard met een uitgebreid ritueel van roepen, het oprichten van de kuif, het strekken en buigen van de hals en het klapperen met de snavel. De paarband duurt gewoonlijk één broedseizoen. Het nest is groot en wordt gebouwd van droge takken, twijgen en plantenmateriaal. Vaak wordt hetzelfde nest in volgende jaren opnieuw gebruikt. Blauwe reigers broeden meestal in kolonies, soms met meerdere nesten in één boom. Het mannetje brengt veel nestmateriaal aan, terwijl het vrouwtje een groot deel van de bouw uitvoert. Gewoonlijk worden drie tot vijf dof grijsblauwe eieren gelegd. Beide oudervogels broeden en verzorgen de jongen. De broedduur bedraagt ongeveer zesentwintig dagen. De jongen worden in het begin voortdurend bewaakt en gevoerd met opgebraakt voedsel. Na ongeveer vijfenvijftig dagen zijn de jonge vogels in staat om te vliegen.
De blauwe reiger is een grote, langpotige en langhalzige viseter met een zware, dolkvormige snavel en een vrij diep lichaam. De kop en hals zijn overwegend licht van kleur en steken af tegen de grijze vleugels en de donkerder lichaamszijden. In vlucht vallen de lichtere markeringen langs de voorrand van de vleugel op, evenals het contrast tussen de grijzere dekveren en de bijna zwarte slagpennen. Jonge vogels hebben een donkerder kruin en een matter verenkleed. Door de ingetrokken hals in vlucht en de trage, krachtige vleugelslag is deze soort goed herkenbaar.
Deze soort is sterk gebonden aan geschikte wateren en aan plaatsen waar kan worden gerust en gebroed, vaak in bomen. De blauwe reiger leeft vooral langs ondiepe zoete wateren, zowel stilstaand als stromend, zoals brede rivieren, kleinere beken, afgesneden rivierarmen, delta’s, moerassen, meren, plassen en overstroomde terreinen. Ook estuaria, modderige oevers en zandige slikranden worden benut. Tegenwoordig verschijnt deze soort ook vaak in stedelijke gebieden, waar onder meer tuinvijvers en visrijke plekken worden bezocht.
Het voedsel bestaat vooral uit vissen, palingen en amfibieën. Daarnaast worden ook kleine zoogdieren, insecten, kreeftachtigen en reptielen gegeten. De jachtwijze is meestal geduldig en doelgericht. Vaak staat de vogel volledig stil op de uitkijk, waarna de hals bliksemsnel wordt gestrekt en de prooi met de dolkvormige snavel wordt gegrepen. Een volwassen blauwe reiger heeft dagelijks een aanzienlijke hoeveelheid voedsel nodig.
De balts en nestbinding gaan gepaard met een uitgebreid ritueel van roepen, het oprichten van de kuif, het strekken en buigen van de hals en het klapperen met de snavel. De paarband duurt gewoonlijk één broedseizoen. Het nest is groot en wordt gebouwd van droge takken, twijgen en plantenmateriaal. Vaak wordt hetzelfde nest in volgende jaren opnieuw gebruikt. Blauwe reigers broeden meestal in kolonies, soms met meerdere nesten in één boom. Het mannetje brengt veel nestmateriaal aan, terwijl het vrouwtje een groot deel van de bouw uitvoert. Gewoonlijk worden drie tot vijf dof grijsblauwe eieren gelegd. Beide oudervogels broeden en verzorgen de jongen. De broedduur bedraagt ongeveer zesentwintig dagen. De jongen worden in het begin voortdurend bewaakt en gevoerd met opgebraakt voedsel. Na ongeveer vijfenvijftig dagen zijn de jonge vogels in staat om te vliegen.
Purperreiger
[LAT] Ardea purpurea |
[UK] Purple Heron |
[FR] Héron pourpré |
[DE] Purpurreiher |
[ES] Garza imperial |
[NL] Purperreiger






Purperreiger details
De Purperreiger (Ardea purpurea) (Linnaeus, 1766) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en komt voor in delen van Eurazië, Afrika en de Oriëntaalse regio. West-Palearctische populaties zijn trekvogels en overwinteren vooral in Afrika ten zuiden van de Sahara, maar ten noorden van de evenaar. De najaarstrek vindt vooral plaats van augustus tot oktober en de terugkeer naar de broedgebieden valt doorgaans tussen maart en mei. Afrikaanse en tropisch-Aziatische populaties zijn meestal standvogel, al kunnen lokaal verplaatsingen optreden.
De purperreiger is een grote maar opvallend slanke reiger met een langgerekt lichaam, een smalle kop en een lange hals. De snavel is lang, stevig en dolkvormig en wordt gebruikt om prooien met een snelle stoot te grijpen. De poten zijn lang en de tenen zijn goed gespreid, waardoor deze soort zich gemakkelijk kan bewegen in diep water, drassige oevers en op drijvende moerasvegetatie. Het verenkleed is donkerder en warmer getint dan dat van de blauwe reiger, met purperbruine, kastanjebruine en grijsachtige tonen die de soort een slank en elegant uiterlijk geven.
Deze soort leeft vooral in permanente moerassen, uitgestrekte rietvelden en andere natte gebieden met dichte moerasvegetatie. De purperreiger is sterker aan rietmoerassen gebonden dan de blauwe reiger en laat zich vaak minder openlijk zien. Geschikte leefgebieden liggen meestal in laaglandgebieden met stilstaand of langzaam stromend water en een rijke moerasbegroeiing. In Europa is de verspreiding vaak versnipperd en gebonden aan een beperkt aantal geschikte broedgebieden.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vis, maar ook amfibieën, insecten, kevers, weekdieren en andere kleine waterdieren worden gegeten. Daarnaast kunnen soms kleine zoogdieren, slangen, hagedissen en kleine vogels worden buitgemaakt. Vaak jaagt de purperreiger wadend door ondiep water, met de snavel dicht bij het oppervlak, waarna de prooi met een snelle hals- en kopbeweging wordt gegrepen. Vooral in de schemering en tijdens de nacht kan de soort actief foerageren.
Het nest wordt meestal gebouwd in rietvelden of tussen andere typische moerasplanten, vaak op een hoogte van een halve tot één meter boven het water. Soms wordt ook in bomen gebroed, tot op grotere hoogte boven de grond. Het nest bestaat uit riet en kleine takken. Gewoonlijk worden vier tot vijf eieren gelegd. De broedduur bedraagt ongeveer vijfentwintig tot dertig dagen. Beide oudervogels verzorgen de jongen en de paarband houdt meestal ten minste één broedseizoen stand. De jongen zijn na ongeveer vijfenveertig tot vijftig dagen vliegvlug. Purperreigers broeden vaak in kleine kolonies, soms slechts met enkele paren of zelfs solitair.
De purperreiger is een grote maar opvallend slanke reiger met een langgerekt lichaam, een smalle kop en een lange hals. De snavel is lang, stevig en dolkvormig en wordt gebruikt om prooien met een snelle stoot te grijpen. De poten zijn lang en de tenen zijn goed gespreid, waardoor deze soort zich gemakkelijk kan bewegen in diep water, drassige oevers en op drijvende moerasvegetatie. Het verenkleed is donkerder en warmer getint dan dat van de blauwe reiger, met purperbruine, kastanjebruine en grijsachtige tonen die de soort een slank en elegant uiterlijk geven.
Deze soort leeft vooral in permanente moerassen, uitgestrekte rietvelden en andere natte gebieden met dichte moerasvegetatie. De purperreiger is sterker aan rietmoerassen gebonden dan de blauwe reiger en laat zich vaak minder openlijk zien. Geschikte leefgebieden liggen meestal in laaglandgebieden met stilstaand of langzaam stromend water en een rijke moerasbegroeiing. In Europa is de verspreiding vaak versnipperd en gebonden aan een beperkt aantal geschikte broedgebieden.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vis, maar ook amfibieën, insecten, kevers, weekdieren en andere kleine waterdieren worden gegeten. Daarnaast kunnen soms kleine zoogdieren, slangen, hagedissen en kleine vogels worden buitgemaakt. Vaak jaagt de purperreiger wadend door ondiep water, met de snavel dicht bij het oppervlak, waarna de prooi met een snelle hals- en kopbeweging wordt gegrepen. Vooral in de schemering en tijdens de nacht kan de soort actief foerageren.
Het nest wordt meestal gebouwd in rietvelden of tussen andere typische moerasplanten, vaak op een hoogte van een halve tot één meter boven het water. Soms wordt ook in bomen gebroed, tot op grotere hoogte boven de grond. Het nest bestaat uit riet en kleine takken. Gewoonlijk worden vier tot vijf eieren gelegd. De broedduur bedraagt ongeveer vijfentwintig tot dertig dagen. Beide oudervogels verzorgen de jongen en de paarband houdt meestal ten minste één broedseizoen stand. De jongen zijn na ongeveer vijfenveertig tot vijftig dagen vliegvlug. Purperreigers broeden vaak in kleine kolonies, soms slechts met enkele paren of zelfs solitair.
Sokoi reiger
[latin] Ardea cocoi | [authority] Linnaeus, 1766 | [UK] Cocoi Heron | [FR] Heron cocoi | [DE] Cocoireiher | [ES] Garza Cuca | [NL] Sokoi-reiger


Sokoi reiger details
De Sokoireiger (Ardea cocoi) (Linnaeus, 1766) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied in Zuid-Amerika en komt daar wijdverspreid voor. In het grootste deel van het areaal is de soort standvogel, al treden in de zuidelijkste delen waarschijnlijk noordwaartse verplaatsingen op tijdens de winter. Ook na de broedtijd kan enige verspreiding plaatsvinden. In Suriname is de sokoireiger doorgaans een standvogel, met plaatselijk enige verplaatsing na het broedseizoen.
De sokoireiger is een grote, statige reiger met een overwegend grijs tot blauwgrijs verenkleed. De kop en hals zijn lichter, vaak witachtig van kleur. De kruin en nek zijn zwart, evenals de borst. De buik is wit en de slagpennen zijn zwart. De snavel is lang, spits en geelachtig. Door de combinatie van de contrastrijke koptekening, de donkere borst en de lange hals is deze soort goed herkenbaar.
Deze soort leeft langs meren, rivieren, estuaria, mangroven en andere wetlands. Vooral ondiepe wateren en oeverzones met voldoende rust zijn geschikt. De sokoireiger wordt meestal alleen gezien en valt op door een voorzichtige en rustige manier van jagen. Vaak wordt langzaam door ondiep water geslopen of langdurig stilgestaan terwijl geduldig op een prooi wordt gewacht.
Het voedsel bestaat vooral uit vis, maar ook krabben, weekdieren, kleine kikkers en reptielen worden gegeten. De prooi wordt meestal met een snelle stoot van de snavel gegrepen. Door de krachtige snavel en de trage, beheerste jachtwijze is deze soort goed aangepast aan een leven in ondiepe waterrijke gebieden.
Buiten de broedtijd leeft de sokoireiger meestal solitair en teruggetrokken. In de voortplantingsperiode wordt vaak in kolonies gebroed. Het nest wordt in bomen gebouwd van droge takken. Gewoonlijk worden twee tot vier hemelsblauwe eieren gelegd. Beide oudervogels zijn in de broedtijd sterk gebonden aan rustige en veilige nestplaatsen in de nabijheid van water.
De sokoireiger is een grote, statige reiger met een overwegend grijs tot blauwgrijs verenkleed. De kop en hals zijn lichter, vaak witachtig van kleur. De kruin en nek zijn zwart, evenals de borst. De buik is wit en de slagpennen zijn zwart. De snavel is lang, spits en geelachtig. Door de combinatie van de contrastrijke koptekening, de donkere borst en de lange hals is deze soort goed herkenbaar.
Deze soort leeft langs meren, rivieren, estuaria, mangroven en andere wetlands. Vooral ondiepe wateren en oeverzones met voldoende rust zijn geschikt. De sokoireiger wordt meestal alleen gezien en valt op door een voorzichtige en rustige manier van jagen. Vaak wordt langzaam door ondiep water geslopen of langdurig stilgestaan terwijl geduldig op een prooi wordt gewacht.
Het voedsel bestaat vooral uit vis, maar ook krabben, weekdieren, kleine kikkers en reptielen worden gegeten. De prooi wordt meestal met een snelle stoot van de snavel gegrepen. Door de krachtige snavel en de trage, beheerste jachtwijze is deze soort goed aangepast aan een leven in ondiepe waterrijke gebieden.
Buiten de broedtijd leeft de sokoireiger meestal solitair en teruggetrokken. In de voortplantingsperiode wordt vaak in kolonies gebroed. Het nest wordt in bomen gebouwd van droge takken. Gewoonlijk worden twee tot vier hemelsblauwe eieren gelegd. Beide oudervogels zijn in de broedtijd sterk gebonden aan rustige en veilige nestplaatsen in de nabijheid van water.
Grote Zilverreiger
[latijn] ardea alba | [authoriteit] Linnaeus, 1758 | [UK] Great Egret | [FR] Grande Aigrette | [DE] Silberreiher | [ES] Garza Blanca | [NL] Grote Zilverreiger



Grote zilverreiger details
De Grote zilverreiger (Ardea alba) (Linnaeus, 1758) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en komt voor in Noord- en Zuid-Amerika, Afrika en grote delen van Eurazië. Na de broedtijd treden vaak uitgebreide zwerfbewegingen op. Populaties uit het Palearctisch gebied en Noord-Amerika zijn gedeeltelijk trekkend, terwijl tropische populaties meestal standvogel zijn. In Oost-Azië trekken vogels naar Zuidoost-Azië en de Filipijnen, terwijl andere Palearctische vogels vooral naar het Middellandse Zeegebied, het Midden-Oosten en aangrenzende gebieden trekken.
De grote zilverreiger is een grote, slanke reiger met een volledig wit verenkleed, een lange hals en een lange, dolkvormige gele snavel. De poten en voeten zijn glanzend zwart. Mannetjes en vrouwtjes lijken sterk op elkaar, al zijn mannetjes gemiddeld iets zwaarder. Deze soort is groter dan de meeste andere witte reigers en behoort tot de grootste soorten van de familie. In vlucht wordt de hals in een open S-vorm gehouden, wat een kenmerkend silhouet oplevert.
Deze soort leeft langs zoet- en zoutwatermoerassen, plassen, beken, meren, beboste moerassen, slikranden en andere ondiepe natte gebieden. Ook in meer door mensen beïnvloede landschappen kan de grote zilverreiger voorkomen, zolang geschikt voedsel en ondiep water aanwezig zijn. De soort jaagt meestal in open terrein en gebruikt zowel natuurlijke wetlands als kunstmatige wateren.
Het voedsel bestaat vooral uit vis en andere waterdieren. Daarnaast worden ook ongewervelden, reptielen, amfibieën en kleine zoogdieren gegeten. De grote zilverreiger jaagt vaak door langdurig roerloos in ondiep water te staan wachten, waarna een prooi met een snelle stoot van de snavel wordt gegrepen. Ook langzaam lopend door ondiep water foerageren is een gebruikelijke jachtwijze. Jonge vogels krijgen vooral kleine vissen, kikkers en kreeftachtigen als voedsel.
De grote zilverreiger broedt meestal in de buurt van water, in bomen, struiken of dicht geboomte. Soms broeden paren afzonderlijk, maar meestal gebeurt dat in kolonies, vaak samen met andere reigersoorten. In gemengde kolonies bevindt het nest van de grote zilverreiger zich vaak hoger dan dat van andere soorten. Het mannetje kiest de nestplaats en lokt daar een vrouwtje. Beide oudervogels bouwen het nest van takken en beide nemen deel aan het broeden. Gewoonlijk worden drie tot vier eieren gelegd en de broedduur bedraagt ongeveer drieëntwintig tot zesentwintig dagen. Beide oudervogels voeren de jongen met opgebraakt voedsel. Na ongeveer drie weken beginnen de jongen zich rond het nest te verplaatsen en na zes tot zeven weken zijn zij vliegvlug.
De grote zilverreiger is een grote, slanke reiger met een volledig wit verenkleed, een lange hals en een lange, dolkvormige gele snavel. De poten en voeten zijn glanzend zwart. Mannetjes en vrouwtjes lijken sterk op elkaar, al zijn mannetjes gemiddeld iets zwaarder. Deze soort is groter dan de meeste andere witte reigers en behoort tot de grootste soorten van de familie. In vlucht wordt de hals in een open S-vorm gehouden, wat een kenmerkend silhouet oplevert.
Deze soort leeft langs zoet- en zoutwatermoerassen, plassen, beken, meren, beboste moerassen, slikranden en andere ondiepe natte gebieden. Ook in meer door mensen beïnvloede landschappen kan de grote zilverreiger voorkomen, zolang geschikt voedsel en ondiep water aanwezig zijn. De soort jaagt meestal in open terrein en gebruikt zowel natuurlijke wetlands als kunstmatige wateren.
Het voedsel bestaat vooral uit vis en andere waterdieren. Daarnaast worden ook ongewervelden, reptielen, amfibieën en kleine zoogdieren gegeten. De grote zilverreiger jaagt vaak door langdurig roerloos in ondiep water te staan wachten, waarna een prooi met een snelle stoot van de snavel wordt gegrepen. Ook langzaam lopend door ondiep water foerageren is een gebruikelijke jachtwijze. Jonge vogels krijgen vooral kleine vissen, kikkers en kreeftachtigen als voedsel.
De grote zilverreiger broedt meestal in de buurt van water, in bomen, struiken of dicht geboomte. Soms broeden paren afzonderlijk, maar meestal gebeurt dat in kolonies, vaak samen met andere reigersoorten. In gemengde kolonies bevindt het nest van de grote zilverreiger zich vaak hoger dan dat van andere soorten. Het mannetje kiest de nestplaats en lokt daar een vrouwtje. Beide oudervogels bouwen het nest van takken en beide nemen deel aan het broeden. Gewoonlijk worden drie tot vier eieren gelegd en de broedduur bedraagt ongeveer drieëntwintig tot zesentwintig dagen. Beide oudervogels voeren de jongen met opgebraakt voedsel. Na ongeveer drie weken beginnen de jongen zich rond het nest te verplaatsen en na zes tot zeven weken zijn zij vliegvlug.
Withalsreiger
[latijn] Ardea pacifica | [authoriteit] Wagler, 1829 | [UK] White-necked heron | [FR] Héron à tête blanche | [DE] Weißhalsreiher | [ES] Garza de cuello blanco | [NL] Withalsreiger



Withalsreiger details
De Withalsreiger (Ardea pacifica) (Latham, 1801) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort komt voor in Australië en zuidelijk Nieuw-Guinea en is van nature ook aanwezig in Tasmanië. Plaatselijk bereikt de soort ook Nieuw-Zeeland. De withalsreiger is een uitgesproken zwervende soort die sterk reageert op de seizoensdynamiek van Australische wetlands. In droge perioden wordt de soort vaker langs de kust aangetroffen, terwijl na regenval en overstromingen juist de natte binnenlandse gebieden worden opgezocht. In jaren met uitzonderlijk veel regen kunnen plotseling grote aantallen verschijnen in gebieden waar de soort normaal schaars is.
De withalsreiger is een grote, slanke reiger met een opvallend contrastrijk verenkleed. De kop is wit en de lange hals is eveneens wit, met aan de voorzijde twee rijen zwarte vlekken of strepen. De bovenzijde van het lichaam is donker leizwart. In de broedtijd verschijnen pruimkleurige sierveren op rug en borst. De onderzijde is grijzer en wit gestreept. De snavel is zwart, de naakte huid in het gezicht is blauw of geelachtig, de ogen zijn groen en de poten en voeten zijn zwart. Door de lange witte hals en de donkere bovenzijde is deze soort direct herkenbaar.
Deze soort leeft vooral in ondiepe zoetwatergebieden, waaronder boerensloten en waterreservoirs, overstroomde graslanden, kleipannen, tijdelijke plassen en zelfs natte wegbermen. Hoewel de withalsreiger soms ook in getijdengebieden wordt gezien, ligt het zwaartepunt duidelijk in binnenlandse ondiepe wateren. De soort foerageert vaak in open terrein en is daardoor in geschikte omstandigheden goed zichtbaar.
Het voedsel bestaat uit vissen, amfibieën, kreeftachtigen en insecten. De withalsreiger jaagt wadend door ondiep water of sluipend door nat gras, waarbij rustig en bedachtzaam naar prooi wordt gezocht. Door deze flexibele jachtwijze kan de soort gebruikmaken van uiteenlopende tijdelijke en permanente natte leefgebieden.
De withalsreiger kan in elke maand van het jaar broeden wanneer goede regenval daarvoor de juiste omstandigheden schept, al ligt het zwaartepunt meestal tussen september en december. Het nest is een los platform van takken in een levende boom, vaak boven of vlak bij water. Er wordt solitair gebroed of in losse kolonies. Beide oudervogels broeden de eieren uit. Gewoonlijk worden twee tot zes eieren gelegd. De broedduur bedraagt ongeveer een maand en de jongen zijn na ongeveer zes tot zeven weken vliegvlug.
De withalsreiger is een grote, slanke reiger met een opvallend contrastrijk verenkleed. De kop is wit en de lange hals is eveneens wit, met aan de voorzijde twee rijen zwarte vlekken of strepen. De bovenzijde van het lichaam is donker leizwart. In de broedtijd verschijnen pruimkleurige sierveren op rug en borst. De onderzijde is grijzer en wit gestreept. De snavel is zwart, de naakte huid in het gezicht is blauw of geelachtig, de ogen zijn groen en de poten en voeten zijn zwart. Door de lange witte hals en de donkere bovenzijde is deze soort direct herkenbaar.
Deze soort leeft vooral in ondiepe zoetwatergebieden, waaronder boerensloten en waterreservoirs, overstroomde graslanden, kleipannen, tijdelijke plassen en zelfs natte wegbermen. Hoewel de withalsreiger soms ook in getijdengebieden wordt gezien, ligt het zwaartepunt duidelijk in binnenlandse ondiepe wateren. De soort foerageert vaak in open terrein en is daardoor in geschikte omstandigheden goed zichtbaar.
Het voedsel bestaat uit vissen, amfibieën, kreeftachtigen en insecten. De withalsreiger jaagt wadend door ondiep water of sluipend door nat gras, waarbij rustig en bedachtzaam naar prooi wordt gezocht. Door deze flexibele jachtwijze kan de soort gebruikmaken van uiteenlopende tijdelijke en permanente natte leefgebieden.
De withalsreiger kan in elke maand van het jaar broeden wanneer goede regenval daarvoor de juiste omstandigheden schept, al ligt het zwaartepunt meestal tussen september en december. Het nest is een los platform van takken in een levende boom, vaak boven of vlak bij water. Er wordt solitair gebroed of in losse kolonies. Beide oudervogels broeden de eieren uit. Gewoonlijk worden twee tot zes eieren gelegd. De broedduur bedraagt ongeveer een maand en de jongen zijn na ongeveer zes tot zeven weken vliegvlug.
Oostelijke grote zilverreiger
[latijn] Ardea alba modesta| [authoriteit] Gray, 1831 | [UK] Eastern great egret | [FR] Grande Aigrette | [DE] Weißhalsreiher | [ES] garceta grande oriental | [NL] Oosterse grote zilverreiger




Oostelijke Grote zilverreiger details
De Oostelijke grote zilverreiger (Ardea alba modesta) (Gray, 1831) is een oostelijke vorm van de grote zilverreiger en komt voor in grote delen van Azië en Australazië. Deze reiger wordt doorgaans beschouwd als een geografische ondersoort binnen de grote zilverreiger. Binnen het verspreidingsgebied is deze vorm plaatselijk standvogel, terwijl in andere gebieden zwerfbewegingen en seizoensgebonden verplaatsingen voorkomen.
Deze vogel is een grote, slanke witte reiger met een lange hals, lange poten en een krachtige, dolkvormige snavel. Het verenkleed is geheel wit. De snavel is buiten de broedtijd meestal geel, terwijl in de broedperiode veranderingen in de kleur van snavel en naakte huid kunnen optreden. De poten zijn donker. Door de combinatie van de grote lichaamslengte, de volledig witte kleur en de langgerekte bouw is deze reiger goed herkenbaar in open natte landschappen.
De oostelijke grote zilverreiger leeft in uiteenlopende wetlands, zoals moerassen, meren, rivieroevers, slikvelden, lagunes, rijstvelden en andere ondiepe watergebieden. Zowel zoet, brak als zout water kan worden gebruikt. De soort foerageert meestal in open terrein, waar langzaam door ondiep water wordt gelopen of langdurig stil wordt gestaan op zoek naar prooi.
Het voedsel bestaat vooral uit vis, maar ook amfibieën, kreeftachtigen, insecten en andere kleine waterdieren worden gegeten. Prooien worden meestal met een snelle stoot van de snavel gegrepen. Door de rustige en doelgerichte jachtwijze is deze reiger goed aangepast aan voedsel zoeken in ondiep water en langs oevers.
De voortplanting vindt meestal plaats in kolonies, vaak samen met andere reigers en watervogels. Het nest wordt gebouwd van takken en ligt meestal in bomen, struiken of rietvegetatie boven of nabij water. Beide oudervogels nemen deel aan het bouwen van het nest, het broeden en de verzorging van de jongen. Daardoor sluit de broedbiologie van deze ondersoort nauw aan bij die van de grote zilverreiger als geheel.
Deze vogel is een grote, slanke witte reiger met een lange hals, lange poten en een krachtige, dolkvormige snavel. Het verenkleed is geheel wit. De snavel is buiten de broedtijd meestal geel, terwijl in de broedperiode veranderingen in de kleur van snavel en naakte huid kunnen optreden. De poten zijn donker. Door de combinatie van de grote lichaamslengte, de volledig witte kleur en de langgerekte bouw is deze reiger goed herkenbaar in open natte landschappen.
De oostelijke grote zilverreiger leeft in uiteenlopende wetlands, zoals moerassen, meren, rivieroevers, slikvelden, lagunes, rijstvelden en andere ondiepe watergebieden. Zowel zoet, brak als zout water kan worden gebruikt. De soort foerageert meestal in open terrein, waar langzaam door ondiep water wordt gelopen of langdurig stil wordt gestaan op zoek naar prooi.
Het voedsel bestaat vooral uit vis, maar ook amfibieën, kreeftachtigen, insecten en andere kleine waterdieren worden gegeten. Prooien worden meestal met een snelle stoot van de snavel gegrepen. Door de rustige en doelgerichte jachtwijze is deze reiger goed aangepast aan voedsel zoeken in ondiep water en langs oevers.
De voortplanting vindt meestal plaats in kolonies, vaak samen met andere reigers en watervogels. Het nest wordt gebouwd van takken en ligt meestal in bomen, struiken of rietvegetatie boven of nabij water. Beide oudervogels nemen deel aan het bouwen van het nest, het broeden en de verzorging van de jongen. Daardoor sluit de broedbiologie van deze ondersoort nauw aan bij die van de grote zilverreiger als geheel.
Amerikaanse Blauwe reiger
[latijn] Ardea herodias | [authoriteit] Linnaeus, 1758 | [UK] Great blue heron | [FR] Grand Héron | [DE] Kanadareiher | [ES] Garza morena | [NL] Amerikaanse blauwe reiger




Amerikaanse blauwe reiger details
De Amerikaanse blauwe reiger (Ardea herodias) (Linnaeus, 1758) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied in Noord- en Midden-Amerika en komt daar wijdverspreid voor. In Noord-Amerika treden na het broedseizoen duidelijke zwerfbewegingen op. Noordelijke populaties zijn trekvogels, terwijl zuidelijke populaties meestal standvogel zijn of alleen lokale verplaatsingen maken. In de herfst trekken veel vogels naar het zuiden van de Verenigde Staten, Cuba, de West-Indische eilanden, Midden-Amerika en het noorden van Zuid-Amerika. Een deel van de vogels overwintert echter vrij noordelijk.
De Amerikaanse blauwe reiger is de grootste reiger van Noord-Amerika. Het is een forse, langpotige en langhalzige vogel met brede afgeronde vleugels, een korte staart en een lange, spits toelopende snavel. De snavel is geelachtig en de poten zijn groenig. De bovenzijde is overwegend grijsblauw. De hals is getekend met witte, zwarte en roestbruine strepen. In de nek bevinden zich verlengde grijze veren en op de dijen zijn kastanjebruine veren aanwezig. Mannetjes hebben meestal een opvallendere kuif en zijn gemiddeld iets groter dan vrouwtjes. Door de combinatie van grote afmetingen, lange hals en blauwgrijs verenkleed is deze soort zeer herkenbaar.
Deze soort leeft altijd in de nabijheid van water, zoals langs rivieren, meren, moerassen, kustwateren en zwampen. Meestal wordt gebroed in bomen of struiken vlak bij het water, soms tot op aanzienlijke hoogte. Binnen het verspreidingsgebied worden allerlei waterrijke landschappen benut, zolang voldoende voedsel en rustige nestplaatsen aanwezig zijn. Langs de oostkust van Noord-Amerika wordt vaker het binnenland gebruikt dan uitgesproken mariene leefgebieden.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vis, maar daarnaast worden ook kikkers, salamanders, hagedissen, slangen, vogels, kleine zoogdieren, garnalen, krabben, rivierkreeften, libellen, sprinkhanen en andere watergebonden insecten gegeten. De Amerikaanse blauwe reiger jaagt zowel overdag als in de schemering en nacht, met een piek rond zonsopkomst en zonsondergang. Vaak wordt langzaam door ondiep water gewaad, waarna de prooi met een snelle stoot van de dolkvormige snavel wordt gegrepen. Prooien worden meestal in hun geheel doorgeslikt.
De broedtijd valt in het noordelijke deel van het areaal vooral tussen maart en mei. Het legsel bestaat meestal uit twee tot zeven bleekblauwe eieren. Beide oudervogels broeden en wisselen elkaar daarbij af. De broedduur bedraagt ongeveer zesentwintig tot dertig dagen. De jongen blijven ongeveer twee maanden in het nest voordat zij uitvliegen. Beide oudervogels verzorgen en voeren de jongen tot deze zelfstandig genoeg zijn. De soort bereikt geslachtsrijpheid op een leeftijd van ongeveer twee jaar.
De Amerikaanse blauwe reiger is de grootste reiger van Noord-Amerika. Het is een forse, langpotige en langhalzige vogel met brede afgeronde vleugels, een korte staart en een lange, spits toelopende snavel. De snavel is geelachtig en de poten zijn groenig. De bovenzijde is overwegend grijsblauw. De hals is getekend met witte, zwarte en roestbruine strepen. In de nek bevinden zich verlengde grijze veren en op de dijen zijn kastanjebruine veren aanwezig. Mannetjes hebben meestal een opvallendere kuif en zijn gemiddeld iets groter dan vrouwtjes. Door de combinatie van grote afmetingen, lange hals en blauwgrijs verenkleed is deze soort zeer herkenbaar.
Deze soort leeft altijd in de nabijheid van water, zoals langs rivieren, meren, moerassen, kustwateren en zwampen. Meestal wordt gebroed in bomen of struiken vlak bij het water, soms tot op aanzienlijke hoogte. Binnen het verspreidingsgebied worden allerlei waterrijke landschappen benut, zolang voldoende voedsel en rustige nestplaatsen aanwezig zijn. Langs de oostkust van Noord-Amerika wordt vaker het binnenland gebruikt dan uitgesproken mariene leefgebieden.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vis, maar daarnaast worden ook kikkers, salamanders, hagedissen, slangen, vogels, kleine zoogdieren, garnalen, krabben, rivierkreeften, libellen, sprinkhanen en andere watergebonden insecten gegeten. De Amerikaanse blauwe reiger jaagt zowel overdag als in de schemering en nacht, met een piek rond zonsopkomst en zonsondergang. Vaak wordt langzaam door ondiep water gewaad, waarna de prooi met een snelle stoot van de dolkvormige snavel wordt gegrepen. Prooien worden meestal in hun geheel doorgeslikt.
De broedtijd valt in het noordelijke deel van het areaal vooral tussen maart en mei. Het legsel bestaat meestal uit twee tot zeven bleekblauwe eieren. Beide oudervogels broeden en wisselen elkaar daarbij af. De broedduur bedraagt ongeveer zesentwintig tot dertig dagen. De jongen blijven ongeveer twee maanden in het nest voordat zij uitvliegen. Beide oudervogels verzorgen en voeren de jongen tot deze zelfstandig genoeg zijn. De soort bereikt geslachtsrijpheid op een leeftijd van ongeveer twee jaar.