Klik hier Genus Charadrius
Het genus Charadrius omvat een grote en wereldwijd verspreide groep plevieren, meestal kleine tot middelgrote steltlopers die bekendstaan om hun alerte houding, korte snavel en snelle, korte sprintjes over open grond. Veel soorten hebben een contrastrijke koptekening met donkere banden of “maskers”, vaak gecombineerd met lichte onderdelen, waardoor ze in het veld ondanks hun formaat toch goed herkenbaar kunnen zijn. In vlucht vallen bij meerdere soorten spitse vleugels en duidelijke vleugelstrepen op, en op de grond zie je vaak het typische gedrag van rennen, stoppen en dan snel een prooi oppikken.
Charadrius-plevieren leven vooral in open habitats waar ze goed zicht hebben rondom. Dat kan variëren van stranden, duinen, slikken en zandplaten tot rivieroevers, zoutpannen, droge steppes, savannes, hoogvlakten en zelfs kale grind- of zandvlaktes landinwaarts. Veel soorten zijn sterk gebonden aan kale of schaars begroeide bodems, omdat ze daar hun prooien makkelijk zien en omdat de camouflage van eieren en kuikens het best werkt. In kustgebieden zijn ze vaak te vinden op de overgang van nat naar droog, waar voedselrijkdom hoog is en de bodem zacht genoeg is om te prikken of te pikken.
Het voedsel bestaat meestal uit kleine ongewervelden zoals insecten, wormen, kreeftachtigen en weekdieren, afhankelijk van het habitat. Ze foerageren vooral op zicht, met korte, felle bewegingen, en kunnen soms ook even in de bodem prikken om verborgen prooi te pakken. Buiten de broedtijd vormen veel soorten groepen, soms gemengd met andere steltlopers, terwijl ze in de broedtijd juist uitgesproken territoriaal zijn en nest en jongen actief verdedigen.
De voortplanting past bij een leven in open terrein. Nesten zijn meestal eenvoudige kuiltjes op de grond, soms met een klein randje steentjes of schelpjes, en vaak zo geplaatst dat het nest nauwelijks opvalt. De eieren zijn sterk gecamoufleerd en de kuikens zijn nestvlieders die snel na het uitkomen rondlopen en zelf voedsel zoeken, terwijl de ouders waakzaam blijven en met afleidingsgedrag of alarmroepen predatoren proberen weg te lokken. Binnen het genus komt veel variatie voor in trekgedrag, van uitgesproken langeafstandstrekkers tot standvogels die vooral lokaal zwerven, maar vrijwel alle soorten blijven afhankelijk van open, rustige plekken met voldoende voedsel en beperkte verstoring.
Charadrius-plevieren leven vooral in open habitats waar ze goed zicht hebben rondom. Dat kan variëren van stranden, duinen, slikken en zandplaten tot rivieroevers, zoutpannen, droge steppes, savannes, hoogvlakten en zelfs kale grind- of zandvlaktes landinwaarts. Veel soorten zijn sterk gebonden aan kale of schaars begroeide bodems, omdat ze daar hun prooien makkelijk zien en omdat de camouflage van eieren en kuikens het best werkt. In kustgebieden zijn ze vaak te vinden op de overgang van nat naar droog, waar voedselrijkdom hoog is en de bodem zacht genoeg is om te prikken of te pikken.
Het voedsel bestaat meestal uit kleine ongewervelden zoals insecten, wormen, kreeftachtigen en weekdieren, afhankelijk van het habitat. Ze foerageren vooral op zicht, met korte, felle bewegingen, en kunnen soms ook even in de bodem prikken om verborgen prooi te pakken. Buiten de broedtijd vormen veel soorten groepen, soms gemengd met andere steltlopers, terwijl ze in de broedtijd juist uitgesproken territoriaal zijn en nest en jongen actief verdedigen.
De voortplanting past bij een leven in open terrein. Nesten zijn meestal eenvoudige kuiltjes op de grond, soms met een klein randje steentjes of schelpjes, en vaak zo geplaatst dat het nest nauwelijks opvalt. De eieren zijn sterk gecamoufleerd en de kuikens zijn nestvlieders die snel na het uitkomen rondlopen en zelf voedsel zoeken, terwijl de ouders waakzaam blijven en met afleidingsgedrag of alarmroepen predatoren proberen weg te lokken. Binnen het genus komt veel variatie voor in trekgedrag, van uitgesproken langeafstandstrekkers tot standvogels die vooral lokaal zwerven, maar vrijwel alle soorten blijven afhankelijk van open, rustige plekken met voldoende voedsel en beperkte verstoring.
Killdeerplevier
[LAT] Charadrius vociferus |
[UK] Killdeer |
[FR] Pluvier kildir |
[DE] Killdeer-Regenpfeifer |
[ES] Chorlitejo gritón |
[NL] Killdeerplevier


Klik hier Killdeer details
De killdeer (Charadrius vociferus) is wereldwijd ingedeeld als niet bedreigd (Least Concern). De soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en een zeer grote populatie. Hoewel in sommige gebieden een afnemende trend wordt genoemd, wordt die daling niet snel genoeg geacht om de soort op wereldschaal in een hogere bedreigingscategorie te plaatsen.
De killdeer komt voor in grote delen van Noord-Amerika en reikt in Latijns-Amerika door tot in Peru. Het areaal loopt grofweg vanaf Alaska en centraal Canada zuidwaarts door de Verenigde Staten en verder door richting Midden-Amerika en langs de Andes. In delen van het verspreidingsgebied zijn sommige ondersoorten vooral standvogel, terwijl de nominaatvorm juist duidelijk trekkend is en in de winter zuidelijker verblijft. De trek begint vaak al vanaf half juli met het verzamelen in groepen in natte valleien, langs rivieren en aan de kust, waarna de belangrijkste trekperiode meestal van eind augustus tot november loopt met een piek rond eind september. Veel vogels trekken langs kusten, maar er is ook brede-front trek over land. In het zuiden van de Verenigde Staten verschijnen veel vogels in oktober en een deel blijft daar tot laat in maart. De terugkeer naar noordelijkere broedgebieden vindt vaak plaats van maart tot begin april. De killdeer trekt veelal ’s nachts, en krachtige najaarsstormen kunnen soms dwaalgasten verplaatsen, wat verklaart waarom af en toe vogels ver buiten het normale gebied kunnen opduiken.
In het veld is de killdeer een middelgrote plevier van ongeveer 23 tot 27 centimeter. Hij is vooral herkenbaar aan de dubbele, donkere borstband, waarbij de bovenste band als een complete ring om de borst loopt. Daarnaast heeft hij een donkere band over de kop die als een soort masker rondom de kop doorloopt, met een karakteristieke versmalling over het voorhoofd en een duidelijke tekening rond het oog. De bovenzijde is meestal grijsbruin, terwijl de onderzijde opvallend wit is. In vlucht en bij opwinding valt een warm rood-oranje stuitdeel op, wat een sterk veldkenmerk kan zijn. Mannetje en vrouwtje lijken sterk op elkaar, al kan een broedend vrouwtje soms wat meer bruin in het gezicht tonen. Juvenielen lijken op volwassen vogels, maar kunnen subtiel warmere veerranden hebben en ogen daardoor soms iets “zachter” getekend.
De killdeer leeft vooral in open gebieden binnen uiteenlopende landschappen zoals savannes, taiga- en loofbosregio’s, zolang er maar open plekken zijn. Hij gebruikt graag zand- en grindbanken, slikranden, moddervlaktes, graslanden en weiden, en kiest vaak terreinen waar de bodem deels kaal is of slechts schaars begroeid. Temperatuur speelt een belangrijke rol in waar de vogels zich ophouden, en doordat de soort in grote delen van zijn verspreidingsgebied jaarrond kan blijven, trekken veel populaties pas merkbaar wanneer het echt koud wordt. De killdeer is bovendien sterk aangepast aan door mensen veranderde omgevingen en wordt daarom ook vaak gezien in parken, agrarische zones en andere open, menselijke landschappen.
Het voedsel bestaat vooral uit water- en landgebonden ongewervelden, waaronder insecten en kreeftachtigen, maar de soort is flexibel en kan ook plantaardig materiaal zoals bessen benutten. Foerageren gebeurt meestal lopend in korte stukjes, met snelle stops om prooien van de grond te pikken, en hij kan daarbij zowel op vochtige randen als op drogere, open bodems succesvol voedsel vinden.
De killdeer is monogaam en vormt broedparen in het voorjaar op de broedgronden. Het mannetje bezet een territorium en probeert een partner te lokken met baltsvluchten en een herkenbare roep. Niet-trekkende paren kunnen soms langdurig samen blijven en meerdere jaren achter elkaar met dezelfde partner broeden. Het broedseizoen begint vroeg in warme gebieden, soms al in maart in het zuiden van de Verenigde Staten, terwijl het in centraal Canada pas tot in juni kan starten. In het Caribisch gebied kan zelfs jaarrond worden gebroed. In gematigde streken kunnen killdeers meerdere legsels per seizoen proberen, al lukt het vaak maar om één broedsel succesvol groot te brengen; in het zuiden van het verspreidingsgebied komt het vaker voor dat twee legsels slagen.
Het nest is een eenvoudige, ondiepe kuil in de kale grond of een ander hard substraat, gemaakt door beide ouders. Nesten liggen vaak in open terrein met weinig vegetatie en kunnen opvallend vaak voorkomen op plekken als akkers, bermen, parkeerterreinen en zelfs vlakke grinddaken. Het legsel bestaat gemiddeld uit vier eieren, maar kan variëren van twee tot zes. Beide ouders broeden, meestal ongeveer 24 tot 28 dagen. De kuikens zijn nestvlieders en lopen kort na het drogen van het dons al rond; de ouders voeren ze niet in het nest, maar leiden ze naar voedselrijke plekken. De jongen blijven doorgaans bij de ouders tot ze kunnen vliegen, meestal na ongeveer 20 tot 31 dagen, en ze kunnen vaak al in het daaropvolgende jaar zelf broeden.
De killdeer komt voor in grote delen van Noord-Amerika en reikt in Latijns-Amerika door tot in Peru. Het areaal loopt grofweg vanaf Alaska en centraal Canada zuidwaarts door de Verenigde Staten en verder door richting Midden-Amerika en langs de Andes. In delen van het verspreidingsgebied zijn sommige ondersoorten vooral standvogel, terwijl de nominaatvorm juist duidelijk trekkend is en in de winter zuidelijker verblijft. De trek begint vaak al vanaf half juli met het verzamelen in groepen in natte valleien, langs rivieren en aan de kust, waarna de belangrijkste trekperiode meestal van eind augustus tot november loopt met een piek rond eind september. Veel vogels trekken langs kusten, maar er is ook brede-front trek over land. In het zuiden van de Verenigde Staten verschijnen veel vogels in oktober en een deel blijft daar tot laat in maart. De terugkeer naar noordelijkere broedgebieden vindt vaak plaats van maart tot begin april. De killdeer trekt veelal ’s nachts, en krachtige najaarsstormen kunnen soms dwaalgasten verplaatsen, wat verklaart waarom af en toe vogels ver buiten het normale gebied kunnen opduiken.
In het veld is de killdeer een middelgrote plevier van ongeveer 23 tot 27 centimeter. Hij is vooral herkenbaar aan de dubbele, donkere borstband, waarbij de bovenste band als een complete ring om de borst loopt. Daarnaast heeft hij een donkere band over de kop die als een soort masker rondom de kop doorloopt, met een karakteristieke versmalling over het voorhoofd en een duidelijke tekening rond het oog. De bovenzijde is meestal grijsbruin, terwijl de onderzijde opvallend wit is. In vlucht en bij opwinding valt een warm rood-oranje stuitdeel op, wat een sterk veldkenmerk kan zijn. Mannetje en vrouwtje lijken sterk op elkaar, al kan een broedend vrouwtje soms wat meer bruin in het gezicht tonen. Juvenielen lijken op volwassen vogels, maar kunnen subtiel warmere veerranden hebben en ogen daardoor soms iets “zachter” getekend.
De killdeer leeft vooral in open gebieden binnen uiteenlopende landschappen zoals savannes, taiga- en loofbosregio’s, zolang er maar open plekken zijn. Hij gebruikt graag zand- en grindbanken, slikranden, moddervlaktes, graslanden en weiden, en kiest vaak terreinen waar de bodem deels kaal is of slechts schaars begroeid. Temperatuur speelt een belangrijke rol in waar de vogels zich ophouden, en doordat de soort in grote delen van zijn verspreidingsgebied jaarrond kan blijven, trekken veel populaties pas merkbaar wanneer het echt koud wordt. De killdeer is bovendien sterk aangepast aan door mensen veranderde omgevingen en wordt daarom ook vaak gezien in parken, agrarische zones en andere open, menselijke landschappen.
Het voedsel bestaat vooral uit water- en landgebonden ongewervelden, waaronder insecten en kreeftachtigen, maar de soort is flexibel en kan ook plantaardig materiaal zoals bessen benutten. Foerageren gebeurt meestal lopend in korte stukjes, met snelle stops om prooien van de grond te pikken, en hij kan daarbij zowel op vochtige randen als op drogere, open bodems succesvol voedsel vinden.
De killdeer is monogaam en vormt broedparen in het voorjaar op de broedgronden. Het mannetje bezet een territorium en probeert een partner te lokken met baltsvluchten en een herkenbare roep. Niet-trekkende paren kunnen soms langdurig samen blijven en meerdere jaren achter elkaar met dezelfde partner broeden. Het broedseizoen begint vroeg in warme gebieden, soms al in maart in het zuiden van de Verenigde Staten, terwijl het in centraal Canada pas tot in juni kan starten. In het Caribisch gebied kan zelfs jaarrond worden gebroed. In gematigde streken kunnen killdeers meerdere legsels per seizoen proberen, al lukt het vaak maar om één broedsel succesvol groot te brengen; in het zuiden van het verspreidingsgebied komt het vaker voor dat twee legsels slagen.
Het nest is een eenvoudige, ondiepe kuil in de kale grond of een ander hard substraat, gemaakt door beide ouders. Nesten liggen vaak in open terrein met weinig vegetatie en kunnen opvallend vaak voorkomen op plekken als akkers, bermen, parkeerterreinen en zelfs vlakke grinddaken. Het legsel bestaat gemiddeld uit vier eieren, maar kan variëren van twee tot zes. Beide ouders broeden, meestal ongeveer 24 tot 28 dagen. De kuikens zijn nestvlieders en lopen kort na het drogen van het dons al rond; de ouders voeren ze niet in het nest, maar leiden ze naar voedselrijke plekken. De jongen blijven doorgaans bij de ouders tot ze kunnen vliegen, meestal na ongeveer 20 tot 31 dagen, en ze kunnen vaak al in het daaropvolgende jaar zelf broeden.
Strandplevier
[LAT] Charadrius alexandrinus |
[UK] Kentish Plover |
[FR] Pluvier à collier interrompu |
[DE] Seeregenpfeifer |
[ES] Chorlitejo patinegro |
[NL] Strandplevier





Klik hier Strandplevier details
Charadrius alexandrinus, in het Nederlands doorgaans strandplevier genoemd, is wereldwijd ingedeeld als niet bedreigd (Least Concern). De soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en een grote populatie. Hoewel in diverse regio’s een afnemende trend wordt genoemd, wordt die daling op wereldschaal niet snel genoeg geacht om de soort in een hogere bedreigingscategorie te plaatsen.
De strandplevier is wijdverspreid in Eurazië en Afrika en komt daarnaast ook in delen van de Oriëntaalse regio voor. Het trekgedrag verschilt sterk per populatie. Ten noorden van ongeveer 40 graden noorderbreedte zijn veel vogels vooral trekkend, terwijl zuidelijker populaties vaker standvogel zijn of vooral lokaal zwerven. In de winter verblijven veel vogels in Zuid-Eurazië, in Afrika ten noorden van de evenaar en verder oostwaarts tot in Indonesië, waarbij kustgebieden in Afrika voor veel overwinteraars belangrijk zijn. In West-Europa overwinteren veel broedvogels vooral in Zuidwest-Europa, maar er overwinteren ook grote aantallen in West-Afrika waarvan de herkomst niet altijd duidelijk is. De verspreiding na het broedseizoen kan al direct na het uitvliegen beginnen, vaak vanaf eind juni, met een duidelijke piek in de zuidwaartse trek in september. In Noordwest-Afrika worden broedgebieden doorgaans in maart, april of mei weer bezet, terwijl de noordelijkste broedplaatsen in Centraal-Azië vaak pas vanaf mei weer worden bereikt.
In het veld is de strandplevier een kleine, eerder onopvallende plevier die goed camoufleert in zanderige omgeving. Hij heeft een lichte onderzijde en buffkleurige tot zandkleurige bovendelen die mooi opgaan in strand en zoutvlaktes. In broedkleed heeft het mannetje een zwarte band over de voorkruin, een donkere streep achter het oog en donkere zijvlekken, wat hem een contrastrijker gezicht geeft. Het vrouwtje lijkt hierop maar is gemiddeld fletser en toont vaker bruin in plaats van diep zwart. De poten zijn donker en de snavel is zwart, en door het compacte postuur en de rustige kleuren kan de soort makkelijk over het hoofd worden gezien als hij stil zit of langzaam foerageert.
De strandplevier broedt bij voorkeur in open, kale of schaars begroeide gebieden met zand of schelpen, vaak op stranden, duinen en zoutvlaktes. Daarnaast broedt hij ook in lagunes en bij zoutpannen, op opgespoten terreinen of kale dijkjes en op zandbanken in rivieren. Binnenlandse populaties kunnen voorkomen bij alkalische of zoute meren, reservoirs, plassen en in brede, gevlochten rivierlopen. Het gemeenschappelijke kenmerk is vrijwel altijd een open bodem met weinig vegetatie, waar nest en eieren door camouflage beschermd worden en waar de vogel goed zicht heeft op mogelijke predatoren.
Het voedsel bestaat uit kleine aquatische en terrestrische ongewervelden. Aan de kust gaat het vaak om kleine kreeftachtigen, weekdieren, mariene wormen en insecten, terwijl binnenlandse populaties veelal vooral insecten eten. Foerageren gebeurt vaak met het typische plevier-ritme van stilhouden, kijken, een kort sprintje en dan snel pikken. Soms wordt ook in het zand geprikt om verborgen prooi te vinden, of worden vliegende insecten gevangen door er met open snavel achteraan te “chargeren”. Buiten de broedtijd worden geregeld losse groepjes gevormd, zeker op voedselrijke slikranden en zoutvlaktes.
Veel strandplevieren beginnen al in hun eerste jaar met broeden. Beide ouders verdedigen het territorium actief tegen indringers en predatoren, met dreighoudingen, achtervolgen en soms gevechten. Er wordt vaak in losse kolonies gebroed, maar ook solitair kan voorkomen wanneer geschikt habitat versnipperd is. Het nest is een eenvoudige ondiepe kuil op kale, open grond en ligt opvallend vaak naast een duidelijk herkenbaar object zoals een schelp, een pluk zeewier of een stuk drijfhout, wat mogelijk helpt bij oriëntatie. De nestkuil kan worden bekleed met kleine steentjes, schelpfragmenten, visbotjes, gras en ander klein materiaal. Een legsel bestaat meestal uit drie eieren, buffkleurig met donkere spikkels en krabbels, en beide ouders broeden gedurende ongeveer 25 tot 32 dagen. In sommige gebieden kunnen twee broedsels per jaar worden grootgebracht en bij een lang seizoen soms zelfs meer. De kuikens zijn nestvlieders en kunnen al snel zelf voedsel zoeken; de ouders begeleiden ze naar foerageerplekken en blijven waken en beschermen tot de jongen na ongeveer vier weken kunnen vliegen.
De strandplevier is wijdverspreid in Eurazië en Afrika en komt daarnaast ook in delen van de Oriëntaalse regio voor. Het trekgedrag verschilt sterk per populatie. Ten noorden van ongeveer 40 graden noorderbreedte zijn veel vogels vooral trekkend, terwijl zuidelijker populaties vaker standvogel zijn of vooral lokaal zwerven. In de winter verblijven veel vogels in Zuid-Eurazië, in Afrika ten noorden van de evenaar en verder oostwaarts tot in Indonesië, waarbij kustgebieden in Afrika voor veel overwinteraars belangrijk zijn. In West-Europa overwinteren veel broedvogels vooral in Zuidwest-Europa, maar er overwinteren ook grote aantallen in West-Afrika waarvan de herkomst niet altijd duidelijk is. De verspreiding na het broedseizoen kan al direct na het uitvliegen beginnen, vaak vanaf eind juni, met een duidelijke piek in de zuidwaartse trek in september. In Noordwest-Afrika worden broedgebieden doorgaans in maart, april of mei weer bezet, terwijl de noordelijkste broedplaatsen in Centraal-Azië vaak pas vanaf mei weer worden bereikt.
In het veld is de strandplevier een kleine, eerder onopvallende plevier die goed camoufleert in zanderige omgeving. Hij heeft een lichte onderzijde en buffkleurige tot zandkleurige bovendelen die mooi opgaan in strand en zoutvlaktes. In broedkleed heeft het mannetje een zwarte band over de voorkruin, een donkere streep achter het oog en donkere zijvlekken, wat hem een contrastrijker gezicht geeft. Het vrouwtje lijkt hierop maar is gemiddeld fletser en toont vaker bruin in plaats van diep zwart. De poten zijn donker en de snavel is zwart, en door het compacte postuur en de rustige kleuren kan de soort makkelijk over het hoofd worden gezien als hij stil zit of langzaam foerageert.
De strandplevier broedt bij voorkeur in open, kale of schaars begroeide gebieden met zand of schelpen, vaak op stranden, duinen en zoutvlaktes. Daarnaast broedt hij ook in lagunes en bij zoutpannen, op opgespoten terreinen of kale dijkjes en op zandbanken in rivieren. Binnenlandse populaties kunnen voorkomen bij alkalische of zoute meren, reservoirs, plassen en in brede, gevlochten rivierlopen. Het gemeenschappelijke kenmerk is vrijwel altijd een open bodem met weinig vegetatie, waar nest en eieren door camouflage beschermd worden en waar de vogel goed zicht heeft op mogelijke predatoren.
Het voedsel bestaat uit kleine aquatische en terrestrische ongewervelden. Aan de kust gaat het vaak om kleine kreeftachtigen, weekdieren, mariene wormen en insecten, terwijl binnenlandse populaties veelal vooral insecten eten. Foerageren gebeurt vaak met het typische plevier-ritme van stilhouden, kijken, een kort sprintje en dan snel pikken. Soms wordt ook in het zand geprikt om verborgen prooi te vinden, of worden vliegende insecten gevangen door er met open snavel achteraan te “chargeren”. Buiten de broedtijd worden geregeld losse groepjes gevormd, zeker op voedselrijke slikranden en zoutvlaktes.
Veel strandplevieren beginnen al in hun eerste jaar met broeden. Beide ouders verdedigen het territorium actief tegen indringers en predatoren, met dreighoudingen, achtervolgen en soms gevechten. Er wordt vaak in losse kolonies gebroed, maar ook solitair kan voorkomen wanneer geschikt habitat versnipperd is. Het nest is een eenvoudige ondiepe kuil op kale, open grond en ligt opvallend vaak naast een duidelijk herkenbaar object zoals een schelp, een pluk zeewier of een stuk drijfhout, wat mogelijk helpt bij oriëntatie. De nestkuil kan worden bekleed met kleine steentjes, schelpfragmenten, visbotjes, gras en ander klein materiaal. Een legsel bestaat meestal uit drie eieren, buffkleurig met donkere spikkels en krabbels, en beide ouders broeden gedurende ongeveer 25 tot 32 dagen. In sommige gebieden kunnen twee broedsels per jaar worden grootgebracht en bij een lang seizoen soms zelfs meer. De kuikens zijn nestvlieders en kunnen al snel zelf voedsel zoeken; de ouders begeleiden ze naar foerageerplekken en blijven waken en beschermen tot de jongen na ongeveer vier weken kunnen vliegen.
Bontbekplevier
[LAT] Charadrius hiaticula |
[UK] Common Ringed Plover |
[FR] Grand Gravelot |
[DE] Sandregenpfeifer |
[ES] Chorlitejo grande |
[NL] Bontbekplevier









Klik hier Bontbekplevier details
Charadrius hiaticula, in het Nederlands de bontbekplevier, is wereldwijd ingedeeld als niet bedreigd (Least Concern). De soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en een grote populatie. Hoewel in sommige regio’s een afnemende trend wordt genoemd, wordt die afname op wereldschaal niet snel genoeg geacht om de soort in een hogere bedreigingscategorie te plaatsen.
De bontbekplevier broedt wijdverspreid in het noorden van Eurazië en komt daarnaast ook voor in noordoostelijk Canada. In Europa ligt een belangrijk deel van het wereldwijde broedgebied, met een grote broedpopulatie die over langere perioden relatief stabiel is geweest, al zijn er lokaal wel dalingen gemeld. De soort broedt langs kusten en in noordelijke open landschappen, maar kan zuidelijker meer versnipperd voorkomen, afhankelijk van geschikte plekken met open bodem en rust.
Het is een uitgesproken trekvogel, waarbij de noordelijkste broedvogels doorgaans het verst naar het zuiden trekken, terwijl zuidelijker broedvogels vaak ook dichter bij hun broedgebied overwinteren. Veel vogels overwinteren in Afrika, maar ook rond het Middellandse Zeegebied, op het Iberisch Schiereiland en in regio’s als de Rode Zee en de Perzische Golf. Kleine aantallen trekken door of overwinteren mogelijk zelfs tot in Oost-Azië. De Nearctische broedvogels steken de noordelijke Atlantische Oceaan over, soms in één vlucht en soms via Groenland en IJsland, en overwinteren waarschijnlijk vooral in West-Afrika. De ondersoort tundrae trekt via Europa, maar kan ook breed-frontig over landmassa’s in Eurazië en Afrika naar oostelijk en zuidelijk Afrika trekken en mogelijk zelfs de Sahara oversteken. Er is vaak een hoge plaatstrouw tijdens trek en overwintering, waardoor vogels geregeld jaar na jaar op vergelijkbare stopplaatsen opduiken.
In het veld is de bontbekplevier een compacte, relatief robuuste plevier. Hij lijkt op kleinere plevieren, maar is forser gebouwd en heeft doorgaans een iets bredere borstband, een opvallende witte wenkbrauwstreep en een heldere gele oogring. In vergelijking met zeer gelijkende soorten valt verder op dat hij geen duidelijk voetweb heeft tussen middelste en binnenste teen. Het vrouwtje toont vaak wat meer bruinige tinten in de borstband en rond de oorstreek. Bij de nominaatvorm ontbreekt een sterk afwijkend winterkleed, waardoor het verschil tussen seizoenen minder uitgesproken kan zijn dan bij sommige andere steltlopers. Juvenielen lijken op blekere adulten met buffkleurige veerranden, maar die “jeugdfranje” slijt vaak vrij snel weg.
Qua leefgebied gebruikt de bontbekplevier vooral kustzones zoals zand- en kiezelstranden, zandbanken, slikken, estuaria en wadplaten. Daarnaast kan hij ook voorkomen langs rivieren, bij meren en lagunes, op kort grasland, overstroomde velden en zelfs in enkele kunstmatige habitats, en in het hoge noorden ook in toendra. De soort geeft de voorkeur aan vochtige bodems, maar staat meestal niet in ondiep water. Tijdens trek kan de ondersoort tundrae vaker op zachtere, slibrijke bodems foerageren dan hiaticula. Rusten gebeurt vaak gezamenlijk, dicht bij de foerageerplek, op kale of kort begroeide plekken, meestal boven de hoogwaterlijn aan de kust.
Het voedsel bestaat uit een brede mix van ongewervelden zoals weekdieren, pissebedden, borstelwormen, kreeftachtigen, vlokreeftjes en verschillende insecten. Soms wordt het karakteristieke “voetschudden” gebruikt om prooien in beweging te brengen. Foerageren kan zowel overdag als ’s nachts plaatsvinden, en gebeurt vaak op wadplaten rond laagwater. Buiten de broedtijd worden meestal kleine groepen gevormd, vaak tot enkele tientallen vogels, die zich verspreid over een voedselrijk gebied kunnen bewegen.
De broedtijd valt rond de Noordzee vaak in april, op IJsland vooral in juni en juli en in noordelijk Eurazië meestal in juni. De soort is doorgaans seizoensmonogaam, al kan een paarband soms over meerdere jaren worden voortgezet. Er wordt solitair gebroed of in losse “buurtgroepjes”, waarbij nesten soms 10 tot 100 meter uit elkaar liggen. Het nest is een ondiepe kuil in de grond, bekleed met kleine steentjes, rommelig materiaal en wat plantresten. Er worden meestal drie tot vier eieren gelegd, die door beide ouders worden bebroed gedurende ongeveer 21 tot 27 dagen. De kuikens zijn nestvlieders en zijn goed gecamoufleerd met zachte buff- en grijstinten en fijne tekening; ze verlaten het nest snel en worden door de ouders begeleid. Veel vogels kunnen al vanaf hun eerste levensjaar broeden.
De bontbekplevier broedt wijdverspreid in het noorden van Eurazië en komt daarnaast ook voor in noordoostelijk Canada. In Europa ligt een belangrijk deel van het wereldwijde broedgebied, met een grote broedpopulatie die over langere perioden relatief stabiel is geweest, al zijn er lokaal wel dalingen gemeld. De soort broedt langs kusten en in noordelijke open landschappen, maar kan zuidelijker meer versnipperd voorkomen, afhankelijk van geschikte plekken met open bodem en rust.
Het is een uitgesproken trekvogel, waarbij de noordelijkste broedvogels doorgaans het verst naar het zuiden trekken, terwijl zuidelijker broedvogels vaak ook dichter bij hun broedgebied overwinteren. Veel vogels overwinteren in Afrika, maar ook rond het Middellandse Zeegebied, op het Iberisch Schiereiland en in regio’s als de Rode Zee en de Perzische Golf. Kleine aantallen trekken door of overwinteren mogelijk zelfs tot in Oost-Azië. De Nearctische broedvogels steken de noordelijke Atlantische Oceaan over, soms in één vlucht en soms via Groenland en IJsland, en overwinteren waarschijnlijk vooral in West-Afrika. De ondersoort tundrae trekt via Europa, maar kan ook breed-frontig over landmassa’s in Eurazië en Afrika naar oostelijk en zuidelijk Afrika trekken en mogelijk zelfs de Sahara oversteken. Er is vaak een hoge plaatstrouw tijdens trek en overwintering, waardoor vogels geregeld jaar na jaar op vergelijkbare stopplaatsen opduiken.
In het veld is de bontbekplevier een compacte, relatief robuuste plevier. Hij lijkt op kleinere plevieren, maar is forser gebouwd en heeft doorgaans een iets bredere borstband, een opvallende witte wenkbrauwstreep en een heldere gele oogring. In vergelijking met zeer gelijkende soorten valt verder op dat hij geen duidelijk voetweb heeft tussen middelste en binnenste teen. Het vrouwtje toont vaak wat meer bruinige tinten in de borstband en rond de oorstreek. Bij de nominaatvorm ontbreekt een sterk afwijkend winterkleed, waardoor het verschil tussen seizoenen minder uitgesproken kan zijn dan bij sommige andere steltlopers. Juvenielen lijken op blekere adulten met buffkleurige veerranden, maar die “jeugdfranje” slijt vaak vrij snel weg.
Qua leefgebied gebruikt de bontbekplevier vooral kustzones zoals zand- en kiezelstranden, zandbanken, slikken, estuaria en wadplaten. Daarnaast kan hij ook voorkomen langs rivieren, bij meren en lagunes, op kort grasland, overstroomde velden en zelfs in enkele kunstmatige habitats, en in het hoge noorden ook in toendra. De soort geeft de voorkeur aan vochtige bodems, maar staat meestal niet in ondiep water. Tijdens trek kan de ondersoort tundrae vaker op zachtere, slibrijke bodems foerageren dan hiaticula. Rusten gebeurt vaak gezamenlijk, dicht bij de foerageerplek, op kale of kort begroeide plekken, meestal boven de hoogwaterlijn aan de kust.
Het voedsel bestaat uit een brede mix van ongewervelden zoals weekdieren, pissebedden, borstelwormen, kreeftachtigen, vlokreeftjes en verschillende insecten. Soms wordt het karakteristieke “voetschudden” gebruikt om prooien in beweging te brengen. Foerageren kan zowel overdag als ’s nachts plaatsvinden, en gebeurt vaak op wadplaten rond laagwater. Buiten de broedtijd worden meestal kleine groepen gevormd, vaak tot enkele tientallen vogels, die zich verspreid over een voedselrijk gebied kunnen bewegen.
De broedtijd valt rond de Noordzee vaak in april, op IJsland vooral in juni en juli en in noordelijk Eurazië meestal in juni. De soort is doorgaans seizoensmonogaam, al kan een paarband soms over meerdere jaren worden voortgezet. Er wordt solitair gebroed of in losse “buurtgroepjes”, waarbij nesten soms 10 tot 100 meter uit elkaar liggen. Het nest is een ondiepe kuil in de grond, bekleed met kleine steentjes, rommelig materiaal en wat plantresten. Er worden meestal drie tot vier eieren gelegd, die door beide ouders worden bebroed gedurende ongeveer 21 tot 27 dagen. De kuikens zijn nestvlieders en zijn goed gecamoufleerd met zachte buff- en grijstinten en fijne tekening; ze verlaten het nest snel en worden door de ouders begeleid. Veel vogels kunnen al vanaf hun eerste levensjaar broeden.
Kleine plevier
[LAT] Charadrius dubius |
[UK] Little Ringed Plover |
[FR] Petit Gravelot |
[DE] Flussregenpfeifer |
[ES] Chorlitejo chico |
[NL] Kleine plevier









Klik hier Kleine plevier details
Charadrius dubius, in het Nederlands de kleine plevier, is wereldwijd ingedeeld als niet bedreigd (Least Concern). De soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en een grote populatie, en de trend wordt in grote lijnen als stabiel beschouwd. Daarmee worden de drempels voor een hogere bedreigingscategorie op wereldschaal niet benaderd.
De kleine plevier is wijdverspreid in Eurazië en komt ook veel voor in de Oriëntaalse regio. In Europa is het een algemene zomergast in grote delen van het continent, waarbij het Europese broedareaal minder dan de helft van het wereldwijde broedareaal beslaat. In de late twintigste eeuw nam de soort in Europa in verschillende gebieden toe, al zijn later in sommige landen dalingen gemeld, terwijl kernpopulaties in grote delen van Oost-Europa en Rusland relatief stabiel bleven, waardoor het totaalbeeld slechts licht afnam.
Het trekgedrag verschilt per ondersoort en regio. De ondersoort curonicus is grotendeels trekkend, al kunnen zuidelijke broedpopulaties mogelijk deels standvogel zijn. West-Europese vogels trekken doorgaans over de Sahara naar de tropen. Ze verlaten de broedgebieden vaak al van juni tot begin juli, met een trekpiek van eind juli tot begin september, waarna veel vogels tropisch Afrika bereiken tussen eind augustus en september. De voorjaarstrek begint vaak vanaf eind februari, met aankomst in Noordwest-Europa vanaf half maart en een piek in april tot begin mei; in meer noordoostelijke gebieden ligt dit vaak ongeveer een maand later. Siberische en andere Aziatische populaties trekken vooral naar Zuidoost-Azië en India, waar ze mengen met standvogels van de ondersoort jerdoni. De trek verloopt vaak solitair of in kleine groepjes, meestal niet groter dan ongeveer tien vogels. In West-Afrika kan de nominaatvorm plaatselijk standvogel en lokaal nomadisch zijn, en jerdoni is vooral standvogel maar verplaatst zich lokaal afhankelijk van waterstanden. Opvallend is dat curonicus de laatste jaren ook in kleine aantallen regelmatig in Australië is vastgesteld.
In het veld is de kleine plevier duidelijk kleiner en slanker dan de bontbekplevier. Hij heeft een helder gele oogring die vaak direct in het oog springt, en een koptekening met een zwarte band over de voorkruin. Opvallend is ook het smalle witte lijntje achter die zwarte band, wat helpt bij het onderscheiden van vergelijkbare soorten. Vrouwtjes tonen vaak wat bruiner in de zwarte delen en kunnen een iets minder brede of minder fel ogende oogring hebben. Tussen ondersoorten bestaan verschillen in formaat en snavelkleur, en bij curonicus kan in niet-broedkleed de borstband wat meer bruin en minder uitgesproken zijn, terwijl jerdoni meer op de nominaatvorm lijkt en doorgaans geen sterk afwijkend winterkleed toont.
De kleine plevier is vooral een vogel van het binnenland en komt slechts zelden echt kustgebonden voor. Hij broedt en foerageert op kale of schaars begroeide vlaktes van zand, kiezel of slib, en vermijdt ruig terrein en hoge of dichte vegetatie. Meestal is er een duidelijke band met stilstaand of langzaam stromend zoet water, maar hij kan ook voorkomen bij zoute binnenlandse plassen en vlaktes, of in brakke lagunes en estuaria. De soort maakt daarnaast veel gebruik van kunstmatige habitats die soms maar tijdelijk geschikt zijn, zoals grindgaten, zandwinplassen, rioolwaterzuiveringen en industriële terreinen met open bodem.
Het voedsel bestaat uit een brede mix van ongewervelden, waaronder insecten zoals kevers, vliegen, mieren, krekels en larven van eendagsvliegen en libellen. Daarnaast worden ook spinnen, kleine garnaalachtigen en andere bodemdieren gegeten. Foerageren gebeurt op droge of vochtige bodem, soms ook in heel ondiep water, en net als bij andere plevieren wordt af en toe “voetschudden” gebruikt om prooien te bewegen en makkelijker te pakken.
In Europa ligt de broedtijd meestal tussen april en juni. In Noord-Afrika ligt die vaak tussen maart en mei, en in Zuid-India eveneens veelal tussen maart en mei, terwijl de nominaatvorm in sommige gebieden al van februari tot mei kan broeden. De soort is meestal monogaam ten minste voor één broedsel, en soms blijft een paar ook meerdere jaren bij elkaar. Af en toe is er sprake van een derde vogel die tijdens het broeden meedraait, maar de precieze relatie van zulke “helpers” is niet altijd duidelijk. Er wordt solitair gebroed of in losse “buurtgroepen”. Veel vogels keren niet per se terug naar hun geboorteplek, maar ze tonen wel een hoge plaatstrouw aan een eenmaal gekozen broedlocatie en broeden vaak binnen enkele kilometers van de plek van het jaar ervoor.
Het nest is een eenvoudige ondiepe kuil op kale bodem of tussen lage vegetatie, meestal dicht bij water. De kuil kan geheel onbedekt zijn of licht worden bekleed met wat plantmateriaal en steentjes. Een legsel bestaat meestal uit vier eieren. Beide ouders broeden, met een broedduur van ongeveer 22 tot 28 dagen. De kuikens zijn nestvlieders en sterk gecamoufleerd, met warme kaneel- en grijstinten en fijne donkere tekening; ze hebben vaak een donkere band boven het lichte voorhoofd en een witte onderzijde met donkere vlekjes of schaduwen langs de borstzijden. Tijdens de broedperiode kan de soort opvallend territoriaal en fel zijn, terwijl er vaak buiten het territorium wordt gefoerageerd.
De kleine plevier is wijdverspreid in Eurazië en komt ook veel voor in de Oriëntaalse regio. In Europa is het een algemene zomergast in grote delen van het continent, waarbij het Europese broedareaal minder dan de helft van het wereldwijde broedareaal beslaat. In de late twintigste eeuw nam de soort in Europa in verschillende gebieden toe, al zijn later in sommige landen dalingen gemeld, terwijl kernpopulaties in grote delen van Oost-Europa en Rusland relatief stabiel bleven, waardoor het totaalbeeld slechts licht afnam.
Het trekgedrag verschilt per ondersoort en regio. De ondersoort curonicus is grotendeels trekkend, al kunnen zuidelijke broedpopulaties mogelijk deels standvogel zijn. West-Europese vogels trekken doorgaans over de Sahara naar de tropen. Ze verlaten de broedgebieden vaak al van juni tot begin juli, met een trekpiek van eind juli tot begin september, waarna veel vogels tropisch Afrika bereiken tussen eind augustus en september. De voorjaarstrek begint vaak vanaf eind februari, met aankomst in Noordwest-Europa vanaf half maart en een piek in april tot begin mei; in meer noordoostelijke gebieden ligt dit vaak ongeveer een maand later. Siberische en andere Aziatische populaties trekken vooral naar Zuidoost-Azië en India, waar ze mengen met standvogels van de ondersoort jerdoni. De trek verloopt vaak solitair of in kleine groepjes, meestal niet groter dan ongeveer tien vogels. In West-Afrika kan de nominaatvorm plaatselijk standvogel en lokaal nomadisch zijn, en jerdoni is vooral standvogel maar verplaatst zich lokaal afhankelijk van waterstanden. Opvallend is dat curonicus de laatste jaren ook in kleine aantallen regelmatig in Australië is vastgesteld.
In het veld is de kleine plevier duidelijk kleiner en slanker dan de bontbekplevier. Hij heeft een helder gele oogring die vaak direct in het oog springt, en een koptekening met een zwarte band over de voorkruin. Opvallend is ook het smalle witte lijntje achter die zwarte band, wat helpt bij het onderscheiden van vergelijkbare soorten. Vrouwtjes tonen vaak wat bruiner in de zwarte delen en kunnen een iets minder brede of minder fel ogende oogring hebben. Tussen ondersoorten bestaan verschillen in formaat en snavelkleur, en bij curonicus kan in niet-broedkleed de borstband wat meer bruin en minder uitgesproken zijn, terwijl jerdoni meer op de nominaatvorm lijkt en doorgaans geen sterk afwijkend winterkleed toont.
De kleine plevier is vooral een vogel van het binnenland en komt slechts zelden echt kustgebonden voor. Hij broedt en foerageert op kale of schaars begroeide vlaktes van zand, kiezel of slib, en vermijdt ruig terrein en hoge of dichte vegetatie. Meestal is er een duidelijke band met stilstaand of langzaam stromend zoet water, maar hij kan ook voorkomen bij zoute binnenlandse plassen en vlaktes, of in brakke lagunes en estuaria. De soort maakt daarnaast veel gebruik van kunstmatige habitats die soms maar tijdelijk geschikt zijn, zoals grindgaten, zandwinplassen, rioolwaterzuiveringen en industriële terreinen met open bodem.
Het voedsel bestaat uit een brede mix van ongewervelden, waaronder insecten zoals kevers, vliegen, mieren, krekels en larven van eendagsvliegen en libellen. Daarnaast worden ook spinnen, kleine garnaalachtigen en andere bodemdieren gegeten. Foerageren gebeurt op droge of vochtige bodem, soms ook in heel ondiep water, en net als bij andere plevieren wordt af en toe “voetschudden” gebruikt om prooien te bewegen en makkelijker te pakken.
In Europa ligt de broedtijd meestal tussen april en juni. In Noord-Afrika ligt die vaak tussen maart en mei, en in Zuid-India eveneens veelal tussen maart en mei, terwijl de nominaatvorm in sommige gebieden al van februari tot mei kan broeden. De soort is meestal monogaam ten minste voor één broedsel, en soms blijft een paar ook meerdere jaren bij elkaar. Af en toe is er sprake van een derde vogel die tijdens het broeden meedraait, maar de precieze relatie van zulke “helpers” is niet altijd duidelijk. Er wordt solitair gebroed of in losse “buurtgroepen”. Veel vogels keren niet per se terug naar hun geboorteplek, maar ze tonen wel een hoge plaatstrouw aan een eenmaal gekozen broedlocatie en broeden vaak binnen enkele kilometers van de plek van het jaar ervoor.
Het nest is een eenvoudige ondiepe kuil op kale bodem of tussen lage vegetatie, meestal dicht bij water. De kuil kan geheel onbedekt zijn of licht worden bekleed met wat plantmateriaal en steentjes. Een legsel bestaat meestal uit vier eieren. Beide ouders broeden, met een broedduur van ongeveer 22 tot 28 dagen. De kuikens zijn nestvlieders en sterk gecamoufleerd, met warme kaneel- en grijstinten en fijne donkere tekening; ze hebben vaak een donkere band boven het lichte voorhoofd en een witte onderzijde met donkere vlekjes of schaduwen langs de borstzijden. Tijdens de broedperiode kan de soort opvallend territoriaal en fel zijn, terwijl er vaak buiten het territorium wordt gefoerageerd.
Amerikaanse bontbekplevier
[LAT] Charadrius semipalmatus |
[UK] Semipalmated Plover |
[FR] Pluvier semipalmé |
[DE] Halbpalmenregenpfeifer |
[ES] Chorlitejo palmado |
[NL] Amerikaanse bontbekplevier





Klik hier Amerikaanse bontbekplevier details
Charadrius semipalmatus, in het Nederlands de Amerikaanse bontbekplevier, is wereldwijd ingedeeld als niet bedreigd (Least Concern). De soort heeft een enorm verspreidingsgebied en een grote populatie, en de trend wordt in grote lijnen als stabiel gezien. Daardoor worden de drempels voor een hogere bedreigingscategorie op wereldschaal niet benaderd.
De Amerikaanse bontbekplevier broedt in het hoge noorden van Noord-Amerika, grofweg van Alaska tot aan Newfoundland en Nova Scotia. In de winter verblijft de soort langs kusten en op grotere eilanden in een brede zone, met overwintering langs de kusten vanaf Californië en de oostkust van de Verenigde Staten zuidwaarts tot ver in Midden- en Zuid-Amerika. In landen als Suriname verschijnen in het doortrekseizoen soms zeer grote aantallen, met op sommige plekken duizenden tegelijk. Een deel van de vogels kan in de overwinteringsgebieden blijven tijdens het broedseizoen, waardoor niet alle individuen jaarlijks terugkeren naar het noorden.
De Amerikaanse bontbekplevier is een uitgesproken trekvogel die vooral langs de kust migreert, maar ook in kleinere aantallen door het binnenland van Canada trekt. In het najaar vindt waarschijnlijk deels trek over open water plaats, terwijl de voorjaarstrek sterker langs de Atlantische kust verloopt. Daarbij is Delaware Bay een cruciale tussenstop, waar een groot deel van de populatie in het voorjaar foerageert op eieren van de degenkrab. Vertrek uit de broedgebieden in Canada begint vaak al vanaf begin juli, waarbij volwassen vogels meestal eerder wegtrekken dan juvenielen. Aankomst in Zuid-Amerika valt veelal tussen september en begin november. De voorjaarstrek start doorgaans in maart, met aankomst in het zuiden van het broedgebied rond eind mei en in de noordelijkste delen vaak pas begin juni. Veel volwassen vogels volgen daarbij jaar na jaar ongeveer dezelfde route en vergelijkbare tijdstippen, wat wijst op sterke plaatstrouw tijdens de trek.
In het veld betreft het een kleine plevier met een korte snavel en geel-oranje poten. De bovenzijde is bruin, de onderzijde wit, en over de borst loopt één duidelijke, donkere borstband. In broedkleed is die borstband samen met delen van de koptekening vaak diep zwart, terwijl diezelfde delen bij niet-broedende vogels en juvenielen eerder bruin zijn. Typisch gedrag bestaat uit lopen of rennen met opgeheven kop over open bodem, afgewisseld met korte stops om prooi te lokaliseren en vervolgens snel toe te slaan. Een kenmerkende foerageertechniek is “voetroeren”, waarbij één poot naar voren wordt gehouden en de bodem licht wordt getrild om kleine ongewervelden in beweging te brengen. Bij verstoring volgt vaak eerst wegrennen, waarna ook snelle, krachtige vlucht mogelijk is. Rusten en vliegen vindt geregeld in groepjes plaats, terwijl foerageren vaak solitair gebeurt. Rond nest- en voedselplekken kan territoriaal gedrag uitgesproken zijn.
Tijdens trek en in de winter worden vooral kustslikken en open zandstranden benut, met nadruk op natte randen en ondiepe zones waar prooidieren goed bereikbaar zijn. Bij trek via het binnenland worden ook oevers van meren, alkalische plassen, slenken, overstroomde velden en andere tijdelijke waterranden gebruikt. In de broedtijd bestaat het leefgebied uit arctische en subarctische landschappen, vaak met grindbanken langs rivieren, oevers van poelen en open toendra, waarbij dichte moerasvegetatie doorgaans wordt gemeden ten gunste van kale, overzichtelijke bodems.
Het voedsel varieert per seizoen en locatie. Aan de kust bestaat het dieet vooral uit mariene wormen, kreeftachtigen en kleine weekdieren. Op broedgronden en bij doortrek via het binnenland vormen insecten meestal het grootste deel van het menu. Foerageren verloopt vaak in het ritme van stoppen, een kort sprintje, weer stoppen en dan pikken, waarbij prooien met één of meerdere snelle pikken worden gepakt. Wormen en kleine schelpdiertjes worden soms in ondiep water stevig geschud om modder te verwijderen voordat ze worden doorgeslikt.
In de broedtijd arriveert het mannetje doorgaans eerder dan het vrouwtje en wordt een territorium ingericht. Tijdens de balts kan een opvallende “vlindervlucht” worden uitgevoerd. Het nest is een eenvoudige ondiepe kuil in zand of grind, bekleed met materiaal uit de directe omgeving. Het legsel bestaat meestal uit vier eieren en beide ouders broeden ongeveer evenveel. De kuikens zijn nestvlieders en kunnen binnen enkele uren lopen en zelfstandig voedsel zoeken, maar worden in de eerste dagen nog geregeld warm gehouden. Beide ouders begeleiden de jongen, al kan het vrouwtje soms al rond ongeveer twee weken na het uitkomen vertrekken. Meestal wordt één broedsel per seizoen grootgebracht.
De Amerikaanse bontbekplevier broedt in het hoge noorden van Noord-Amerika, grofweg van Alaska tot aan Newfoundland en Nova Scotia. In de winter verblijft de soort langs kusten en op grotere eilanden in een brede zone, met overwintering langs de kusten vanaf Californië en de oostkust van de Verenigde Staten zuidwaarts tot ver in Midden- en Zuid-Amerika. In landen als Suriname verschijnen in het doortrekseizoen soms zeer grote aantallen, met op sommige plekken duizenden tegelijk. Een deel van de vogels kan in de overwinteringsgebieden blijven tijdens het broedseizoen, waardoor niet alle individuen jaarlijks terugkeren naar het noorden.
De Amerikaanse bontbekplevier is een uitgesproken trekvogel die vooral langs de kust migreert, maar ook in kleinere aantallen door het binnenland van Canada trekt. In het najaar vindt waarschijnlijk deels trek over open water plaats, terwijl de voorjaarstrek sterker langs de Atlantische kust verloopt. Daarbij is Delaware Bay een cruciale tussenstop, waar een groot deel van de populatie in het voorjaar foerageert op eieren van de degenkrab. Vertrek uit de broedgebieden in Canada begint vaak al vanaf begin juli, waarbij volwassen vogels meestal eerder wegtrekken dan juvenielen. Aankomst in Zuid-Amerika valt veelal tussen september en begin november. De voorjaarstrek start doorgaans in maart, met aankomst in het zuiden van het broedgebied rond eind mei en in de noordelijkste delen vaak pas begin juni. Veel volwassen vogels volgen daarbij jaar na jaar ongeveer dezelfde route en vergelijkbare tijdstippen, wat wijst op sterke plaatstrouw tijdens de trek.
In het veld betreft het een kleine plevier met een korte snavel en geel-oranje poten. De bovenzijde is bruin, de onderzijde wit, en over de borst loopt één duidelijke, donkere borstband. In broedkleed is die borstband samen met delen van de koptekening vaak diep zwart, terwijl diezelfde delen bij niet-broedende vogels en juvenielen eerder bruin zijn. Typisch gedrag bestaat uit lopen of rennen met opgeheven kop over open bodem, afgewisseld met korte stops om prooi te lokaliseren en vervolgens snel toe te slaan. Een kenmerkende foerageertechniek is “voetroeren”, waarbij één poot naar voren wordt gehouden en de bodem licht wordt getrild om kleine ongewervelden in beweging te brengen. Bij verstoring volgt vaak eerst wegrennen, waarna ook snelle, krachtige vlucht mogelijk is. Rusten en vliegen vindt geregeld in groepjes plaats, terwijl foerageren vaak solitair gebeurt. Rond nest- en voedselplekken kan territoriaal gedrag uitgesproken zijn.
Tijdens trek en in de winter worden vooral kustslikken en open zandstranden benut, met nadruk op natte randen en ondiepe zones waar prooidieren goed bereikbaar zijn. Bij trek via het binnenland worden ook oevers van meren, alkalische plassen, slenken, overstroomde velden en andere tijdelijke waterranden gebruikt. In de broedtijd bestaat het leefgebied uit arctische en subarctische landschappen, vaak met grindbanken langs rivieren, oevers van poelen en open toendra, waarbij dichte moerasvegetatie doorgaans wordt gemeden ten gunste van kale, overzichtelijke bodems.
Het voedsel varieert per seizoen en locatie. Aan de kust bestaat het dieet vooral uit mariene wormen, kreeftachtigen en kleine weekdieren. Op broedgronden en bij doortrek via het binnenland vormen insecten meestal het grootste deel van het menu. Foerageren verloopt vaak in het ritme van stoppen, een kort sprintje, weer stoppen en dan pikken, waarbij prooien met één of meerdere snelle pikken worden gepakt. Wormen en kleine schelpdiertjes worden soms in ondiep water stevig geschud om modder te verwijderen voordat ze worden doorgeslikt.
In de broedtijd arriveert het mannetje doorgaans eerder dan het vrouwtje en wordt een territorium ingericht. Tijdens de balts kan een opvallende “vlindervlucht” worden uitgevoerd. Het nest is een eenvoudige ondiepe kuil in zand of grind, bekleed met materiaal uit de directe omgeving. Het legsel bestaat meestal uit vier eieren en beide ouders broeden ongeveer evenveel. De kuikens zijn nestvlieders en kunnen binnen enkele uren lopen en zelfstandig voedsel zoeken, maar worden in de eerste dagen nog geregeld warm gehouden. Beide ouders begeleiden de jongen, al kan het vrouwtje soms al rond ongeveer twee weken na het uitkomen vertrekken. Meestal wordt één broedsel per seizoen grootgebracht.
Dikbekplevier
[LAT] Charadrius wilsonia |
[UK] Wilson’s Plover |
[FR] Pluvier de Wilson |
[DE] Wilsonregenpfeifer |
[ES] Chorlitejo piquigrueso |
[NL] Dikbekplevier






Kraagplevier
[LAT] Charadrius collaris |
[UK] Collared Plover |
[FR] Pluvier à collier |
[DE] Halsbandregenpfeifer |
[ES] Chorlitejo acollarado |
[NL] Kraagplevier









Klik hier Kraagplevier details
De kraagplevier (Charadrius collaris) is wereldwijd ingedeeld als niet bedreigd (Least Concern). Het verspreidingsgebied is zeer groot en de soort komt wijdverspreid voor in Latijns-Amerika. Hoewel in sommige gebieden een afnemende trend wordt genoemd, wordt die afname niet snel genoeg geacht om de soort op wereldschaal in een hogere bedreigingscategorie te plaatsen, ook omdat de totale populatie naar verwachting niet snel richting kritische drempels beweegt.
De soort broedt vanaf Mexico zuidwaarts door Midden-Amerika en in grote delen van Zuid-Amerika. Daarnaast komt de kraagplevier ook voor op enkele zuidelijke Caribische eilanden, waaronder Trinidad en Tobago. In landen als Suriname wordt de soort in geschikte gebieden vaak regelmatig gezien, vooral op zandige kuststroken en vergelijkbare open plekken waar foerageren eenvoudig is. Het trekgedrag is beperkt; de soort lijkt overwegend standvogel, met aanwijzingen voor kleine seizoensgebonden verplaatsingen afhankelijk van lokale omstandigheden.
In het veld is de kraagplevier een kleine plevier van ongeveer 18 centimeter en rond 35 gram. De bovenzijde is bruin en de onderzijde wit, in alle kleden vrij gelijkmatig en eenvoudig getekend. Volwassen vogels hebben een duidelijke zwarte borstband. Bij het mannetje valt een witte voorhoofdsplaat op, met daarboven een zwarte band en daaronder een zwarte streep van de snavel richting het oog. De middelkruin en nek zijn kastanjebruin, en de poten zijn geel. In vlucht zijn de slagpennen donker met een duidelijke witte vleugelstreep, en de staart toont vaak opvallend witte zijkanten. De vluchtroep is een scherp, metaalachtig “pip”. Vrouwtjes lijken meestal sterk op mannetjes, maar kunnen soms te herkennen zijn aan een bruine zweem in delen die bij mannetjes dieper zwart ogen. Juveniele vogels missen het zwart op de kop en tonen in plaats van een gesloten borstband eerder bruine vlekken aan weerszijden van de borst.
Het leefgebied bestaat uit open, zanderige en vaak dynamische terreinen. Langs de kust worden vooral zandstranden, duinranden en estuaria met slik en zand gebruikt. Landinwaarts worden zandige rivieroevers, open zandbanken en open, zandige savannes benut, waarbij vooral kale of schaars begroeide bodems aantrekkelijk zijn. Belangrijk is de aanwezigheid van open ruimte en goed overzicht, zodat predatoren tijdig worden opgemerkt en foerageren efficiënt blijft.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit insecten en andere kleine ongewervelden. Foerageren gebeurt typisch met het plevierpatroon van rennen, stoppen, kijken en dan snel pikken, in plaats van langdurig en diep in de bodem te prikken. De soort is doorgaans niet sterk groepsgericht, vormt zelden grote groepen en wordt vaak als voorzichtig en waakzaam omschreven, met een neiging om verstoring tijdig te ontwijken.
De voortplanting vindt plaats in een eenvoudige nestkuil op kale grond, vaak boven de vloedlijn op het strand of op vergelijkbare open plekken landinwaarts. Het legsel bestaat meestal uit twee eieren die crèmekleurig zijn met bruine vlekken, waardoor ze goed camoufleren tegen de ondergrond. Baltsgedrag kan een duidelijke grondshow omvatten, waarbij het mannetje het vrouwtje in korte achtervolgingen en displaybewegingen begeleidt. De keuze voor open nestplaatsen maakt de soort gevoelig voor verstoring op stranden en zandige oevers, waardoor rust en voldoende ruimte rond nestlocaties in de praktijk belangrijk zijn voor succesvol broeden.
De soort broedt vanaf Mexico zuidwaarts door Midden-Amerika en in grote delen van Zuid-Amerika. Daarnaast komt de kraagplevier ook voor op enkele zuidelijke Caribische eilanden, waaronder Trinidad en Tobago. In landen als Suriname wordt de soort in geschikte gebieden vaak regelmatig gezien, vooral op zandige kuststroken en vergelijkbare open plekken waar foerageren eenvoudig is. Het trekgedrag is beperkt; de soort lijkt overwegend standvogel, met aanwijzingen voor kleine seizoensgebonden verplaatsingen afhankelijk van lokale omstandigheden.
In het veld is de kraagplevier een kleine plevier van ongeveer 18 centimeter en rond 35 gram. De bovenzijde is bruin en de onderzijde wit, in alle kleden vrij gelijkmatig en eenvoudig getekend. Volwassen vogels hebben een duidelijke zwarte borstband. Bij het mannetje valt een witte voorhoofdsplaat op, met daarboven een zwarte band en daaronder een zwarte streep van de snavel richting het oog. De middelkruin en nek zijn kastanjebruin, en de poten zijn geel. In vlucht zijn de slagpennen donker met een duidelijke witte vleugelstreep, en de staart toont vaak opvallend witte zijkanten. De vluchtroep is een scherp, metaalachtig “pip”. Vrouwtjes lijken meestal sterk op mannetjes, maar kunnen soms te herkennen zijn aan een bruine zweem in delen die bij mannetjes dieper zwart ogen. Juveniele vogels missen het zwart op de kop en tonen in plaats van een gesloten borstband eerder bruine vlekken aan weerszijden van de borst.
Het leefgebied bestaat uit open, zanderige en vaak dynamische terreinen. Langs de kust worden vooral zandstranden, duinranden en estuaria met slik en zand gebruikt. Landinwaarts worden zandige rivieroevers, open zandbanken en open, zandige savannes benut, waarbij vooral kale of schaars begroeide bodems aantrekkelijk zijn. Belangrijk is de aanwezigheid van open ruimte en goed overzicht, zodat predatoren tijdig worden opgemerkt en foerageren efficiënt blijft.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit insecten en andere kleine ongewervelden. Foerageren gebeurt typisch met het plevierpatroon van rennen, stoppen, kijken en dan snel pikken, in plaats van langdurig en diep in de bodem te prikken. De soort is doorgaans niet sterk groepsgericht, vormt zelden grote groepen en wordt vaak als voorzichtig en waakzaam omschreven, met een neiging om verstoring tijdig te ontwijken.
De voortplanting vindt plaats in een eenvoudige nestkuil op kale grond, vaak boven de vloedlijn op het strand of op vergelijkbare open plekken landinwaarts. Het legsel bestaat meestal uit twee eieren die crèmekleurig zijn met bruine vlekken, waardoor ze goed camoufleren tegen de ondergrond. Baltsgedrag kan een duidelijke grondshow omvatten, waarbij het mannetje het vrouwtje in korte achtervolgingen en displaybewegingen begeleidt. De keuze voor open nestplaatsen maakt de soort gevoelig voor verstoring op stranden en zandige oevers, waardoor rust en voldoende ruimte rond nestlocaties in de praktijk belangrijk zijn voor succesvol broeden.
Pages: 1 2