Genus Egretta
Egretta (Forster, 1817) is een geslacht van middelgrote reigers die vooral in warmere delen van de wereld broeden. Soorten uit dit geslacht komen in een groot deel van de wereld voor en bewonen vooral wetlands in warme en gematigde gebieden. Sommige soorten hebben een zeer groot verspreidingsgebied en kunnen zich ook uitbreiden naar nieuwe regio’s, zoals bij enkele zilverreigers en blauwe reigersoorten is gebeurd.
Soorten binnen Egretta hebben de typische bouw van reigers, met een lange hals, lange poten en een slanke, rechte snavel. Het uiterlijk binnen dit geslacht varieert vrij sterk. Sommige soorten zijn geheel wit, andere zijn donker of blauwgrijs, en bij enkele soorten komen verschillende kleurvormen voor. In de broedtijd ontwikkelen veel soorten sierveren of verlengde pluimen, vooral op kop, hals of rug. Daardoor kan het uiterlijk in de broedperiode opvallender zijn dan daarbuiten.
Deze reigers leven vooral in moerassen, ondiepe plassen, lagunes, rivieroevers, mangroven, estuaria en andere natte gebieden met ondiep water. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vis, kreeftachtigen, insecten, amfibieën en andere kleine waterdieren. De jachtwijze is meestal rustig en doelgericht, waarbij langzaam door ondiep water wordt gelopen of roerloos wordt gewacht tot een prooi binnen bereik komt.
De voortplanting vindt plaats in warme, waterrijke gebieden met geschikte nestplaatsen in bomen, struiken of dichte vegetatie. Soorten uit Egretta broeden meestal in kolonies, vaak samen met andere steltlopers of reigersoorten. Het nest bestaat doorgaans uit een platform van takken. Door de combinatie van slanke bouw, ondiep-waterjacht en vaak sierlijke broedpluimen vormt Egretta een zeer herkenbaar geslacht binnen de reigerfamilie.
Soorten binnen Egretta hebben de typische bouw van reigers, met een lange hals, lange poten en een slanke, rechte snavel. Het uiterlijk binnen dit geslacht varieert vrij sterk. Sommige soorten zijn geheel wit, andere zijn donker of blauwgrijs, en bij enkele soorten komen verschillende kleurvormen voor. In de broedtijd ontwikkelen veel soorten sierveren of verlengde pluimen, vooral op kop, hals of rug. Daardoor kan het uiterlijk in de broedperiode opvallender zijn dan daarbuiten.
Deze reigers leven vooral in moerassen, ondiepe plassen, lagunes, rivieroevers, mangroven, estuaria en andere natte gebieden met ondiep water. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vis, kreeftachtigen, insecten, amfibieën en andere kleine waterdieren. De jachtwijze is meestal rustig en doelgericht, waarbij langzaam door ondiep water wordt gelopen of roerloos wordt gewacht tot een prooi binnen bereik komt.
De voortplanting vindt plaats in warme, waterrijke gebieden met geschikte nestplaatsen in bomen, struiken of dichte vegetatie. Soorten uit Egretta broeden meestal in kolonies, vaak samen met andere steltlopers of reigersoorten. Het nest bestaat doorgaans uit een platform van takken. Door de combinatie van slanke bouw, ondiep-waterjacht en vaak sierlijke broedpluimen vormt Egretta een zeer herkenbaar geslacht binnen de reigerfamilie.
Middelste zilverreiger
[latijn] Egretta intermedia | [authoriteit] Wagler, 1829 | [UK] Intermediate Egret | [FR] Aigrette intermediaire | [DE] Mittelreiher | [ES] Garceta intermedia | [NL] Middelste Zilverreiger


Middelste zilverreiger details
De Middelste zilverreiger (Ardea intermedia) (Wagler, 1829) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en komt wijdverspreid voor in de Oriëntaalse regio, Afrika en Australazië. In grote delen van het areaal is de soort vooral standvogel, maar er treden ook zwerfbewegingen en uitgebreide verspreiding na het broedseizoen op. Noordelijke populaties zijn duidelijker trekkend, terwijl andere populaties meer lokaal van plaats wisselen afhankelijk van waterstand en voedselbeschikbaarheid.
De middelste zilverreiger is een middelgrote witte reiger en lijkt op de grote zilverreiger, maar is kleiner en compacter gebouwd. De kop oogt ronder en de oranjegele snavel is korter en minder langgerekt. De hals is ongeveer even lang als het lichaam, wat deze soort een wat gedrongener silhouet geeft dan de grotere witte reigers. In broedkleed verkleurt de snavel diep roze tot roodachtig, de naakte huid van het gezicht wordt blauwgroen en er ontwikkelen zich lange sierveren op borst en vleugels die voorbij de staart kunnen uitsteken.
Deze soort leeft vooral in laaggelegen natte gebieden, van zeeniveau tot plaatselijk hogere gebieden in heuvel- en bergland. De voorkeur gaat uit naar beschutte overstromingsvlakten en seizoensgebonden wetlands met ondiep water en een rijke begroeiing van grassen, kruiden, zeggen, riet of biezen, zolang die vegetatie niet te dicht is om nog te kunnen foerageren. Geschikte leefgebieden zijn onder meer moerassen, binnenlandse delta’s, poelen, moerasbossen, zoetwatermoerassen, rivieren, beken, rijstvelden, natte graslanden en oevers van zoete, brakke of zoute meren. Kustgebieden worden minder vaak gebruikt, maar mangroven, slikken, estuaria, kustlagunes en zoutmoerassen kunnen wel als rust- of foerageergebied dienen.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine vissen van minder dan tien centimeter lang. Daarnaast worden ook kikkers, kreeftachtigen en waterinsecten gegeten, zoals bloedzuigers, waterwantsen en libellenlarven. In drogere leefgebieden worden ook landdieren buitgemaakt, waaronder sprinkhanen, kevers, wantsen, slangen, spinnen, hagedissen en soms zelfs kleine vogels. De jacht vindt meestal plaats in ondiep water of op vochtige open bodem, waarbij rustig wordt gelopen of kort wordt stilgestaan voordat de prooi met een snelle stoot wordt gegrepen.
De broedtijd verschilt per regio, maar valt meestal samen met het natte seizoen. De middelste zilverreiger broedt doorgaans in kolonies samen met andere reigers en watervogels. Zulke kolonies kunnen uitgroeien tot zeer grote aantallen. Het nest is een ondiep platform van takken en ligt meestal drie tot zes meter boven de grond in een boom boven water of boven rietvelden. Gewoonlijk worden twee tot zes eieren gelegd. De broedduur bedraagt ongeveer eenentwintig tot zevenentwintig dagen. De jongen zijn na ongeveer vijfendertig dagen vliegvlug.
De middelste zilverreiger is een middelgrote witte reiger en lijkt op de grote zilverreiger, maar is kleiner en compacter gebouwd. De kop oogt ronder en de oranjegele snavel is korter en minder langgerekt. De hals is ongeveer even lang als het lichaam, wat deze soort een wat gedrongener silhouet geeft dan de grotere witte reigers. In broedkleed verkleurt de snavel diep roze tot roodachtig, de naakte huid van het gezicht wordt blauwgroen en er ontwikkelen zich lange sierveren op borst en vleugels die voorbij de staart kunnen uitsteken.
Deze soort leeft vooral in laaggelegen natte gebieden, van zeeniveau tot plaatselijk hogere gebieden in heuvel- en bergland. De voorkeur gaat uit naar beschutte overstromingsvlakten en seizoensgebonden wetlands met ondiep water en een rijke begroeiing van grassen, kruiden, zeggen, riet of biezen, zolang die vegetatie niet te dicht is om nog te kunnen foerageren. Geschikte leefgebieden zijn onder meer moerassen, binnenlandse delta’s, poelen, moerasbossen, zoetwatermoerassen, rivieren, beken, rijstvelden, natte graslanden en oevers van zoete, brakke of zoute meren. Kustgebieden worden minder vaak gebruikt, maar mangroven, slikken, estuaria, kustlagunes en zoutmoerassen kunnen wel als rust- of foerageergebied dienen.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine vissen van minder dan tien centimeter lang. Daarnaast worden ook kikkers, kreeftachtigen en waterinsecten gegeten, zoals bloedzuigers, waterwantsen en libellenlarven. In drogere leefgebieden worden ook landdieren buitgemaakt, waaronder sprinkhanen, kevers, wantsen, slangen, spinnen, hagedissen en soms zelfs kleine vogels. De jacht vindt meestal plaats in ondiep water of op vochtige open bodem, waarbij rustig wordt gelopen of kort wordt stilgestaan voordat de prooi met een snelle stoot wordt gegrepen.
De broedtijd verschilt per regio, maar valt meestal samen met het natte seizoen. De middelste zilverreiger broedt doorgaans in kolonies samen met andere reigers en watervogels. Zulke kolonies kunnen uitgroeien tot zeer grote aantallen. Het nest is een ondiep platform van takken en ligt meestal drie tot zes meter boven de grond in een boom boven water of boven rietvelden. Gewoonlijk worden twee tot zes eieren gelegd. De broedduur bedraagt ongeveer eenentwintig tot zevenentwintig dagen. De jongen zijn na ongeveer vijfendertig dagen vliegvlug.
Kleine Zilverreiger
[latijn] Egretta garzetta | [authoriteit] Linnaeus, 1766 | [UK] Little Egret | [FR] Aigrette garzette | [DE] Seidenreiher | [ES] Garceta Comun | [NL] Kleine Zilverreiger



Kleine zilverreiger details
De Kleine zilverreiger (Egretta garzetta) (Linnaeus, 1766)
heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en komt wijdverspreid voor in Eurazië, Afrika, de Oriëntaalse regio en Australazië. Na de broedtijd treden vaak uitgebreide zwerfbewegingen op. Palearctische populaties zijn gedeeltelijk trekkend en overwinteren vooral rond het Middellandse Zeegebied, in het Midden-Oosten en vooral in tropisch Afrika. Oostelijke populaties trekken vooral naar Zuid-China, Zuidoost-Azië en de Filipijnen. Afrikaanse, Indische en Australische populaties zijn meestal standvogel, al komen ook daar verspreiding en zwervend gedrag voor.
De kleine zilverreiger is een sierlijke, kleine witte reiger met een slanke hals, een fijne spitse zwarte snavel en zwarte poten met gele voeten. In broedkleed is het gezicht blauwig en zijn de teugels roodachtig. Op de achterkop staan dan twee lange, smalle witte sierveren die tot halverwege de hals reiken. Ook op de borst en schouderveren ontwikkelen zich lange sierveren. In deze periode kan de basis van de ondersnavel grijzer zijn en kleuren de voeten opvallend heldergeel tot oranjegeel, soms zelfs kort rozeachtig. Buiten het broedseizoen ontbreken de lange sierveren en zijn de teugels grijziger. Jonge vogels lijken op adulte vogels in winterkleed, maar zijn meestal iets matter van kleur.
Deze soort leeft in een grote verscheidenheid aan open natte gebieden in het binnenland en langs de kust. Ondiepe zones van meren, rivieren, beken, estuaria, lagunes, moerassen en andere wetlands worden veel gebruikt. De kleine zilverreiger broedt vooral in warme gematigde en subtropische gebieden. Noordelijke populaties trekken weg naar warmere streken, terwijl veel zuidelijke populaties het hele jaar in hetzelfde gebied blijven. Ook in Suriname en het Caribisch gebied wordt deze soort tegenwoordig vaker waargenomen, wat past bij een bredere uitbreiding van het verspreidingsgebied.
Het voedsel bestaat uit kleine vissen, kikkers, hagedissen, wormen, kreeftachtigen, weekdieren en uiteenlopende insecten. De soort foerageert meestal in ondiep water, vaak actief lopend, stilstaand wachtend of met snelle bewegingen door het water om prooien op te jagen. Door de slanke bouw en de snelle reacties is de kleine zilverreiger een zeer behendige jager in ondiepe wetlands.
De kleine zilverreiger broedt in kolonies, vaak samen met andere reigers en moerasvogels. Het nest wordt gebouwd in rietvelden, nat struikgewas of bomen in de buurt van water, soms tot op grote hoogte boven de grond. Het nest is een platform van twijgen of riet. Het mannetje brengt veel nestmateriaal aan, terwijl het vrouwtje vooral bouwt. Gewoonlijk worden drie tot vijf bleek groenblauwe eieren gelegd, met tussenpozen van één of twee dagen. Beide oudervogels broeden en de broedduur bedraagt ongeveer eenentwintig tot vijfentwintig dagen. De jongen komen uit met wit dons en worden door beide oudervogels gevoerd met opgebraakt voedsel. Na ongeveer drie weken verlaten de jongen het nest en klimmen zij in nabije takken of vegetatie. De eerste vlucht vindt meestal rond vijf weken plaats, waarna geleidelijk wordt geleerd om zelfstandig te foerageren in ondiep water.
heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en komt wijdverspreid voor in Eurazië, Afrika, de Oriëntaalse regio en Australazië. Na de broedtijd treden vaak uitgebreide zwerfbewegingen op. Palearctische populaties zijn gedeeltelijk trekkend en overwinteren vooral rond het Middellandse Zeegebied, in het Midden-Oosten en vooral in tropisch Afrika. Oostelijke populaties trekken vooral naar Zuid-China, Zuidoost-Azië en de Filipijnen. Afrikaanse, Indische en Australische populaties zijn meestal standvogel, al komen ook daar verspreiding en zwervend gedrag voor.
De kleine zilverreiger is een sierlijke, kleine witte reiger met een slanke hals, een fijne spitse zwarte snavel en zwarte poten met gele voeten. In broedkleed is het gezicht blauwig en zijn de teugels roodachtig. Op de achterkop staan dan twee lange, smalle witte sierveren die tot halverwege de hals reiken. Ook op de borst en schouderveren ontwikkelen zich lange sierveren. In deze periode kan de basis van de ondersnavel grijzer zijn en kleuren de voeten opvallend heldergeel tot oranjegeel, soms zelfs kort rozeachtig. Buiten het broedseizoen ontbreken de lange sierveren en zijn de teugels grijziger. Jonge vogels lijken op adulte vogels in winterkleed, maar zijn meestal iets matter van kleur.
Deze soort leeft in een grote verscheidenheid aan open natte gebieden in het binnenland en langs de kust. Ondiepe zones van meren, rivieren, beken, estuaria, lagunes, moerassen en andere wetlands worden veel gebruikt. De kleine zilverreiger broedt vooral in warme gematigde en subtropische gebieden. Noordelijke populaties trekken weg naar warmere streken, terwijl veel zuidelijke populaties het hele jaar in hetzelfde gebied blijven. Ook in Suriname en het Caribisch gebied wordt deze soort tegenwoordig vaker waargenomen, wat past bij een bredere uitbreiding van het verspreidingsgebied.
Het voedsel bestaat uit kleine vissen, kikkers, hagedissen, wormen, kreeftachtigen, weekdieren en uiteenlopende insecten. De soort foerageert meestal in ondiep water, vaak actief lopend, stilstaand wachtend of met snelle bewegingen door het water om prooien op te jagen. Door de slanke bouw en de snelle reacties is de kleine zilverreiger een zeer behendige jager in ondiepe wetlands.
De kleine zilverreiger broedt in kolonies, vaak samen met andere reigers en moerasvogels. Het nest wordt gebouwd in rietvelden, nat struikgewas of bomen in de buurt van water, soms tot op grote hoogte boven de grond. Het nest is een platform van twijgen of riet. Het mannetje brengt veel nestmateriaal aan, terwijl het vrouwtje vooral bouwt. Gewoonlijk worden drie tot vijf bleek groenblauwe eieren gelegd, met tussenpozen van één of twee dagen. Beide oudervogels broeden en de broedduur bedraagt ongeveer eenentwintig tot vijfentwintig dagen. De jongen komen uit met wit dons en worden door beide oudervogels gevoerd met opgebraakt voedsel. Na ongeveer drie weken verlaten de jongen het nest en klimmen zij in nabije takken of vegetatie. De eerste vlucht vindt meestal rond vijf weken plaats, waarna geleidelijk wordt geleerd om zelfstandig te foerageren in ondiep water.
Amerikaanse kleine zilverreiger
[latijn] Egretta thula | [authoriteit] Molina, 1782 | [UK] Snowy Egret | [FR] Aigrette neigeuse | [DE] Schmuckreiher | [ES] Gerceta Nivea | [NL] Amerikaanse Kleine Zilverreiger



Amerikaanse kleine zilverreiger details
Amerikaanse kleine zilverreiger (Egretta thula) (Molina, 1782) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en komt wijdverspreid voor van Noord-Amerika tot in Zuid-Amerika. Na het broedseizoen kunnen vogels ver buiten het normale broedgebied opduiken. In noordelijke delen van het verspreidingsgebied trekt de soort in de winter weg, terwijl in warmere streken veel populaties het hele jaar aanwezig blijven.
De Amerikaanse kleine zilverreiger is een kleine, elegante witte reiger met een slanke zwarte snavel, zwarte poten en opvallend gele voeten. Die felgekleurde voeten zijn een van de beste veldkenmerken en hebben de soort in het Engels de bijnaam van gouden slippers opgeleverd. In broedkleed ontwikkelen zich sierlijke, gekromde sierveren op de rug. Voor het oog bevindt zich een gelige vlek, die in de broedtijd roder kan kleuren. Jonge vogels kunnen aan de achterzijde van de poten nog wat gelige of groenige tinten tonen.
Deze soort leeft in moerassen, plassen, oevers, slikgebieden, overstroomde terreinen, zwampen en andere natte habitats, zowel in zoet als in zout water. In kustgebieden worden vaak beschutte baaien en lagunes benut, terwijl landinwaarts vooral uitgestrekte moerassen en grote wetlands belangrijk zijn. Soms foerageert de Amerikaanse kleine zilverreiger ook in drogere velden. Voor het broeden worden kolonies gevormd in bomen, struiken, mangroven en soms zelfs op of vlak boven de grond in moerassen.
Het voedsel is zeer gevarieerd en bestaat onder meer uit vis, insecten, kreeftachtigen, krabben, rivierkreeften, kikkers, slangen, slakken, wormen, hagedissen en kleine knaagdieren. De Amerikaanse kleine zilverreiger foerageert vaak opvallend actief, lopend of rennend door ondiep water. Regelmatig worden de voeten gebruikt om de bodem op te woelen en prooien in beweging te brengen. Soms wordt stilgestaan om op een kans te wachten, en af en toe wordt boven het water gehangen voordat omlaag wordt gestoten. Ook het volgen van grazende dieren om opgejaagde insecten te vangen komt voor.
De Amerikaanse kleine zilverreiger broedt in kolonies, meestal samen met andere reigers en moerasvogels. Het mannetje kiest de nestplaats en voert daar baltsgedrag uit om rivalen af te weren en een partner aan te trekken. Het nest ligt meestal in een boom of struik, vaak enkele meters boven de grond, maar soms ook lager of juist hoger. Beide oudervogels bouwen mee aan het nest, dat bestaat uit een platform van takken. Gewoonlijk worden drie tot vijf bleek blauwgroene eieren gelegd. Beide oudervogels broeden en de broedduur bedraagt ongeveer twintig tot vierentwintig dagen. Beide oudervogels voeren de jongen. De laatst uitgekomen jongen hebben soms minder kans om groot te worden. Na ongeveer twintig tot vijfentwintig dagen kunnen de jongen al uit het nest klimmen, maar vliegen gebeurt meestal pas later.
De Amerikaanse kleine zilverreiger is een kleine, elegante witte reiger met een slanke zwarte snavel, zwarte poten en opvallend gele voeten. Die felgekleurde voeten zijn een van de beste veldkenmerken en hebben de soort in het Engels de bijnaam van gouden slippers opgeleverd. In broedkleed ontwikkelen zich sierlijke, gekromde sierveren op de rug. Voor het oog bevindt zich een gelige vlek, die in de broedtijd roder kan kleuren. Jonge vogels kunnen aan de achterzijde van de poten nog wat gelige of groenige tinten tonen.
Deze soort leeft in moerassen, plassen, oevers, slikgebieden, overstroomde terreinen, zwampen en andere natte habitats, zowel in zoet als in zout water. In kustgebieden worden vaak beschutte baaien en lagunes benut, terwijl landinwaarts vooral uitgestrekte moerassen en grote wetlands belangrijk zijn. Soms foerageert de Amerikaanse kleine zilverreiger ook in drogere velden. Voor het broeden worden kolonies gevormd in bomen, struiken, mangroven en soms zelfs op of vlak boven de grond in moerassen.
Het voedsel is zeer gevarieerd en bestaat onder meer uit vis, insecten, kreeftachtigen, krabben, rivierkreeften, kikkers, slangen, slakken, wormen, hagedissen en kleine knaagdieren. De Amerikaanse kleine zilverreiger foerageert vaak opvallend actief, lopend of rennend door ondiep water. Regelmatig worden de voeten gebruikt om de bodem op te woelen en prooien in beweging te brengen. Soms wordt stilgestaan om op een kans te wachten, en af en toe wordt boven het water gehangen voordat omlaag wordt gestoten. Ook het volgen van grazende dieren om opgejaagde insecten te vangen komt voor.
De Amerikaanse kleine zilverreiger broedt in kolonies, meestal samen met andere reigers en moerasvogels. Het mannetje kiest de nestplaats en voert daar baltsgedrag uit om rivalen af te weren en een partner aan te trekken. Het nest ligt meestal in een boom of struik, vaak enkele meters boven de grond, maar soms ook lager of juist hoger. Beide oudervogels bouwen mee aan het nest, dat bestaat uit een platform van takken. Gewoonlijk worden drie tot vijf bleek blauwgroene eieren gelegd. Beide oudervogels broeden en de broedduur bedraagt ongeveer twintig tot vierentwintig dagen. Beide oudervogels voeren de jongen. De laatst uitgekomen jongen hebben soms minder kans om groot te worden. Na ongeveer twintig tot vijfentwintig dagen kunnen de jongen al uit het nest klimmen, maar vliegen gebeurt meestal pas later.
Chinese Zilverreiger
[latijn] Egretta eulophotes | [authoriteit] Swinhoe, 1860 | [UK] Chinese Egret | [FR] Aigrette de Chine | [DE] Schneereiher | [ES] Garceta China | [NL] Chinese Zilverreiger


Chinese zilverreiger details
De Chinese zilverreiger (Egretta eulophotes) (Swinhoe, 1860) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status kwetsbaar. Deze soort heeft een kleine en afnemende populatie. De belangrijkste oorzaken zijn het verdwijnen en verslechteren van getijdengebieden, slikvelden en estuaria door landaanwinning, infrastructuur, industrie, aquacultuur en landbouw. Ook verstoring en vervuiling spelen een belangrijke rol.
De Chinese zilverreiger is een witte reiger met een opvallende kuif en een gele snavel. In broedkleed hebben volwassen vogels blauwe naakte huid op het gezicht, korte ruige sierveren in de nek en langere sierveren op rug en borst. De poten zijn donker en de voeten groengeel. Door de combinatie van de witte lichaamskleur, de gele snavel en de kuif is deze soort goed herkenbaar, al kan verwarring optreden met andere witte reigers.
Deze soort broedt op kleine eilanden voor de kusten van oostelijk Rusland, Noord-Korea, Zuid-Korea en het vasteland van China. Vroeger werd ook in Taiwan en Hongkong gebroed, maar daar is de soort nu alleen nog doortrekker of niet-broedvogel. Buiten de broedtijd komt de Chinese zilverreiger voor in onder meer Japan, de Filipijnen, Vietnam, Thailand, Maleisië, Singapore, Brunei en delen van Indonesië. Het is een trekvogel die na de broedtijd zuidwaarts trekt naar overwinteringsgebieden in Zuidoost-Azië.
Het leefgebied bestaat vooral uit ondiepe getijdenestuaria, slikvelden en beschutte baaien. Daarnaast worden soms rijstvelden en visvijvers bezocht. Sinds de jaren tachtig zijn alle bekende broedgevallen afkomstig van eilanden voor de kust. Tijdens het foerageren is deze soort opvallend actief. Vaak wordt de terugtrekkende vloed gevolgd en wordt rennend achter beweeglijke prooien aangegaan, soms met geopende vleugels. Ook wordt lopend of kort rennend over slik gejaagd, waarna met de snavel wordt toegestoten. Het voedsel bestaat vooral uit kleine vissen en garnalen, maar ook krabben en waarschijnlijk landinsecten worden gegeten.
Het nest is een eenvoudige, schotelvormige bouw van stro en kruipende planten en wordt aangelegd in bomen, lage struiken of op rotsen. In Noord-Korea en China liggen nesten vaak hoog in bomen, dicht bij de top. Soms worden compacte kolonies gevormd waarbij nesten heel dicht bij elkaar staan op rotswanden of kliffen. Gewoonlijk worden drie tot vijf eieren gelegd. De broedduur bedraagt ongeveer vierentwintig tot zesentwintig dagen. In Noord-Korea wordt het grootste deel van het broeden door het vrouwtje verricht. De jongen blijven ongeveer zesendertig tot veertig dagen in het nest en worden vooral gevoerd met vis en soms met krabben. Verstoring van broedkolonies, bijvoorbeeld door menselijke aanwezigheid, kan grote negatieve invloed hebben op het broedsucces.
De Chinese zilverreiger is een witte reiger met een opvallende kuif en een gele snavel. In broedkleed hebben volwassen vogels blauwe naakte huid op het gezicht, korte ruige sierveren in de nek en langere sierveren op rug en borst. De poten zijn donker en de voeten groengeel. Door de combinatie van de witte lichaamskleur, de gele snavel en de kuif is deze soort goed herkenbaar, al kan verwarring optreden met andere witte reigers.
Deze soort broedt op kleine eilanden voor de kusten van oostelijk Rusland, Noord-Korea, Zuid-Korea en het vasteland van China. Vroeger werd ook in Taiwan en Hongkong gebroed, maar daar is de soort nu alleen nog doortrekker of niet-broedvogel. Buiten de broedtijd komt de Chinese zilverreiger voor in onder meer Japan, de Filipijnen, Vietnam, Thailand, Maleisië, Singapore, Brunei en delen van Indonesië. Het is een trekvogel die na de broedtijd zuidwaarts trekt naar overwinteringsgebieden in Zuidoost-Azië.
Het leefgebied bestaat vooral uit ondiepe getijdenestuaria, slikvelden en beschutte baaien. Daarnaast worden soms rijstvelden en visvijvers bezocht. Sinds de jaren tachtig zijn alle bekende broedgevallen afkomstig van eilanden voor de kust. Tijdens het foerageren is deze soort opvallend actief. Vaak wordt de terugtrekkende vloed gevolgd en wordt rennend achter beweeglijke prooien aangegaan, soms met geopende vleugels. Ook wordt lopend of kort rennend over slik gejaagd, waarna met de snavel wordt toegestoten. Het voedsel bestaat vooral uit kleine vissen en garnalen, maar ook krabben en waarschijnlijk landinsecten worden gegeten.
Het nest is een eenvoudige, schotelvormige bouw van stro en kruipende planten en wordt aangelegd in bomen, lage struiken of op rotsen. In Noord-Korea en China liggen nesten vaak hoog in bomen, dicht bij de top. Soms worden compacte kolonies gevormd waarbij nesten heel dicht bij elkaar staan op rotswanden of kliffen. Gewoonlijk worden drie tot vijf eieren gelegd. De broedduur bedraagt ongeveer vierentwintig tot zesentwintig dagen. In Noord-Korea wordt het grootste deel van het broeden door het vrouwtje verricht. De jongen blijven ongeveer zesendertig tot veertig dagen in het nest en worden vooral gevoerd met vis en soms met krabben. Verstoring van broedkolonies, bijvoorbeeld door menselijke aanwezigheid, kan grote negatieve invloed hebben op het broedsucces.

Oostelijke Rifreiger
[latijn] Egretta sacra | [authoriteit] Gmelin, 1789 | [UK] Pacific Reef Heron | [FR] Aigrette sacree | [DE] Riffreiher | [ES] Garceta de arrecife | [NL] Oostelijke Rifreiger






Oostelijke Rifreiger details
De Oostelijke rifreiger (Egretta sacra) (Gmelin, 1789) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een groot verspreidingsgebied dat loopt van Zuid- en Zuidoost-Azië tot Australië, Nieuw-Zeeland en eilanden in de Grote Oceaan. In het grootste deel van het areaal is de soort standvogel, al komen na de broedtijd wel lokale zwerfbewegingen en seizoensgebonden verplaatsingen voor.
De oostelijke rifreiger is een middelgrote reiger met een opvallende kleurvariatie. Er komen zowel geheel witte vogels als donker leigrijze tot houtskoolkleurige vogels voor. De donkere vorm heeft meestal een smalle witte streep op keel en kin. De poten zijn relatief kort en gelig, de snavel is bruinachtig en de ogen zijn goudgeel. De naakte huid rond het gezicht heeft vaak een groenige tot geelachtige tint. Door deze twee kleurvormen kan het uiterlijk sterk verschillen, maar de gedrongen houding en de kustgebonden leefwijze maken de soort toch goed herkenbaar.
Deze soort leeft vooral langs rotskusten, zandige oevers, stranden en andere kustzones, maar komt daarnaast ook voor in rijstvelden, zoetwatermoerassen en binnenlandse wateren. Toch ligt het zwaartepunt duidelijk in mariene en kustgebonden gebieden. De oostelijke rifreiger wordt vaak aangetroffen op riffen, slikranden, getijdenzones en ondiepe kustwateren, waar rustig wordt gejaagd in de branding of langs de waterlijn.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit kleine zeevissen, kreeftachtigen en weekdieren. Prooien worden meestal in ondiep water of tussen stenen en getijdenpoelen gevangen. De soort jaagt geduldig en doelgericht, vaak langzaam lopend of stil wachtend tot een prooi binnen bereik komt. Daardoor is deze reiger goed aangepast aan voedsel zoeken langs ruige en afwisselende kusten.
De oostelijke rifreiger broedt in kolonies en kan vrijwel het hele jaar door eieren leggen, afhankelijk van de lokale omstandigheden. Het nest wordt gebouwd van takken en ander plantaardig materiaal en ligt in bomen, mangroven, tussen palmen of soms in holtes van oude gebouwen. Gewoonlijk worden twee tot drie bleek groenblauwe eieren gelegd. Beide oudervogels nemen deel aan het broeden. De broedduur bedraagt ongeveer achtentwintig dagen. Na het uitkomen worden de jongen nog ongeveer vijf weken door de oudervogels verzorgd.
De oostelijke rifreiger is een middelgrote reiger met een opvallende kleurvariatie. Er komen zowel geheel witte vogels als donker leigrijze tot houtskoolkleurige vogels voor. De donkere vorm heeft meestal een smalle witte streep op keel en kin. De poten zijn relatief kort en gelig, de snavel is bruinachtig en de ogen zijn goudgeel. De naakte huid rond het gezicht heeft vaak een groenige tot geelachtige tint. Door deze twee kleurvormen kan het uiterlijk sterk verschillen, maar de gedrongen houding en de kustgebonden leefwijze maken de soort toch goed herkenbaar.
Deze soort leeft vooral langs rotskusten, zandige oevers, stranden en andere kustzones, maar komt daarnaast ook voor in rijstvelden, zoetwatermoerassen en binnenlandse wateren. Toch ligt het zwaartepunt duidelijk in mariene en kustgebonden gebieden. De oostelijke rifreiger wordt vaak aangetroffen op riffen, slikranden, getijdenzones en ondiepe kustwateren, waar rustig wordt gejaagd in de branding of langs de waterlijn.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit kleine zeevissen, kreeftachtigen en weekdieren. Prooien worden meestal in ondiep water of tussen stenen en getijdenpoelen gevangen. De soort jaagt geduldig en doelgericht, vaak langzaam lopend of stil wachtend tot een prooi binnen bereik komt. Daardoor is deze reiger goed aangepast aan voedsel zoeken langs ruige en afwisselende kusten.
De oostelijke rifreiger broedt in kolonies en kan vrijwel het hele jaar door eieren leggen, afhankelijk van de lokale omstandigheden. Het nest wordt gebouwd van takken en ander plantaardig materiaal en ligt in bomen, mangroven, tussen palmen of soms in holtes van oude gebouwen. Gewoonlijk worden twee tot drie bleek groenblauwe eieren gelegd. Beide oudervogels nemen deel aan het broeden. De broedduur bedraagt ongeveer achtentwintig dagen. Na het uitkomen worden de jongen nog ongeveer vijf weken door de oudervogels verzorgd.
Westelijke rifreiger
[latijn] Egretta gularis | [authoriteit] Bosc, 1792 | [UK] Western Reef Heron | [FR] Aigrette Garzette | [DE] Kustenreiher | [ES] Garceta Comun | [NL] Westelijke Rifreiger



Westelijke Rifreiger details
De Westelijke rifreiger (Egretta gularis) (Bosc, 1792) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en komt voor langs de kusten van West-Afrika, noordoostelijk Afrika, het Rode Zeegebied, de Perzische Golf en verder oostwaarts tot in West-India en Sri Lanka. In grote delen van het verspreidingsgebied is de soort overwegend standvogel, al treden na het broedseizoen vaak zwerfbewegingen op. Plaatselijk kunnen ook seizoensgebonden verplaatsingen voorkomen.
De westelijke rifreiger is een middelgrote reiger met twee duidelijke kleurvormen. Er bestaat een geheel witte vorm en een donkergrijze vorm, terwijl ook tussenvormen voorkomen. De witte vorm lijkt op een kleine zilverreiger, maar heeft een dikkere snavel, minder contrastrijke poten en een wat zwaardere, minder sierlijke indruk. De donkere vorm is binnen het verspreidingsgebied meestal goed herkenbaar en minder gemakkelijk met andere soorten te verwarren. Door deze variatie kan het uiterlijk sterk verschillen, maar de kustgebonden leefwijze blijft zeer kenmerkend.
Deze soort leeft vooral langs rotskusten, zandige oevers en riffen. Minder vaak worden ook estuaria, slikplaten, zoutmoerassen, mangroven en getijdenkreken gebruikt. Slechts af en toe verschijnt de soort verder landinwaarts. De westelijke rifreiger is vooral gebonden aan ondiepe kustwateren en getijdengebieden waar voldoende voedsel beschikbaar is en waar rustig kan worden gejaagd.
Het voedsel bestaat uit vissen, kreeftachtigen en weekdieren. De jacht vindt plaats in ondiep water, vaak door langzaam te sluipen, kort te rennen of met de voeten door het water te schuifelen om prooien in beweging te brengen. Soms wordt ook roerloos gewacht tot een prooi binnen bereik komt. Daardoor is deze soort goed aangepast aan foerageren langs getijdenzones en onrustige kustlijnen.
Het nest kan op de grond worden gebouwd, maar ook in rietvelden, struiken, bomen, op rotsrichels, tussen rotsen of in mangroven. Soms liggen nesten hoog boven de grond. Gewoonlijk worden twee tot zes eieren gelegd. De broedduur bedraagt ongeveer twintig tot vijfentwintig dagen. De jongen zijn aanvankelijk bedekt met wit dons. Door de grote variatie in nestplaatsen kan de westelijke rifreiger zich aan uiteenlopende kusthabitats aanpassen.
De westelijke rifreiger is een middelgrote reiger met twee duidelijke kleurvormen. Er bestaat een geheel witte vorm en een donkergrijze vorm, terwijl ook tussenvormen voorkomen. De witte vorm lijkt op een kleine zilverreiger, maar heeft een dikkere snavel, minder contrastrijke poten en een wat zwaardere, minder sierlijke indruk. De donkere vorm is binnen het verspreidingsgebied meestal goed herkenbaar en minder gemakkelijk met andere soorten te verwarren. Door deze variatie kan het uiterlijk sterk verschillen, maar de kustgebonden leefwijze blijft zeer kenmerkend.
Deze soort leeft vooral langs rotskusten, zandige oevers en riffen. Minder vaak worden ook estuaria, slikplaten, zoutmoerassen, mangroven en getijdenkreken gebruikt. Slechts af en toe verschijnt de soort verder landinwaarts. De westelijke rifreiger is vooral gebonden aan ondiepe kustwateren en getijdengebieden waar voldoende voedsel beschikbaar is en waar rustig kan worden gejaagd.
Het voedsel bestaat uit vissen, kreeftachtigen en weekdieren. De jacht vindt plaats in ondiep water, vaak door langzaam te sluipen, kort te rennen of met de voeten door het water te schuifelen om prooien in beweging te brengen. Soms wordt ook roerloos gewacht tot een prooi binnen bereik komt. Daardoor is deze soort goed aangepast aan foerageren langs getijdenzones en onrustige kustlijnen.
Het nest kan op de grond worden gebouwd, maar ook in rietvelden, struiken, bomen, op rotsrichels, tussen rotsen of in mangroven. Soms liggen nesten hoog boven de grond. Gewoonlijk worden twee tot zes eieren gelegd. De broedduur bedraagt ongeveer twintig tot vijfentwintig dagen. De jongen zijn aanvankelijk bedekt met wit dons. Door de grote variatie in nestplaatsen kan de westelijke rifreiger zich aan uiteenlopende kusthabitats aanpassen.
Zwarte reiger
[latijn] Egretta ardesiaca| [authoriteit] Wagler, 1829 | [UK] Intermediate Egret | [FR] Aigrette intermediaire | [DE] Mittelreiher | [ES] Garceta intermedia | [NL] Middelste Zilverreiger


Zwarte reiger details
De Zwarte reiger (Egretta ardesiaca) (Wagler, 1827) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort komt wijdverspreid voor in Afrika. Over de trekbewegingen is minder bekend, maar de soort wordt meestal als standvogel beschouwd. Plaatselijk kunnen verplaatsingen optreden in samenhang met regenval en het ontstaan van tijdelijke ondiepe foerageergebieden.
De zwarte reiger is een middelgrote reiger met een volledig zwart verenkleed dat vaak een glanzende grijze tot leigrijze glans vertoont. Op de kruin staat een kleine kuif. De snavel is smal, spits en zwart. De poten en voeten zijn geel, evenals de ogen. Door de combinatie van donkere lichaamskleur en gele poten is deze soort goed herkenbaar, zeker wanneer de vogel in ondiep water foerageert.
Deze soort leeft vooral in laaggelegen natte gebieden, maar komt plaatselijk ook voor tot op ongeveer 1500 meter hoogte. De voorkeur gaat uit naar ondiepe, blijvende zoetwatergebieden zoals oevers van ondiepe meren, waterreservoirs, vijvers, overstromingsvlakten, rijstvelden, moerassen, zwampen, seizoensmatig overstroomde graslanden en rivieroevers. Daarnaast kan de zwarte reiger ook voorkomen aan alkalische meren en in estuaria, mangroven, getijdenslikken en getijdenkreken, al blijft de soort in zulke gebieden meestal dicht bij instromend zoet water.
Het voedsel bestaat vooral uit vis. Daarnaast worden ook kreeftachtigen en waterinsecten gegeten. De zwarte reiger staat bekend om een bijzondere jachttechniek, waarbij de vleugels boven het hoofd als een soort paraplu worden gehouden. Zo ontstaat schaduw op het wateroppervlak en wordt hinderlijke schittering verminderd. Die schaduw trekt vissen aan of maakt ze beter zichtbaar, waarna de prooi met een snelle stoot van de snavel wordt gegrepen. Ook wordt met de voeten over de modderbodem geschraapt om prooien in beweging te brengen. De soort foerageert vooral overdag en in de schemering.
De broedtijd valt meestal in perioden van regen en overstroming. Het mannetje verzamelt nestmateriaal en probeert tegelijk een vrouwtje aan te trekken. Er wordt meestal gebroed in losse kolonies, vaak samen met andere reigers, zilverreigers of slangenhalsvogels. Tijdens de balts kleuren de geel-oranje poten van beide oudervogels opvallend rood. Het nest wordt gebouwd van takken en soms stenen en ligt in bomen, struiken of rietvelden, meestal boven of vlak bij water. Gewoonlijk worden twee tot vier eieren gelegd. Beide oudervogels broeden en de broedduur bedraagt ongeveer achttien tot dertig dagen. De jongen komen blind en hulpeloos uit het ei en worden gevoerd met opgebraakt voedsel. Door verschillen in uitkomstdatum ontstaat vaak een duidelijke grootteverschil tussen de jongen, waardoor de oudste vaak het meeste voedsel krijgt. Jonge vogels zijn doffer van kleur dan volwassen exemplaren en bereiken na één tot twee jaar de volwassen leeftijd.
De zwarte reiger is een middelgrote reiger met een volledig zwart verenkleed dat vaak een glanzende grijze tot leigrijze glans vertoont. Op de kruin staat een kleine kuif. De snavel is smal, spits en zwart. De poten en voeten zijn geel, evenals de ogen. Door de combinatie van donkere lichaamskleur en gele poten is deze soort goed herkenbaar, zeker wanneer de vogel in ondiep water foerageert.
Deze soort leeft vooral in laaggelegen natte gebieden, maar komt plaatselijk ook voor tot op ongeveer 1500 meter hoogte. De voorkeur gaat uit naar ondiepe, blijvende zoetwatergebieden zoals oevers van ondiepe meren, waterreservoirs, vijvers, overstromingsvlakten, rijstvelden, moerassen, zwampen, seizoensmatig overstroomde graslanden en rivieroevers. Daarnaast kan de zwarte reiger ook voorkomen aan alkalische meren en in estuaria, mangroven, getijdenslikken en getijdenkreken, al blijft de soort in zulke gebieden meestal dicht bij instromend zoet water.
Het voedsel bestaat vooral uit vis. Daarnaast worden ook kreeftachtigen en waterinsecten gegeten. De zwarte reiger staat bekend om een bijzondere jachttechniek, waarbij de vleugels boven het hoofd als een soort paraplu worden gehouden. Zo ontstaat schaduw op het wateroppervlak en wordt hinderlijke schittering verminderd. Die schaduw trekt vissen aan of maakt ze beter zichtbaar, waarna de prooi met een snelle stoot van de snavel wordt gegrepen. Ook wordt met de voeten over de modderbodem geschraapt om prooien in beweging te brengen. De soort foerageert vooral overdag en in de schemering.
De broedtijd valt meestal in perioden van regen en overstroming. Het mannetje verzamelt nestmateriaal en probeert tegelijk een vrouwtje aan te trekken. Er wordt meestal gebroed in losse kolonies, vaak samen met andere reigers, zilverreigers of slangenhalsvogels. Tijdens de balts kleuren de geel-oranje poten van beide oudervogels opvallend rood. Het nest wordt gebouwd van takken en soms stenen en ligt in bomen, struiken of rietvelden, meestal boven of vlak bij water. Gewoonlijk worden twee tot vier eieren gelegd. Beide oudervogels broeden en de broedduur bedraagt ongeveer achttien tot dertig dagen. De jongen komen blind en hulpeloos uit het ei en worden gevoerd met opgebraakt voedsel. Door verschillen in uitkomstdatum ontstaat vaak een duidelijke grootteverschil tussen de jongen, waardoor de oudste vaak het meeste voedsel krijgt. Jonge vogels zijn doffer van kleur dan volwassen exemplaren en bereiken na één tot twee jaar de volwassen leeftijd.
Witwangreiger
[latijn] Egretta novaehollandiae | [authoriteit] Wagler, 1829 | [UK] Black Heron | [FR] Aigrette ardoisée | [DE] Glockenreiher | [ES] Garceta negra| [NL] Zwarte reiger






Witwangreiger details
De Witwangreiger (Egretta novaehollandiae) (Latham, 1790) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort komt wijdverspreid voor in Australazië, waaronder Nieuw-Guinea, de eilanden van de Torresstraat, delen van Indonesië, Nieuw-Caledonië, Nieuw-Zeeland, subantarctische eilanden en vrijwel heel Australië behalve de droogste gebieden. In grote delen van het verspreidingsgebied is de soort vooral standvogel, maar er komen ook zwervende en seizoensgebonden verplaatsingen voor. In Nieuw-Zeeland trekken vogels in de winter bijvoorbeeld vaker van open kustgebieden naar nattere binnenlandse gebieden.
De witwangreiger is een middelgrote, slanke reiger van ongeveer 60 tot 70 centimeter hoog. Het verenkleed is overwegend bleek blauwgrijs. Voorhoofd, kruin, kin en bovendeel van de keel zijn wit, wat deze soort direct herkenbaar maakt. De tekening op de kruin kan enigszins variëren. De lores zijn zwart en de snavel is zwart, vaak met een bleker grijze basis. In de broedtijd verschijnen sierveren op hals, borst en rug, met roze-bruine tot bronskleurige tinten op de voorhals en borst en blauwgrijze pluimen op de rug. Door de combinatie van de witte gezichtsdelen en de blauwgrijze lichaamskleur is deze soort goed te onderscheiden van andere reigers in hetzelfde gebied.
Deze soort leeft in een brede variatie aan zoete en zoute wetlands, boerensloten en waterreservoirs, graslanden, akkers, oeverzones, zoutmoerassen, slikvelden, havens, stranden, golfbanen, boomgaarden en zelfs tuinvijvers. Daardoor is de witwangreiger een zeer aanpasbare soort die ook in door mensen beïnvloede landschappen goed kan voorkomen. Zowel open terrein als natte gebieden met verspreide dekking worden benut.
Het voedsel bestaat uit uiteenlopende kleine waterdieren en andere kleine prooien. Vissen, kikkers, kleine reptielen en insecten vormen een belangrijk deel van het menu. De soort jaagt meestal in ondiep water of op vochtige open grond, waarbij langzaam wordt gelopen of kort wordt stilgestaan voordat een prooi wordt gegrepen. Door dit brede voedselpakket kan de witwangreiger in zeer uiteenlopende leefgebieden foerageren.
De broedtijd valt meestal in het voorjaar, maar kan ook op andere momenten plaatsvinden wanneer regenval gunstige omstandigheden creëert. Beide oudervogels bouwen het nest, broeden de eieren uit en verzorgen de jongen. Het nest is een vrij slordige, ondiepe kom van takken en ligt meestal op een bebladerde tak op ongeveer vijf tot twaalf meter hoogte. Gewoonlijk worden drie tot vijf bleekblauwe eieren gelegd. De broedduur bedraagt ongeveer vijfentwintig dagen. De jongen worden de eerste weken intensief bewaakt en verzorgd en zijn na ongeveer veertig dagen vliegvlug. Meestal wordt per jaar één broedsel grootgebracht.
De witwangreiger is een middelgrote, slanke reiger van ongeveer 60 tot 70 centimeter hoog. Het verenkleed is overwegend bleek blauwgrijs. Voorhoofd, kruin, kin en bovendeel van de keel zijn wit, wat deze soort direct herkenbaar maakt. De tekening op de kruin kan enigszins variëren. De lores zijn zwart en de snavel is zwart, vaak met een bleker grijze basis. In de broedtijd verschijnen sierveren op hals, borst en rug, met roze-bruine tot bronskleurige tinten op de voorhals en borst en blauwgrijze pluimen op de rug. Door de combinatie van de witte gezichtsdelen en de blauwgrijze lichaamskleur is deze soort goed te onderscheiden van andere reigers in hetzelfde gebied.
Deze soort leeft in een brede variatie aan zoete en zoute wetlands, boerensloten en waterreservoirs, graslanden, akkers, oeverzones, zoutmoerassen, slikvelden, havens, stranden, golfbanen, boomgaarden en zelfs tuinvijvers. Daardoor is de witwangreiger een zeer aanpasbare soort die ook in door mensen beïnvloede landschappen goed kan voorkomen. Zowel open terrein als natte gebieden met verspreide dekking worden benut.
Het voedsel bestaat uit uiteenlopende kleine waterdieren en andere kleine prooien. Vissen, kikkers, kleine reptielen en insecten vormen een belangrijk deel van het menu. De soort jaagt meestal in ondiep water of op vochtige open grond, waarbij langzaam wordt gelopen of kort wordt stilgestaan voordat een prooi wordt gegrepen. Door dit brede voedselpakket kan de witwangreiger in zeer uiteenlopende leefgebieden foerageren.
De broedtijd valt meestal in het voorjaar, maar kan ook op andere momenten plaatsvinden wanneer regenval gunstige omstandigheden creëert. Beide oudervogels bouwen het nest, broeden de eieren uit en verzorgen de jongen. Het nest is een vrij slordige, ondiepe kom van takken en ligt meestal op een bebladerde tak op ongeveer vijf tot twaalf meter hoogte. Gewoonlijk worden drie tot vijf bleekblauwe eieren gelegd. De broedduur bedraagt ongeveer vijfentwintig dagen. De jongen worden de eerste weken intensief bewaakt en verzorgd en zijn na ongeveer veertig dagen vliegvlug. Meestal wordt per jaar één broedsel grootgebracht.
Kleine blauwe reiger
[latijn] Egretta caerulea | [authoriteit] Linnaeus, 1758 | [UK] Little Blue Heron | [FR] Aigrette bleue | [DE] Blaureiher | [ES] Garceta Azul | [NL] Kleine Blauwe Reiger








Kleine blauwe reiger details
De Kleine blauwe reiger (Egretta caerulea) (Linnaeus, 1758) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied dat loopt van het zuidoosten van de Verenigde Staten tot in Zuid-Brazilië. In Noord-Amerika trekken veel vogels na het broedseizoen zuidwaarts, terwijl jonge vogels zich ook opvallend ver naar het noorden kunnen verspreiden. Overwinterende vogels komen voor van het zuiden van de Verenigde Staten tot in het noorden van Zuid-Amerika. In delen van het Caribisch gebied zijn populaties grotendeels standvogel.
De kleine blauwe reiger is een middelgrote, slanke reiger met een overwegend donker blauwgrijs tot leiblauw verenkleed. De hals wordt in rust en in vlucht meestal in een duidelijke S-vorm gehouden. De snavel is lang, spits en licht neerwaarts gebogen. De poten zijn dof groenig. Mannetjes en vrouwtjes lijken sterk op elkaar. Door de egale donkere kleur wijkt deze soort duidelijk af van veel andere Amerikaanse reigers. Jonge vogels zijn vaak veel lichter van kleur, maar volwassen vogels zijn egaal donker en elegant gebouwd.
Deze soort leeft in mangroven, kustslikken, wetlands, rivieren, meren en andere ondiepe waterrijke gebieden. In kustgebieden is de kleine blauwe reiger vaak talrijker dan verder landinwaarts. In Suriname is het een zeer algemene soort in zowel stedelijke als natuurlijke omgeving en wordt deze reiger geregeld gezien langs de grote rivieren, ook in Paramaribo. Vaak wordt samen gefoerageerd met andere reigersoorten, zoals sneeuvreigers en driekleurreigers.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine vissen en watergebonden ongewervelden. De soort foerageert meestal langzaam lopend door ondiep water, waarbij met gerichte stoten prooien worden gegrepen. Deze rustige en doelgerichte jachtwijze past goed bij ondiepe modderige of vegetatierijke oevers en slikzones.
De kleine blauwe reiger broedt meestal in gemengde kolonies met andere reigersoorten. Het nest ligt vaak aan de rand van zo’n kolonie, in bomen of struiken op ongeveer een halve tot twee meter boven de grond of boven het water. Het nest is een platform van kleine takken, van binnen afgewerkt met gras. Gewoonlijk worden drie tot zes eieren gelegd. De broedduur bedraagt ongeveer drieëntwintig dagen. De jongen zijn na ongeveer dertig dagen vliegvlug, maar worden daarna nog geruime tijd door de oudervogels gevoerd.
De kleine blauwe reiger is een middelgrote, slanke reiger met een overwegend donker blauwgrijs tot leiblauw verenkleed. De hals wordt in rust en in vlucht meestal in een duidelijke S-vorm gehouden. De snavel is lang, spits en licht neerwaarts gebogen. De poten zijn dof groenig. Mannetjes en vrouwtjes lijken sterk op elkaar. Door de egale donkere kleur wijkt deze soort duidelijk af van veel andere Amerikaanse reigers. Jonge vogels zijn vaak veel lichter van kleur, maar volwassen vogels zijn egaal donker en elegant gebouwd.
Deze soort leeft in mangroven, kustslikken, wetlands, rivieren, meren en andere ondiepe waterrijke gebieden. In kustgebieden is de kleine blauwe reiger vaak talrijker dan verder landinwaarts. In Suriname is het een zeer algemene soort in zowel stedelijke als natuurlijke omgeving en wordt deze reiger geregeld gezien langs de grote rivieren, ook in Paramaribo. Vaak wordt samen gefoerageerd met andere reigersoorten, zoals sneeuvreigers en driekleurreigers.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine vissen en watergebonden ongewervelden. De soort foerageert meestal langzaam lopend door ondiep water, waarbij met gerichte stoten prooien worden gegrepen. Deze rustige en doelgerichte jachtwijze past goed bij ondiepe modderige of vegetatierijke oevers en slikzones.
De kleine blauwe reiger broedt meestal in gemengde kolonies met andere reigersoorten. Het nest ligt vaak aan de rand van zo’n kolonie, in bomen of struiken op ongeveer een halve tot twee meter boven de grond of boven het water. Het nest is een platform van kleine takken, van binnen afgewerkt met gras. Gewoonlijk worden drie tot zes eieren gelegd. De broedduur bedraagt ongeveer drieëntwintig dagen. De jongen zijn na ongeveer dertig dagen vliegvlug, maar worden daarna nog geruime tijd door de oudervogels gevoerd.
Witbuikreiger
[latijn] Egretta tricolor | [authoriteit] Muller, 1776 | [UK] Tricolored Heron | [FR] Aigrette tricolore | [DE] Dreifarben-Reiher | [ES] Garceta Tricolor | [NL] Witbuikreiger



Witbuikreiger details
De Witbuikreiger (Egretta tricolor) (Müller, 1776) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied dat loopt van het zuidoosten van de Verenigde Staten tot in het noorden van Zuid-Amerika. Noord-Amerikaanse populaties zijn overwegend trekvogels en overwinteren van het zuiden van de Verenigde Staten tot in het noorden van Zuid-Amerika. In andere delen van het areaal is de soort meer standvastig. In Suriname is de witbuikreiger een zeer algemene standvogel langs de kust en langs grotere rivieren.
De witbuikreiger is een middelgrote, slanke reiger met lange poten, een lange hals en een vrij lange, spitse snavel. De snavel is geelachtig of blauwgrijs met een donkere punt. In rust en in vlucht wordt de hals meestal in een duidelijke S-vorm gehouden. Volwassen vogels hebben een blauwgrijze kop, hals, rug en bovenvleugels. De buik en de voorzijde van de hals zijn opvallend wit, wat deze soort goed herkenbaar maakt. Langs de voorhals loopt een lichte streep. In broedkleed verschijnen lange blauwige sierveren op kop en hals en warmere, beige tot buffkleurige sierveren op de rug. Jonge vogels zijn bruiner van tint. De geslachten lijken sterk op elkaar.
Deze soort leeft in mangroven, kustslikken, wetlands, rivieren, meren en andere ondiepe waterrijke gebieden. De witbuikreiger komt vooral veel voor in kustgebieden, maar benut ook binnenlandse wateren. Langs rivieroevers en in open modderige of ondiepe zones wordt vaak gefoerageerd, waarbij de soort rustig en doelgericht door het water beweegt.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine vissen en watergebonden ongewervelden. De witbuikreiger jaagt meestal langzaam lopend door ondiep water, waarbij prooien met snelle stoten van de snavel worden gegrepen. Door de slanke bouw en de rustige jachtwijze is deze soort goed aangepast aan voedsel zoeken langs modderige oevers, slikranden en ondiepe kustwateren.
De witbuikreiger broedt in eigen kolonies of in gemengde kolonies met andere reigersoorten. Het nest wordt meestal in bomen nabij water gebouwd, vaak op ongeveer twee tot vier meter boven de grond. Het bestaat uit een platform van takken en kleine twijgen. Gewoonlijk worden drie tot zes eieren gelegd. Beide oudervogels nemen deel aan het broeden en de broedduur bedraagt ongeveer eenentwintig tot vijfentwintig dagen. De jongen zijn na ongeveer vijfendertig dagen vliegvlug.
De witbuikreiger is een middelgrote, slanke reiger met lange poten, een lange hals en een vrij lange, spitse snavel. De snavel is geelachtig of blauwgrijs met een donkere punt. In rust en in vlucht wordt de hals meestal in een duidelijke S-vorm gehouden. Volwassen vogels hebben een blauwgrijze kop, hals, rug en bovenvleugels. De buik en de voorzijde van de hals zijn opvallend wit, wat deze soort goed herkenbaar maakt. Langs de voorhals loopt een lichte streep. In broedkleed verschijnen lange blauwige sierveren op kop en hals en warmere, beige tot buffkleurige sierveren op de rug. Jonge vogels zijn bruiner van tint. De geslachten lijken sterk op elkaar.
Deze soort leeft in mangroven, kustslikken, wetlands, rivieren, meren en andere ondiepe waterrijke gebieden. De witbuikreiger komt vooral veel voor in kustgebieden, maar benut ook binnenlandse wateren. Langs rivieroevers en in open modderige of ondiepe zones wordt vaak gefoerageerd, waarbij de soort rustig en doelgericht door het water beweegt.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine vissen en watergebonden ongewervelden. De witbuikreiger jaagt meestal langzaam lopend door ondiep water, waarbij prooien met snelle stoten van de snavel worden gegrepen. Door de slanke bouw en de rustige jachtwijze is deze soort goed aangepast aan voedsel zoeken langs modderige oevers, slikranden en ondiepe kustwateren.
De witbuikreiger broedt in eigen kolonies of in gemengde kolonies met andere reigersoorten. Het nest wordt meestal in bomen nabij water gebouwd, vaak op ongeveer twee tot vier meter boven de grond. Het bestaat uit een platform van takken en kleine twijgen. Gewoonlijk worden drie tot zes eieren gelegd. Beide oudervogels nemen deel aan het broeden en de broedduur bedraagt ongeveer eenentwintig tot vijfentwintig dagen. De jongen zijn na ongeveer vijfendertig dagen vliegvlug.