Genus Butorides
Butorides (Blyth, 1852) is een geslacht van kleine reigers. Binnen dit geslacht worden tegenwoordig enkele sterk op elkaar lijkende soorten geplaatst, waaronder de groene reiger, de mangrovereiger en de dwergroerdomp. Daarnaast is ook een uitgestorven soort uit het vroege Pleistoceen bekend uit Florida. Soorten uit dit geslacht behoren tot de kleinste vertegenwoordigers van de reigerfamilie en vallen op door de compacte bouw en de vaak verborgen leefwijze.
Volwassen vogels uit dit geslacht zijn ongeveer 44 centimeter lang en hebben doorgaans een donker blauwzwarte rug en vleugels, een donkere kruin en vrij korte gele poten. Jonge vogels zijn bruiner aan de bovenzijde, gestreept aan de onderzijde en hebben groeniggele poten. De verschillende soorten binnen Butorides verschillen onder meer in de kleur van borst en buik. Daardoor zijn zij onderling te onderscheiden, hoewel de algemene bouw en houding sterk overeenkomen.
Butorides-soorten leven vooral in kleine wetlands, moerasranden, mangroven, oevers van plassen, sloten, kreken en andere beschutte waterkanten. Het nest is een platform van takken en ligt vaak in struiken of bomen, maar soms ook op de grond. De soortgroep broedt meestal in vrij kleine en losse kolonies of in verspreide paren, afhankelijk van het leefgebied.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine vissen, kikkers en waterinsecten. De jachtwijze is meestal rustig en geduldig. Vaak staat de vogel roerloos aan de waterkant te wachten om een prooi in een hinderlaag te verrassen. Soms wordt aas of ander klein materiaal op het wateroppervlak gelegd om vissen te lokken. Door deze slimme en doelgerichte manier van jagen vormt Butorides een bijzonder en herkenbaar geslacht binnen de kleine reigers.
Volwassen vogels uit dit geslacht zijn ongeveer 44 centimeter lang en hebben doorgaans een donker blauwzwarte rug en vleugels, een donkere kruin en vrij korte gele poten. Jonge vogels zijn bruiner aan de bovenzijde, gestreept aan de onderzijde en hebben groeniggele poten. De verschillende soorten binnen Butorides verschillen onder meer in de kleur van borst en buik. Daardoor zijn zij onderling te onderscheiden, hoewel de algemene bouw en houding sterk overeenkomen.
Butorides-soorten leven vooral in kleine wetlands, moerasranden, mangroven, oevers van plassen, sloten, kreken en andere beschutte waterkanten. Het nest is een platform van takken en ligt vaak in struiken of bomen, maar soms ook op de grond. De soortgroep broedt meestal in vrij kleine en losse kolonies of in verspreide paren, afhankelijk van het leefgebied.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine vissen, kikkers en waterinsecten. De jachtwijze is meestal rustig en geduldig. Vaak staat de vogel roerloos aan de waterkant te wachten om een prooi in een hinderlaag te verrassen. Soms wordt aas of ander klein materiaal op het wateroppervlak gelegd om vissen te lokken. Door deze slimme en doelgerichte manier van jagen vormt Butorides een bijzonder en herkenbaar geslacht binnen de kleine reigers.
mangrovereiger
[latijn] Butorides striata | [authoriteit] Linnaeus, 1758 | [UK] Striated Heron | [FR] Bouvreuil orange | [DE] Mangrovereiher | [ES] Garcita Azulada | [NL] Mangrovereiger






Mangrovereiger details
De Mangrovereiger (Butorides striata) (Linnaeus, 1758) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en komt wijdverspreid voor in Zuid-Amerika, delen van Eurazië, Afrika en Australazië. De meeste vormen binnen dit soortencomplex zijn standvogel, terwijl de noordelijkste populaties trekgedrag vertonen. Na het broedseizoen treden vaak zwerfbewegingen op en soms kunnen die leiden tot opvallende verspreiding buiten het normale areaal.
De mangrovereiger is een kleine, compact gebouwde reiger met een korte hals en een gedrongen houding. Het verenkleed kan per gebied enigszins verschillen, maar volwassen vogels zijn meestal groenig grijs met een zeer donkere, bijna zwartgroene kruin en een lange kuif in dezelfde tint. De achterhals en zijkanten van de hals zijn kastanjebruin. De bovenzijde is donker groenachtig en de onderzijde lichtgrijs, met een witte keel en borst. De snavel is lang en krachtig, met een zwarte bovensnavel en een gelige ondersnavel. De poten variëren van bleekgeel tot oranje en het gezicht heeft vaak een groenige tint. Jonge vogels zijn bruiner, met een sterker gestreepte hals en lichtere vlekken op de bovenvleugels.
Deze soort leeft langs zoet en zout water en komt voor in mangroven, dichte oevervegetaties, langs beken, meren, rivieren en vijvers, maar ook in estuaria, slikranden, getijdengebieden en zelfs op koraalriffen. De mangrovereiger houdt zich meestal op in beschutte zones en jaagt vaker onder dekking dan in volledig open terrein. Door de uitstekende camouflage blijft deze soort vaak lang onopgemerkt.
Het voedsel bestaat uit vissen, amfibieën, insecten, spinnen, krabben, garnalen en andere schaaldieren, reptielen en soms zelfs kleine zoogdieren zoals muizen. De mangrovereiger jaagt meestal vanaf een lage uitkijkpost of langzaam lopend langs de waterkant. Soms wordt in het water gesprongen, gedoken of zelfs kort gezwommen om een prooi te grijpen. Ook kan met de snavel of poten het wateroppervlak worden beroerd om prooien in beweging te brengen. Opvallend is dat deze soort soms lokaas gebruikt, bijvoorbeeld door een insect op het water te laten vallen om vissen dichterbij te lokken.
Het nest ligt goed verborgen tussen takken van struiken of bomen, meestal op ongeveer twee tot tien meter boven de grond of boven het water. Het wordt vrij los gebouwd van enkele twijgen en is van onderaf soms zichtbaar. Gewoonlijk worden twee tot vijf bleek groenblauwe eieren gelegd. Beide oudervogels broeden en de broedduur bedraagt ongeveer twintig tot vijfentwintig dagen. Ook de verzorging van de jongen wordt door beide oudervogels uitgevoerd. De jongen blijven in het nest tot zij na ongeveer vier weken uitvliegen, al kunnen zij bij verstoring al eerder in omliggende takken klimmen.
De mangrovereiger is een kleine, compact gebouwde reiger met een korte hals en een gedrongen houding. Het verenkleed kan per gebied enigszins verschillen, maar volwassen vogels zijn meestal groenig grijs met een zeer donkere, bijna zwartgroene kruin en een lange kuif in dezelfde tint. De achterhals en zijkanten van de hals zijn kastanjebruin. De bovenzijde is donker groenachtig en de onderzijde lichtgrijs, met een witte keel en borst. De snavel is lang en krachtig, met een zwarte bovensnavel en een gelige ondersnavel. De poten variëren van bleekgeel tot oranje en het gezicht heeft vaak een groenige tint. Jonge vogels zijn bruiner, met een sterker gestreepte hals en lichtere vlekken op de bovenvleugels.
Deze soort leeft langs zoet en zout water en komt voor in mangroven, dichte oevervegetaties, langs beken, meren, rivieren en vijvers, maar ook in estuaria, slikranden, getijdengebieden en zelfs op koraalriffen. De mangrovereiger houdt zich meestal op in beschutte zones en jaagt vaker onder dekking dan in volledig open terrein. Door de uitstekende camouflage blijft deze soort vaak lang onopgemerkt.
Het voedsel bestaat uit vissen, amfibieën, insecten, spinnen, krabben, garnalen en andere schaaldieren, reptielen en soms zelfs kleine zoogdieren zoals muizen. De mangrovereiger jaagt meestal vanaf een lage uitkijkpost of langzaam lopend langs de waterkant. Soms wordt in het water gesprongen, gedoken of zelfs kort gezwommen om een prooi te grijpen. Ook kan met de snavel of poten het wateroppervlak worden beroerd om prooien in beweging te brengen. Opvallend is dat deze soort soms lokaas gebruikt, bijvoorbeeld door een insect op het water te laten vallen om vissen dichterbij te lokken.
Het nest ligt goed verborgen tussen takken van struiken of bomen, meestal op ongeveer twee tot tien meter boven de grond of boven het water. Het wordt vrij los gebouwd van enkele twijgen en is van onderaf soms zichtbaar. Gewoonlijk worden twee tot vijf bleek groenblauwe eieren gelegd. Beide oudervogels broeden en de broedduur bedraagt ongeveer twintig tot vijfentwintig dagen. Ook de verzorging van de jongen wordt door beide oudervogels uitgevoerd. De jongen blijven in het nest tot zij na ongeveer vier weken uitvliegen, al kunnen zij bij verstoring al eerder in omliggende takken klimmen.
Groene reiger
[LAT] *Butorides virescens* |
[UK] Green Heron |
[FR] Héron vert |
[DE] Grünreiher |
[ES] Garza verde |
[NL] Groene reiger



Groene reiger details
De Groene reiger (Butorides virescens) (Linnaeus, 1758) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied in Noord- en Midden-Amerika en broedt in grote delen van de Verenigde Staten, zuidelijk Canada en verder zuidwaarts tot Panama. De noordelijkste populaties zijn trekvogels en overwinteren langs de Golfkust, zuidelijke kusten en verder in Mexico en Midden-Amerika. Meer zuidelijke populaties zijn vaak standvogel. De voorjaarstrek vindt meestal plaats van maart tot april en veel vogels arriveren relatief vroeg in de broedgebieden.
De groene reiger is een kleine, gedrongen reiger met relatief korte poten. De lichaamslengte bedraagt ongeveer 41 tot 46 centimeter. Volwassen vogels hebben een glanzend groenig-zwarte kruin en rug, terwijl de vleugels donker zijn met groene en blauwige tinten langs de randen. De onderzijde is overwegend grijs. De snavel is donker, lang en scherp gepunt, en de poten zijn oranjeachtig. Vrouwtjes zijn gemiddeld iets kleiner en matter van kleur dan mannetjes, vooral in de broedtijd. Jonge vogels zijn duidelijk anders getekend, met een bruine rug met lichte vlekken en een hals en borst met witte en bruine strepen. Daardoor biedt het verenkleed uitstekende schutkleur in dichte oevervegetatie.
Deze soort leeft langs beboste waterkanten en andere natte gebieden met dichte vegetatie. Zowel zoet als zout water wordt gebruikt. Vooral mangrovekusten, estuaria en bosrijke randen van vijvers, rivieren en meren zijn geschikt leefgebied. De aanwezigheid van wetlands bepaalt in hoge mate waar deze soort voorkomt. De groene reiger houdt zich vaak verborgen op tussen takken, struiken en oeverplanten en valt eerder op door plotselinge beweging dan door een langdurige zichtwaarneming.
Het voedsel bestaat vooral uit vis en ongewervelden, maar ook andere kleine gewervelden worden gegeten. Op het menu staan onder meer bloedzuigers, regenwormen, libellen, waterjuffers, waterwantsen, sprinkhanen, rivierkreeften, kleine vissen, knaagdieren, hagedissen, kikkers, kikkervisjes en slangen. Door de zware snavel kan ook relatief grote prooi worden gevangen. De jacht vindt overdag én ’s nachts plaats. Meestal wordt roerloos in gehurkte houding aan het water gestaan, waarna de prooi met een snelle stoot van kop en hals wordt gegrepen. Soms wordt langzaam door ondiep water gelopen. De groene reiger behoort bovendien tot de weinige vogels die aantoonbaar hulpmiddelen gebruiken. Broodkruimels, veertjes, insecten of ander lokmateriaal worden op het water gelegd om vissen dichterbij te lokken.
De groene reiger leeft seizoensgebonden monogaam. De balts bestaat uit een reeks opvallende vlucht- en houdingsrituelen, waarbij onder meer met opgeheven veren, gebogen hals en specifieke roepen wordt gedisplayed. Het nest wordt meestal gebouwd in struiken of bomen nabij water en bestaat uit een platform van takken. Gewoonlijk worden twee tot vier eieren gelegd, met tussenpozen van ongeveer twee dagen. De broedduur bedraagt ongeveer negentien tot eenentwintig dagen. Beide oudervogels broeden en verzorgen de jongen. De jonge vogels verlaten het nest na ongeveer zestien tot zeventien dagen en worden tussen dertig en vijfendertig dagen na het uitkomen zelfstandig.
De groene reiger is een kleine, gedrongen reiger met relatief korte poten. De lichaamslengte bedraagt ongeveer 41 tot 46 centimeter. Volwassen vogels hebben een glanzend groenig-zwarte kruin en rug, terwijl de vleugels donker zijn met groene en blauwige tinten langs de randen. De onderzijde is overwegend grijs. De snavel is donker, lang en scherp gepunt, en de poten zijn oranjeachtig. Vrouwtjes zijn gemiddeld iets kleiner en matter van kleur dan mannetjes, vooral in de broedtijd. Jonge vogels zijn duidelijk anders getekend, met een bruine rug met lichte vlekken en een hals en borst met witte en bruine strepen. Daardoor biedt het verenkleed uitstekende schutkleur in dichte oevervegetatie.
Deze soort leeft langs beboste waterkanten en andere natte gebieden met dichte vegetatie. Zowel zoet als zout water wordt gebruikt. Vooral mangrovekusten, estuaria en bosrijke randen van vijvers, rivieren en meren zijn geschikt leefgebied. De aanwezigheid van wetlands bepaalt in hoge mate waar deze soort voorkomt. De groene reiger houdt zich vaak verborgen op tussen takken, struiken en oeverplanten en valt eerder op door plotselinge beweging dan door een langdurige zichtwaarneming.
Het voedsel bestaat vooral uit vis en ongewervelden, maar ook andere kleine gewervelden worden gegeten. Op het menu staan onder meer bloedzuigers, regenwormen, libellen, waterjuffers, waterwantsen, sprinkhanen, rivierkreeften, kleine vissen, knaagdieren, hagedissen, kikkers, kikkervisjes en slangen. Door de zware snavel kan ook relatief grote prooi worden gevangen. De jacht vindt overdag én ’s nachts plaats. Meestal wordt roerloos in gehurkte houding aan het water gestaan, waarna de prooi met een snelle stoot van kop en hals wordt gegrepen. Soms wordt langzaam door ondiep water gelopen. De groene reiger behoort bovendien tot de weinige vogels die aantoonbaar hulpmiddelen gebruiken. Broodkruimels, veertjes, insecten of ander lokmateriaal worden op het water gelegd om vissen dichterbij te lokken.
De groene reiger leeft seizoensgebonden monogaam. De balts bestaat uit een reeks opvallende vlucht- en houdingsrituelen, waarbij onder meer met opgeheven veren, gebogen hals en specifieke roepen wordt gedisplayed. Het nest wordt meestal gebouwd in struiken of bomen nabij water en bestaat uit een platform van takken. Gewoonlijk worden twee tot vier eieren gelegd, met tussenpozen van ongeveer twee dagen. De broedduur bedraagt ongeveer negentien tot eenentwintig dagen. Beide oudervogels broeden en verzorgen de jongen. De jonge vogels verlaten het nest na ongeveer zestien tot zeventien dagen en worden tussen dertig en vijfendertig dagen na het uitkomen zelfstandig.
Genus Ardeola
Ardeola (Boie, 1822) is een geslacht van kleine reigers, meestal ongeveer 40 tot 50 centimeter lang, met een spanwijdte van ongeveer 80 tot 100 centimeter. De meeste soorten broeden in de tropische delen van de Oude Wereld. Een bekende uitzondering is de ralreiger, die ook in Zuid-Europa en het Midden-Oosten broedt en in Afrika overwintert. Soorten uit dit geslacht worden vaak vijverreigers genoemd en vormen een herkenbare groep binnen de reigerfamilie.
Ardeola-soorten zijn vrij gedrongen gebouwd, met een korte hals en een korte, stevige snavel. In rust zijn het vaak onopvallende vogels met een overwegend beige, bruine of warm getinte rug en een gekleurde of gestreepte voorhals en borst. In de broedtijd kunnen volwassen vogels verlengde halsveren ontwikkelen, waardoor het uiterlijk sierlijker wordt. Op de grond of aan de waterkant vallen deze reigers meestal weinig op door de goede schutkleur.
In vlucht verandert het beeld opvallend. Dan worden de helder witte vleugels zichtbaar, waardoor deze vogels veel witter lijken dan wanneer zij stilzitten. Dat contrast tussen een vrij bruine rusthouding en een opvallend witte vlucht is zeer kenmerkend voor dit geslacht.
Ardeola-soorten leven vooral langs vijvers, moerassen, rijstvelden, sloten, rivieroevers en andere ondiepe natte gebieden. Het voedsel bestaat uit kleine vissen, amfibieën, insecten en andere kleine waterdieren. Meestal wordt rustig en behoedzaam gejaagd langs de waterkant of in ondiep water. Door de combinatie van gedrongen bouw, schutkleur en opvallend witte vleugels in vlucht vormt Ardeola een zeer karakteristiek geslacht binnen de kleine reigers.
Ardeola-soorten zijn vrij gedrongen gebouwd, met een korte hals en een korte, stevige snavel. In rust zijn het vaak onopvallende vogels met een overwegend beige, bruine of warm getinte rug en een gekleurde of gestreepte voorhals en borst. In de broedtijd kunnen volwassen vogels verlengde halsveren ontwikkelen, waardoor het uiterlijk sierlijker wordt. Op de grond of aan de waterkant vallen deze reigers meestal weinig op door de goede schutkleur.
In vlucht verandert het beeld opvallend. Dan worden de helder witte vleugels zichtbaar, waardoor deze vogels veel witter lijken dan wanneer zij stilzitten. Dat contrast tussen een vrij bruine rusthouding en een opvallend witte vlucht is zeer kenmerkend voor dit geslacht.
Ardeola-soorten leven vooral langs vijvers, moerassen, rijstvelden, sloten, rivieroevers en andere ondiepe natte gebieden. Het voedsel bestaat uit kleine vissen, amfibieën, insecten en andere kleine waterdieren. Meestal wordt rustig en behoedzaam gejaagd langs de waterkant of in ondiep water. Door de combinatie van gedrongen bouw, schutkleur en opvallend witte vleugels in vlucht vormt Ardeola een zeer karakteristiek geslacht binnen de kleine reigers.
Ralreiger
[latin] Ardeola ralloides | [authority] Scopoli, 1769 | [UK] Squacco Heron | [FR] Crabier chevelu | [DE] Rallenreiher | [ES] Garcilla Cangrejera | [NL] Ralreiger



Ralreiger details
De Ralreiger (Ardeola ralloides) (Scopoli, 1769) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en komt voor in delen van Eurazië en Afrika. Palearctische populaties zijn trekvogels en trekken na het broedseizoen naar Afrika ten zuiden van de Sahara. De najaarstrek loopt meestal van augustus tot november en de terugkeer naar de broedgebieden vindt vooral plaats in april en mei. Afrikaanse populaties zijn grotendeels standvogel, al komen ook daar lokale verplaatsingen voor.
De ralreiger is een kleine, gedrongen reiger met een overwegend warm beige tot lichtbruine lichaamskleur. De snavel is grijsachtig, maar kleurt in de broedtijd opvallend blauwgroen tot turkoois. De poten zijn oranje. Op de kop bevinden zich verlengde witte en bruine sierveren, die in de broedtijd bijzonder opvallend kunnen zijn. In rust oogt de soort vrij onopvallend en goed gecamoufleerd, maar in vlucht verandert het beeld volledig doordat de vleugels helder wit zijn. Daardoor lijkt de vogel vliegend veel witter dan zittend of foeragerend aan de waterkant.
Deze soort broedt vooral in dichte rietvelden langs zoete en brakke wateren, maar ook in overstroomde struiken in riviergebieden. De ralreiger sluit zich vrijwel altijd aan bij kolonies van andere reigerachtigen en ooievaarachtigen en bezet daarin vaak de buitenste delen van de kolonie. Buiten de broedtijd wordt gefoerageerd langs moerassige wateren, sloten, ondiepe plassen en langzaam stromende beken, meestal op plaatsen met enige dekking in de buurt.
Het voedsel bestaat vooral uit kikkers, maar daarnaast ook uit insecten, vissen, weekdieren, larven, kleine kreeftachtigen, spinnen en bloedzuigers. De ralreiger jaagt meestal in ondiep water en neemt daarbij vaak een horizontale houding aan. Mobiele prooien worden actief gevolgd, terwijl minder opvallende prooidieren rustig worden opgespoord. Na regen kan de soort ook op akkers en in tuinen in riviergebieden verschijnen om ongewervelden te zoeken.
De soort arriveert meestal in april of begin mei in de broedgebieden. Het broeden begint vaak in mei of juni. Er wordt altijd in kolonies gebroed, meestal samen met grotere reigers en soms ook met andere moerasvogels. Door de relatief late broedtijd liggen de nesten vaak aan de buitenrand van de kolonie, wat de kans op predatie kan vergroten. Gewoonlijk worden drie tot vijf eieren gelegd. Het broedsucces hangt sterk samen met de mate van verstoring in de omgeving. Bij voldoende rust kan de soort succesvol broeden. De herfsttrek begint vaak al vanaf eind augustus en loopt meestal door tot half september, al blijven sommige vogels langer aanwezig.
De ralreiger is een kleine, gedrongen reiger met een overwegend warm beige tot lichtbruine lichaamskleur. De snavel is grijsachtig, maar kleurt in de broedtijd opvallend blauwgroen tot turkoois. De poten zijn oranje. Op de kop bevinden zich verlengde witte en bruine sierveren, die in de broedtijd bijzonder opvallend kunnen zijn. In rust oogt de soort vrij onopvallend en goed gecamoufleerd, maar in vlucht verandert het beeld volledig doordat de vleugels helder wit zijn. Daardoor lijkt de vogel vliegend veel witter dan zittend of foeragerend aan de waterkant.
Deze soort broedt vooral in dichte rietvelden langs zoete en brakke wateren, maar ook in overstroomde struiken in riviergebieden. De ralreiger sluit zich vrijwel altijd aan bij kolonies van andere reigerachtigen en ooievaarachtigen en bezet daarin vaak de buitenste delen van de kolonie. Buiten de broedtijd wordt gefoerageerd langs moerassige wateren, sloten, ondiepe plassen en langzaam stromende beken, meestal op plaatsen met enige dekking in de buurt.
Het voedsel bestaat vooral uit kikkers, maar daarnaast ook uit insecten, vissen, weekdieren, larven, kleine kreeftachtigen, spinnen en bloedzuigers. De ralreiger jaagt meestal in ondiep water en neemt daarbij vaak een horizontale houding aan. Mobiele prooien worden actief gevolgd, terwijl minder opvallende prooidieren rustig worden opgespoord. Na regen kan de soort ook op akkers en in tuinen in riviergebieden verschijnen om ongewervelden te zoeken.
De soort arriveert meestal in april of begin mei in de broedgebieden. Het broeden begint vaak in mei of juni. Er wordt altijd in kolonies gebroed, meestal samen met grotere reigers en soms ook met andere moerasvogels. Door de relatief late broedtijd liggen de nesten vaak aan de buitenrand van de kolonie, wat de kans op predatie kan vergroten. Gewoonlijk worden drie tot vijf eieren gelegd. Het broedsucces hangt sterk samen met de mate van verstoring in de omgeving. Bij voldoende rust kan de soort succesvol broeden. De herfsttrek begint vaak al vanaf eind augustus en loopt meestal door tot half september, al blijven sommige vogels langer aanwezig.
Genus Nycticorax
Nycticorax (Stephens, 1819) is een geslacht van middelgrote, stevig gebouwde reigers binnen de reigerfamilie. Soorten uit dit geslacht komen in grote delen van de wereld voor en zijn vooral bekend als nacht- en schemeractieve reigers. In vergelijking met veel andere reigers zijn zij compacter gebouwd, met een kortere hals, relatief korte poten en een gedrongener silhouet. Daardoor wijken zij duidelijk af van de meer langgerekte dagreigers.
Soorten binnen Nycticorax hebben meestal een brede kop, een stevige snavel en een vrij korte hals die in rust vaak ingetrokken wordt gehouden. Het verenkleed is doorgaans opgebouwd uit grijze, zwarte, witte of bruine tinten. Volwassen vogels hebben vaak een opvallende contrasterende kop- en rugtekening, terwijl jonge vogels meestal bruiner en sterker gevlekt of gestreept zijn. In de broedtijd kunnen sierveren op de kop aanwezig zijn, wat het uiterlijk extra karakteristiek maakt.
Deze reigers leven vooral in moerassen, meren, rivieroevers, mangroven, estuaria, visrijke plassen en andere natte gebieden met voldoende dekking. Overdag rusten zij vaak verborgen in bomen, struiken of dichte oevervegetatie, terwijl de grootste activiteit meestal in de schemering en tijdens de nacht plaatsvindt. Het voedsel bestaat uit vis, amfibieën, kreeftachtigen, insecten en andere kleine dieren die in ondiep water of langs de waterkant worden gevangen.
De voortplanting vindt meestal plaats in kolonies, vaak samen met andere reigers en moerasvogels. Het nest wordt gebouwd van takken en ligt meestal in bomen, struiken of rietvegetatie boven of nabij water. Beide oudervogels nemen doorgaans deel aan het bouwen, broeden en verzorgen van de jongen. Door de combinatie van gedrongen bouw, nachtelijke activiteit en koloniebroeden vormt Nycticorax een zeer herkenbaar geslacht binnen de reigers.
Soorten binnen Nycticorax hebben meestal een brede kop, een stevige snavel en een vrij korte hals die in rust vaak ingetrokken wordt gehouden. Het verenkleed is doorgaans opgebouwd uit grijze, zwarte, witte of bruine tinten. Volwassen vogels hebben vaak een opvallende contrasterende kop- en rugtekening, terwijl jonge vogels meestal bruiner en sterker gevlekt of gestreept zijn. In de broedtijd kunnen sierveren op de kop aanwezig zijn, wat het uiterlijk extra karakteristiek maakt.
Deze reigers leven vooral in moerassen, meren, rivieroevers, mangroven, estuaria, visrijke plassen en andere natte gebieden met voldoende dekking. Overdag rusten zij vaak verborgen in bomen, struiken of dichte oevervegetatie, terwijl de grootste activiteit meestal in de schemering en tijdens de nacht plaatsvindt. Het voedsel bestaat uit vis, amfibieën, kreeftachtigen, insecten en andere kleine dieren die in ondiep water of langs de waterkant worden gevangen.
De voortplanting vindt meestal plaats in kolonies, vaak samen met andere reigers en moerasvogels. Het nest wordt gebouwd van takken en ligt meestal in bomen, struiken of rietvegetatie boven of nabij water. Beide oudervogels nemen doorgaans deel aan het bouwen, broeden en verzorgen van de jongen. Door de combinatie van gedrongen bouw, nachtelijke activiteit en koloniebroeden vormt Nycticorax een zeer herkenbaar geslacht binnen de reigers.
Kwak
[latijn] Nycticorax nycticorax | [authoriteit] Linnaeus, 1758 | [UK] Black-crowned Night-Heron | [FR] Bihoreau gris | [DE] Nachtreiher | [ES] Martinete Comun | [NL] Kwak





Kwak details
De Kwak (Nycticorax nycticorax) (Linnaeus, 1758) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en komt voor in grote delen van de wereld, met uitzondering van Australië. Het is een trekvogel en zwerfvogel, waarbij jonge vogels in juli en augustus vaak in uiteenlopende richtingen uitzwerven. In Europa gaat die verspreiding over in de najaarstrek, die vooral in september en oktober plaatsvindt. West-Palearctische vogels overwinteren grotendeels in tropisch Afrika. In het voorjaar keren de meeste vogels tussen half maart en half april terug naar de broedkolonies.
De kwak is een middelgrote, stevig gebouwde reiger met een opvallend contrastrijk verenkleed. Volwassen vogels hebben een zwarte kruin, bovensnavel, bovenrug en schouderveren. De vleugels, stuit en staart zijn grijs, terwijl de onderzijde wit tot lichtgrijs is. De snavel is stevig en zwart en de ogen zijn rood. Buiten de broedtijd zijn de poten geelgroen, maar in de broedtijd kleuren zij roze. Jonge vogels zien er heel anders uit. De kop, hals, borst en buik zijn dan bruin met buffkleurige en witte strepen, terwijl de bovenzijde donkerbruin is met opvallende witte vlekken op de veren. Pas in het derde jaar wordt het volledige volwassen kleed bereikt.
Deze soort leeft bij zoet, zout en brak water en houdt zich op in gebieden met watervegetatie of langs beboste randen van ondiepe rivieren, beken, poelen, vijvers, meren, moerassen en mangroven. Ook langs zeekusten en in drogere terreinen kan worden gefoerageerd. Overdag rust de kwak vaak in dicht bebladerde bomen, zoals dennen, eiken, mangroven of bamboe. De soort is vooral actief in de avond, nacht en vroege ochtend.
Het voedsel bestaat vooral uit vis, maar het menu is breed en opportunistisch. Ook bloedzuigers, regenwormen, water- en landinsecten, rivierkreeften, mosselen, pijlinktvissen, amfibieën, hagedissen, slangen, knaagdieren, vogels, eieren, aas, plantaardig materiaal en zelfs afval worden gegeten. De kwak foerageert meestal alleen en verdedigt voedselterritoria fel. Vaak wordt gejaagd in ondiep water, waarbij de prooi met de snavel wordt gegrepen in plaats van gespietst. Soms wordt met een snel open- en dichtgaande snavelbeweging in het water trillingen veroorzaakt om prooien te lokken. In de broedtijd kan ook overdag gefoerageerd worden.
De kwak wordt meestal als monogaam beschouwd. De paarvorming begint met opvallend baltsgedrag van het mannetje, waaronder een gehurkte houding, snavelklappen en houdingen waarbij de hals wordt gestrekt en roepen klinken. In kolonies kan dit gedrag andere vogels stimuleren om eveneens te baltsen. Na de paarvorming poetsen de vogels elkaar en volgt de paring meestal op of nabij het nest. Er is gewoonlijk één broedsel per jaar. De kwak broedt in kolonies en vaak bevinden zich meerdere nesten in één boom. Het nest ligt meestal dicht bij de stam of in een takvork en bestaat uit een platform van takken, bekleed met wortels en gras. Het mannetje begint vaak met de bouw of het opknappen van een oud nest en brengt daarna takken aan, die door het vrouwtje worden verwerkt. Gewoonlijk worden drie tot vijf eieren gelegd met tussenpozen van ongeveer twee dagen. Beide oudervogels broeden en de broedduur bedraagt ongeveer vierentwintig tot zesentwintig dagen. Na ongeveer twee weken verlaten de jongen het nest, maar blijven nog dichtbij. Na zes tot zeven weken kunnen zij goed vliegen en vertrekken zij naar de foerageergebieden.
De kwak is een middelgrote, stevig gebouwde reiger met een opvallend contrastrijk verenkleed. Volwassen vogels hebben een zwarte kruin, bovensnavel, bovenrug en schouderveren. De vleugels, stuit en staart zijn grijs, terwijl de onderzijde wit tot lichtgrijs is. De snavel is stevig en zwart en de ogen zijn rood. Buiten de broedtijd zijn de poten geelgroen, maar in de broedtijd kleuren zij roze. Jonge vogels zien er heel anders uit. De kop, hals, borst en buik zijn dan bruin met buffkleurige en witte strepen, terwijl de bovenzijde donkerbruin is met opvallende witte vlekken op de veren. Pas in het derde jaar wordt het volledige volwassen kleed bereikt.
Deze soort leeft bij zoet, zout en brak water en houdt zich op in gebieden met watervegetatie of langs beboste randen van ondiepe rivieren, beken, poelen, vijvers, meren, moerassen en mangroven. Ook langs zeekusten en in drogere terreinen kan worden gefoerageerd. Overdag rust de kwak vaak in dicht bebladerde bomen, zoals dennen, eiken, mangroven of bamboe. De soort is vooral actief in de avond, nacht en vroege ochtend.
Het voedsel bestaat vooral uit vis, maar het menu is breed en opportunistisch. Ook bloedzuigers, regenwormen, water- en landinsecten, rivierkreeften, mosselen, pijlinktvissen, amfibieën, hagedissen, slangen, knaagdieren, vogels, eieren, aas, plantaardig materiaal en zelfs afval worden gegeten. De kwak foerageert meestal alleen en verdedigt voedselterritoria fel. Vaak wordt gejaagd in ondiep water, waarbij de prooi met de snavel wordt gegrepen in plaats van gespietst. Soms wordt met een snel open- en dichtgaande snavelbeweging in het water trillingen veroorzaakt om prooien te lokken. In de broedtijd kan ook overdag gefoerageerd worden.
De kwak wordt meestal als monogaam beschouwd. De paarvorming begint met opvallend baltsgedrag van het mannetje, waaronder een gehurkte houding, snavelklappen en houdingen waarbij de hals wordt gestrekt en roepen klinken. In kolonies kan dit gedrag andere vogels stimuleren om eveneens te baltsen. Na de paarvorming poetsen de vogels elkaar en volgt de paring meestal op of nabij het nest. Er is gewoonlijk één broedsel per jaar. De kwak broedt in kolonies en vaak bevinden zich meerdere nesten in één boom. Het nest ligt meestal dicht bij de stam of in een takvork en bestaat uit een platform van takken, bekleed met wortels en gras. Het mannetje begint vaak met de bouw of het opknappen van een oud nest en brengt daarna takken aan, die door het vrouwtje worden verwerkt. Gewoonlijk worden drie tot vijf eieren gelegd met tussenpozen van ongeveer twee dagen. Beide oudervogels broeden en de broedduur bedraagt ongeveer vierentwintig tot zesentwintig dagen. Na ongeveer twee weken verlaten de jongen het nest, maar blijven nog dichtbij. Na zes tot zeven weken kunnen zij goed vliegen en vertrekken zij naar de foerageergebieden.
Genus Ixobrychus
Ixobrychus (Billberg, 1828) is een geslacht van kleine roerdompen binnen de reigerfamilie. Soorten uit dit geslacht komen voor in Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Eurazië en Australazië. In de tropen zijn deze vogels meestal standvogel, terwijl de noordelijker voorkomende soorten gedeeltelijk trekkend zijn en in de winter vaak naar warmere gebieden uitwijken. Binnen de roerdompen vormen zij de kleinere tegenhangers van de grotere soorten uit het geslacht Botaurus.
Soorten binnen Ixobrychus zijn kleine, slanke maar verborgen levende moerasvogels. Zij hebben een vrij compacte bouw, een korte staart, een relatief lange hals en een spitse snavel. Het verenkleed bestaat meestal uit bruine, geelbruine, zwarte en lichte tinten, waardoor de vogels uitstekend opgaan in riet, zeggen en andere moerasvegetatie. Door hun bescheiden formaat en goede camouflage blijven zij vaak onopgemerkt, zelfs in geschikt leefgebied.
Deze soorten leven vooral in uitgestrekte rietvelden en andere dichte moerasvegetaties. Daar jagen zij op kleine vissen, amfibieën, insecten en andere kleine waterdieren. Vaak wordt behoedzaam tussen stengels geklommen of langzaam langs ondiep water gejaagd, waarbij prooien met een snelle snavelstoot worden gegrepen. Net als andere roerdompen laten soorten uit dit geslacht zich meestal eerder horen dan zien.
De voortplanting vindt plaats in dichte rietvelden en andere beschutte moeraszones. Het nest wordt meestal laag boven het water gebouwd van riet en ander plantenmateriaal. Door de verborgen levenswijze en de sterke gebondenheid aan uitgestrekte natte vegetatie zijn soorten uit Ixobrychus vaak lastig waar te nemen. Daardoor vormen zij een onopvallend maar zeer karakteristiek geslacht binnen de kleine reigerachtigen.
Soorten binnen Ixobrychus zijn kleine, slanke maar verborgen levende moerasvogels. Zij hebben een vrij compacte bouw, een korte staart, een relatief lange hals en een spitse snavel. Het verenkleed bestaat meestal uit bruine, geelbruine, zwarte en lichte tinten, waardoor de vogels uitstekend opgaan in riet, zeggen en andere moerasvegetatie. Door hun bescheiden formaat en goede camouflage blijven zij vaak onopgemerkt, zelfs in geschikt leefgebied.
Deze soorten leven vooral in uitgestrekte rietvelden en andere dichte moerasvegetaties. Daar jagen zij op kleine vissen, amfibieën, insecten en andere kleine waterdieren. Vaak wordt behoedzaam tussen stengels geklommen of langzaam langs ondiep water gejaagd, waarbij prooien met een snelle snavelstoot worden gegrepen. Net als andere roerdompen laten soorten uit dit geslacht zich meestal eerder horen dan zien.
De voortplanting vindt plaats in dichte rietvelden en andere beschutte moeraszones. Het nest wordt meestal laag boven het water gebouwd van riet en ander plantenmateriaal. Door de verborgen levenswijze en de sterke gebondenheid aan uitgestrekte natte vegetatie zijn soorten uit Ixobrychus vaak lastig waar te nemen. Daardoor vormen zij een onopvallend maar zeer karakteristiek geslacht binnen de kleine reigerachtigen.
Woudaap
[LAT] Ixobrychus minutus |
[UK] Little Bittern |
[FR] Blongios nain |
[DE] Zwergdommel |
[ES] Avetorillo común |
[NL] Woudaap



Woudaap details
De Woudaap (Ixobrychus minutus) (Linnaeus, 1766) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en komt voor van Zuid- en Midden-Europa tot Centraal-Azië, Noordwest-India en grote delen van Afrika. Het is een trekvogel en zwerfvogel. Na het uitvliegen treedt vanaf eind juli tot begin september verspreiding op in wisselende richtingen, waarna de echte najaarstrek volgt. De meeste West-Palearctische vogels overwinteren in oostelijk en zuidelijk Afrika. In het voorjaar keren de vogels vanaf half maart terug over het Middellandse Zeegebied en worden de broedgebieden in Midden-Europa en zuidelijk Rusland in april en begin mei opnieuw bezet.
De woudaap is een zeer kleine reiger en wijkt daardoor duidelijk af van grotere reigerachtigen. Het mannetje heeft een donkere kop en rug, vaak zwart met een groenige glans, terwijl de vleugeldekveren roomkleurig en opvallend licht zijn. De onderzijde is bleek. Het vrouwtje is bruiner en sterker gestreept, zowel op de bovenzijde als op de onderzijde, en de lichte vleugeldekveren zijn minder contrastrijk. De snavel is geelachtig en de poten zijn groen. In vlucht valt de soort op door de lage vlieghoogte, snelle vleugelslagen en afgewisselde glijvluchten.
De woudaap leeft in uiteenlopende natte gebieden met voldoende dichte vegetatie. Vooral zoetwatergebieden met riet, ruigte en andere oeverbegroeiing zijn belangrijk, maar ook beboste randen van ondiepe rivieren, beken, poelen, vijvers, meren, moerassen en mangroven worden benut. De soort houdt zich meestal goed verborgen in dichte begroeiing en wordt daardoor vaker gehoord of kort opvliegend waargenomen dan langdurig gezien.
Het voedsel is gevarieerd en bestaat uit vis, kikkers, spinnen, kleine reptielen en kleine vogels. De woudaap foerageert vooral rond zonsopkomst en zonsondergang, maar kan ook overdag actief zijn. Net als andere kleine roerdompen jaagt deze soort meestal alleen, door roerloos te blijven staan of langzaam en behoedzaam door de vegetatie te bewegen terwijl gedeeltelijk dekking wordt gehouden.
De broedtijd begint meestal vanaf mei. Het nest ligt in dichte begroeiing, vaak langs kanalen of in ruig begroeide natte zones, en wordt gebouwd van twijgen en ander plantenmateriaal. In tegenstelling tot veel grotere reigers broedt de woudaap niet in kolonies. Gewoonlijk worden vier tot zes witachtig groenige eieren gelegd. Beide oudervogels broeden en de broedduur bedraagt ongeveer zeventien tot negentien dagen.
De woudaap is een zeer kleine reiger en wijkt daardoor duidelijk af van grotere reigerachtigen. Het mannetje heeft een donkere kop en rug, vaak zwart met een groenige glans, terwijl de vleugeldekveren roomkleurig en opvallend licht zijn. De onderzijde is bleek. Het vrouwtje is bruiner en sterker gestreept, zowel op de bovenzijde als op de onderzijde, en de lichte vleugeldekveren zijn minder contrastrijk. De snavel is geelachtig en de poten zijn groen. In vlucht valt de soort op door de lage vlieghoogte, snelle vleugelslagen en afgewisselde glijvluchten.
De woudaap leeft in uiteenlopende natte gebieden met voldoende dichte vegetatie. Vooral zoetwatergebieden met riet, ruigte en andere oeverbegroeiing zijn belangrijk, maar ook beboste randen van ondiepe rivieren, beken, poelen, vijvers, meren, moerassen en mangroven worden benut. De soort houdt zich meestal goed verborgen in dichte begroeiing en wordt daardoor vaker gehoord of kort opvliegend waargenomen dan langdurig gezien.
Het voedsel is gevarieerd en bestaat uit vis, kikkers, spinnen, kleine reptielen en kleine vogels. De woudaap foerageert vooral rond zonsopkomst en zonsondergang, maar kan ook overdag actief zijn. Net als andere kleine roerdompen jaagt deze soort meestal alleen, door roerloos te blijven staan of langzaam en behoedzaam door de vegetatie te bewegen terwijl gedeeltelijk dekking wordt gehouden.
De broedtijd begint meestal vanaf mei. Het nest ligt in dichte begroeiing, vaak langs kanalen of in ruig begroeide natte zones, en wordt gebouwd van twijgen en ander plantenmateriaal. In tegenstelling tot veel grotere reigers broedt de woudaap niet in kolonies. Gewoonlijk worden vier tot zes witachtig groenige eieren gelegd. Beide oudervogels broeden en de broedduur bedraagt ongeveer zeventien tot negentien dagen.
Genus Botaurus
Botaurus (Stephens, 1819) is een geslacht van roerdompen binnen de reigerfamilie. Soorten uit dit geslacht komen voor in Noord-Amerika, Midden- en Zuid-Amerika, Eurazië en Australazië. Het gaat om grote, zwaar gebouwde moerasvogels die sterk gebonden zijn aan uitgestrekte rietvelden en andere dichte moerasvegetaties. Binnen hun leefgebied behoren zij tot de meest verborgen levende reigerachtigen.
Soorten binnen Botaurus zijn groot, gedrongen en overwegend bruin van kleur, met een zware streping en gevlamde tekening over het lichaam. Deze schutkleur past uitstekend bij droog en levend riet, waardoor de vogels ondanks hun forse formaat vaak moeilijk te zien zijn. Wanneer verstoring dreigt, nemen roerdompen vaak een rechtopgerichte houding aan met gestrekte hals en omhoog gerichte snavel, waardoor de vogel nog meer op de omringende vegetatie lijkt. Daardoor worden zij meestal eerder gehoord dan gezien.
Het leefgebied bestaat vooral uit grote rietmoerassen, zeggenvelden, natte graslanden en andere uitgestrekte wetlands met dichte dekking. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vissen, amfibieën, insecten, kreeftachtigen en andere kleine moerasdieren. De jachtwijze is rustig en bedachtzaam, waarbij langzaam door ondiep water of tussen rietstengels wordt geschreden en prooien met een snelle snavelstoot worden gegrepen.
De noordelijke soorten binnen dit geslacht zijn gedeeltelijk trekvogel en trekken in de winter vaak naar warmere gebieden. De voortplanting vindt plaats in uitgestrekte rietvelden, waar het nest goed verborgen op of vlak boven het water wordt gebouwd van riet en ander moerasmateriaal. Door de combinatie van grote afmetingen, sterke camouflage en verborgen leefwijze vormt Botaurus een zeer karakteristiek geslacht binnen de moerasvogels.
Soorten binnen Botaurus zijn groot, gedrongen en overwegend bruin van kleur, met een zware streping en gevlamde tekening over het lichaam. Deze schutkleur past uitstekend bij droog en levend riet, waardoor de vogels ondanks hun forse formaat vaak moeilijk te zien zijn. Wanneer verstoring dreigt, nemen roerdompen vaak een rechtopgerichte houding aan met gestrekte hals en omhoog gerichte snavel, waardoor de vogel nog meer op de omringende vegetatie lijkt. Daardoor worden zij meestal eerder gehoord dan gezien.
Het leefgebied bestaat vooral uit grote rietmoerassen, zeggenvelden, natte graslanden en andere uitgestrekte wetlands met dichte dekking. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vissen, amfibieën, insecten, kreeftachtigen en andere kleine moerasdieren. De jachtwijze is rustig en bedachtzaam, waarbij langzaam door ondiep water of tussen rietstengels wordt geschreden en prooien met een snelle snavelstoot worden gegrepen.
De noordelijke soorten binnen dit geslacht zijn gedeeltelijk trekvogel en trekken in de winter vaak naar warmere gebieden. De voortplanting vindt plaats in uitgestrekte rietvelden, waar het nest goed verborgen op of vlak boven het water wordt gebouwd van riet en ander moerasmateriaal. Door de combinatie van grote afmetingen, sterke camouflage en verborgen leefwijze vormt Botaurus een zeer karakteristiek geslacht binnen de moerasvogels.
Zuid Amerikaanse Roerdomp
[latijn] Botaurus pinnatus | [authoriteit] Wagler, 1829 | [UK] Pinnated Bittern | [FR] Butor mirasol | [DE] Sudamerikanische Rohrdommel | [ES] Avetoro Mirasol | [NL] Zuidamerikaanse Roerdomp



Zuid Amerikaanse roerdomp
De Zuid-Amerikaanse roerdomp (Botaurus pinnatus) (Wagler, 1829) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en komt voor van oostelijk Mexico tot noordoostelijk Argentinië. Over verplaatsingen is nog betrekkelijk weinig bekend. In delen van het verspreidingsgebied lijkt de soort vooral standvogel te zijn. Ook in Suriname is deze roerdomp niet zeldzaam, maar door de verborgen levenswijze wordt de soort gemakkelijk over het hoofd gezien.
De Zuid-Amerikaanse roerdomp is een middelgrote roerdomp met een overwegend geelbruine tot warm buffkleurige grondkleur en duidelijke zwartbruine banden en strepen. De keel en het bovenste deel van de buik zijn witachtig, terwijl borst en onderbuik bruiner zijn met brede lichtere strepen. De snavel en poten zijn lichtgroen. Door de sterk gestreepte tekening gaat deze soort in riet en moerasvegetatie opvallend goed op in de omgeving.
Deze soort leeft in zoetwatermoerassen die dicht begroeid zijn met riet, struiken en andere opgaande moerasvegetatie. De voorkeur gaat uit naar natte, beschutte gebieden waar voldoende dekking aanwezig is. Door de verborgen leefwijze en de goede schutkleur blijft deze roerdomp vaak onopgemerkt, zelfs op plaatsen waar de soort geregeld voorkomt.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit vis, insecten en andere ongewervelden die in of bij het water worden gevangen. Daarnaast worden ook kleine gewervelden gegeten, zoals kikkers en slangen. De soort jaagt vooral in ondiep water en tussen dichte vegetatie, waarbij prooien met een snelle snavelstoot worden gegrepen.
Over de voortplanting is nog weinig bekend. Het nest is een platform van riet dat boven het water wordt gebouwd. Gewoonlijk worden twee tot drie eieren gelegd. Voor zover bekend wordt vooral door het vrouwtje gebroed. Ook in Suriname is over het broedgedrag nog maar weinig concrete informatie beschikbaar.
De Zuid-Amerikaanse roerdomp is een middelgrote roerdomp met een overwegend geelbruine tot warm buffkleurige grondkleur en duidelijke zwartbruine banden en strepen. De keel en het bovenste deel van de buik zijn witachtig, terwijl borst en onderbuik bruiner zijn met brede lichtere strepen. De snavel en poten zijn lichtgroen. Door de sterk gestreepte tekening gaat deze soort in riet en moerasvegetatie opvallend goed op in de omgeving.
Deze soort leeft in zoetwatermoerassen die dicht begroeid zijn met riet, struiken en andere opgaande moerasvegetatie. De voorkeur gaat uit naar natte, beschutte gebieden waar voldoende dekking aanwezig is. Door de verborgen leefwijze en de goede schutkleur blijft deze roerdomp vaak onopgemerkt, zelfs op plaatsen waar de soort geregeld voorkomt.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit vis, insecten en andere ongewervelden die in of bij het water worden gevangen. Daarnaast worden ook kleine gewervelden gegeten, zoals kikkers en slangen. De soort jaagt vooral in ondiep water en tussen dichte vegetatie, waarbij prooien met een snelle snavelstoot worden gegrepen.
Over de voortplanting is nog weinig bekend. Het nest is een platform van riet dat boven het water wordt gebouwd. Gewoonlijk worden twee tot drie eieren gelegd. Voor zover bekend wordt vooral door het vrouwtje gebroed. Ook in Suriname is over het broedgedrag nog maar weinig concrete informatie beschikbaar.
Roerdomp
[latijn] Botaurus stellaris | [authoriteit] Linnaeus, 1758 | [UK] Eurasian bittern | [FR] Butor étoilé | [DE] Rohrdommel | [ES] Avetoro común | [NL] Roerdomp

Roerdomp details
De Roerdomp (Botaurus stellaris) (Linnaeus, 1758) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en komt wijdverspreid voor in Eurazië. In de Atlantische delen van West-Europa, zoals het Verenigd Koninkrijk en andere milde kustgebieden, is de roerdomp vaak standvogel. In noordelijke en meer continentale gebieden is de soort veel sterker trekkend en wijken vogels in de winter uit naar zachtere streken. In het Middellandse Zeegebied zijn veel populaties grotendeels standvastig, al kunnen droge zomers daar lokaal voor verplaatsingen zorgen.
De roerdomp is een gedrongen, vrij zware reigerachtige met een dikke hals en een sterk gecamoufleerd verenkleed. De grondkleur is warm goudbruin, met een zwarte kruin, donkere tekening op de bovenzijde en donkere strepen op de onderzijde. In vlucht vallen de licht roodbruine slagpennen en armpennen op, met zwarte bandering en vlekken. Door deze tekening gaat de soort in uitgestrekte rietvelden bijna volledig op in de omgeving. De roerdomp wordt daardoor veel vaker gehoord dan gezien. De diepe, dreunende baltsroep is zeer karakteristiek en klinkt als een ver dragend, laag hoempend geluid.
Deze soort leeft vooral in uitgestrekte, natte rietvelden met open water. Vooral grote moerassen met veel gewoon riet hebben de voorkeur, al wordt soms ook in andere dichte watervegetaties gebroed. Belangrijk is dat het leefgebied nat blijft en niet sterk uitdroogt tijdens het broedseizoen. In gebieden met ondiep water kunnen snelle schommelingen in waterpeil het voedselaanbod sterk beïnvloeden. Daarom worden vooral stabiele, natte moerassen met voldoende open foerageerplekken benut. Soms kunnen ook kleinere rietvelden geschikt zijn, mits in de omgeving aanvullende natte foerageergebieden aanwezig zijn.
Het voedsel bestaat vooral uit vis, amfibieën en insecten, maar daarnaast worden ook kleine vogels en zoogdieren gegeten. De roerdomp is vrij flexibel in de voedselkeuze en past zich aan de plaatselijke omstandigheden aan. In sommige gebieden zijn bijvoorbeeld palingen bijzonder belangrijk, terwijl elders juist kleine vissen of amfibieën een grotere rol spelen. In strenge winters kunnen kleine zoogdieren belangrijker worden. De jacht vindt meestal plaats in of langs ondiep water tussen riet en moerasvegetatie, waarbij langzaam en behoedzaam naar prooi wordt gezocht.
Het mannetje markeert het territorium met de kenmerkende hoemproep en er zijn aanwijzingen dat de soort polygamisch kan zijn. Het nest is een platform van rietstengels tussen staand riet. Gewoonlijk worden in april en mei vier tot vijf eieren gelegd. Voor zover bekend wordt zowel het broeden als de zorg voor de jongen hoofdzakelijk door het vrouwtje uitgevoerd. De jongen kunnen ongeveer twaalf dagen na het uitkomen het nest al verlaten, al blijven zij vaak nog langer op of bij het nestplatform voordat zij verder het riet in trekken. Soms bouwt het vrouwtje extra platforms voor de jongen terwijl deze nog afhankelijk zijn van voedsel. Het uitvliegen vindt in Noord-Europa meestal plaats tussen juni en begin augustus.
De roerdomp is een gedrongen, vrij zware reigerachtige met een dikke hals en een sterk gecamoufleerd verenkleed. De grondkleur is warm goudbruin, met een zwarte kruin, donkere tekening op de bovenzijde en donkere strepen op de onderzijde. In vlucht vallen de licht roodbruine slagpennen en armpennen op, met zwarte bandering en vlekken. Door deze tekening gaat de soort in uitgestrekte rietvelden bijna volledig op in de omgeving. De roerdomp wordt daardoor veel vaker gehoord dan gezien. De diepe, dreunende baltsroep is zeer karakteristiek en klinkt als een ver dragend, laag hoempend geluid.
Deze soort leeft vooral in uitgestrekte, natte rietvelden met open water. Vooral grote moerassen met veel gewoon riet hebben de voorkeur, al wordt soms ook in andere dichte watervegetaties gebroed. Belangrijk is dat het leefgebied nat blijft en niet sterk uitdroogt tijdens het broedseizoen. In gebieden met ondiep water kunnen snelle schommelingen in waterpeil het voedselaanbod sterk beïnvloeden. Daarom worden vooral stabiele, natte moerassen met voldoende open foerageerplekken benut. Soms kunnen ook kleinere rietvelden geschikt zijn, mits in de omgeving aanvullende natte foerageergebieden aanwezig zijn.
Het voedsel bestaat vooral uit vis, amfibieën en insecten, maar daarnaast worden ook kleine vogels en zoogdieren gegeten. De roerdomp is vrij flexibel in de voedselkeuze en past zich aan de plaatselijke omstandigheden aan. In sommige gebieden zijn bijvoorbeeld palingen bijzonder belangrijk, terwijl elders juist kleine vissen of amfibieën een grotere rol spelen. In strenge winters kunnen kleine zoogdieren belangrijker worden. De jacht vindt meestal plaats in of langs ondiep water tussen riet en moerasvegetatie, waarbij langzaam en behoedzaam naar prooi wordt gezocht.
Het mannetje markeert het territorium met de kenmerkende hoemproep en er zijn aanwijzingen dat de soort polygamisch kan zijn. Het nest is een platform van rietstengels tussen staand riet. Gewoonlijk worden in april en mei vier tot vijf eieren gelegd. Voor zover bekend wordt zowel het broeden als de zorg voor de jongen hoofdzakelijk door het vrouwtje uitgevoerd. De jongen kunnen ongeveer twaalf dagen na het uitkomen het nest al verlaten, al blijven zij vaak nog langer op of bij het nestplatform voordat zij verder het riet in trekken. Soms bouwt het vrouwtje extra platforms voor de jongen terwijl deze nog afhankelijk zijn van voedsel. Het uitvliegen vindt in Noord-Europa meestal plaats tussen juni en begin augustus.
Genus Bubulcus
Bubulcus (Bonaparte, 1855) is een geslacht binnen de reigerfamilie en omvat de koereiger. Dit geslacht wordt meestal als eensoortig opgevat, al worden sommige geografische vormen soms als aparte soorten beschouwd. De koereiger komt voor in tropische, subtropische en warm-gematigde gebieden en heeft zich in relatief korte tijd over grote delen van de wereld verspreid. Daardoor behoort Bubulcus tot de meest succesvolle en wijd verbreide reigergeslachten.
Hoewel de koereiger in verenkleed enige gelijkenis vertoont met soorten uit het geslacht Egretta, is Bubulcus nauwer verwant aan de grotere reigers van het geslacht Ardea. De bouw is compacter dan bij veel andere reigers, met een vrij korte hals, stevige snavel en een gedrongen houding. In rust en tijdens het foerageren maakt de soort daardoor vaak een krachtiger en minder sierlijke indruk dan veel andere witte reigers.
Van oorsprong kwam Bubulcus voor in delen van Zuid-Europa, Afrika en tropisch Azië, maar vanaf de negentiende en twintigste eeuw heeft het geslacht een uitzonderlijk snelle natuurlijke uitbreiding doorgemaakt. Vanuit het oorspronkelijke areaal werden achtereenvolgens grote delen van Afrika, Noord- en Zuid-Amerika, Europa, Australië en Nieuw-Zeeland bereikt en gekoloniseerd. Deze wereldwijde uitbreiding geldt als een van de snelste natuurlijke areaaluitbreidingen die bij vogels bekend zijn.
Soorten of vormen binnen Bubulcus leven vooral in open landschappen, graslanden, moerassen, landbouwgebieden en andere terreinen waar voedsel op de grond of in ondiep water wordt gezocht. Anders dan veel andere reigers foerageert de koereiger vaak ver van open water en geregeld in nauwe samenhang met grazende dieren. Door de combinatie van wereldwijde verspreiding, aanpassingsvermogen en de afwijkende, meer landgebonden leefwijze vormt Bubulcus een bijzonder karakteristiek geslacht binnen de reigerfamilie.
Hoewel de koereiger in verenkleed enige gelijkenis vertoont met soorten uit het geslacht Egretta, is Bubulcus nauwer verwant aan de grotere reigers van het geslacht Ardea. De bouw is compacter dan bij veel andere reigers, met een vrij korte hals, stevige snavel en een gedrongen houding. In rust en tijdens het foerageren maakt de soort daardoor vaak een krachtiger en minder sierlijke indruk dan veel andere witte reigers.
Van oorsprong kwam Bubulcus voor in delen van Zuid-Europa, Afrika en tropisch Azië, maar vanaf de negentiende en twintigste eeuw heeft het geslacht een uitzonderlijk snelle natuurlijke uitbreiding doorgemaakt. Vanuit het oorspronkelijke areaal werden achtereenvolgens grote delen van Afrika, Noord- en Zuid-Amerika, Europa, Australië en Nieuw-Zeeland bereikt en gekoloniseerd. Deze wereldwijde uitbreiding geldt als een van de snelste natuurlijke areaaluitbreidingen die bij vogels bekend zijn.
Soorten of vormen binnen Bubulcus leven vooral in open landschappen, graslanden, moerassen, landbouwgebieden en andere terreinen waar voedsel op de grond of in ondiep water wordt gezocht. Anders dan veel andere reigers foerageert de koereiger vaak ver van open water en geregeld in nauwe samenhang met grazende dieren. Door de combinatie van wereldwijde verspreiding, aanpassingsvermogen en de afwijkende, meer landgebonden leefwijze vormt Bubulcus een bijzonder karakteristiek geslacht binnen de reigerfamilie.
Koereiger
[latijn] Bubulcus ibis | [authoriteit] Linnaeus, 1758 | [UK] Cattle Egret | [FR] Heron garde-boeufs | [DE] Kuhreiher | [ES] Garza Ganadera | [NL] Koereiger









Koereiger details
De Koereiger (Bubulcus ibis) (Linnaeus, 1758) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een groot verspreidingsgebied en komt voor van Zuid-Europa tot Iran, in grote delen van Afrika, op eilanden in de Indische Oceaan en in Noord- en Zuid-Amerika. Na het broedseizoen treden vaak uitgebreide zwerfbewegingen op. Veel populaties in tropische gebieden zijn grotendeels standvogel, maar verplaatsen zich over grote afstanden wanneer regenval en voedselomstandigheden daarom vragen. De soort staat bovendien bekend om sterke dwaalgastneiging en bereikt soms zeer afgelegen gebieden.
De koereiger is iets kleiner en compacter gebouwd dan veel andere witte reigers. Buiten de broedtijd is het verenkleed vrijwel geheel wit. In broedkleed verschijnen warme beige tot oranjebuffe tinten op kruin, borst en rug. De snavel is relatief kort en meestal geel, maar kan in de broedtijd oranjeachtig tot roze kleuren. Ook de poten kunnen variëren van geel en groenig tot rozeachtig, terwijl jonge vogels vaak donkerder poten hebben. Door de gedrongen bouw, de korte hals en de vaak landgebonden manier van foerageren is deze soort goed herkenbaar.
De koereiger is de meest landgebonden reiger en is goed aangepast aan uiteenlopende droge en natte leefgebieden. Graslanden, weiden, landbouwgebieden, moerassen, oevers en zelfs stedelijke omgevingen worden benut. Hoewel de soort niet afhankelijk is van open water om te overleven, worden natte gebieden wel regelmatig gebruikt. Binnen het broedgebied wordt vaak genesteld in reigerkolonies die ook door andere reigerachtigen worden gebruikt.
Het voedsel bestaat vooral uit actieve insecten en andere kleine dieren die worden opgejaagd door grazende dieren of landbouwactiviteiten. Sprinkhanen, krekels, spinnen, vliegen, motten en kikkers vormen een belangrijk deel van het menu. De koereiger zoekt vaak voedsel in gezelschap van vee, wilde hoefdieren of andere grote dieren, omdat daardoor prooien in beweging komen. Ook achter ploegen wordt geregeld gefoerageerd om blootgelegde regenwormen en andere dieren op te pikken. Tijdens het voedsel zoeken loopt de soort meestal in een rustige, gestage pas, gevolgd door een korte snelle uitval en een gerichte snavelstoot.
De koereiger leeft in de broedtijd seizoensgebonden monogaam. In het begin van het broedseizoen kunnen kleine groepen mannetjes territoria vormen en met baltsgedrag vrouwtjes aantrekken. De soort broedt in grote kolonies, vaak samen met andere moerasvogels. Nesten worden gebouwd in bomen, struiken of andere geschikte plaatsen die voldoende steun bieden. Beide oudervogels bouwen mee aan het nest, waarbij het vrouwtje vaak het materiaal verwerkt dat door het mannetje wordt aangevoerd. Gewoonlijk worden drie tot vier licht hemelsblauwe eieren gelegd, al kan het aantal variëren. Beide oudervogels broeden en de broedduur bedraagt ongeveer vierentwintig dagen. De jongen worden intensief verzorgd en gevoerd. Na twee tot drie weken kunnen zij al uit het nest klimmen en zich in de omliggende vegetatie verplaatsen. Rond vijfenveertig dagen zijn zij zelfstandig en kort daarna beginnen de eerste vluchten naar de foerageergebieden.
De koereiger is iets kleiner en compacter gebouwd dan veel andere witte reigers. Buiten de broedtijd is het verenkleed vrijwel geheel wit. In broedkleed verschijnen warme beige tot oranjebuffe tinten op kruin, borst en rug. De snavel is relatief kort en meestal geel, maar kan in de broedtijd oranjeachtig tot roze kleuren. Ook de poten kunnen variëren van geel en groenig tot rozeachtig, terwijl jonge vogels vaak donkerder poten hebben. Door de gedrongen bouw, de korte hals en de vaak landgebonden manier van foerageren is deze soort goed herkenbaar.
De koereiger is de meest landgebonden reiger en is goed aangepast aan uiteenlopende droge en natte leefgebieden. Graslanden, weiden, landbouwgebieden, moerassen, oevers en zelfs stedelijke omgevingen worden benut. Hoewel de soort niet afhankelijk is van open water om te overleven, worden natte gebieden wel regelmatig gebruikt. Binnen het broedgebied wordt vaak genesteld in reigerkolonies die ook door andere reigerachtigen worden gebruikt.
Het voedsel bestaat vooral uit actieve insecten en andere kleine dieren die worden opgejaagd door grazende dieren of landbouwactiviteiten. Sprinkhanen, krekels, spinnen, vliegen, motten en kikkers vormen een belangrijk deel van het menu. De koereiger zoekt vaak voedsel in gezelschap van vee, wilde hoefdieren of andere grote dieren, omdat daardoor prooien in beweging komen. Ook achter ploegen wordt geregeld gefoerageerd om blootgelegde regenwormen en andere dieren op te pikken. Tijdens het voedsel zoeken loopt de soort meestal in een rustige, gestage pas, gevolgd door een korte snelle uitval en een gerichte snavelstoot.
De koereiger leeft in de broedtijd seizoensgebonden monogaam. In het begin van het broedseizoen kunnen kleine groepen mannetjes territoria vormen en met baltsgedrag vrouwtjes aantrekken. De soort broedt in grote kolonies, vaak samen met andere moerasvogels. Nesten worden gebouwd in bomen, struiken of andere geschikte plaatsen die voldoende steun bieden. Beide oudervogels bouwen mee aan het nest, waarbij het vrouwtje vaak het materiaal verwerkt dat door het mannetje wordt aangevoerd. Gewoonlijk worden drie tot vier licht hemelsblauwe eieren gelegd, al kan het aantal variëren. Beide oudervogels broeden en de broedduur bedraagt ongeveer vierentwintig dagen. De jongen worden intensief verzorgd en gevoerd. Na twee tot drie weken kunnen zij al uit het nest klimmen en zich in de omliggende vegetatie verplaatsen. Rond vijfenveertig dagen zijn zij zelfstandig en kort daarna beginnen de eerste vluchten naar de foerageergebieden.
Oostelijke koereiger
[LAT] Bubulcus coromandus |
[UK] Eastern Cattle Egret |
[FR] Héron garde-bœufs oriental |
[DE] Östlicher Kuhreiher |
[ES] Garcilla bueyera oriental |
[NL] Oostelijke koereiger


Oostelijke koereiger
De Oostelijke koereiger (Bubulcus coromandus) (Boddaert, 1783) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort wordt tegenwoordig als aparte soort onderscheiden van de westelijke koereiger en komt voor in Zuid-Azië, Zuidoost-Azië en Australazië. In grote delen van het verspreidingsgebied is de soort standvogel, maar plaatselijk treden zwerfbewegingen en seizoensgebonden verplaatsingen op.
De oostelijke koereiger is een compacte, overwegend witte reiger met een relatief korte, stevige snavel. In broedkleed is deze soort opvallend rijk gekleurd, met een warm oranjebuffe tint over grote delen van kop, hals, borst en rug. Daarmee is het broedkleed doorgaans uitbundiger gekleurd dan bij de westelijke koereiger. Buiten de broedtijd is het onderscheid subtieler, maar de oostelijke koereiger oogt dan vaak wat langer van hals en poten.
Deze soort leeft vooral in open landschappen, graslanden, landbouwgebieden, moerassen en andere natte of halfnatte gebieden. Net als andere koereigers foerageert de oostelijke koereiger vaak op het land, geregeld in de nabijheid van grazende dieren of in agrarisch gebied. Daardoor wijkt de leefwijze af van die van veel andere reigers, die sterker aan open water gebonden zijn. Deze oostelijke soort hoort vooral thuis in Zuid- en Zuidoost-Azië en in Australazië.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit insecten en andere kleine dieren die op de grond of in ondiep water worden gezocht. De voortplanting sluit nauw aan bij die van andere koereigers, met koloniebroed in bomen, struiken of andere geschikte nestplaatsen nabij voedselrijke gebieden. Beide oudervogels nemen daarbij deel aan het broeden en de zorg voor de jongen.
De oostelijke koereiger is een compacte, overwegend witte reiger met een relatief korte, stevige snavel. In broedkleed is deze soort opvallend rijk gekleurd, met een warm oranjebuffe tint over grote delen van kop, hals, borst en rug. Daarmee is het broedkleed doorgaans uitbundiger gekleurd dan bij de westelijke koereiger. Buiten de broedtijd is het onderscheid subtieler, maar de oostelijke koereiger oogt dan vaak wat langer van hals en poten.
Deze soort leeft vooral in open landschappen, graslanden, landbouwgebieden, moerassen en andere natte of halfnatte gebieden. Net als andere koereigers foerageert de oostelijke koereiger vaak op het land, geregeld in de nabijheid van grazende dieren of in agrarisch gebied. Daardoor wijkt de leefwijze af van die van veel andere reigers, die sterker aan open water gebonden zijn. Deze oostelijke soort hoort vooral thuis in Zuid- en Zuidoost-Azië en in Australazië.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit insecten en andere kleine dieren die op de grond of in ondiep water worden gezocht. De voortplanting sluit nauw aan bij die van andere koereigers, met koloniebroed in bomen, struiken of andere geschikte nestplaatsen nabij voedselrijke gebieden. Beide oudervogels nemen daarbij deel aan het broeden en de zorg voor de jongen.