De bijeneters (Meropidae) vormen een kleurrijke en sierlijke familie van insectenetende vogels die vooral voorkomt in warme streken van Europa, Afrika, Azië en Oceanië. Ze zijn gemakkelijk te herkennen aan hun slanke lichaam, lange spitse vleugels, gebogen snavel en opvallend felgekleurde verenkleed. Zoals hun naam al doet vermoeden, voeden ze zich voornamelijk met bijen, wespen en andere vliegende insecten, die ze behendig in de lucht vangen. Voor het eten verwijderen ze zorgvuldig de angel door hun prooi tegen een harde ondergrond te wrijven. De meest bekende soort in Europa is de Europese bijeneter (Merops apiaster), een zomergast die broedt in zandige rivieroevers. Met hun sociale gedrag, acrobatische vlucht en exotische uitstraling behoren bijeneters tot de spectaculairste vogels van hun leefgebieden.
Foto’s © Jan Dolphijn
Klik hier Genus Merops
Soorten uit dit genus komen vooral voor in Afrika en Eurazië, met enkele soorten die ook in warmere delen van Europa broeden en in de winter naar Afrika trekken. Het leefgebied bestaat meestal uit open terrein zoals savanne, halfopen bosranden, rivier- en beekdalen, agrarisch mozaïek en droge graslanden met geschikte zitposten. In veel gebieden is de aanwezigheid verbonden met zandige of leemachtige oevers, steile taluds of andere aardwanden waarin nestgangen kunnen worden gegraven.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vliegende insecten, met nadruk op bijen, wespen en andere hymenopteren, maar ook libellen, kevers, vlinders en sprinkhanen worden vaak genomen. Jacht gebeurt vanuit een uitkijkpost of in een voortdurende, wendbare vlucht boven open terrein. Gevangen prooien worden geregeld tegen een tak of andere ondergrond geslagen om de angel of harde delen onschadelijk te maken voordat doorslikken volgt.
Broeden gebeurt meestal koloniaal of in losse groepen. Het nest is doorgaans een ondiep beklede nestkamer aan het einde van een lange tunnel die in een steile oever of talud wordt uitgegraven. In geschikte gebieden kunnen tientallen tot honderden nestgangen bij elkaar liggen, vaak in de nabijheid van rijk insectenaanbod. Het sociale karakter is opvallend, met veel roepcontact, gezamenlijke rustplaatsen en een sterke binding aan traditionele broedplekken.
Europese Bijeneter





Klik hier Bijeneter details
De soort broedt in grote delen van Zuid- en Oost-Europa en in aangrenzende gebieden van Zuidwest-Azië, met een uitbreiding naar het noordwesten van Afrika. Buiten de broedtijd is bijeneter uitgesproken trekkend. Overwintering vindt vrijwel geheel plaats in Afrika ten zuiden van de Sahara, met een westelijk wintergebied in West-Afrika en een oostelijk tot zuidelijk wintergebied vooral ten zuiden van de evenaar. Trek verloopt vaak breedfrontig over land, met lange oversteek van Sahara en andere droge barrières. In het voorjaar kunnen concentraties optreden bij smalle oversteekplaatsen rond de Middellandse Zee. De hoofdvertrekperiode uit Europa ligt grofweg van half augustus tot begin oktober, terwijl terugkeer richting broedgebieden meestal van april tot eind mei plaatsvindt, afhankelijk van regio en weersomstandigheden.
Bijeneter is direct herkenbaar door het veelkleurige verenkleed. Een warm geelbruine tot kaneelkleurige bovenzijde contrasteert met groenblauwe onderdelen en felgekleurde vleugelvelden. Een donkere keelband en de langgerekte staart met verlengde middelste staartpennen geven een uitgesproken sierlijk silhouet. De ogen zijn roodachtig en de snavel is slank en licht gebogen, geschikt voor het grijpen van vliegende insecten.
Het leefgebied bestaat uit zonnige, open landschappen met voldoende zitposten en nabijheid van geschikte broedwanden. Typische gebieden zijn hellingen en rivierdalen, open landbouwgebied met boomrijen en houtwallen, weiden, steppeachtige vlaktes, schrale graslanden en halfopen mediterrane begroeiing. Essentieel is aanwezigheid van zandige of leemachtige oevers, steile taluds of vlakke grond waarin nestgangen gegraven kunnen worden.
Het voedsel bestaat grotendeels uit vliegende insecten. In Europa vormen honingbijen en hommels vaak een belangrijk deel van het menu, aangevuld met wespen en een brede reeks andere insectengroepen. Foerageren gebeurt meestal vanuit een uitkijkpost, zoals een tak, hek, draad of paal. Vanaf die positie volgen snelle achtervolgingsvluchten waarna de prooi wordt teruggebracht naar de zitplaats. Daar wordt de prooi vaak tegen een tak geslagen om deze te doden en beter hanteerbaar te maken voordat doorslikken volgt. Prooien voor jongen zijn vaak relatief groot, vooral wanneer foerageergebieden verder van de nestplaats liggen.
Broeden gebeurt koloniaal en de soort is strikt seizoensgebonden aanwezig in het broedgebied. Aankomst bij kolonies vindt vaak in mei plaats en vertrek volgt meestal uiterlijk eind augustus, met regionale spreiding. Het nest ligt in een broedtunnel die in een zand- of leembank of in vlakke grond wordt gegraven. De nestkamer bevindt zich aan het einde van een tunnel die vaak een meter of langer is. Een legsel bestaat meestal uit vier tot zeven eieren, die met tussenpozen van ongeveer twee dagen worden gelegd. De ontwikkelingsduur van ei tot uitvliegen omvat grofweg enkele weken, met een periode van nestjongen die nog langere tijd gevoerd worden. In een deel van de nesten helpt een extra vogel bij het voeren van de jongen, vooral in de nestjongenfase, en soms blijft ondersteuning nog doorgaan nadat de jongen zijn uitgevlogen.
Dwergbijeneter



Klik hier Dwerbijeneter details
Het verenkleed valt op door groene bovendelen, een gele keel en een donkere borstband, met warmbruine tinten op borst en buik. Het formaat is compact voor een bijeneter, met een slank lichaam, spitse vleugels en een rechte, zwarte snavel die geschikt is voor het grijpen van vliegende insecten.
De soort leeft vooral in open landschappen met struiken en verspreide bomen, bij voorkeur in de buurt van water zoals riviertjes, plassen, moerassen en oevers. Verplaatsingen hangen vaak samen met regenpatronen en het lokale aanbod aan insecten, waardoor in verschillende seizoenen andere gebieden binnen het leefgebied worden benut.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit insecten, met een duidelijke voorkeur voor bijen, wespen en horzels, maar ook andere vliegende insecten worden genomen. Prooien worden vanuit een lage uitkijkpost in de lucht gegrepen en vóór het doorslikken vaak tegen een harde ondergrond geslagen om de angel of harde delen te verwijderen.
De broedtijd speelt zich meestal af in losse territoria en niet in dichte kolonies. Het nest bestaat uit een zelfgegraven gang in een zandige of leemachtige oever, soms ook in een bestaande opening zoals bij een aardvarkhol. Een legsel bestaat doorgaans uit 4 tot 6 ronde, witte eieren, waarbij de zorg rond broeden en jongen grootbrengen door beide oudervogels wordt gedeeld.
Zwaluwstaartbijeneter


Klik hier Zwaluwstaartbijeneter details
Het uiterlijk is elegant en direct herkenbaar door de duidelijk gevorkte staart en de slanke bouw. Bovendelen zijn overwegend groen, terwijl kop en keel vaak warmer gekleurd zijn met een contrastrijke tekening rond keel en borst. De snavel is lang, smal en licht gebogen, passend bij het vangen van prooien in de vlucht. In vlucht geven de spitse vleugels en de lange staartveren een zwaluwachtige indruk, wat de Nederlandse naam goed verklaart.
Het verspreidingsgebied omvat vooral savanne- en bosrandzones in Sub-Saharisch Afrika, met voorkomen van West- tot Oost- en Zuidelijk Afrika. Aanwezigheid kan regionaal schommelen door seizoenen, vooral waar regenpatronen de insectenrijkdom sterk beïnvloeden. In dergelijke gebieden komen verplaatsingen voor binnen het areaal, zonder uitgesproken langeafstandstrek zoals bij sommige Euraziatische bijeneters.
Het leefgebied bestaat uit open bos, savannebos, rivierbossen, acacia- en mopanezones, bosranden en halfopen cultuurlandschap met verspreide bomen. Belangrijk zijn geschikte uitkijkposten zoals vrijstaande takken, draden of dode bomen, plus nabijheid van zandige of leemachtige taluds waar nestgangen gegraven kunnen worden.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vliegende insecten, met nadruk op bijen en wespen, maar ook libellen, vlinders, kevers en andere grotere insecten worden geregeld genomen. Jagen gebeurt vaak vanuit een zitpost met korte, snelle uitvallen de lucht in. Gevangen prooien worden regelmatig tegen een tak of harde ondergrond geslagen om de angel en harde delen te verwijderen voordat doorslikken volgt.
Broeden gebeurt in een nestgang die in een steile oever, talud of vlak terrein met geschikte bodem wordt uitgegraven. De nestkamer ligt aan het einde van de tunnel en is doorgaans nauwelijks bekleed. Broeden kan solitair plaatsvinden, maar ook in losse groepjes wanneer meerdere geschikte broedwanden dicht bij elkaar liggen. Het legsel bestaat meestal uit meerdere witte eieren en de zorg voor broeden en voeren wordt door beide oudervogels gedeeld.
Witkeelbijeneter


Klik hier Witkeelbijeneter details
De soort is een slanke, opvallend gekleurde bijeneter met een duidelijke witte keel en doorgaans een scherp contrasterend donker masker door het oog. De bovendelen tonen veelal groenige tinten, terwijl de onderzijde warmere kleuren kan hebben. Spitse vleugels en een slanke, licht gebogen snavel passen bij jacht op vliegende insecten. In vlucht is een snelle, wendbare jachtvlucht te zien met korte bochten en plotselinge acceleraties.
Het verspreidingsgebied ligt in Afrika, met een brede zone in West- en Centraal-Afrika en een uitlopend voorkomen richting oostelijk Afrika. In veel regio’s treedt seizoensgebonden verplaatsing op, waarbij aanwezigheid sterk kan wisselen met regenval, zwermmomenten van insecten en lokale omstandigheden. Hierdoor kan de soort in bepaalde maanden massaal verschijnen en later weer grotendeels verdwijnen uit hetzelfde gebied.
Het leefgebied bestaat vooral uit open savanne, bosranden, halfopen woodland en rivier- en beekdalen. Ook agrarisch mozaïek met bomen en struweel wordt benut wanneer voldoende insectenaanbod en geschikte zitposten aanwezig zijn. Belangrijk zijn open plekken voor jachtvluchten en aanwezigheid van zandige of leemachtige bodems voor het graven van nestgangen.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vliegende insecten. Bijen en wespen worden vaak genomen, maar ook termieten, gevleugelde mieren, libellen, kevers en andere insecten vormen een belangrijk deel van het menu. Prooien worden meestal in de lucht gegrepen, waarna verwerking volgt op een zitpost. Het slaan van prooien tegen een tak of harde ondergrond komt regelmatig voor, vooral bij prooien met een angel of harde pantserdelen.
Broeden gebeurt vaak in kolonies, soms in losse groepen en soms in grotere concentraties wanneer geschikte broedwanden beschikbaar zijn. Het nest bevindt zich in een broedgang die in een steile oever, talud of vlak terrein met geschikte bodem wordt uitgegraven, met een nestkamer aan het einde van de tunnel. Het legsel bestaat doorgaans uit meerdere witte eieren, en de broedzorg omvat zowel het broeden als het voeren van de jongen in de nestperiode en de eerste fase na uitvliegen.
Bruinkopbijeneter






Klik hier Bruinkopbijeneter details
De soort is een slanke, groen getinte bijeneter met een opvallend kastanjebruine kop en nek. Keel en gezicht tonen vaak gele tinten met een contrasterende donkere oogstreep. De snavel is smal en licht gebogen, passend bij het grijpen van prooien in de vlucht. In vergelijking met meerdere andere bijeneters vallen de staartveren meestal minder lang uit, waardoor het silhouet compacter oogt.
Het verspreidingsgebied ligt van het Indiase subcontinent tot in Zuidoost-Azië, met voorkomen in onder meer India en Sri Lanka via het vasteland van Zuidoost-Azië tot op eilanden als Sumatra, Java en Bali. In veel gebieden is sprake van een overwegend standvogelpatroon, maar lokale verplaatsingen komen voor wanneer insectenaanbod en weersomstandigheden per seizoen verschuiven.
Het leefgebied bestaat uit open tot halfopen landschap met voldoende warmte en zon, zoals bosranden, open woodland, rivier- en beekdalen, landbouwmozaïek, plantages en kustvlakten met verspreide bomen of struiken. Aanwezigheid hangt sterk samen met geschikte zitposten en plekken waar nestgangen in zandige of leemachtige bodem kunnen worden uitgegraven.
Het voedsel bestaat vooral uit vliegende insecten. Bijen en wespen worden vaak genomen, maar ook andere insecten zoals libellen, vlinders, motten en kevers maken geregeld deel uit van het menu. Jacht gebeurt meestal vanuit een uitkijkpost, met snelle uitvallen om prooien in de lucht te grijpen. Vóór het doorslikken wordt prooi regelmatig tegen een tak of harde ondergrond geslagen, wat helpt bij het verwijderen van angel of harde delen.
Broeden vindt plaats in een zelfgegraven nestgang in een zandige oever, wegberm, talud of vlakke zandgrond. De nestkamer ligt aan het einde van de tunnel en is doorgaans nauwelijks bekleed. Broeden kan solitair gebeuren, maar ook in losse kolonies wanneer geschikte broedwanden aanwezig zijn. Het legsel bestaat meestal uit meerdere witte eieren en de zorg voor broeden en voeren wordt door beide oudervogels gedeeld.