De familie Acanthizidae omvat een groep kleine zangvogels die bijna uitsluitend voorkomt in Australië, Nieuw-Guinea en omliggende eilanden. Tot deze familie behoren onder andere de doornsnavels (Acanthiza), gerygonen en struiksluipers. Hoewel ze qua uiterlijk vaak onopvallend zijn, spelen ze een belangrijke rol in het ecosysteem. Ze zijn meestal insecteneters en bewegen zich behendig door struiken en bomen op zoek naar voedsel. Veel soorten zijn sociaal en vormen kleine groepjes, vooral buiten het broedseizoen. Hun zang is vaak complex en melodieus, ondanks hun bescheiden formaat. Door hun aanpassingsvermogen komen ze voor in uiteenlopende habitats, van regenwoud tot droge struikgebieden.
De bruine doornsnavel (Acanthiza pusilla) is een klein, onopvallend maar levendig insectenetersoortje uit Australië, vooral in het zuidoosten (incl. Tasmanië) waar hij zich vaak ophoudt in (eucalyptus)bos, struikgewas, heide- en kreupelhout, randen van bos en dichtbegroeide tuinen of parken. Hij beweegt rusteloos door lage tot middelhoge vegetatie, foerageert meestal dicht bij dekking en laat zich vaker horen dan zien met korte, scherpe contactroepjes; het verenkleed is overwegend bruin met fijne streping/tekening en een relatief lange staart, waardoor hij typisch “stekelig” oogt wanneer hij alert is. Het voedsel bestaat voornamelijk uit kleine ongewervelden (zoals insecten en larven) die hij actief van bladeren, takjes en schors plukt, soms aangevuld met andere kleine prooien afhankelijk van het seizoen.
Broeden gebeurt doorgaans in een compact, koepelvormig nest van gras/plantvezels en spinrag, goed verborgen in struiken of lage vegetatie; het legsel bestaat vaak uit meerdere eieren en beide ouders zijn betrokken bij de zorg voor de jongen (regionaal en per seizoen variabel). De soort is overwegend standvogel (hooguit lokaal zwervend) en geldt in brede zin als algemeen in geschikte biotopen.
Acanthiza nana (Yellow Thornbill) Een piepkleine zangvogel (ca. 9 cm; 6–7 g) met groenig-olijfkleurige bovendelen en een opvallend zacht geel tot crèmegeel op borst en buik. Geen duidelijk verschil tussen mannetje en vrouwtje. Snavel, poten en tenen zijn zwart; oog donkerbruin met een smalle, lichte oogring. Endemisch in oostelijk Australië: van (noord/centraal) Queensland zuidwaarts langs de oostkust door New South Wales, Victoria en het ACT, tot in het zuidoosten van South Australia. Komt voor in uiteenlopende, vooral gematigde tot halfdroge habitats zoals struweel, bos en dichte vegetatie (“thickets”), vaak met casuarina’s of eucalypten—met name in drogere landschappen. Voornamelijk insecten (soms ook zaden). Foerageert snel en actief in de boven- en middenlaag van de vegetatie, tussen het buitenste bladwerk en geregeld ook onder boomschors; pakt af en toe insecten in de vlucht. Broedt meestal als paar (plaatselijk ook aanwijzingen voor coöperatief broeden). Het nest is rond en koepelvormig met een kleine ingang bij de top, gemaakt van o.a. bastvezels en gras, bijeengehouden met spinrag, en geplaatst in het bovenste loof van struiken of kleine bomen. Legsel doorgaans 2–4 eieren; broedduur circa 16–17 dagen. Wordt meestal in paren of kleine groepjes gezien; soms vormen ze (ook gemengde) foerageergroepen. IUCN-status: LC, met een afnemende populatietrend genoemd in de bronnen.
Geluid Gele Doornsnavel
Witbrauwstruiksluiper
[LAT] Sericornis frontalis |
[UK] White-browed Scrubwren |
[FR] Troglodyte des broussailles à sourcils blancs |
[DE] Weißbrauenbuschschlüpfer |
[ES] Sericornis de ceja blanca |
[NL] Witbrauwstruiksluiper