Klik hier Genus Limosa
Het genus Limosa omvat de grutto’s, middelgrote tot grote steltlopers die bekendstaan om de lange poten en de opvallend lange, meestal licht omhoog gebogen snavel. Het silhouet is elegant en langgerekt, met relatief brede vleugels en een krachtige, directe vlucht. In het broedkleed tonen veel soorten warme roest- tot oranjetinten op borst en buik, terwijl het niet-broedkleed vaak grijzer en gelijkmatiger oogt. In vlucht vallen bij meerdere soorten contrasterende vleugelpatronen en een duidelijke stuit of staarttekening op, waardoor determinatie soms ook op afstand mogelijk is.
Limosa-soorten zijn sterk verbonden met open landschappen met water in de buurt. Broedgebieden liggen vaak in toendra, veengebieden, natte graslanden en uitgestrekte moerassen, afhankelijk van de soort en regio. Buiten de broedtijd worden vooral slikken, estuaria, lagunes, overstroomde polders en ondiepe binnenwateren benut, waar voedsel in de bodem of op het oppervlak beschikbaar is. Foerageren gebeurt veelal door rustig lopend te zoeken en met de snavel te prikken of te boren in zachte modder, waarbij wormen, insectenlarven, kleine kreeftachtigen en andere ongewervelden een belangrijk deel van het menu vormen. In sommige perioden worden ook zaden en ander plantaardig materiaal opgenomen.
Veel vertegenwoordigers van Limosa zijn uitgesproken trekvogels met langeafstandsroutes tussen noordelijke broedgebieden en zuidelijkere overwinteringsgebieden. Tijdens de trek kunnen grote concentraties ontstaan op sleutelplekken waar veilig rusten en intensief foerageren mogelijk is, omdat vetreserves essentieel zijn voor lange etappes. Broeden gebeurt doorgaans op de grond in open vegetatie, met een nestkom die met fijn materiaal wordt bekleed, waarna kuikens al snel na het uitkomen mobiel zijn en onder begeleiding van oudervogels zelf voedsel zoeken.
Limosa-soorten zijn sterk verbonden met open landschappen met water in de buurt. Broedgebieden liggen vaak in toendra, veengebieden, natte graslanden en uitgestrekte moerassen, afhankelijk van de soort en regio. Buiten de broedtijd worden vooral slikken, estuaria, lagunes, overstroomde polders en ondiepe binnenwateren benut, waar voedsel in de bodem of op het oppervlak beschikbaar is. Foerageren gebeurt veelal door rustig lopend te zoeken en met de snavel te prikken of te boren in zachte modder, waarbij wormen, insectenlarven, kleine kreeftachtigen en andere ongewervelden een belangrijk deel van het menu vormen. In sommige perioden worden ook zaden en ander plantaardig materiaal opgenomen.
Veel vertegenwoordigers van Limosa zijn uitgesproken trekvogels met langeafstandsroutes tussen noordelijke broedgebieden en zuidelijkere overwinteringsgebieden. Tijdens de trek kunnen grote concentraties ontstaan op sleutelplekken waar veilig rusten en intensief foerageren mogelijk is, omdat vetreserves essentieel zijn voor lange etappes. Broeden gebeurt doorgaans op de grond in open vegetatie, met een nestkom die met fijn materiaal wordt bekleed, waarna kuikens al snel na het uitkomen mobiel zijn en onder begeleiding van oudervogels zelf voedsel zoeken.
Rosse grutto
[LAT] Limosa lapponica |
[UK] Bar-tailed Godwit |
[FR] Barge rousse |
[DE] Pfuhlschnepfe |
[ES] Aguja colipinta |
[NL] Rosse grutto



Klik hier Rosse grutto details
De grutto is beoordeeld als Niet Bedreigd (LC). De soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en komt daardoor niet in de buurt van de drempels die horen bij een bedreigde status op basis van areaalgrootte. Hoewel de trend dalend kan zijn, wordt die afname niet als snel genoeg gezien om de criteria voor Kwetsbaar te benaderen. De totale populatie is bovendien zeer groot, waardoor ook de aantalscriteria geen directe aanleiding geven voor een hogere risicocategorie.
De grutto is een middelgrote tot grote steltloper met een lange, licht omhoog gebogen snavel en een opvallend contrastrijk kleed in de broedtijd. In broedkleed hebben mannetjes vaak een warm roest- tot kastanjebruine kop en borst, terwijl vrouwtjes gemiddeld wat bleker zijn en minder intens roodbruin tonen op de borst. Buiten de broedtijd wordt het geheel veel soberder: de bovenzijde oogt dan grijsbruin, de borst is licht grijs gestreept en de onderzijde is overwegend wit. In vlucht vallen de tekening van de staart en het algemene, slanke silhouet op, vooral wanneer de vogel in een groep strak langs een kustlijn of over een slikgebied trekt.
De soort is een uitgesproken trekvogel. Broedvogels uit het westelijke Palearctische gebied overwinteren vooral langs de Noordzeekust en de Atlantische kusten van Europa en Afrika, en in mindere mate rond de Middellandse Zee. Een deel bereikt ook de Rode Zee, de Perzische Golf en kusten en eilanden van de westelijke Indische Oceaan. In Europa ten zuiden van het broedgebied is de soort landinwaarts doorgaans schaars tot zeldzaam; hetzelfde geldt voor veel binnenlandse gebieden in Afrika en India. De belangrijkste trekbewegingen in voor- en najaar verlopen via de Oostzee en de Noordzee en volgen vervolgens vaak de westelijke kustlijn, terwijl een oostelijke route via de oostelijke Middellandse Zee en de Zwarte Zee veel minder uitgesproken is.
De leefomgeving van de grutto hangt sterk samen met open, waterrijke landschappen. Tijdens de broedtijd zoekt de soort gebieden met natte graslanden, drassige laagtes, plas-dras situaties en andere open terreinen waar voldoende dekking is voor het nest, maar waar ook rijk voedsel te vinden is voor zowel volwassen vogels als kuikens. Buiten de broedtijd en vooral tijdens trek en winter speelt de kustzone een belangrijke rol, met slikken, getijdengebieden en andere ondiepe, voedselrijke overgangszones tussen land en water waar groepen foerageren en rusten. In de winter zie je de soort vaak in groepen in het intergetijdengebied, waar het ritme van eb en vloed de beschikbaarheid van voedsel bepaalt.
Het voedsel bestaat vooral uit ongewervelden. De vogel jaagt en zoekt door met de snavel in zachte bodem te prikken en te peilen, zowel in blootgevallen slik als in ondiep water. Wormen vormen daarbij een belangrijk deel van het menu, aangevuld met insecten en andere kleine bodem- en waterdieren. Afhankelijk van het seizoen en de lokale omstandigheden kunnen ook kleine kreeftachtigen en weekdieren worden genomen. Zaden of kleine vruchten spelen doorgaans een veel kleinere rol, maar kunnen incidenteel worden benut wanneer dat lokaal gunstig uitkomt.
In de broedtijd zijn balts en territoriumgedrag duidelijk aanwezig. Mannetjes kunnen opvallende baltsvluchten en roepconcerten laten horen, waarbij ze boven het broedgebied cirkelen en hun aanwezigheid nadrukkelijk kenbaar maken. Het nest is een ondiep kuiltje op de grond, doorgaans bekleed met gras, mos of ander plantaardig materiaal en geplaatst op een iets verhoogde plek in de vegetatie, zodat het minder snel nat wordt. Een legsel bestaat vaak uit vier eieren en beide ouders broeden mee gedurende ongeveer drie weken. Kort na het uitkomen worden de kuikens door de ouders naar voedselrijke, nattere delen geleid; de jongen zoeken hun voedsel grotendeels zelf, terwijl de ouders vooral begeleiden, waarschuwen en beschermen tegen verstoring en predatie.
De grutto is een middelgrote tot grote steltloper met een lange, licht omhoog gebogen snavel en een opvallend contrastrijk kleed in de broedtijd. In broedkleed hebben mannetjes vaak een warm roest- tot kastanjebruine kop en borst, terwijl vrouwtjes gemiddeld wat bleker zijn en minder intens roodbruin tonen op de borst. Buiten de broedtijd wordt het geheel veel soberder: de bovenzijde oogt dan grijsbruin, de borst is licht grijs gestreept en de onderzijde is overwegend wit. In vlucht vallen de tekening van de staart en het algemene, slanke silhouet op, vooral wanneer de vogel in een groep strak langs een kustlijn of over een slikgebied trekt.
De soort is een uitgesproken trekvogel. Broedvogels uit het westelijke Palearctische gebied overwinteren vooral langs de Noordzeekust en de Atlantische kusten van Europa en Afrika, en in mindere mate rond de Middellandse Zee. Een deel bereikt ook de Rode Zee, de Perzische Golf en kusten en eilanden van de westelijke Indische Oceaan. In Europa ten zuiden van het broedgebied is de soort landinwaarts doorgaans schaars tot zeldzaam; hetzelfde geldt voor veel binnenlandse gebieden in Afrika en India. De belangrijkste trekbewegingen in voor- en najaar verlopen via de Oostzee en de Noordzee en volgen vervolgens vaak de westelijke kustlijn, terwijl een oostelijke route via de oostelijke Middellandse Zee en de Zwarte Zee veel minder uitgesproken is.
De leefomgeving van de grutto hangt sterk samen met open, waterrijke landschappen. Tijdens de broedtijd zoekt de soort gebieden met natte graslanden, drassige laagtes, plas-dras situaties en andere open terreinen waar voldoende dekking is voor het nest, maar waar ook rijk voedsel te vinden is voor zowel volwassen vogels als kuikens. Buiten de broedtijd en vooral tijdens trek en winter speelt de kustzone een belangrijke rol, met slikken, getijdengebieden en andere ondiepe, voedselrijke overgangszones tussen land en water waar groepen foerageren en rusten. In de winter zie je de soort vaak in groepen in het intergetijdengebied, waar het ritme van eb en vloed de beschikbaarheid van voedsel bepaalt.
Het voedsel bestaat vooral uit ongewervelden. De vogel jaagt en zoekt door met de snavel in zachte bodem te prikken en te peilen, zowel in blootgevallen slik als in ondiep water. Wormen vormen daarbij een belangrijk deel van het menu, aangevuld met insecten en andere kleine bodem- en waterdieren. Afhankelijk van het seizoen en de lokale omstandigheden kunnen ook kleine kreeftachtigen en weekdieren worden genomen. Zaden of kleine vruchten spelen doorgaans een veel kleinere rol, maar kunnen incidenteel worden benut wanneer dat lokaal gunstig uitkomt.
In de broedtijd zijn balts en territoriumgedrag duidelijk aanwezig. Mannetjes kunnen opvallende baltsvluchten en roepconcerten laten horen, waarbij ze boven het broedgebied cirkelen en hun aanwezigheid nadrukkelijk kenbaar maken. Het nest is een ondiep kuiltje op de grond, doorgaans bekleed met gras, mos of ander plantaardig materiaal en geplaatst op een iets verhoogde plek in de vegetatie, zodat het minder snel nat wordt. Een legsel bestaat vaak uit vier eieren en beide ouders broeden mee gedurende ongeveer drie weken. Kort na het uitkomen worden de kuikens door de ouders naar voedselrijke, nattere delen geleid; de jongen zoeken hun voedsel grotendeels zelf, terwijl de ouders vooral begeleiden, waarschuwen en beschermen tegen verstoring en predatie.
Grutto
[LAT] Limosa limosa |
[UK] Black-tailed Godwit |
[FR] Barge à queue noire |
[DE] Uferschnepfe |
[ES] Aguja colinegra |
[NL] Grutto






Klik hier Grutto details
De grutto heeft wereldwijd de status Gevoelig (NT). Hoewel de soort wijdverspreid is en nog steeds een grote populatie heeft, zijn de aantallen in delen van het verspreidingsgebied snel afgenomen. Die afname hangt vooral samen met veranderingen in landbouwgebruik, waardoor het leefgebied minder geschikt is geworden. Op wereldschaal daalt de populatie inmiddels zó dat de soort net onder de drempel van “bedreigd” zit en daarom als Gevoelig wordt ingeschaald.
De grutto is een grote, sierlijke steltloper met lange poten, een lange vrijwel rechte snavel en een relatief kleine kop op een lange hals. In de broedtijd heeft de voorzijde vaak een dof roze tot kastanjebruin tintje, terwijl de vogel buiten de broedtijd veel grijzer en bruiniger oogt. In vlucht is de grutto heel herkenbaar aan het opvallende vleugelpatroon: bovenop zie je een duidelijke witte vleugelstreep en onderaan brede lichte vleugelvoering. Ook valt een grote witte zone op bij stuit en staartbasis, die sterk contrasteert met de donkerdere onderrug en de brede zwarte eindband op de staart.
De soort is een uitgesproken trekvogel en is in essentie gebonden aan zoetwater en estuaria. De trek verloopt vaak in een brede frontlijn, geregeld over land, met lange vluchten tussen relatief weinig, maar belangrijke, pleisterplaatsen en overwinteringsgebieden. Veel niet-broedende vogels blijven ’s zomers ten zuiden van het broedgebied. Vertrek uit de broedgebieden begint meestal eind juni, met een grote uittocht in juli en een duidelijke doortrek door Europa van half juli tot en met september. De terugkeer richting het broedgebied start al in februari; in Noordwest-Europa nemen de aantallen in februari en maart toe en worden broedgebieden doorgaans vanaf half maart tot half april weer bezet, en in het noordoosten vaak pas van april tot begin mei.
De west-Siberische en continentale Europese grutto’s van de ondersoort limosa overwinteren deels in Zuid-Europa en Zuidwest-Azië, maar vooral in Afrika ten noorden van de evenaar. De IJslandse ondersoort islandica overwintert hoofdzakelijk in West-Europa. Binnen Europa is het patroon sterk gekoppeld aan geschikte rust- en foerageergebieden langs binnenwateren, grote rivierdelta’s en beschutte kustzones, waar vogels kunnen bijtanken voordat ze verder trekken.
Als broedvogel kiest de grutto vooral open, vlakke landschappen in gematigde en boreale zones. Hij vermijdt doorgaans gebieden die langdurig bevroren zijn, erg droog of bergachtig zijn, maar ook dicht bos, intensief bebouwd terrein en percelen met hoge, dichte vegetatie of water dat dieper is dan heel ondiep. Oorspronkelijk hoorden daar uitgestrekte natte moor- en veengebieden bij, zoals je die nog in IJsland ziet, met drassige, hobbelige terreinen en natte graslanden, moerassige oevers en vochtige laagtes. Door ontbossing en begrazing zijn in de afgelopen eeuwen ook nieuwe open landbouwlandschappen ontstaan waar de grutto is gaan broeden. Belangrijk zijn vooral matig natte graslanden en slecht ontwaterde weilanden, vochtige heides zonder opslag, en randen van rietmoerassen. Graslanden die als hooiland worden beheerd kunnen eveneens geschikt zijn, zeker wanneer ze in het voorjaar worden begraasd, later in de zomer worden gemaaid en in de winter soms onder water staan. Na het uitkomen worden de jongen vaak naar andere, voedselrijkere plekken geleid en na het uitvliegen kunnen groepen uitwijken naar gebieden op enige afstand, zoals waterzuiveringen, plasranden, getijdenmoerassen en slikken, die ook buiten de broedtijd veel gebruikt worden.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit ongewervelden, zoals insectenlarven, wormen en andere bodemdiertjes. In de winter en tijdens de trek kan ook plantaardig materiaal een rol spelen. De grutto zoekt voedsel zowel op zicht als op tast, maar staat bekend om zijn krachtige, langdurige “diepprikken”: al lopend houdt hij de kop omlaag en maakt hij eerst korte, verkennende prikjes, om daarna plots dieper te boren en een prooi uit de bodem te trekken, die meestal direct wordt doorgeslikt. Daarbij kan de kop soms bijna volledig in het water of in zachte modder verdwijnen.
De broedtijd start meestal met eileg vanaf half april, terwijl dit in IJsland vaak pas eind mei begint. Er is doorgaans één legsel per jaar. Het nest ligt op de grond in korte of vrij korte vegetatie en kan open liggen of net door planten aan het oog worden onttrokken. Het bestaat uit een ondiep kuiltje dat stevig wordt bekleed met grasstengels, blaadjes en ander beschikbaar plantaardig materiaal. Een legsel telt meestal drie tot vier eieren, die ongeveer 22 tot 24 dagen worden bebroed. De kuikens verlaten het nest snel en zijn al vroeg mobiel, en na ongeveer 25 tot 30 dagen kunnen ze vliegen.
De grutto is een grote, sierlijke steltloper met lange poten, een lange vrijwel rechte snavel en een relatief kleine kop op een lange hals. In de broedtijd heeft de voorzijde vaak een dof roze tot kastanjebruin tintje, terwijl de vogel buiten de broedtijd veel grijzer en bruiniger oogt. In vlucht is de grutto heel herkenbaar aan het opvallende vleugelpatroon: bovenop zie je een duidelijke witte vleugelstreep en onderaan brede lichte vleugelvoering. Ook valt een grote witte zone op bij stuit en staartbasis, die sterk contrasteert met de donkerdere onderrug en de brede zwarte eindband op de staart.
De soort is een uitgesproken trekvogel en is in essentie gebonden aan zoetwater en estuaria. De trek verloopt vaak in een brede frontlijn, geregeld over land, met lange vluchten tussen relatief weinig, maar belangrijke, pleisterplaatsen en overwinteringsgebieden. Veel niet-broedende vogels blijven ’s zomers ten zuiden van het broedgebied. Vertrek uit de broedgebieden begint meestal eind juni, met een grote uittocht in juli en een duidelijke doortrek door Europa van half juli tot en met september. De terugkeer richting het broedgebied start al in februari; in Noordwest-Europa nemen de aantallen in februari en maart toe en worden broedgebieden doorgaans vanaf half maart tot half april weer bezet, en in het noordoosten vaak pas van april tot begin mei.
De west-Siberische en continentale Europese grutto’s van de ondersoort limosa overwinteren deels in Zuid-Europa en Zuidwest-Azië, maar vooral in Afrika ten noorden van de evenaar. De IJslandse ondersoort islandica overwintert hoofdzakelijk in West-Europa. Binnen Europa is het patroon sterk gekoppeld aan geschikte rust- en foerageergebieden langs binnenwateren, grote rivierdelta’s en beschutte kustzones, waar vogels kunnen bijtanken voordat ze verder trekken.
Als broedvogel kiest de grutto vooral open, vlakke landschappen in gematigde en boreale zones. Hij vermijdt doorgaans gebieden die langdurig bevroren zijn, erg droog of bergachtig zijn, maar ook dicht bos, intensief bebouwd terrein en percelen met hoge, dichte vegetatie of water dat dieper is dan heel ondiep. Oorspronkelijk hoorden daar uitgestrekte natte moor- en veengebieden bij, zoals je die nog in IJsland ziet, met drassige, hobbelige terreinen en natte graslanden, moerassige oevers en vochtige laagtes. Door ontbossing en begrazing zijn in de afgelopen eeuwen ook nieuwe open landbouwlandschappen ontstaan waar de grutto is gaan broeden. Belangrijk zijn vooral matig natte graslanden en slecht ontwaterde weilanden, vochtige heides zonder opslag, en randen van rietmoerassen. Graslanden die als hooiland worden beheerd kunnen eveneens geschikt zijn, zeker wanneer ze in het voorjaar worden begraasd, later in de zomer worden gemaaid en in de winter soms onder water staan. Na het uitkomen worden de jongen vaak naar andere, voedselrijkere plekken geleid en na het uitvliegen kunnen groepen uitwijken naar gebieden op enige afstand, zoals waterzuiveringen, plasranden, getijdenmoerassen en slikken, die ook buiten de broedtijd veel gebruikt worden.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit ongewervelden, zoals insectenlarven, wormen en andere bodemdiertjes. In de winter en tijdens de trek kan ook plantaardig materiaal een rol spelen. De grutto zoekt voedsel zowel op zicht als op tast, maar staat bekend om zijn krachtige, langdurige “diepprikken”: al lopend houdt hij de kop omlaag en maakt hij eerst korte, verkennende prikjes, om daarna plots dieper te boren en een prooi uit de bodem te trekken, die meestal direct wordt doorgeslikt. Daarbij kan de kop soms bijna volledig in het water of in zachte modder verdwijnen.
De broedtijd start meestal met eileg vanaf half april, terwijl dit in IJsland vaak pas eind mei begint. Er is doorgaans één legsel per jaar. Het nest ligt op de grond in korte of vrij korte vegetatie en kan open liggen of net door planten aan het oog worden onttrokken. Het bestaat uit een ondiep kuiltje dat stevig wordt bekleed met grasstengels, blaadjes en ander beschikbaar plantaardig materiaal. Een legsel telt meestal drie tot vier eieren, die ongeveer 22 tot 24 dagen worden bebroed. De kuikens verlaten het nest snel en zijn al vroeg mobiel, en na ongeveer 25 tot 30 dagen kunnen ze vliegen.
Klik hier Genus Numenius
Het genus Numenius omvat de wulpen, een groep middelgrote tot grote steltlopers die meteen opvallen door hun lange, vaak duidelijk neerwaarts gebogen snavel. Die snavelvorm is niet bij elke soort even sterk, maar binnen dit geslacht is het wel hét kenmerk dat je in het veld het snelst naar “wulp” laat denken. De poten zijn relatief lang en de lichaamsbouw is slank en elegant, waardoor ze in ondiep water en op natte graslanden gemakkelijk kunnen foerageren en verplaatsen.
Wulpen zijn doorgaans vogels van open landschappen. Veel soorten broeden in uitgestrekte toendra’s, natte heide- en veengebieden, moerassige graslanden of open ruigte, waar ze voldoende dekking vinden voor het nest maar tegelijk goed zicht hebben op mogelijke predatoren. Buiten de broedtijd zie je ze vaak op kustgebieden, slikken en schorren, estuaria en wadplaten, maar ook op natte weilanden en plasdrassen in het binnenland. Ze houden van plekken waar de bodem zacht genoeg is om met de snavel diep te kunnen prikken.
Het voedsel bestaat vooral uit ongewervelden zoals wormen, larven, insecten en kleine kreeftachtigen, aangevuld met schelpdieren of andere prooien afhankelijk van het leefgebied. Hun typische manier van foerageren is bedachtzaam lopend zoeken, waarbij ze op zicht én op tast jagen. Ze steken de snavel herhaaldelijk in modder of natte grond, soms verrassend diep, en voelen daar prooien op die ze met een snelle beweging losmaken en naar boven halen. Bij sommige soorten is er een duidelijk verschil tussen mannetje en vrouwtje, waarbij het vrouwtje gemiddeld een langere en sterker gebogen snavel heeft, wat helpt om net andere prooien of bodemlagen te benutten.
Veel Numenius-soorten zijn uitgesproken trekvogels. Ze leggen vaak grote afstanden af tussen noordelijke broedgebieden en zuidelijkere overwinteringsgebieden, waarbij ze sterk afhankelijk kunnen zijn van een beperkt aantal belangrijke rust- en voedselplaatsen onderweg. In de broedtijd zijn ze meestal territoriaal en waakzaam, met herkenbare roepjes en baltsvluchten boven het broedgebied. Het nest is vrijwel altijd een kuiltje op de grond, vaak eenvoudig bekleed met wat plantmateriaal, en de kuikens zijn nestvlieders die al snel zelf op zoek gaan naar voedsel, terwijl de ouders ze begeleiden en beschermen.
Wulpen zijn doorgaans vogels van open landschappen. Veel soorten broeden in uitgestrekte toendra’s, natte heide- en veengebieden, moerassige graslanden of open ruigte, waar ze voldoende dekking vinden voor het nest maar tegelijk goed zicht hebben op mogelijke predatoren. Buiten de broedtijd zie je ze vaak op kustgebieden, slikken en schorren, estuaria en wadplaten, maar ook op natte weilanden en plasdrassen in het binnenland. Ze houden van plekken waar de bodem zacht genoeg is om met de snavel diep te kunnen prikken.
Het voedsel bestaat vooral uit ongewervelden zoals wormen, larven, insecten en kleine kreeftachtigen, aangevuld met schelpdieren of andere prooien afhankelijk van het leefgebied. Hun typische manier van foerageren is bedachtzaam lopend zoeken, waarbij ze op zicht én op tast jagen. Ze steken de snavel herhaaldelijk in modder of natte grond, soms verrassend diep, en voelen daar prooien op die ze met een snelle beweging losmaken en naar boven halen. Bij sommige soorten is er een duidelijk verschil tussen mannetje en vrouwtje, waarbij het vrouwtje gemiddeld een langere en sterker gebogen snavel heeft, wat helpt om net andere prooien of bodemlagen te benutten.
Veel Numenius-soorten zijn uitgesproken trekvogels. Ze leggen vaak grote afstanden af tussen noordelijke broedgebieden en zuidelijkere overwinteringsgebieden, waarbij ze sterk afhankelijk kunnen zijn van een beperkt aantal belangrijke rust- en voedselplaatsen onderweg. In de broedtijd zijn ze meestal territoriaal en waakzaam, met herkenbare roepjes en baltsvluchten boven het broedgebied. Het nest is vrijwel altijd een kuiltje op de grond, vaak eenvoudig bekleed met wat plantmateriaal, en de kuikens zijn nestvlieders die al snel zelf op zoek gaan naar voedsel, terwijl de ouders ze begeleiden en beschermen.
Regenwulp
[LAT] Numenius phaeopus |
[UK] Whimbrel |
[FR] Courlis corlieu |
[DE] Regenbrachvogel |
[ES] Zarapito trinador |
[NL] Regenwulp






Klik hier Regenwulp details
De regenwulp is een slanke, grote steltloper met een lange, neerwaarts gebogen snavel en relatief korte poten voor een wulp. In het veld valt hij op door de duidelijk gestreepte kop, met een lichte middenkruinstreep en donkere banen langs de kruin, en door de bruin gevlekte bovendelen. De onderzijde is licht, met fijne streping op hals en borst. De ondervleugels zijn opvallend licht, wat je vooral ziet wanneer de vogel opvliegt. Mannetje en vrouwtje lijken sterk op elkaar, maar het vrouwtje is gemiddeld wat groter en heeft vaak een iets langere snavel. Jonge vogels ogen wat warmer en meer buffkleurig en hebben doorgaans fijnere streping en subtielere koptekening.
De soort broedt in boreale en arctische gebieden van Noord-Amerika en Eurazië. Het broedgebied bestaat uit uiteenlopende toendratypen, van natte laagten tot drogere heideachtige delen, en ook uit natte taigamoerassen met verspreide, lage begroeiing. Het nest is een ondiep kuiltje op de grond, meestal eenvoudig bekleed met wat bladeren of ander plantaardig materiaal. In de broedtijd, grofweg van mei tot en met juli, legt het vrouwtje meestal vier eieren. Beide ouders bewaken het broedgebied alert en de kuikens zijn nestvlieders die kort na het uitkomen al rondlopen en zelf voedsel zoeken, terwijl de ouders ze begeleiden en beschermen tot ze na enkele weken kunnen vliegen.
Regenwulpen zijn uitgesproken trekvogels. Een groot deel van de West-Palearctische populatie overwintert vooral in tropisch Afrika en ook langs de kusten en eilanden van de westelijke Indische Oceaan. In Europa overwinteren maar weinig vogels, al verschijnen er in zachte winters soms individuen noordelijk tot bijvoorbeeld Denemarken. Tijdens de trek wordt de soort geregeld gezien aan kusten, vooral rond de Britse eilanden, maar veel vogels lijken ook in brede fronten over land te trekken, met relatief weinig plekken waar echt grote concentraties langdurig verblijven. In het voorjaar kunnen er juist wel opvallende aantallen pleisteren in het binnenland, bijvoorbeeld in delen van de Lage Landen en in Centraal-Europa, voordat ze doorvliegen naar de broedgebieden.
Het leefgebied buiten de broedtijd is gevarieerd. Tijdens de trek gebruiken regenwulpen zowel kust- als binnenlandse gebieden, waaronder stranden, wad- en slikgebieden, estuaria, maar ook open akkers en heideachtige terreinen waar ze veilig kunnen rusten en foerageren. In de winter zoeken ze vooral voedsel op getijdenplaten, in mangroven en langs beschutte kuststroken. Hun dieet is breed, maar bestaat vaak uit mariene ongewervelden zoals wormen, schelpdieren en vooral ook krabben. Op belangrijke trekplaatsen kunnen ze tijdelijk overschakelen op andere energierijke bronnen; zo eten ze in sommige gebieden in het najaar ook bessen en andere plantaardige onderdelen om snel vetreserves op te bouwen voor lange trekvluchten. Typisch foerageren ze lopend en tastend, waarbij de snavel regelmatig de modder of natte bodem in gaat, afgewisseld met het oppikken van prooien aan het oppervlak.
De soort broedt in boreale en arctische gebieden van Noord-Amerika en Eurazië. Het broedgebied bestaat uit uiteenlopende toendratypen, van natte laagten tot drogere heideachtige delen, en ook uit natte taigamoerassen met verspreide, lage begroeiing. Het nest is een ondiep kuiltje op de grond, meestal eenvoudig bekleed met wat bladeren of ander plantaardig materiaal. In de broedtijd, grofweg van mei tot en met juli, legt het vrouwtje meestal vier eieren. Beide ouders bewaken het broedgebied alert en de kuikens zijn nestvlieders die kort na het uitkomen al rondlopen en zelf voedsel zoeken, terwijl de ouders ze begeleiden en beschermen tot ze na enkele weken kunnen vliegen.
Regenwulpen zijn uitgesproken trekvogels. Een groot deel van de West-Palearctische populatie overwintert vooral in tropisch Afrika en ook langs de kusten en eilanden van de westelijke Indische Oceaan. In Europa overwinteren maar weinig vogels, al verschijnen er in zachte winters soms individuen noordelijk tot bijvoorbeeld Denemarken. Tijdens de trek wordt de soort geregeld gezien aan kusten, vooral rond de Britse eilanden, maar veel vogels lijken ook in brede fronten over land te trekken, met relatief weinig plekken waar echt grote concentraties langdurig verblijven. In het voorjaar kunnen er juist wel opvallende aantallen pleisteren in het binnenland, bijvoorbeeld in delen van de Lage Landen en in Centraal-Europa, voordat ze doorvliegen naar de broedgebieden.
Het leefgebied buiten de broedtijd is gevarieerd. Tijdens de trek gebruiken regenwulpen zowel kust- als binnenlandse gebieden, waaronder stranden, wad- en slikgebieden, estuaria, maar ook open akkers en heideachtige terreinen waar ze veilig kunnen rusten en foerageren. In de winter zoeken ze vooral voedsel op getijdenplaten, in mangroven en langs beschutte kuststroken. Hun dieet is breed, maar bestaat vaak uit mariene ongewervelden zoals wormen, schelpdieren en vooral ook krabben. Op belangrijke trekplaatsen kunnen ze tijdelijk overschakelen op andere energierijke bronnen; zo eten ze in sommige gebieden in het najaar ook bessen en andere plantaardige onderdelen om snel vetreserves op te bouwen voor lange trekvluchten. Typisch foerageren ze lopend en tastend, waarbij de snavel regelmatig de modder of natte bodem in gaat, afgewisseld met het oppikken van prooien aan het oppervlak.
Wulp
[LAT] Numenius arquata |
[UK] Eurasian Curlew |
[FR] Courlis cendré |
[DE] Großer Brachvogel |
[ES] Zarapito real |
[NL] Wulp






Klik hier Wulp details
De wulp is een grote, grijsbruin gekleurde steltloper met een opvallend lange, naar beneden gebogen snavel. De koptekening is vrij rustig en de bovendelen, hals en borst zijn buffbruin met donkere strepen, al kan de tint per individu variëren. In vlucht vallen de bleke ondervleugel, de witte stuit en onderrug en de grotendeels witte buik extra op, met gestreepte flanken. Het vrouwtje is gemiddeld groter dan het mannetje en heeft meestal ook een duidelijk langere snavel. Buiten de broedtijd oogt de vogel vaak wat grauwer en is de onderzijde witter, terwijl de streping op borst en flanken doorgaans wat minder uitgesproken lijkt.
De soort broedt verspreid over grote delen van West- en Centraal-Eurazië en is sterk verbonden aan open, vochtige landschappen. In het broedseizoen vind je wulpen onder meer op veenmoerassen en laagveen, natte heide en hoogveen, vochtige graslanden, open moerasranden, duinvalleien en kustmoerassen, maar ook in open gebieden in of bij bos waar het terrein drassig of ruig is. Steeds vaker broeden ze ook in kruidenrijke weiden. Het nest is een ondiepe kuil op de grond, meestal op een relatief open plek maar toch met voldoende dekking van gras of zeggen. De eieren worden vooral in april en mei gelegd; er is meestal één legsel van vier eieren. Beide ouders broeden ongeveer vier weken en blijven daarna samen voor de kuikens zorgen. De kuikens zijn nestvlieders en zoeken al snel zelf voedsel, terwijl de ouders waakzaam begeleiden en verdedigen. De eerste succesvolle broedpoging vindt vaak pas plaats rond het tweede levensjaar.
Wulpen zijn grotendeels trekvogels, al blijven sommige vogels in het westen van het verspreidingsgebied het hele jaar in dezelfde regio. In de winter verblijven veel wulpen in Europa, maar ook langs de kusten en plaatselijk in het binnenland van Afrika, tot ver zuidelijk, en daarnaast in delen van het Midden-Oosten en Zuid-Azië. Voor veel West- en Centraal-Europese vogels vormt de Banc d’Arguin in Mauritanië een belangrijke zuidelijke begrenzing van het wintergebied. De najaarstrek begint al vroeg: vanaf eind juni verschijnen volwassen vogels bij estuaria rond de Noordzee, zoals de Waddenzee, waar ze vaak in ruiperiode verblijven. De grootste aantallen worden doorgaans in juli en augustus gezien. Veel jonge vogels blijven hun eerste jaar in de wintergebieden en keren dus niet meteen terug naar de broedgebieden. In het voorjaar komen vogels weer terug richting het noorden, met aankomst in noordelijke broedgebieden vaak vanaf eind april.
Het voedselpakket is breed en verschuift met seizoen en leefgebied. In de zomer bestaat het menu vaak uit regenwormen en grote insecten, aangevuld met andere ongewervelden, en soms ook bessen of zaden. In kustgebieden en op slikken nemen weekdieren, kreeftachtigen en borstelwormen een grotere plek in, en af en toe worden ook kleine gewervelden gegrepen, zoals amfibieën, hagedissen, jonge vogels, kleine knaagdieren of kleine vissen. Foerageren gebeurt meestal lopend, waarbij de wulp met diepe, gerichte prikken en langdurig peilen in modder of natte bodem prooien op de tast vindt. Sommige vogels zijn in de winter territoriaal op hun foerageerplek, terwijl andere juist los in groepen eten. Daarbij zie je vaak een duidelijk verschil tussen de seksen: lang-snavelige vrouwtjes zoeken relatief vaker voedsel op intergetijdenplaten, terwijl korter-snavelige mannetjes vaker op grasland en akkers foerageren.
De soort broedt verspreid over grote delen van West- en Centraal-Eurazië en is sterk verbonden aan open, vochtige landschappen. In het broedseizoen vind je wulpen onder meer op veenmoerassen en laagveen, natte heide en hoogveen, vochtige graslanden, open moerasranden, duinvalleien en kustmoerassen, maar ook in open gebieden in of bij bos waar het terrein drassig of ruig is. Steeds vaker broeden ze ook in kruidenrijke weiden. Het nest is een ondiepe kuil op de grond, meestal op een relatief open plek maar toch met voldoende dekking van gras of zeggen. De eieren worden vooral in april en mei gelegd; er is meestal één legsel van vier eieren. Beide ouders broeden ongeveer vier weken en blijven daarna samen voor de kuikens zorgen. De kuikens zijn nestvlieders en zoeken al snel zelf voedsel, terwijl de ouders waakzaam begeleiden en verdedigen. De eerste succesvolle broedpoging vindt vaak pas plaats rond het tweede levensjaar.
Wulpen zijn grotendeels trekvogels, al blijven sommige vogels in het westen van het verspreidingsgebied het hele jaar in dezelfde regio. In de winter verblijven veel wulpen in Europa, maar ook langs de kusten en plaatselijk in het binnenland van Afrika, tot ver zuidelijk, en daarnaast in delen van het Midden-Oosten en Zuid-Azië. Voor veel West- en Centraal-Europese vogels vormt de Banc d’Arguin in Mauritanië een belangrijke zuidelijke begrenzing van het wintergebied. De najaarstrek begint al vroeg: vanaf eind juni verschijnen volwassen vogels bij estuaria rond de Noordzee, zoals de Waddenzee, waar ze vaak in ruiperiode verblijven. De grootste aantallen worden doorgaans in juli en augustus gezien. Veel jonge vogels blijven hun eerste jaar in de wintergebieden en keren dus niet meteen terug naar de broedgebieden. In het voorjaar komen vogels weer terug richting het noorden, met aankomst in noordelijke broedgebieden vaak vanaf eind april.
Het voedselpakket is breed en verschuift met seizoen en leefgebied. In de zomer bestaat het menu vaak uit regenwormen en grote insecten, aangevuld met andere ongewervelden, en soms ook bessen of zaden. In kustgebieden en op slikken nemen weekdieren, kreeftachtigen en borstelwormen een grotere plek in, en af en toe worden ook kleine gewervelden gegrepen, zoals amfibieën, hagedissen, jonge vogels, kleine knaagdieren of kleine vissen. Foerageren gebeurt meestal lopend, waarbij de wulp met diepe, gerichte prikken en langdurig peilen in modder of natte bodem prooien op de tast vindt. Sommige vogels zijn in de winter territoriaal op hun foerageerplek, terwijl andere juist los in groepen eten. Daarbij zie je vaak een duidelijk verschil tussen de seksen: lang-snavelige vrouwtjes zoeken relatief vaker voedsel op intergetijdenplaten, terwijl korter-snavelige mannetjes vaker op grasland en akkers foerageren.