De Alcedinidae vormen een familie van kleurrijke en opvallende vogels die wereldwijd bekend staan als ijsvogels. Ze komen voor op alle continenten behalve Antarctica, met de meeste soorten in tropische gebieden van Azië, Afrika en Oceanië. In Europa is de gewone ijsvogel (Alcedo atthis) de bekendste vertegenwoordiger.
IJsvogels zijn vooral herkenbaar aan hun felle kleuren (blauw, groen, oranje), korte staart, grote kop en opvallend lange snavel. Ze leven vaak in de buurt van water, waar ze jagen op vis, insecten of kleine waterdieren. IJsvogels zijn spectaculaire duikers en gebruiken hun scherpe blik om prooien onder water te lokaliseren.
De familie telt meer dan 90 soorten, die uiteenlopen van echte vissers zoals de Bonte ijsvogel tot landbewonende soorten die in bossen leven en zich voeden met insecten en reptielen.
Foto’s © Jan Dolphijn
Klik hier Genus Chloroceryle
Soorten binnen Chloroceryle hebben het typische ijsvogelprofiel met een relatief grote kop, een stevige, rechte snavel, korte poten en een korte staart. De bovenzijde oogt meestal olieachtig groen tot groengrijs. De onderzijde varieert per soort en kan grotendeels wit zijn of juist roest- tot kaneelkleurige delen tonen, soms met duidelijke borstbanden bij mannetjes. In vlucht vallen de compacte bouw en snelle, directe verplaatsingen langs waterkanten op.
Het leefgebied bestaat vooral uit zoet- en brakwatermilieus zoals bosbeken, rivieren, kreken, plassen, lagunes, mangroveranden en rustige oevers met geschikte uitkijkposten. Jacht vindt meestal plaats vanaf een overhangende tak, een paal of een andere lage zitplaats boven het water, met korte duiken of een korte zweefpauze vlak voor het grijpen van prooi. Het dieet bestaat voornamelijk uit kleine vissen en watergebonden ongewervelden zoals kreeftachtigen; bij sommige soorten worden ook insecten uit de lucht gegrepen wanneer omstandigheden gunstig zijn.
Broeden gebeurt in een nesttunnel die horizontaal in een steile oeverwand of rivierbank wordt uitgegraven. De tunnel mondt uit in een nestkamer aan het einde, waar de eieren worden gelegd en de jongen worden grootgebracht. Succesvol broeden hangt sterk samen met stabiele oevers, voldoende prooi in de directe omgeving en rust rond de nestplaats.
Amazone ijsvogel



Klik hier Amazone IJsvogel details
De soort komt voor in Latijns-Amerika, van centraal Mexico tot centraal Argentinië. Aanwezigheid is doorgaans standplaatsgebonden. Af en toe worden zwerfgevallen gemeld buiten het kernareaal, onder meer richting Trinidad, maar dit past niet bij regelmatige trek.
Amazone-ijsvogel is een middelgrote ijsvogel van ongeveer 29 tot 30 cm en rond 110 gram. Het lichaam heeft de typische ijsvogelvorm met een grote kop, een lange, stevige snavel en een korte staart. De bovenzijde is overwegend olieachtig groen, met een wat ruige kuif en een opvallende witte halskraag. In vergelijking met sommige verwante groene ijsvogels ontbreekt de duidelijke witte vleugelvlektekening vaak grotendeels. Mannetjes hebben een witte onderzijde met een brede kastanjebruine borstband en groenige strepen langs de flanken. Vrouwtjes tonen eveneens een witte onderzijde, maar met groene vlekken aan de zijkant van de borst en groenige flankstrepen. Jonge vogels lijken doorgaans op het vrouwtje en kunnen witte vlekjes op de vleugels laten zien.
Het leefgebied bestaat vooral uit brede, langzaam stromende rivieren, grotere waterlopen, estuaria en boomrijke lagunes. Smalle beekjes en heel open landschappen worden minder gebruikt. In delen van het areaal, zoals in Suriname, kan de soort ook in stedelijke omgeving voorkomen wanneer er voldoende wateroppervlak aanwezig is met dichte oevervegetatie en boomgroepen voor dekking en uitkijkposten.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit vis en kreeftachtigen. Jacht vindt vaak plaats in de schemering en vroege ochtend. Vanaf een lage zitplaats boven het water wordt prooi gevolgd, waarna een snelle duik volgt met de kop vooruit. Volledig onderduiken gebeurt relatief weinig; prooi wordt meestal vlak onder het oppervlak gegrepen. Soms wordt gejaagd in de nabijheid van reigers, waarbij prooien worden benut die door deze vogels uit vegetatie of modder worden opgeschrikt.
Broeden gebeurt in een horizontale nesttunnel die in een rivierbank wordt uitgegraven. De tunnel kan tot ongeveer 1,6 meter lang zijn en heeft een relatief ruime doorgang. Beide oudervogels graven de tunnel en dezelfde nestplek kan meerdere jaren achter elkaar worden gebruikt. Het legsel bestaat meestal uit drie tot vier eieren. Broeden gebeurt ’s nachts vooral door het vrouwtje en overdag vooral door het mannetje, met een broedduur van ongeveer 22 dagen. De nestkamer wordt doorgaans niet actief schoongehouden, waardoor resten en uitwerpselen kunnen ophopen en insectenlarven kunnen voorkomen. Het verlaten van de tunnel gebeurt vaak achterwaarts, waarna regelmatig direct in het water wordt gegaan om te baden. Uitvliegen volgt meestal na ongeveer 29 tot 30 dagen. Bij verlies van een legsel kan een vervangsel worden geproduceerd.
Amerikaanse dwergijsvogel

Klik hier Amerikaanse Dwergijsvogel details
De soort komt voor in Latijns-Amerika, van zuidelijk Mexico tot noordelijk Argentinië. Aanwezigheid is overwegend standplaatsgebonden en er is geen uitgesproken trek. Binnen het kernareaal is de soort een broedvogel van de tropen, met voorkomen van zuidelijk Mexico via Midden-Amerika tot westelijk Ecuador, centraal Bolivia en centraal Brazilië. Ook Trinidad wordt genoemd als deel van het areaal.
Amerikaanse dwergijsvogel is zeer klein en heeft de typische ijsvogelbouw met een korte staart en een lange, stevige snavel. De bovenzijde is olieachtig groen. Rond de hals is een geel-oranje kraag zichtbaar. De onderzijde is warm roestkleurig, met een duidelijk witte buik. Bij vrouwtjes kan een smalle groene borstband aanwezig zijn. Jonge vogels lijken op volwassen vogels, maar tonen doorgaans een blekere roestkleurige onderzijde, missen meestal de borstband en laten vaker gespikkelde tekening zien op vleugels en flanken, waardoor het geheel minder strak afgetekend oogt.
Het leefgebied is gevarieerd en loopt uiteen van dicht regenwoud tot waterrijke randen in kleinschalig cultuurlandschap, zoals sloten en greppels in plantages. Een constante factor is de aanwezigheid van beschutte, schaduwrijke waterkanten met overhangende vegetatie. Kleine poelen, stille stroompjes en smalle waterlopen met takken laag boven het water zijn typisch. De soort wordt vrijwel altijd in de schaduw aangetroffen en kan daardoor gemakkelijk over het hoofd worden gezien, zelfs op plekken waar aantallen lokaal best redelijk kunnen zijn.
Jacht gebeurt meestal vanaf een lage tak dicht boven het water. Na een periode van roerloos wachten volgt een korte, snelle duik met de kop vooruit, gericht op kleine vissen of kikkervisjes. Daarnaast worden ook insecten uit de lucht of vlak boven het water gegrepen. Het gedrag kan tam overkomen, maar de soort blijft vaak onopvallend door het stille zitten tussen oevertakken en het gebruik van donkere, beschutte plekken.
Broeden gebeurt in een nesttunnel die in een rivier- of oeverwand wordt uitgegraven. Het legsel bestaat meestal uit drie tot vier eieren. Verdere broedgegevens zijn in de aangeleverde informatie beperkt, maar de neststrategie past bij het typische patroon van ijsvogels met een beschutte nestkamer aan het einde van de tunnel en intensieve ouderzorg tijdens de jongenfase.
Groene IJsvogel




Klik hier Groene IJsvogel details
De soort komt voor van het zuidwesten van de Verenigde Staten tot in noordelijk Argentinië. Aanwezigheid is overwegend standplaatsgebonden. Het kernareaal loopt van zuidelijk Texas via Midden-Amerika en grote delen van Zuid-Amerika tot centraal Argentinië, met voorkomen in de Guiana’s en diep in het Amazonegebied. In Suriname is de soort in geschikte biotopen een algemene broedvogel in de kustvlakte, bijvoorbeeld bij mangrovezones en open bosranden met voldoende water en oevervegetatie.
Groene ijsvogel is compact gebouwd met de typische ijsvogelvorm, een korte staart en een lange, stevige snavel. Mannetjes hebben een witte halskraag en een olieachtig groene bovenzijde met duidelijke witte markeringen op vleugels en staart. De onderzijde is wit met een brede kastanjebruine borstband en groenige spikkels langs de flanken. Vrouwtjes hebben een meer buff-witte onderzijde met twee groene borstbanden, waarbij de onderste band aansluit op de groenige spikkels langs de zijkant van de buik. Het soortbeeld is hierdoor bij vrouwtjes duidelijk anders getekend dan bij mannetjes, wat bij goede waarneming een betrouwbaar determinatiekenmerk is.
Het leefgebied omvat waterlopen en oevers in een brede band van omstandigheden, van brakke wateren in lagunes met mangroveranden tot bergbeken op grote hoogte. Die uitersten worden minder vaak gebruikt dan het kernhabitat. Voorkeur gaat meestal uit naar kleinere rivieren, stroompjes en rustige poelen in laagland, waar overhangende vegetatie en lage zitplaatsen boven het water beschikbaar zijn. Beschutte oevers met takken, wortels en rietranden worden intensief benut als uitkijkposten.
Het voedsel bestaat vooral uit vis en kreeftachtigen, aangevuld met waterinsecten. Jacht vindt vaak plaats in de schemering en vroege ochtend. Vanaf een lage tak net boven het water wordt prooi gevolgd, waarna een snelle duik met de kop vooruit volgt. Prooi wordt meestal vlak onder het oppervlak gegrepen en vervolgens op een tak of andere vaste plek verwerkt voordat doorslikken volgt.
Broeden gebeurt in een tunnel die door beide geslachten in een rivierbank wordt uitgegraven. Aan het einde van de tunnel ligt een nestkamer zonder bekleding. De ingang ligt vaak op een steile oever, ongeveer twee meter boven het water. De tunnel is meestal 30 tot 100 cm lang. Het legsel bestaat doorgaans uit drie eieren en soms vier. Broeden gebeurt ’s nachts vooral door het vrouwtje en overdag vooral door het mannetje, met een broedduur van ten minste ongeveer 21 dagen. Uitvliegen volgt na circa 27 dagen. Na het uitvliegen kan nog ongeveer een maand ouderzorg en bijvoeren plaatsvinden, waardoor jonge vogels geleidelijk zelfstandiger worden in het jachtgedrag.
Klik hier Genus Halcyon
Soorten uit dit geslacht zijn meestal middelgrote tot vrij grote ijsvogels met een stevige bouw en een relatief zware, rechte snavel. De kleurstelling is vaak opvallend, met combinaties van blauw, groen, kastanjebruin, wit en zwart, waarbij de exacte tekening per soort verschilt. Het gedrag past bij een “zit-en-wacht”-jachtstrategie: vanaf een uitkijkpost, zoals een tak, paal of draad, wordt prooi nauwkeurig gevolgd en daarna in een korte, krachtige aanval gegrepen.
Het leefgebied is breed en omvat bosranden, open woodland, savanne met bomen, galerijbos langs waterlopen, parken en tuinen, en ook landbouwmozaïek waar voldoende zitplaatsen en dekking aanwezig zijn. In tegenstelling tot sommige andere ijsvogelgroepen zijn Halcyon-soorten niet altijd strikt aan open water gebonden. Jacht vindt regelmatig plaats op land, waarbij grote insecten, kikkers, hagedissen, kleine slangen en kleine zoogdieren worden genomen. Bij een deel van de soorten hoort ook vis of watergebonden prooi tot het menu wanneer geschikte waterkanten beschikbaar zijn.
Broeden gebeurt doorgaans in een nestholte. Afhankelijk van de soort en de lokale omstandigheden kan een tunnel in een steile oeverwand worden uitgegraven of een natuurlijke holte in een boom worden gebruikt. De nestkamer ligt beschut aan het einde van de tunnel of in de holte, waar de eieren worden gelegd en de jongen worden grootgebracht. Succesvol broeden hangt sterk samen met geschikte nestsubstraat, voldoende prooi in de directe omgeving en rust rond de nestplaats.
Smyrna-ijsvogel




Klik hier Smyrna-ijsvogel details
De soort is wijdverspreid in de Oriëntaalse regio en komt daarnaast voor in het Midden-Oosten. Het voorkomen is in grote lijnen standplaatsgebonden, met buiten de broedtijd wel lokale zwerftochten. In het Midden-Oosten kan sprake zijn van gedeeltelijke korteafstandstrek en seizoensschommelingen in aantallen, waarbij vooral jonge vogels verplaatsen. Zwerfwaarnemingen buiten het kerngebied komen voor, onder meer rond de oostelijke Middellandse Zee en in delen van het Midden-Oosten en aangrenzende regio’s.
Smyrna-ijsvogel is een middelgrote, opvallend luidruchtige ijsvogel met een relatief lange staart en een forse, rode snavel. Het verenkleed is zeer contrastrijk met kastanjebruine, blauwe en witte delen. De kop, flanken en buik zijn meestal diep kastanjebruin, terwijl keel en borst wit zijn met een duidelijk “witte bef”. Rug, vleugels en staart zijn helder blauw, met op de vleugel vaak een opvallende witte vlek aan de basis van de donkere handpennen die in vlucht goed kan oplichten. Oogkleur is donkerbruin, de huid rond het oog is rood, en poten en voeten zijn dof rood. Vrouwtjes ogen gemiddeld iets lichter op kop en buik. Juvenielen zijn doffer en tonen op de borst vaak een fijn, donker geschubd patroon. Binnen het verspreidingsgebied komen meerdere ondersoorten voor met variatie in grootte en in de diepte van de bruine en blauwe tinten, waarbij bij sommige vormen het wit op de keel beperkter is.
Het leefgebied is breed en omvat uiteenlopende natte en halfopen landschappen. Moerassen, vijvers, kanalen, stuwmeren, modderplaten, oevers met bomen, strandzones met beschutting, landbouwgebieden, grote tuinen, open droog loofbos en bomenrijen langs wegen worden veel benut. Dichte, gesloten bossen worden meestal gemeden, behalve waar open plekken en randen voldoende jachtmogelijkheden bieden. Uitkijkposten in bomen of op palen zijn belangrijk, omdat jacht vaak langdurig vanaf een vaste zitplaats plaatsvindt.
Het voedsel is gevarieerd en bestaat uit een brede reeks prooien. Grote insecten zoals sprinkhanen, krekels, kakkerlakken, wantsachtigen en kevers worden veel genomen, naast krabben en andere kreeftachtigen, regenwormen, vissen, kikkers en padden, hagedissen en kleine slangen. Ook kleine vogels en knaagdieren kunnen worden buitgemaakt. Jachtgedrag past bij een klassieke “zit-en-wacht”-strategie, waarbij lange tijd op een uitkijkpost tot ongeveer tien meter hoog wordt gescand. Een aanval volgt als een snelle duik met de kop vooruit of als een gerichte uitval waarbij de landing juist eerst met de poten gebeurt. Boven water kan kort worden stilgehangen voordat prooi wordt gegrepen.
Broeden start op verschillende momenten afhankelijk van de regio, met bijvoorbeeld een begin in juni in Egypte, april tot mei in Israël en Irak, en lange broedvensters in delen van Zuid- en Zuidoost-Azië. De soort leeft meestal monogaam. Een daling van het waterpeil kan een prikkel vormen voor eileg en in geschikte omstandigheden kan een tweede broedsel voorkomen. Het nest wordt meestal aangelegd in een aarden oever of wand van een sloot, beek, rivier, vijver of weginsnijding, en soms in een termietenheuvel of een rotsspleet. De nestkamer ligt aan het einde van een schuin oplopende tunnel van ongeveer 30 tot 150 cm. Het legsel bestaat doorgaans uit vijf tot zes eieren. Beide oudervogels broeden, met een broedduur van ongeveer 18 tot 20 dagen, en beide oudervogels voeren de jongen. Uitvliegen volgt meestal na ongeveer 26 tot 27 dagen.
Gestreepte ijsvogel


Klik hier Gestreepte ijsvogel
De soort komt wijdverspreid voor in Afrika ten zuiden van de Sahara. Het voorkomen is minder waarschijnlijk in aaneengesloten, dicht regenwoud en in extreme woestijngebieden, terwijl aanwezigheid juist vaak goed past bij halfopen landschappen met bomen en struikgewas. Het gedrag is in grote lijnen standplaatsgebonden, met lokale verplaatsingen buiten de broedtijd die samenhangen met regen, insectenrijkdom en tijdelijke voedselpieken.
Gestreepte ijsvogel is een kleine, compacte ijsvogel van ongeveer 16 tot 18 cm, met een relatief grote kop, een stevige snavel en een korte staart. De kop toont meestal een grijsbruine indruk met duidelijke donkere streping. Langs de hals en zijkant van de nek is een contrastrijk zwart-wit gestreept patroon zichtbaar, wat de Nederlandse naam goed verklaart. De bovenzijde heeft vaak opvallende blauwgroene tot helderblauwe accenten op vleugels en staart, terwijl de onderzijde lichter oogt en het geheel een sterk contrastrijk soortbeeld geeft, zeker bij goed licht of in vlucht.
Het leefgebied bestaat vooral uit open savanne, droog struikgewas, doornstruwelen, bosranden en lichte woodland. Ook rivierbosjes, parken, grotere tuinen en kleinschalig cultuurlandschap met bomen kunnen geschikt zijn, zolang er voldoende uitkijkposten aanwezig zijn. Intensief bewerkte landbouwgebieden en zeer dicht, gesloten bos worden doorgaans minder benut, omdat jacht dan minder efficiënt is.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit grote insecten, met sprinkhanen als belangrijke prooigroep, aangevuld met kevers, krekels en andere grotere insecten. Daarnaast worden soms kleine gewervelden buitgemaakt, zoals hagedissen, kleine slangen en kleine knaagdieren. Jacht gebeurt meestal vanaf een uitkijkpost enkele meters boven de grond, gevolgd door een snelle duik naar de bodem of lage vegetatie. Grote prooien worden vaak eerst krachtig tegen een tak of andere harde ondergrond geslagen voordat doorslikken volgt.
Broeden gebeurt meestal in bestaande holtes, zoals verlaten nestgaten van spechten of baardvogels, vaak in bomen in halfopen landschap. Broedzorg vindt doorgaans door beide oudervogels plaats, met broeden overdag door beide ouders en ’s nachts vooral door één oudervogel. Het legsel bestaat meestal uit meerdere eieren en in geschikte omstandigheden kan in een seizoen een tweede broedsel voorkomen. In delen van het verspreidingsgebied kan broedsucces worden beïnvloed door nestparasitering door honingwijzers, waardoor een deel van de nesten verloren kan gaan.
Grijskopijsvogel


Klik hier Grijskopijsvogel details
De soort komt wijdverspreid voor in Afrika ten zuiden van de Sahara en reikt lokaal tot delen van het Arabisch Schiereiland. In veel gebieden gaat het om een standvogel, maar buiten de broedtijd kunnen regionale zwerftochten optreden, vooral wanneer regenpatronen en prooiaanbod sterk verschuiven. Zwerfwaarnemingen buiten het kerngebied zijn mogelijk, maar horen niet bij regelmatige langeafstandstrek.
Grijskopijsvogel is een middelgrote ijsvogel met een relatief grote kop, een stevige, rechte snavel en een korte staart. De kop oogt lichtgrijs tot grijsgrauw, wat sterk contrasteert met de donkere mantel en rug. De stuit en de bovenvleugels tonen vaak opvallend helder blauw, terwijl de onderzijde doorgaans warm kastanjebruin kleurt. De snavel is lang en meestal rood, waardoor het soortbeeld in het veld goed herkenbaar is, zeker wanneer een vogel vanaf een open uitkijkpost wordt gezien.
Het leefgebied bestaat vooral uit open woodland, savanne met bomen, struikgewas, bosranden en mozaïeklandschap met verspreide bomen. Ook cultuurlandschap met houtwallen, akkers, tuinen en dorpsranden kan geschikt zijn, zolang er voldoende zitplaatsen aanwezig zijn om te jagen. In tegenstelling tot veel andere ijsvogels is aanwezigheid niet strikt aan open water gebonden, al worden rivierbossen, oevers en waterrijke randen regelmatig benut wanneer prooi daar rijk is.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit grote insecten en andere ongewervelden, met vaak een duidelijk aandeel sprinkhanen, krekels en kevers. Daarnaast worden geregeld kleine gewervelden genomen, zoals hagedissen, kleine slangen, kikkers en kleine knaagdieren. Vis kan incidenteel worden buitgemaakt wanneer geschikte waterkanten beschikbaar zijn. Jachtgedrag past bij een “zit-en-wacht”-strategie: langdurig stilzitten op een tak of paal, gevolgd door een snelle duik naar de bodem of een korte uitval naar prooi in lage vegetatie. Grotere prooien worden vaak eerst tegen een tak of harde ondergrond geslagen voordat doorslikken volgt.
Broeden gebeurt meestal in een nestholte. Een nesttunnel in een steile rivier- of oeverwand komt voor, maar gebruik van boomholten of termietenstructuren is eveneens mogelijk, afhankelijk van het lokale aanbod. De nestkamer ligt aan het einde van een tunnel of in de holte en wordt weinig tot niet bekleed. Het legsel bestaat vaak uit enkele eieren en beide oudervogels verzorgen doorgaans broeden en voeren. In delen van het verspreidingsgebied kan broedsucces worden beïnvloed door nestparasitering door honingwijzers, waardoor een deel van de broedsels verloren kan gaan.
Senegalese ijsvogel




Klik hier Senegalese IJsvogel details
De soort komt wijdverspreid voor in Afrika ten zuiden van de Sahara en is in geschikte habitats lokaal algemeen. Trekgedrag is meestal beperkt. Het voorkomen is in veel gebieden standplaatsgebonden, met verplaatsingen op regionale schaal die samenhangen met regenpatronen en tijdelijke pieken in insectenrijkdom. In droge perioden kan aanwezigheid verschuiven naar gebieden met meer vegetatie, water of voedsel, waarna later een terugkeer naar vaste kerngebieden optreedt.
Senegalese ijsvogel is een middelgrote, robuust gebouwde ijsvogel met een relatief grote kop en een stevige, rechte snavel. Het soortbeeld is contrastrijk met helderblauwe tot blauwgroene delen op vleugels en rug, een lichte tot witachtige keel en een warme oranje tot roestkleurige onderzijde. De snavel is opvallend rood, wat in combinatie met de heldere blauwe vleugelpartijen een herkenbaar silhouet geeft wanneer vanaf een open uitkijkpost wordt gejaagd. In vlucht valt een krachtige, directe verplaatsing op met snelle vleugelslagen en korte glijmomenten tussen bomen, struiken en open plekken.
Het leefgebied bestaat vooral uit open woodland, savanne met bomen, bosranden, struweelzones, rivierbosjes en mozaïeklandschap met verspreide bomen. Ook tuinen, parken, dorpsranden en agrarisch gebied met houtwallen kunnen geschikt zijn, zolang er voldoende uitkijkposten en dekking aanwezig zijn. Dichte, gesloten bossen worden meestal gemeden, behalve bij open plekken en randen waar jacht efficiënt is.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit grote insecten en andere ongewervelden, zoals sprinkhanen, krekels, kevers en rupsen. Daarnaast worden geregeld kleine gewervelden genomen, waaronder hagedissen, kikkers en kleine slangen, en soms kleine knaagdieren. Jachtgedrag past bij een “zit-en-wacht”-strategie: langdurig stilzitten op een tak of paal, gevolgd door een snelle duik naar de bodem of een korte uitval naar prooi in lage vegetatie. Grotere prooien worden vaak eerst tegen een tak of andere harde ondergrond geslagen voordat doorslikken volgt.
Broeden gebeurt meestal in een nestholte, vaak als tunnel in een aarden wand of talud, bijvoorbeeld in een oever, slootkant, weginsnijding of andere steile grondwand. De nestkamer ligt aan het einde van de tunnel en wordt doorgaans weinig tot niet bekleed. Beide oudervogels verzorgen de nestfase, met afwisseling tijdens broeden en een intensieve voederperiode na uitkomen. In delen van het verspreidingsgebied kan broedsucces worden beïnvloed door nestparasitering door honingwijzers, waardoor een deel van de broedsels verloren kan gaan.
Klik hier Genus Todiramphus
Soorten binnen Todiramphus worden vaak aangeduid als boomijsvogels. De bouw is middelgroot en stevig, met een relatief grote kop en een krachtige, rechte snavel. De bovenzijde toont vaak blauwgroene, turquoise of groengrijze tinten, terwijl de onderzijde per soort kan variëren van helder wit tot warm buff- of roestkleurig. Bij meerdere soorten zijn duidelijke contrasten aanwezig tussen kop, vleugels en rug, wat in het veld een scherp, grafisch uiterlijk geeft. Het gedrag past meestal bij een “zit-en-wacht”-strategie vanaf een opvallende uitkijkpost, zoals een kale tak, paal of draad, gevolgd door een korte, directe aanval op prooi.
Het leefgebied is breed en loopt uiteen van mangroven, kustbos en rivierbossen tot open woodland, bosranden, savannelandschappen met bomen, plantages, parken en tuinen. Bij een deel van de soorten is aanwezigheid sterk gekoppeld aan waterkanten, maar binnen het geslacht zijn ook soorten die vaak in drogere of meer terrestrische habitats jagen, zolang er voldoende uitkijkposten en geschikte dekking aanwezig zijn.
Het voedsel bestaat doorgaans uit een mix van dierlijke prooien. In kust- en mangrovegebieden worden vaak krabben en andere kreeftachtigen genomen, terwijl landinwaarts vooral grote insecten, spinnen, kikkers, hagedissen en soms kleine slangen of kleine zoogdieren op het menu kunnen staan. Kleine vissen kunnen eveneens worden buitgemaakt wanneer geschikt water beschikbaar is. Prooien worden regelmatig op een tak of andere harde ondergrond geslagen om te verdoven of te verwerken.
Broeden gebeurt meestal in een holte, bijvoorbeeld in een boom, een zachte termietenheuvel, een rottende stam of een oeverwand. In sommige gebieden worden ook kunstmatige structuren benut wanneer een geschikte nestholte aanwezig is. De nestkamer ligt aan het einde van de tunnel of in de holte, waar de eieren worden gelegd en de jongen worden grootgebracht. Succesvol broeden hangt vaak samen met stabiele nestplekken, voldoende prooidichtheid in de directe omgeving en beperkte verstoring rond de nestlocatie.
Heilige ijsvogel



Klik hier Heilige IJsvogel details
De soort komt voor in de Oriëntaalse regio en Australazië. Het kerngebied ligt in het westelijk en zuidwestelijk deel van de Grote Oceaan, met voorkomen in oostelijk Indonesië, Nieuw-Guinea en grote delen van Australië, en daarnaast in Nieuw-Zeeland en diverse eilanden in Melanesië en omliggende archipels. In delen van het verspreidingsgebied treedt seizoensgebonden verplaatsing op, met vooral buiten de broedtijd lokale of regionale zwerftochten en in sommige gebieden duidelijke trekbewegingen tussen broed- en overwinteringsgebieden.
Heilige ijsvogel is een middelgrote boomijsvogel met een stevige bouw, een relatief grote kop en een krachtige, rechte snavel. De bovenzijde toont vaak blauwgroene tot turkooizen tinten, met een contrasterend donker masker rond het oog en een lichte halszone. De onderzijde oogt meestal licht tot wit met warm buff- tot oranjekleurige delen, afhankelijk van leeftijd en ondersoort. Het totaalbeeld is contrastrijk en opvallend, maar de soort kan in dichte vegetatie toch onopvallend blijven door stil jachtgedrag vanaf vaste uitkijkposten.
Het leefgebied is breed en varieert van mangroven en kustbossen tot open woodland, bosranden, rivieroevers, parken en grotere tuinen. Ook kleinschalig agrarisch mozaïek met bomen en struikgewas kan geschikt zijn, zolang er beschutting en voldoende zitplaatsen aanwezig zijn. In tegenstelling tot veel “klassieke” rivier-ijsvogels is aanwezigheid niet strikt aan open water gebonden, al worden waterkanten en natte zones regelmatig benut wanneer prooien daar rijk zijn.
Het voedsel bestaat uit een gevarieerde mix van land- en waterprooi. Grote insecten vormen vaak een belangrijk deel, aangevuld met kleine kreeftachtigen, kikkers en kleine vissen waar water beschikbaar is. Jacht gebeurt meestal volgens een “zit-en-wacht”-strategie: vanaf een tak, paal of draad wordt de omgeving langdurig gescand, waarna een korte, snelle uitval volgt naar de bodem, lage vegetatie of het wateroppervlak. Grotere prooien worden vaak eerst tegen een tak of andere harde ondergrond geslagen voordat doorslikken volgt.
Broeden gebeurt in een nestholte. Afhankelijk van lokale omstandigheden wordt een tunnel uitgegraven in een aarden talud of oeverwand, maar ook nestelen in boomholten, rotsspleten of termietenstructuren komt voor. De nestkamer ligt beschut aan het einde van de tunnel of holte en wordt doorgaans weinig tot niet bekleed. Beide oudervogels verzorgen meestal de nestfase, met afwisseling tijdens broeden en een intensieve voederperiode na uitkomen.
Gekraagde ijsvogel



Klik hier Gekraagde IJsvogel details
De soort is wijdverspreid in de Oriëntaalse regio en Australazië en komt daarnaast ook voor in delen van Noordoost-Afrika en op het Arabisch Schiereiland. Het voorkomen is vaak standplaatsgebonden, met lokale of regionale verplaatsingen die samenhangen met seizoenen, regenpatronen en voedselaanbod. In kustgebieden kan de aanwezigheid binnen het jaar verschuiven tussen mangroveranden, open kustbos en meer beschutte estuaria, zonder dat sprake is van uitgesproken langeafstandstrek.
Gekraagde ijsvogel is een middelgrote, stevig gebouwde boomijsvogel met een relatief grote kop en een krachtige, rechte snavel. Het soortbeeld toont doorgaans blauwgroene tot turkooizen tinten op rug, vleugels en staart, met een opvallend lichte “kraag” of halszone die scherp contrasteert met een donker masker rond het oog. De onderzijde oogt meestal licht tot wit, vaak met een zachte buff- of grijstint, afhankelijk van populatie en leeftijd. De snavel is fors en geschikt voor uiteenlopende prooien, wat goed past bij het brede dieet en de flexibele habitatkeuze.
Het leefgebied ligt vaak in de buurt van water en kust, met een sterke binding aan mangroven, estuaria, lagunes, getijdekreken en beschutte kustlijnen. Ook riviermondingen, kustbossen, eilandbosjes, open woodland en zelfs parken en tuinen in kustnederzettingen kunnen geschikt zijn, zolang er voldoende uitkijkposten zijn en er prooi beschikbaar is. In vergelijking met strikt visetende ijsvogels wordt ook veel gejaagd in vegetatie, op zandige bodems en langs modderige randen.
Het voedsel is gevarieerd. In kusthabitats vormen krabben en andere kreeftachtigen vaak een belangrijk deel, aangevuld met insecten, spinnen en andere ongewervelden. Daarnaast worden geregeld kleine vissen, kikkers en hagedissen genomen en incidenteel ook andere kleine gewervelden wanneer die gemakkelijk te grijpen zijn. Jacht gebeurt meestal volgens een “zit-en-wacht”-strategie: langdurig stilzitten op een tak, wortel, paal of draad, gevolgd door een korte, snelle uitval naar de bodem, het wateroppervlak of de modderrand. Grotere prooien worden vaak eerst tegen een tak of harde ondergrond geslagen voordat doorslikken volgt.
Broeden gebeurt in een nestholte. Afhankelijk van lokale omstandigheden wordt een tunnel uitgegraven in een aarden talud of oeverwand, maar nestelen in boomholten, rotsspleten of termietenstructuren komt eveneens voor. De nestkamer ligt beschut aan het einde van de tunnel of in de holte en wordt meestal weinig tot niet bekleed. Het legsel bestaat doorgaans uit enkele eieren en beide oudervogels verzorgen meestal broeden en voeren. In kustzones vallen broedpogingen vaak samen met perioden waarin prooien goed beschikbaar zijn en verstoring rond nestplekken beperkt blijft.
Klik hier Genus Pelargopsis
Soorten binnen Pelargopsis hebben meestal een contrastrijke bouwtekening met een lichte kop en onderzijde en donkerder gekleurde rug en vleugels, vaak in groen-, blauw- of bruintinten. Poten zijn vaak helder rood en de snavel kan rood of donker gekleurd zijn, afhankelijk van de soort. Het gedrag past bij een rustige “zit-en-wacht”-jachtwijze, waarbij vanaf een tak, paal of andere vaste uitkijkpost langdurig wordt gescand en daarna een korte, directe aanval volgt.
Het leefgebied ligt meestal dicht bij water, zoals brede rivieren, kreken, bosbeken, meren, lagunes, estuaria en mangroveranden. Ook kustzones met beschutte wateren en modderige oevers kunnen geschikt zijn, zolang er voldoende zitplaatsen zijn om te jagen en de oeverstructuur geschikt is voor nestbouw. Aanwezigheid is vaak gebonden aan boomrijke oevers, waar dekking en uitkijkpunten dicht bij elkaar liggen.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit watergebonden prooien zoals vissen en kreeftachtigen, waaronder krabben, aangevuld met amfibieën en soms ook landprooi zoals grote insecten, kleine knaagdieren of jonge vogels wanneer die gemakkelijk bereikbaar zijn. Prooien worden regelmatig op een tak of andere harde ondergrond geslagen om te verdoven of te verwerken voordat ze worden doorgeslikt.
Broeden gebeurt meestal in een nestholte die in een oeverwand of rivierbank wordt uitgegraven. Daarnaast kan een nesttunnel ook in rottend hout of in een termietenheuvel worden gemaakt, afhankelijk van wat lokaal beschikbaar is. De nestkamer ligt aan het einde van de tunnel en biedt beschutting tegen regen en predatie. Succesvol broeden hangt sterk samen met stabiele nestsubstraten, voldoende voedsel in de directe omgeving en beperkte verstoring rond de nestplek.
Bruinvleugelijsvogel




Klik hier Bruinvleugelijsvogel details
De soort komt voor langs kustzones van de oostelijke Golf van Bengalen, van oostelijk India tot westelijk Thailand. Het voorkomen is typisch geconcentreerd in geschikte kuststroken en estuaria, waardoor het verspreidingsbeeld gefragmenteerd kan zijn, zelfs binnen een brede regio. Trekgedrag is niet uitgesproken; aanwezigheid is meestal standplaatsgebonden met lokale verplaatsingen langs kreken en getijderivieren, afhankelijk van waterstanden en voedselbeschikbaarheid.
Bruinvleugelijsvogel is een grote, robuust gebouwde ijsvogel met een forse kop en een krachtige snavel. De algemene indruk is warm bruin en contrastrijk, met duidelijk bruine vleugels als kenmerkend onderdeel van het verenkleed. De snavel is groot en stevig, passend bij het grijpen van relatief grote prooien in modderige en wortelrijke mangrove-omgevingen. In het veld valt vaak een rustige, bedachtzame houding op, met langdurig stilzitten op een tak of wortel boven het water of boven de slikrand.
Het leefgebied bestaat vooral uit mangrovebossen en aangrenzende brakke wateren, met voorkeur voor oudere, dichte mangrove met grotere bomen en een complex netwerk van wortels, kreken en beschutte oeverranden. Getijdekreken, riviermondingen, lagunes en rustige kustwateren met modderplaten en schaduwrijke oevers vormen het kernhabitat. Buiten mangrove wordt de soort doorgaans weinig gezien, waardoor geschikt habitatverlies direct doorwerkt in de beschikbare leefruimte.
Het voedsel bestaat uit een mix van water- en kustgebonden prooien. Krabben en andere kreeftachtigen vormen vaak een belangrijk deel, aangevuld met kleine vissen en andere dieren die in ondiep water of op de slikrand beschikbaar zijn. Jacht gebeurt meestal vanuit een lage uitkijkpost, gevolgd door een korte uitval naar de modder of het wateroppervlak. Prooien worden geregeld tegen een tak of harde ondergrond geslagen om ze te verdoven en te verwerken voordat doorslikken volgt.
Broeden gebeurt in een nestholte. Vaak wordt een tunnel uitgegraven in een aarden oeverwand of talud langs een kreek of rivierarm, met een nestkamer aan het einde. Het legsel bestaat meestal uit enkele eieren. Beide oudervogels verzorgen doorgaans de nestfase, met afwisseling tijdens broeden en een intensieve voederperiode na uitkomen. Succesvol broeden hangt sterk samen met stabiele oevers, voldoende rust rond de nestplek en een goed prooiaanbod in de directe omgeving.
