Klik hier Genus Ceyx
Genus Ceyx (Lacépède, 1799) is een geslacht van kleine tot zeer kleine ijsvogels dat vooral voorkomt van Zuid- en Zuidoost-Azië tot in Melanesië en delen van Oceanië. Binnen dit geslacht zitten zowel soorten van dicht, vochtig bos als soorten die vaker langs open water in meer halfopen landschappen worden gezien. Op eilanden komen veel endemische soorten en ondersoorten voor, waardoor de variatie in kleur en formaat binnen het geslacht opvallend groot is.
Soorten binnen Ceyx hebben meestal een compacte bouw met een relatief grote kop, een korte staart en een krachtige, rechte snavel. Het verenkleed is vaak zeer contrastrijk, met combinaties van diep oranje, rood, paarsroze, blauw, groen en zwart, afhankelijk van de soort. Bij meerdere soorten is een drie-teenige voetbouw kenmerkend, wat in combinatie met het kleine formaat een “dwergijsvogel”-indruk geeft. De vlucht is doorgaans snel en laag, met korte verplaatsingen tussen uitkijkposten in dichte vegetatie.
Het leefgebied varieert van laaglandregenwoud en schaduwrijk rivierbos tot bosranden, mangroveranden en rustige beken, kreken en plassen. In bosrijke gebieden ligt het zwaartepunt vaak op plekken met dichte ondergroei en nabijheid van water of natte bodems, waar prooi makkelijk bereikbaar is. In meer open situaties worden oevervegetatie, overhangende takken en beschutte waterkanten benut als uitkijkposten.
Het voedsel bestaat uit kleine dieren. Bij bossoorten ligt de nadruk vaak op insecten en andere ongewervelden zoals spinnen en wormen, met daarnaast amfibieën en kleine hagedissen wanneer die beschikbaar zijn. Bij soorten die sterker aan water gebonden zijn komen ook kleine vissen en kreeftachtigen op het menu. Jacht gebeurt meestal vanuit een vaste zitplaats, gevolgd door een korte, directe uitval naar de prooi, waarna de prooi vaak eerst tegen een tak of harde ondergrond wordt geslagen.
Broeden gebeurt in een nestholte. Afhankelijk van de soort en lokale omstandigheden wordt een tunnel uitgegraven in een steile oeverwand, in een aarden talud of in zacht, rottend hout. Aan het einde van de tunnel ligt een nestkamer waar de eieren worden gelegd en de jongen worden grootgebracht. Succesvol broeden hangt sterk samen met stabiele nestsubstraten, voldoende dekking rond de nestlocatie en een goede prooidichtheid in de directe omgeving.
Soorten binnen Ceyx hebben meestal een compacte bouw met een relatief grote kop, een korte staart en een krachtige, rechte snavel. Het verenkleed is vaak zeer contrastrijk, met combinaties van diep oranje, rood, paarsroze, blauw, groen en zwart, afhankelijk van de soort. Bij meerdere soorten is een drie-teenige voetbouw kenmerkend, wat in combinatie met het kleine formaat een “dwergijsvogel”-indruk geeft. De vlucht is doorgaans snel en laag, met korte verplaatsingen tussen uitkijkposten in dichte vegetatie.
Het leefgebied varieert van laaglandregenwoud en schaduwrijk rivierbos tot bosranden, mangroveranden en rustige beken, kreken en plassen. In bosrijke gebieden ligt het zwaartepunt vaak op plekken met dichte ondergroei en nabijheid van water of natte bodems, waar prooi makkelijk bereikbaar is. In meer open situaties worden oevervegetatie, overhangende takken en beschutte waterkanten benut als uitkijkposten.
Het voedsel bestaat uit kleine dieren. Bij bossoorten ligt de nadruk vaak op insecten en andere ongewervelden zoals spinnen en wormen, met daarnaast amfibieën en kleine hagedissen wanneer die beschikbaar zijn. Bij soorten die sterker aan water gebonden zijn komen ook kleine vissen en kreeftachtigen op het menu. Jacht gebeurt meestal vanuit een vaste zitplaats, gevolgd door een korte, directe uitval naar de prooi, waarna de prooi vaak eerst tegen een tak of harde ondergrond wordt geslagen.
Broeden gebeurt in een nestholte. Afhankelijk van de soort en lokale omstandigheden wordt een tunnel uitgegraven in een steile oeverwand, in een aarden talud of in zacht, rottend hout. Aan het einde van de tunnel ligt een nestkamer waar de eieren worden gelegd en de jongen worden grootgebracht. Succesvol broeden hangt sterk samen met stabiele nestsubstraten, voldoende dekking rond de nestlocatie en een goede prooidichtheid in de directe omgeving.
Azuurijsvogel
[LAT] Ceyx azureus |
[UK] Azure Kingfisher |
[FR] Martin-pêcheur azuré |
[DE] Azurliest |
[ES] Martín pescador azur |
[NL] Azuurijsvogel



Klik hier Azuurijsvogel details
De Azuurijsvogel (Ceyx azureus, Latham, 1801) heeft wereldwijd de status Niet bedreigd (LC). Ondanks aanwijzingen voor lokale achteruitgang in delen van het verspreidingsgebied wordt de afname op wereldschaal niet als snel genoeg gezien om de soort in een bedreigde categorie te plaatsen.
Het verspreidingsgebied ligt in Australazië, met voorkomen in de Molukken, Nieuw-Guinea en in het noorden en oosten van Australië. Aanwezigheid is vaak standplaatsgebonden, met in sommige gebieden seizoensgebonden verplaatsingen langs waterlopen en wetlands.
Azuurijsvogel is een kleine, opvallend kleurrijke ijsvogel met diepe blauw- tot azuurtinten op rug en bovenzijde. Aan de zijkant van hals en keel is een duidelijke witte tot buffkleurige vlek zichtbaar. De borst en flanken tonen warm roestbuffe tinten met soms blauw-violette streping. De poten zijn rood en door de bouw is de soort vaak compact en kortstaartig van indruk, terwijl de snavel stevig en relatief lang oogt voor het formaat.
Het leefgebied bestaat uit oevers van begroeide beken en riviertjes, rustige poelen, meren, moerassen en swamps. Ook getijdenestuaria en mangroven worden gebruikt, vooral waar overhangende vegetatie en lage uitkijkposten boven het water aanwezig zijn.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine vissen en kreeftachtigen, aangevuld met waterinsecten en andere ongewervelden. Jacht gebeurt vanaf een lage tak of andere uitkijkpost boven het water, waarna een snelle duik volgt om prooi vlak onder het oppervlak te grijpen. Prooi wordt vaak teruggebracht naar een vaste zitplaats om te verwerken voordat doorslikken volgt.
Broeden gebeurt doorgaans in een nestkamer aan het einde van een tunnel die in een aarden oeverwand wordt gegraven, meestal langs een beek of rivier. Het legsel bestaat vaak uit vier tot zes witte eieren. Beide oudervogels broeden en voeren de jongen. Het broedseizoen valt in grote lijnen in de warmere maanden, met regionale variatie binnen Australië, en soms kunnen twee broedsels in één seizoen voorkomen wanneer omstandigheden gunstig zijn.
Het verspreidingsgebied ligt in Australazië, met voorkomen in de Molukken, Nieuw-Guinea en in het noorden en oosten van Australië. Aanwezigheid is vaak standplaatsgebonden, met in sommige gebieden seizoensgebonden verplaatsingen langs waterlopen en wetlands.
Azuurijsvogel is een kleine, opvallend kleurrijke ijsvogel met diepe blauw- tot azuurtinten op rug en bovenzijde. Aan de zijkant van hals en keel is een duidelijke witte tot buffkleurige vlek zichtbaar. De borst en flanken tonen warm roestbuffe tinten met soms blauw-violette streping. De poten zijn rood en door de bouw is de soort vaak compact en kortstaartig van indruk, terwijl de snavel stevig en relatief lang oogt voor het formaat.
Het leefgebied bestaat uit oevers van begroeide beken en riviertjes, rustige poelen, meren, moerassen en swamps. Ook getijdenestuaria en mangroven worden gebruikt, vooral waar overhangende vegetatie en lage uitkijkposten boven het water aanwezig zijn.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine vissen en kreeftachtigen, aangevuld met waterinsecten en andere ongewervelden. Jacht gebeurt vanaf een lage tak of andere uitkijkpost boven het water, waarna een snelle duik volgt om prooi vlak onder het oppervlak te grijpen. Prooi wordt vaak teruggebracht naar een vaste zitplaats om te verwerken voordat doorslikken volgt.
Broeden gebeurt doorgaans in een nestkamer aan het einde van een tunnel die in een aarden oeverwand wordt gegraven, meestal langs een beek of rivier. Het legsel bestaat vaak uit vier tot zes witte eieren. Beide oudervogels broeden en voeren de jongen. Het broedseizoen valt in grote lijnen in de warmere maanden, met regionale variatie binnen Australië, en soms kunnen twee broedsels in één seizoen voorkomen wanneer omstandigheden gunstig zijn.
Klik hier Genus Corythornis
Genus Corythornis (Kaup, 1848) is een geslacht van ijsvogels binnen de familie Alcedinidae. Het geslacht komt van nature voor in Afrika, met zowel soorten van savanne- en bosranden als soorten die duidelijker aan tropisch regenwoud zijn gebonden. Binnen het geslacht worden doorgaans vier soorten onderscheiden, waarbij de verschillen vooral liggen in formaat, kleurtoon en de tekening van borst en buik, terwijl de algemene bouw en jachtwijze sterk overeenkomen.
Soorten uit Corythornis zijn klein tot middelgroot, compact gebouwd en hebben een relatief grote kop met een stevige, rechte snavel. De bovenzijde is vaak opvallend blauwgroen tot blauw, soms met een glanzende indruk. De onderzijde varieert van helder wit tot roest- of kaneelkleurige delen, waardoor in het veld een sterk contrastrijk soortbeeld kan ontstaan. Gedrag past bij een “zit-en-wacht”-strategie: vanaf een lage tak, rietstengel, paal of wortel boven water of boven open bodem wordt prooi gevolgd, waarna een korte, directe uitval volgt.
Het leefgebied is gevarieerd. Rivieren, beken, kreken, moerassen, rietlanden, mangroveranden en rustige oevers worden veel gebruikt, maar ook bosranden en open woodland met water in de nabijheid kunnen geschikt zijn. In dicht tropisch bos ligt de nadruk vaak op schaduwrijke waterlopen en natte plekken, terwijl in opener landschap jacht ook langs poelen, irrigatiekanalen en oeverzones kan plaatsvinden.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine vissen en watergebonden ongewervelden, waaronder kreeftachtigen. Bij sommige soorten spelen ook insecten en andere kleine dieren een belangrijke rol, zeker wanneer jacht plaatsvindt langs vegetatieranden of op natte bodems. Prooien worden regelmatig op een tak of andere harde ondergrond geslagen om te verdoven en te verwerken voordat ze worden doorgeslikt.
Broeden gebeurt in een nesttunnel die meestal in een steile oeverwand of rivierbank wordt uitgegraven. De tunnel eindigt in een nestkamer waar de eieren worden gelegd en de jongen worden grootgebracht. Geschikte, stabiele oevers en voldoende rust rond de nestplek zijn belangrijke voorwaarden voor succesvol broeden.
Soorten uit Corythornis zijn klein tot middelgroot, compact gebouwd en hebben een relatief grote kop met een stevige, rechte snavel. De bovenzijde is vaak opvallend blauwgroen tot blauw, soms met een glanzende indruk. De onderzijde varieert van helder wit tot roest- of kaneelkleurige delen, waardoor in het veld een sterk contrastrijk soortbeeld kan ontstaan. Gedrag past bij een “zit-en-wacht”-strategie: vanaf een lage tak, rietstengel, paal of wortel boven water of boven open bodem wordt prooi gevolgd, waarna een korte, directe uitval volgt.
Het leefgebied is gevarieerd. Rivieren, beken, kreken, moerassen, rietlanden, mangroveranden en rustige oevers worden veel gebruikt, maar ook bosranden en open woodland met water in de nabijheid kunnen geschikt zijn. In dicht tropisch bos ligt de nadruk vaak op schaduwrijke waterlopen en natte plekken, terwijl in opener landschap jacht ook langs poelen, irrigatiekanalen en oeverzones kan plaatsvinden.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine vissen en watergebonden ongewervelden, waaronder kreeftachtigen. Bij sommige soorten spelen ook insecten en andere kleine dieren een belangrijke rol, zeker wanneer jacht plaatsvindt langs vegetatieranden of op natte bodems. Prooien worden regelmatig op een tak of andere harde ondergrond geslagen om te verdoven en te verwerken voordat ze worden doorgeslikt.
Broeden gebeurt in een nesttunnel die meestal in een steile oeverwand of rivierbank wordt uitgegraven. De tunnel eindigt in een nestkamer waar de eieren worden gelegd en de jongen worden grootgebracht. Geschikte, stabiele oevers en voldoende rust rond de nestplek zijn belangrijke voorwaarden voor succesvol broeden.
Malachietijsvogel
[LAT] Corythornis cristatus |
[UK] Malachite Kingfisher |
[FR] Martin-pêcheur huppé |
[DE] Malachiteisvogel |
[ES] Martín pescador malaquita |
[NL] Malachietijsvogel


Klik hier Malachietijsvogel details
De Malachietijsvogel (Corythornis cristatus, Pallas, 1764) heeft wereldwijd de status Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is zeer groot en de populatietrend wordt als stabiel beschreven, waardoor de soort volgens de IUCN-criteria niet in de buurt komt van drempels voor een bedreigde categorie.
De soort komt wijdverspreid voor in Afrika ten zuiden van de Sahara. Het voorkomen volgt vooral water en natte zones, maar de soort kan ook in halfopen landschap voorkomen zolang er geschikte oevers, dekking en uitkijkposten aanwezig zijn. In veel gebieden is sprake van standplaatsgebonden aanwezigheid, met lokale verplaatsingen die samenhangen met waterstanden en voedselbeschikbaarheid.
Malachietijsvogel is een kleine, felgekleurde ijsvogel met een compacte bouw, korte staart en een relatief lange, fijne snavel. De bovenzijde toont opvallend blauw tot blauwgroen, vaak met een glanzende indruk in goed licht. De onderzijde is warm oranje tot roestkleurig, met een duidelijk contrast tussen boven- en onderzijde. Een kleine kuif en contrastrijke koptekening zorgen voor een herkenbaar silhouet, zeker wanneer vanaf lage takken langs het water wordt gejaagd.
Het leefgebied bestaat vooral uit oevers van beken en rivieren, moerassen, rietlanden, papyrusvelden, poelen, irrigatiekanalen en rustige lagunes. Overhangende vegetatie, wortelranden en rietkragen zijn belangrijk, omdat daaruitkijkposten laag boven het water aanwezig zijn en prooi zich vaak ophoudt in beschutte zones. In drogere streken worden waterrijke linten in het landschap sterk benut, zoals rivierbeddingen met blijvend of seizoenswater.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine vissen en watergebonden ongewervelden, zoals insectenlarven en kleine kreeftachtigen. Jacht gebeurt meestal vanaf een lage zitplaats boven het water, waarna een korte, snelle duik volgt om prooi vlak onder het oppervlak te grijpen. Prooi wordt vaak teruggebracht naar een vaste zitplaats om te verwerken voordat doorslikken volgt.
Broeden gebeurt doorgaans in een nesttunnel die in een aarden oeverwand wordt uitgegraven, vaak langs een beek of rivier. Aan het einde van de tunnel ligt een nestkamer waar de eieren worden gelegd en de jongen worden grootgebracht. Stabiele oevers, voldoende rust rond de nestplek en een goed prooiaanbod in de directe omgeving zijn belangrijk voor succesvol broeden.
De soort komt wijdverspreid voor in Afrika ten zuiden van de Sahara. Het voorkomen volgt vooral water en natte zones, maar de soort kan ook in halfopen landschap voorkomen zolang er geschikte oevers, dekking en uitkijkposten aanwezig zijn. In veel gebieden is sprake van standplaatsgebonden aanwezigheid, met lokale verplaatsingen die samenhangen met waterstanden en voedselbeschikbaarheid.
Malachietijsvogel is een kleine, felgekleurde ijsvogel met een compacte bouw, korte staart en een relatief lange, fijne snavel. De bovenzijde toont opvallend blauw tot blauwgroen, vaak met een glanzende indruk in goed licht. De onderzijde is warm oranje tot roestkleurig, met een duidelijk contrast tussen boven- en onderzijde. Een kleine kuif en contrastrijke koptekening zorgen voor een herkenbaar silhouet, zeker wanneer vanaf lage takken langs het water wordt gejaagd.
Het leefgebied bestaat vooral uit oevers van beken en rivieren, moerassen, rietlanden, papyrusvelden, poelen, irrigatiekanalen en rustige lagunes. Overhangende vegetatie, wortelranden en rietkragen zijn belangrijk, omdat daaruitkijkposten laag boven het water aanwezig zijn en prooi zich vaak ophoudt in beschutte zones. In drogere streken worden waterrijke linten in het landschap sterk benut, zoals rivierbeddingen met blijvend of seizoenswater.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine vissen en watergebonden ongewervelden, zoals insectenlarven en kleine kreeftachtigen. Jacht gebeurt meestal vanaf een lage zitplaats boven het water, waarna een korte, snelle duik volgt om prooi vlak onder het oppervlak te grijpen. Prooi wordt vaak teruggebracht naar een vaste zitplaats om te verwerken voordat doorslikken volgt.
Broeden gebeurt doorgaans in een nesttunnel die in een aarden oeverwand wordt uitgegraven, vaak langs een beek of rivier. Aan het einde van de tunnel ligt een nestkamer waar de eieren worden gelegd en de jongen worden grootgebracht. Stabiele oevers, voldoende rust rond de nestplek en een goed prooiaanbod in de directe omgeving zijn belangrijk voor succesvol broeden.
Klik hier Genus Ceryle
Genus Ceryle (F. Boie, 1828) is een geslacht van ijsvogels binnen de familie Alcedinidae. Binnen de gangbare moderne indeling is het geslacht monotypisch en bestaat het uit één soort, de bonte ijsvogel, die een zeer groot verspreidingsgebied heeft in Afrika en delen van Azië. Het geslacht vormt daarmee een duidelijke uitzondering binnen de ijsvogels, waar veel geslachten juist meerdere soorten omvatten.
Soorten binnen Ceryle zijn middelgroot en stevig gebouwd, met een relatief grote kop, een sterke, rechte snavel en korte poten. Het verenkleed is contrastrijk zwart-wit, met een duidelijke kuif en een opvallend maskerpatroon. In vlucht en bij jachtgedrag valt het veelvuldig stilhangen boven het water op, gevolgd door een snelle duik om prooi te grijpen. Dit “bidden” boven het water is kenmerkend en wordt vaak langdurig volgehouden bij geschikt zicht op prooien.
Het leefgebied ligt vooral rond binnenwateren en beschutte kustwateren. Rustige rivieren, meren, plassen, irrigatiekanalen, estuaria en lagunes worden veel benut, vooral waar helder of ondiep water het waarnemen van prooi vergemakkelijkt. Uitkijkposten zoals takken, palen of uitstekende oeverdelen worden gebruikt om te speuren en te rusten tussen jachtvluchten door.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit kleine vissen. Daarnaast worden ook watergebonden ongewervelden en soms amfibieën benut wanneer die lokaal overvloedig aanwezig zijn. Jacht vindt plaats vanaf een zitpost of vanuit stilhangende vlucht, waarna een korte, directe duik volgt. Prooien worden meestal bovengronds verwerkt en doorgeslikt, vaak na kort slaan tegen een harde ondergrond.
Broeden gebeurt in een nesttunnel die in een steile oeverwand, rivierbank of zandige talud wordt uitgegraven. Aan het einde van de tunnel ligt een nestkamer waar de eieren worden gelegd en de jongen worden grootgebracht. Geschikte, stabiele oevers en een goede prooidichtheid in de directe omgeving zijn belangrijke voorwaarden voor succesvol broeden.
Soorten binnen Ceryle zijn middelgroot en stevig gebouwd, met een relatief grote kop, een sterke, rechte snavel en korte poten. Het verenkleed is contrastrijk zwart-wit, met een duidelijke kuif en een opvallend maskerpatroon. In vlucht en bij jachtgedrag valt het veelvuldig stilhangen boven het water op, gevolgd door een snelle duik om prooi te grijpen. Dit “bidden” boven het water is kenmerkend en wordt vaak langdurig volgehouden bij geschikt zicht op prooien.
Het leefgebied ligt vooral rond binnenwateren en beschutte kustwateren. Rustige rivieren, meren, plassen, irrigatiekanalen, estuaria en lagunes worden veel benut, vooral waar helder of ondiep water het waarnemen van prooi vergemakkelijkt. Uitkijkposten zoals takken, palen of uitstekende oeverdelen worden gebruikt om te speuren en te rusten tussen jachtvluchten door.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit kleine vissen. Daarnaast worden ook watergebonden ongewervelden en soms amfibieën benut wanneer die lokaal overvloedig aanwezig zijn. Jacht vindt plaats vanaf een zitpost of vanuit stilhangende vlucht, waarna een korte, directe duik volgt. Prooien worden meestal bovengronds verwerkt en doorgeslikt, vaak na kort slaan tegen een harde ondergrond.
Broeden gebeurt in een nesttunnel die in een steile oeverwand, rivierbank of zandige talud wordt uitgegraven. Aan het einde van de tunnel ligt een nestkamer waar de eieren worden gelegd en de jongen worden grootgebracht. Geschikte, stabiele oevers en een goede prooidichtheid in de directe omgeving zijn belangrijke voorwaarden voor succesvol broeden.
Bonte IJsvogel
[LAT] Ceryle rudis |
[UK] Pied Kingfisher |
[FR] Martin-pêcheur pie |
[DE] Graufischer |
[ES] Martín pescador pío |
[NL] Bonte ijsvogel



Klik hier Bonte IJsvogel details
De Bonte ijsvogel (Ceryle rudis, Linnaeus, 1758)l heeft wereldwijd de status Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is zeer groot en de populatietrend is niet overal precies vastgesteld, maar er zijn geen aanwijzingen dat de soort op wereldschaal snel genoeg afneemt om binnen de IUCN-criteria als bedreigd te gelden.
De soort komt wijdverspreid voor in Afrika en grote delen van Zuid- en West-Azië, met voorkomen dat doorloopt via het Midden-Oosten tot in delen van het Indiase subcontinent en verder oostwaarts tot in zuidelijk China. In de kerngebieden is de soort in veel regio’s algemeen. Aan de rand van het areaal kan het voorkomen versnipperd zijn en sterk afhangen van geschikte waterbiotopen.
Trekgedrag is doorgaans beperkt. Het voorkomen is veelal standplaatsgebonden, met seizoensgebonden verplaatsingen op regionale schaal wanneer waterstanden, visaanbod of broedgelegenheid veranderen. In droogteperioden kan concentratie optreden rond blijvend water, waarna bij herstel van regen en waterpeilen een ruimere verspreiding volgt.
Bonte ijsvogel is een middelgrote ijsvogel met het typische ijsvogelprofiel: een grote kop, compacte romp, korte poten en een lange, dolkvormige snavel. Het verenkleed is opvallend zwart-wit met een donkere kruin en een duidelijk gespikkeld patroon op de vleugels. Het borstpatroon verschilt tussen de seksen: een dubbel donker borstbandpatroon komt vaker voor bij mannetjes, terwijl bij vrouwtjes meestal één duidelijke borstband zichtbaar is. De lichaamslengte ligt grofweg rond 25 tot 29 cm, waardoor de soort groter oogt dan veel “kleine rivier-ijsvogels”.
Het leefgebied bestaat uit oevers en waterkanten van rivieren, meren, plassen, estuaria, kreken, irrigatiesloten, kanalen, overstromingsvlaktes en rietrijke inhammen. Snelle, woeste stroming wordt meestal minder benut dan traag of matig stromend water met goede zichtbaarheid. In heuvel- en berggebieden ligt de nadruk vaak op lagere rivierdalzones. Mangroven en uitgestrekte, dichtbegroeide moerassen worden doorgaans minder gebruikt dan meer open waterkanten met geschikte zitplaatsen of plekken om te zweven boven het water.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit vis. Daarnaast worden ook waterinsecten, kreeftachtigen en, minder vaak, amfibieën en weekdieren genomen. Jacht gebeurt op verschillende manieren: vanuit een zitplaats boven het water met een directe duik, door langdurig stilhangen in de lucht gevolgd door een duik, en soms door laag boven het water te vliegen en prooi dicht onder het oppervlak te grijpen. Opvallend is dat prooien regelmatig tijdens of direct na de duik worden doorgeslikt, waardoor verwerking op een vaste zitplaats minder nadrukkelijk kan zijn dan bij sommige andere ijsvogels. Groepsgewijs foerageren komt geregeld voor, met meerdere vogels die langs dezelfde waterkant jagen of gezamenlijk rustplaatsen gebruiken.
Broeden gaat samen met opvallend sociaal gedrag. Balts kan bestaan uit groepsgewijze “dans”-achtige displays met meerdere mannetjes, met roepen, halfgespreide vleugels en onderlinge confrontaties. Voedselaanbiedingen spelen een duidelijke rol in partnerbinding. Bij de voortplanting kan coöperatieve broedzorg optreden, waarbij niet-broedende vogels helpen bij het grootbrengen van jongen van een broedpaar, vooral in de fase na het uitkomen. Nestelen gebeurt doorgaans in een nestgang met nestkamer, vaak uitgegraven in een steile oeverwand of andere geschikte aardwand, met een beschutte broedplek dicht bij visrijk water.
De soort komt wijdverspreid voor in Afrika en grote delen van Zuid- en West-Azië, met voorkomen dat doorloopt via het Midden-Oosten tot in delen van het Indiase subcontinent en verder oostwaarts tot in zuidelijk China. In de kerngebieden is de soort in veel regio’s algemeen. Aan de rand van het areaal kan het voorkomen versnipperd zijn en sterk afhangen van geschikte waterbiotopen.
Trekgedrag is doorgaans beperkt. Het voorkomen is veelal standplaatsgebonden, met seizoensgebonden verplaatsingen op regionale schaal wanneer waterstanden, visaanbod of broedgelegenheid veranderen. In droogteperioden kan concentratie optreden rond blijvend water, waarna bij herstel van regen en waterpeilen een ruimere verspreiding volgt.
Bonte ijsvogel is een middelgrote ijsvogel met het typische ijsvogelprofiel: een grote kop, compacte romp, korte poten en een lange, dolkvormige snavel. Het verenkleed is opvallend zwart-wit met een donkere kruin en een duidelijk gespikkeld patroon op de vleugels. Het borstpatroon verschilt tussen de seksen: een dubbel donker borstbandpatroon komt vaker voor bij mannetjes, terwijl bij vrouwtjes meestal één duidelijke borstband zichtbaar is. De lichaamslengte ligt grofweg rond 25 tot 29 cm, waardoor de soort groter oogt dan veel “kleine rivier-ijsvogels”.
Het leefgebied bestaat uit oevers en waterkanten van rivieren, meren, plassen, estuaria, kreken, irrigatiesloten, kanalen, overstromingsvlaktes en rietrijke inhammen. Snelle, woeste stroming wordt meestal minder benut dan traag of matig stromend water met goede zichtbaarheid. In heuvel- en berggebieden ligt de nadruk vaak op lagere rivierdalzones. Mangroven en uitgestrekte, dichtbegroeide moerassen worden doorgaans minder gebruikt dan meer open waterkanten met geschikte zitplaatsen of plekken om te zweven boven het water.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit vis. Daarnaast worden ook waterinsecten, kreeftachtigen en, minder vaak, amfibieën en weekdieren genomen. Jacht gebeurt op verschillende manieren: vanuit een zitplaats boven het water met een directe duik, door langdurig stilhangen in de lucht gevolgd door een duik, en soms door laag boven het water te vliegen en prooi dicht onder het oppervlak te grijpen. Opvallend is dat prooien regelmatig tijdens of direct na de duik worden doorgeslikt, waardoor verwerking op een vaste zitplaats minder nadrukkelijk kan zijn dan bij sommige andere ijsvogels. Groepsgewijs foerageren komt geregeld voor, met meerdere vogels die langs dezelfde waterkant jagen of gezamenlijk rustplaatsen gebruiken.
Broeden gaat samen met opvallend sociaal gedrag. Balts kan bestaan uit groepsgewijze “dans”-achtige displays met meerdere mannetjes, met roepen, halfgespreide vleugels en onderlinge confrontaties. Voedselaanbiedingen spelen een duidelijke rol in partnerbinding. Bij de voortplanting kan coöperatieve broedzorg optreden, waarbij niet-broedende vogels helpen bij het grootbrengen van jongen van een broedpaar, vooral in de fase na het uitkomen. Nestelen gebeurt doorgaans in een nestgang met nestkamer, vaak uitgegraven in een steile oeverwand of andere geschikte aardwand, met een beschutte broedplek dicht bij visrijk water.
Klik hier Genus Ispidina
Genus Ispidina (Kaup, 1848) is een geslacht van kleine Afrikaanse ijsvogels binnen de familie Alcedinidae. Binnen het geslacht worden doorgaans twee soorten onderscheiden, die vaak als “dwergijsvogels” worden aangeduid. Het geslacht is nauw verwant aan Corythornis en bestaat uit soorten die qua bouw compact zijn, met een relatief grote kop, een korte staart en een stevige, rechte snavel die geschikt is voor het grijpen van kleine prooien.
De algemene kleurindruk is vaak opvallend helder en contrastrijk, met combinaties van blauw, turkoois, oranje en wit, afhankelijk van de soort. Verschillen tussen de soorten zitten onder meer in de tint en tekening van de kop en borst en in de habitatkeuze. Het gedrag past bij een stille, oplettende “zit-en-wacht”-jachtwijze, waarbij vanaf een lage tak, een wortel boven water of een beschutte uitkijkpost in de ondergroei naar prooi wordt gescand, gevolgd door een korte, snelle uitval.
Het leefgebied van Ispidina ligt in Afrika ten zuiden van de Sahara en varieert van drogere, open woodland en savanne-achtige landschappen tot vochtige tropische regenwouden, afhankelijk van de soort. In bosrijke gebieden wordt vaak dicht bij schaduwrijke beekjes, natte plekken en kreken gejaagd, terwijl in opener landschap ook langs oeverzones, poelen en rustige waterkanten wordt gefoerageerd, zolang er voldoende dekking en uitkijkposten aanwezig zijn.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine ongewervelden zoals insecten en andere kleine dieren die op of nabij de bodem en in lage vegetatie worden buitgemaakt. In geschikte situaties worden ook kleine vissen en watergebonden prooien benut. Prooien worden regelmatig tegen een tak of harde ondergrond geslagen om ze te verdoven en te verwerken voordat ze worden doorgeslikt.
Broeden gebeurt in een nestholte. Afhankelijk van lokale omstandigheden kan een tunnel worden uitgegraven in een steile oeverwand of talud, maar ook nestelen in zacht, rottend hout of in een termietenheuvel komt binnen deze groep voor. De nestkamer ligt beschut aan het einde van de tunnel of holte en biedt bescherming tegen regen en predatie. Succesvol broeden hangt sterk samen met stabiele nestsubstraten, voldoende rust rond de nestplek en een goed aanbod aan prooien in de directe omgeving.
De algemene kleurindruk is vaak opvallend helder en contrastrijk, met combinaties van blauw, turkoois, oranje en wit, afhankelijk van de soort. Verschillen tussen de soorten zitten onder meer in de tint en tekening van de kop en borst en in de habitatkeuze. Het gedrag past bij een stille, oplettende “zit-en-wacht”-jachtwijze, waarbij vanaf een lage tak, een wortel boven water of een beschutte uitkijkpost in de ondergroei naar prooi wordt gescand, gevolgd door een korte, snelle uitval.
Het leefgebied van Ispidina ligt in Afrika ten zuiden van de Sahara en varieert van drogere, open woodland en savanne-achtige landschappen tot vochtige tropische regenwouden, afhankelijk van de soort. In bosrijke gebieden wordt vaak dicht bij schaduwrijke beekjes, natte plekken en kreken gejaagd, terwijl in opener landschap ook langs oeverzones, poelen en rustige waterkanten wordt gefoerageerd, zolang er voldoende dekking en uitkijkposten aanwezig zijn.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine ongewervelden zoals insecten en andere kleine dieren die op of nabij de bodem en in lage vegetatie worden buitgemaakt. In geschikte situaties worden ook kleine vissen en watergebonden prooien benut. Prooien worden regelmatig tegen een tak of harde ondergrond geslagen om ze te verdoven en te verwerken voordat ze worden doorgeslikt.
Broeden gebeurt in een nestholte. Afhankelijk van lokale omstandigheden kan een tunnel worden uitgegraven in een steile oeverwand of talud, maar ook nestelen in zacht, rottend hout of in een termietenheuvel komt binnen deze groep voor. De nestkamer ligt beschut aan het einde van de tunnel of holte en biedt bescherming tegen regen en predatie. Succesvol broeden hangt sterk samen met stabiele nestsubstraten, voldoende rust rond de nestplek en een goed aanbod aan prooien in de directe omgeving.
Dwergijsvogel
[LAT] Ispidina picta |
[UK] African Pygmy Kingfisher |
[FR] Martin-pêcheur nain d’Afrique |
[DE] Afrikanischer Zwergfischer |
[ES] Martín pescador pigmeo africano |
[NL] Dwergijsvogel



Klik hier Dwergijsvogel details
De Afrikaanse dwergijsvogel (Ispidina picta, Boddaert, 1783) heeft wereldwijd de status Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is groot en de soort wordt in veel regio’s als algemeen of lokaal talrijk beschouwd, waardoor de wereldwijde beoordeling niet wijst op directe risico’s voor het voortbestaan.
De soort komt voor in Sub-Sahara Afrika, met een verspreiding die in brede gordels uiteenloopt van West-Afrika via delen van Centraal-Afrika tot Oost- en zuidelijk Afrika. In een deel van het areaal treden seizoensgebonden verplaatsingen op, waarbij aanwezigheid verschuift met regenpatronen en het aanbod van grote insecten, terwijl in andere gebieden vooral sprake is van standplaatsgebonden gedrag met lokale zwerftochten.
Afrikaanse dwergijsvogel is een zeer kleine ijsvogel met een compacte bouw en een relatief grote kop. De bovenzijde toont vaak opvallend helder blauw, terwijl de onderzijde warm oranje tot roestkleurig oogt. Opvallend zijn ook de grijs getinte kop, een lichte keelzone en een donkere oogstreep, waardoor het soortbeeld contrastrijk blijft, zelfs in schaduwrijke begroeiing.
Het leefgebied bestaat vooral uit open bos en savanne met verspreide bomen, bosranden, struweelzones en rivierbosjes. Dichte, gesloten bossen worden doorgaans minder benut, terwijl halfopen biotopen met laaghangende takken en rustige dekking juist geschikt zijn. Aanwezigheid is niet strikt aan open water gebonden, maar jachtplekken liggen vaak in de buurt van vochtige zones, poelen of beekranden waar prooien talrijk zijn.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit grote insecten en spinnen, aangevuld met andere kleine dieren zoals kleine hagedissen en kikkers wanneer die gemakkelijk beschikbaar zijn. Jacht gebeurt meestal vanaf een lage uitkijkpost, gevolgd door een korte, snelle uitval naar de bodem of vegetatie. Prooien worden vaak in de snavel gekneusd of tegen een tak geslagen voordat doorslikken volgt.
Broeden gebeurt in een nestholte, vaak als tunnel in een steile zandige oever of in geschikte grondwanden. Ook nestelen in termietenstructuren kan voorkomen waar dit lokaal beschikbaar is. Het legsel bestaat doorgaans uit vier tot zes witte eieren en beide oudervogels verzorgen meestal broeden en voeren. In gunstige omstandigheden kunnen meerdere broedsels in één jaar voorkomen, afhankelijk van regen, prooiaanbod en nestgelegenheid.
De soort komt voor in Sub-Sahara Afrika, met een verspreiding die in brede gordels uiteenloopt van West-Afrika via delen van Centraal-Afrika tot Oost- en zuidelijk Afrika. In een deel van het areaal treden seizoensgebonden verplaatsingen op, waarbij aanwezigheid verschuift met regenpatronen en het aanbod van grote insecten, terwijl in andere gebieden vooral sprake is van standplaatsgebonden gedrag met lokale zwerftochten.
Afrikaanse dwergijsvogel is een zeer kleine ijsvogel met een compacte bouw en een relatief grote kop. De bovenzijde toont vaak opvallend helder blauw, terwijl de onderzijde warm oranje tot roestkleurig oogt. Opvallend zijn ook de grijs getinte kop, een lichte keelzone en een donkere oogstreep, waardoor het soortbeeld contrastrijk blijft, zelfs in schaduwrijke begroeiing.
Het leefgebied bestaat vooral uit open bos en savanne met verspreide bomen, bosranden, struweelzones en rivierbosjes. Dichte, gesloten bossen worden doorgaans minder benut, terwijl halfopen biotopen met laaghangende takken en rustige dekking juist geschikt zijn. Aanwezigheid is niet strikt aan open water gebonden, maar jachtplekken liggen vaak in de buurt van vochtige zones, poelen of beekranden waar prooien talrijk zijn.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit grote insecten en spinnen, aangevuld met andere kleine dieren zoals kleine hagedissen en kikkers wanneer die gemakkelijk beschikbaar zijn. Jacht gebeurt meestal vanaf een lage uitkijkpost, gevolgd door een korte, snelle uitval naar de bodem of vegetatie. Prooien worden vaak in de snavel gekneusd of tegen een tak geslagen voordat doorslikken volgt.
Broeden gebeurt in een nestholte, vaak als tunnel in een steile zandige oever of in geschikte grondwanden. Ook nestelen in termietenstructuren kan voorkomen waar dit lokaal beschikbaar is. Het legsel bestaat doorgaans uit vier tot zes witte eieren en beide oudervogels verzorgen meestal broeden en voeren. In gunstige omstandigheden kunnen meerdere broedsels in één jaar voorkomen, afhankelijk van regen, prooiaanbod en nestgelegenheid.
Klik hier Genus Megaceryle
Genus Megaceryle (Kaup, 1848) is een geslacht van zeer grote ijsvogels binnen de familie Alcedinidae. Het geslacht werd in 1848 opgesteld en omvat vier soorten met een opvallend brede verspreiding: in de Amerika’s, in Afrika en in delen van Zuid- en Zuidoost-Azië. Binnen dit geslacht vallen onder meer de soorten die bekendstaan als de bandijsvogel, ringijsvogel, reuzenijsvogel en kuifijsvogel, die onderling verschillen in grootte, tekening en leefgebied, maar duidelijk hetzelfde robuuste “grote-ijsvogel”-type vertegenwoordigen.
Soorten uit Megaceryle zijn fors gebouwd met een relatief grote kop, een stevige, rechte snavel en meestal een duidelijke kuif. De bovenzijde oogt vaak donkergrijs tot blauwgrijs, met bij sommige soorten een vrij egale indruk en bij andere juist een uitgesproken gevlekte of gespikkelde tekening op vleugels en rug. De onderzijde varieert van grotendeels wit tot contrastrijk gebandeerd of gekleurd, wat het soortbeeld in het veld vaak zeer herkenbaar maakt. Het vliegbeeld is krachtig en direct, vaak langs waterlopen met snelle vleugelslagen en korte glijmomenten.
Het leefgebied ligt vrijwel altijd in de nabijheid van water. Rivieren, meren, estuaria, lagunes, brede beken en beschutte kustwateren worden veel benut, vooral waar helder of ondiep water het opsporen van prooi vergemakkelijkt. Uitkijkposten zoals overhangende takken, palen en uitstekende oeverdelen zijn belangrijk, omdat jacht vaak begint vanuit een vaste zitplaats. Bij meerdere soorten komt ook stilhangen boven het water voor, gevolgd door een snelle duik.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit vissen. Daarnaast worden ook watergebonden prooien zoals kreeftachtigen en soms amfibieën benut wanneer die lokaal overvloedig zijn. Prooien worden geregeld op een tak of andere harde ondergrond geslagen om te verdoven en te verwerken voordat ze worden doorgeslikt.
Broeden gebeurt in een nesttunnel die meestal in een steile oeverwand, zandige rivierbank of talud wordt uitgegraven. Aan het einde van de tunnel ligt een nestkamer waar de eieren worden gelegd en de jongen worden grootgebracht. Geschikte, stabiele oevers en voldoende prooidichtheid in de directe omgeving zijn bepalend voor succesvol broeden.
Soorten uit Megaceryle zijn fors gebouwd met een relatief grote kop, een stevige, rechte snavel en meestal een duidelijke kuif. De bovenzijde oogt vaak donkergrijs tot blauwgrijs, met bij sommige soorten een vrij egale indruk en bij andere juist een uitgesproken gevlekte of gespikkelde tekening op vleugels en rug. De onderzijde varieert van grotendeels wit tot contrastrijk gebandeerd of gekleurd, wat het soortbeeld in het veld vaak zeer herkenbaar maakt. Het vliegbeeld is krachtig en direct, vaak langs waterlopen met snelle vleugelslagen en korte glijmomenten.
Het leefgebied ligt vrijwel altijd in de nabijheid van water. Rivieren, meren, estuaria, lagunes, brede beken en beschutte kustwateren worden veel benut, vooral waar helder of ondiep water het opsporen van prooi vergemakkelijkt. Uitkijkposten zoals overhangende takken, palen en uitstekende oeverdelen zijn belangrijk, omdat jacht vaak begint vanuit een vaste zitplaats. Bij meerdere soorten komt ook stilhangen boven het water voor, gevolgd door een snelle duik.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit vissen. Daarnaast worden ook watergebonden prooien zoals kreeftachtigen en soms amfibieën benut wanneer die lokaal overvloedig zijn. Prooien worden geregeld op een tak of andere harde ondergrond geslagen om te verdoven en te verwerken voordat ze worden doorgeslikt.
Broeden gebeurt in een nesttunnel die meestal in een steile oeverwand, zandige rivierbank of talud wordt uitgegraven. Aan het einde van de tunnel ligt een nestkamer waar de eieren worden gelegd en de jongen worden grootgebracht. Geschikte, stabiele oevers en voldoende prooidichtheid in de directe omgeving zijn bepalend voor succesvol broeden.
Afrikaanse reuzenijsvogel
[LAT] Megaceryle maxima |
[UK] Giant Kingfisher |
[FR] Martin-pêcheur géant |
[DE] Rieseneisvogel |
[ES] Martín pescador gigante |
[NL] Reuzenijsvogel



Klik hier Afrikaanse reuzenijsvogel details
De Afrikaanse reuzenijsvogel (Megaceryle maxima, Pallas, 1769) heeft wereldwijd de status Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is zeer groot en hoewel in delen van het areaal een afname wordt vermoed, is die afname niet snel genoeg om de soort volgens de IUCN-criteria als bedreigd te plaatsen. De totale populatie is niet overal goed gekwantificeerd, maar de soort blijft in veel geschikte gebieden aanwezig.
De soort komt wijdverspreid voor in Afrika ten zuiden van de Sahara. Aanwezigheid is sterk gekoppeld aan grote wateren, waardoor verspreiding in de praktijk vaak lintvormig is langs rivieren en meren. In veel regio’s is sprake van standplaatsgebonden gedrag, met lokale verplaatsingen wanneer waterpeil, visbeschikbaarheid of verstoring verandert.
Afrikaanse reuzenijsvogel is de grootste ijsvogel van Afrika en heeft een krachtige bouw met een zeer grote kop en een lange, stevige, dolkvormige snavel. Het verenkleed is contrastrijk zwart-wit met een duidelijke kuif. Over de borst lopen donkere banden of vlekken, waardoor het soortbeeld in vlucht en zittend goed herkenbaar is. De forse snavel en sterke nek passen bij het vangen en hanteren van relatief grote, glibberige prooien.
Het leefgebied bestaat vooral uit brede, langzaam tot matig stromende rivieren, grote beken, meren, stuwmeren en rustige rivierarmen. Oevers met bomen, takken of rotsen die als uitkijkpost kunnen dienen zijn belangrijk. Ook in bergachtige streken kan de soort voorkomen, zolang er grotere waterlopen aanwezig blijven met voldoende vis. Heel kleine, smalle beekjes en sterk dichtgegroeide moeraszones worden doorgaans minder benut dan open water met goed zicht.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vis. Daarnaast worden ook krabben en andere watergebonden dieren genomen wanneer die lokaal rijk aanwezig zijn. Jacht gebeurt meestal vanaf een hoge zitplaats boven het water, zoals een tak, rots of paal. Na gericht speuren volgt een snelle duik, waarbij prooi met de snavel wordt gegrepen. Grote vissen worden vaak tegen een tak of rots geslagen om ze te verdoven en beter te kunnen doorslikken. Jacht kan ook plaatsvinden vanaf een laag rondvliegende positie boven het water, maar langdurig speuren vanaf een vaste post is typisch.
Broeden gebeurt meestal in een nesttunnel die in een steile zand- of leemoever wordt uitgegraven, vaak langs een rivier. Aan het einde van de tunnel ligt een nestkamer zonder bekleding. Het legsel bestaat doorgaans uit enkele witte eieren. Beide oudervogels verzorgen broeden en voeren. De broedperiode en het uitvliegen kunnen per regio variëren, maar de neststrategie blijft herkenbaar: een beschutte broedkamer in een oeverwand dicht bij visrijk water, met intensieve ouderzorg tijdens de opgroeifase.
De soort komt wijdverspreid voor in Afrika ten zuiden van de Sahara. Aanwezigheid is sterk gekoppeld aan grote wateren, waardoor verspreiding in de praktijk vaak lintvormig is langs rivieren en meren. In veel regio’s is sprake van standplaatsgebonden gedrag, met lokale verplaatsingen wanneer waterpeil, visbeschikbaarheid of verstoring verandert.
Afrikaanse reuzenijsvogel is de grootste ijsvogel van Afrika en heeft een krachtige bouw met een zeer grote kop en een lange, stevige, dolkvormige snavel. Het verenkleed is contrastrijk zwart-wit met een duidelijke kuif. Over de borst lopen donkere banden of vlekken, waardoor het soortbeeld in vlucht en zittend goed herkenbaar is. De forse snavel en sterke nek passen bij het vangen en hanteren van relatief grote, glibberige prooien.
Het leefgebied bestaat vooral uit brede, langzaam tot matig stromende rivieren, grote beken, meren, stuwmeren en rustige rivierarmen. Oevers met bomen, takken of rotsen die als uitkijkpost kunnen dienen zijn belangrijk. Ook in bergachtige streken kan de soort voorkomen, zolang er grotere waterlopen aanwezig blijven met voldoende vis. Heel kleine, smalle beekjes en sterk dichtgegroeide moeraszones worden doorgaans minder benut dan open water met goed zicht.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vis. Daarnaast worden ook krabben en andere watergebonden dieren genomen wanneer die lokaal rijk aanwezig zijn. Jacht gebeurt meestal vanaf een hoge zitplaats boven het water, zoals een tak, rots of paal. Na gericht speuren volgt een snelle duik, waarbij prooi met de snavel wordt gegrepen. Grote vissen worden vaak tegen een tak of rots geslagen om ze te verdoven en beter te kunnen doorslikken. Jacht kan ook plaatsvinden vanaf een laag rondvliegende positie boven het water, maar langdurig speuren vanaf een vaste post is typisch.
Broeden gebeurt meestal in een nesttunnel die in een steile zand- of leemoever wordt uitgegraven, vaak langs een rivier. Aan het einde van de tunnel ligt een nestkamer zonder bekleding. Het legsel bestaat doorgaans uit enkele witte eieren. Beide oudervogels verzorgen broeden en voeren. De broedperiode en het uitvliegen kunnen per regio variëren, maar de neststrategie blijft herkenbaar: een beschutte broedkamer in een oeverwand dicht bij visrijk water, met intensieve ouderzorg tijdens de opgroeifase.
Amerikaanse reuzenijsvogel
[LAT] Megaceryle torquata |
[UK] Ringed Kingfisher |
[FR] Martin-pêcheur à ventre roux |
[DE] Riesenfischer |
[ES] Martín pescador grande |
[NL] Amerikaanse reuzenijsvogel



Klik hier Amerikaanse reuzenijsvogel details
De Amerikaanse reuzenijsvogel (Megaceryle torquata, Linnaeus, 1766) heeft wereldwijd de status Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is zeer groot en de populatietrend wordt als toenemend beschreven, waardoor de soort volgens de IUCN-criteria niet in de buurt komt van drempels voor een bedreigde categorie op basis van areaalgrootte, trend of aantallen.
De soort komt voor van het zuidwesten van de Verenigde Staten via Midden-Amerika tot aan Vuurland in Zuid-Amerika. Het voorkomen in het uiterste zuiden van Texas langs de benedenloop van de Rio Grande geldt als bekend kerngebied aan de noordrand, met meldingen van uitbreiding in noordelijke richting binnen Texas. Aanwezigheid is overwegend standplaatsgebonden, maar verplaatsingen naar verder gelegen wateren kunnen optreden in de broedtijd. Na het broedseizoen zijn in het noordelijke deel van het areaal ook verspreidingsbewegingen vastgesteld.
Amerikaanse reuzenijsvogel is een zeer grote ijsvogel van ongeveer 40 tot 41 cm, met een forse kop, een ruige kuif en een lange, stevige snavel. De bovenzijde is diep blauw tot blauwgrijs met opvallende witte markeringen en een brede witte halskraag. Een belangrijk veldkenmerk is de roestkleurige onderzijde. Bij mannetjes loopt deze roestkleur doorgaans door over de borst, waardoor een vrijwel geheel roestkleurige borst en buik ontstaat. Bij vrouwtjes is de borst vaker blauwgrijs, met een smalle witte scheidslijn tussen borst en buik, waardoor het contrast tussen borst en buik sterker is. Het silhouet is krachtig en zwaar gebouwd, passend bij jacht op relatief grote prooien.
Het leefgebied is breed en omvat meren, rivieren, beken, lagunes en kustzones. Voorkeur gaat vaak uit naar brede, langzaam stromende rivieren, laaglandmeren en moerassen, maar ook estuaria, brakke kustlagunes en mangroven worden veel benut. In sommige gebieden worden open stranden, rijstvelden, reservoirs, kanalen en stedelijke waterpartijen gebruikt. In fjordachtige kustlandschappen kunnen eveneens geschikte plekken aanwezig zijn, zolang er visrijk water en geschikte uitkijkposten zijn.
Het voedsel bestaat vooral uit vis. Wanneer het water troebel is, worden ook insecten, krabben en reptielen buitgemaakt. Incidenteel is ook predatie op kleine vogels beschreven. Jacht gebeurt meestal vanaf een vaste uitkijkpost boven het water, gevolgd door een snelle duik om prooi met de snavel te grijpen. Grote prooien worden geregeld verwerkt op een vaste zitplaats, waarbij controle over de prooi belangrijk is voordat doorslikken volgt.
Broeden gebeurt in een horizontale nestgang die in een steile zand- of aardeoever wordt uitgegraven, meestal langs een rivier, maar soms ook in erosiegeulen of weginsnijdingen op grotere afstand van water. De tunnel wordt door beide oudervogels gegraven en kan ongeveer twee tot drie meter diep zijn, met een hoogte rond tien centimeter en een kleine nestkamer aan het einde. Het legsel bestaat doorgaans uit drie tot zes eieren. Broeden duurt ongeveer 21 tot 25 dagen en vindt in afwisselende diensten plaats, met wissels meestal in de ochtend. Uitvliegen volgt na ongeveer 33 tot 38 dagen.
De soort komt voor van het zuidwesten van de Verenigde Staten via Midden-Amerika tot aan Vuurland in Zuid-Amerika. Het voorkomen in het uiterste zuiden van Texas langs de benedenloop van de Rio Grande geldt als bekend kerngebied aan de noordrand, met meldingen van uitbreiding in noordelijke richting binnen Texas. Aanwezigheid is overwegend standplaatsgebonden, maar verplaatsingen naar verder gelegen wateren kunnen optreden in de broedtijd. Na het broedseizoen zijn in het noordelijke deel van het areaal ook verspreidingsbewegingen vastgesteld.
Amerikaanse reuzenijsvogel is een zeer grote ijsvogel van ongeveer 40 tot 41 cm, met een forse kop, een ruige kuif en een lange, stevige snavel. De bovenzijde is diep blauw tot blauwgrijs met opvallende witte markeringen en een brede witte halskraag. Een belangrijk veldkenmerk is de roestkleurige onderzijde. Bij mannetjes loopt deze roestkleur doorgaans door over de borst, waardoor een vrijwel geheel roestkleurige borst en buik ontstaat. Bij vrouwtjes is de borst vaker blauwgrijs, met een smalle witte scheidslijn tussen borst en buik, waardoor het contrast tussen borst en buik sterker is. Het silhouet is krachtig en zwaar gebouwd, passend bij jacht op relatief grote prooien.
Het leefgebied is breed en omvat meren, rivieren, beken, lagunes en kustzones. Voorkeur gaat vaak uit naar brede, langzaam stromende rivieren, laaglandmeren en moerassen, maar ook estuaria, brakke kustlagunes en mangroven worden veel benut. In sommige gebieden worden open stranden, rijstvelden, reservoirs, kanalen en stedelijke waterpartijen gebruikt. In fjordachtige kustlandschappen kunnen eveneens geschikte plekken aanwezig zijn, zolang er visrijk water en geschikte uitkijkposten zijn.
Het voedsel bestaat vooral uit vis. Wanneer het water troebel is, worden ook insecten, krabben en reptielen buitgemaakt. Incidenteel is ook predatie op kleine vogels beschreven. Jacht gebeurt meestal vanaf een vaste uitkijkpost boven het water, gevolgd door een snelle duik om prooi met de snavel te grijpen. Grote prooien worden geregeld verwerkt op een vaste zitplaats, waarbij controle over de prooi belangrijk is voordat doorslikken volgt.
Broeden gebeurt in een horizontale nestgang die in een steile zand- of aardeoever wordt uitgegraven, meestal langs een rivier, maar soms ook in erosiegeulen of weginsnijdingen op grotere afstand van water. De tunnel wordt door beide oudervogels gegraven en kan ongeveer twee tot drie meter diep zijn, met een hoogte rond tien centimeter en een kleine nestkamer aan het einde. Het legsel bestaat doorgaans uit drie tot zes eieren. Broeden duurt ongeveer 21 tot 25 dagen en vindt in afwisselende diensten plaats, met wissels meestal in de ochtend. Uitvliegen volgt na ongeveer 33 tot 38 dagen.
Klik hier Genus Alcedo
Genus Alcedo (Linnaeus, 1758) is een geslacht van ijsvogels binnen de onderfamilie Alcedininae en wordt vaak gezien als de “typische rivier-ijsvogels”. Het geslacht werd in 1758 door Carl Linnaeus ingevoerd, met de ijsvogel als typesoort. Binnen het geslacht vallen meerdere soorten die vooral voorkomen in Afrika en in (Zuid- en Zuidoost-)Azië, met één soort die ook een groot deel van Europa en Noord-Afrika beslaat. :contentReference[oaicite:0]{index=0}
Soorten binnen Alcedo zijn klein tot middelgroot en compact gebouwd, met een relatief grote kop, korte poten en een rechte, krachtige snavel die is aangepast aan het grijpen van kleine prooien. De bovenzijde toont meestal duidelijke blauwe of blauwgroene tinten, vaak in combinatie met warm roest- tot oranjekleurige delen op kop of onderzijde, afhankelijk van de soort. Het gedrag past bij een uitgesproken “zit-en-wacht”-strategie langs waterkanten, waarbij vanaf een lage tak of andere uitkijkpost in korte, directe duiken wordt gejaagd. :contentReference[oaicite:1]{index=1}
Het leefgebied ligt meestal bij zoetwater, zoals beken, rivieren, kreken, plassen en rustig stromende waterlopen met natuurlijke oevers en overhangende vegetatie. Heldere of ondiepe zones zijn gunstig, omdat prooien dan beter zichtbaar zijn. In bosrijke gebieden ligt de nadruk vaak op schaduwrijke beekjes en kreken, terwijl in opener landschap ook rietranden, kanaaltjes en oeverzones worden benut, zolang er geschikte zitplaatsen zijn om te jagen. :contentReference[oaicite:2]{index=2}
Het voedsel bestaat vooral uit kleine vissen, vaak aangevuld met watergebonden ongewervelden zoals kreeftachtigen. Prooien worden geregeld op een tak of andere harde ondergrond geslagen om ze te verdoven en te verwerken voordat ze worden doorgeslikt. In vergelijking met meer terrestrisch jagende boomijsvogels is binnen dit geslacht de visjacht doorgaans het duidelijkste zwaartepunt. :contentReference[oaicite:3]{index=3}
Broeden gebeurt in een nesttunnel die meestal in een steile oeverwand of rivierbank wordt uitgegraven. Aan het einde van de tunnel ligt een nestkamer waar de eieren worden gelegd en de jongen worden grootgebracht. Stabiele oevers, voldoende rust rond de nestplek en een constante beschikbaarheid van prooi in de directe omgeving zijn belangrijke voorwaarden voor succesvol broeden. :contentReference[oaicite:4]{index=4}
Soorten binnen Alcedo zijn klein tot middelgroot en compact gebouwd, met een relatief grote kop, korte poten en een rechte, krachtige snavel die is aangepast aan het grijpen van kleine prooien. De bovenzijde toont meestal duidelijke blauwe of blauwgroene tinten, vaak in combinatie met warm roest- tot oranjekleurige delen op kop of onderzijde, afhankelijk van de soort. Het gedrag past bij een uitgesproken “zit-en-wacht”-strategie langs waterkanten, waarbij vanaf een lage tak of andere uitkijkpost in korte, directe duiken wordt gejaagd. :contentReference[oaicite:1]{index=1}
Het leefgebied ligt meestal bij zoetwater, zoals beken, rivieren, kreken, plassen en rustig stromende waterlopen met natuurlijke oevers en overhangende vegetatie. Heldere of ondiepe zones zijn gunstig, omdat prooien dan beter zichtbaar zijn. In bosrijke gebieden ligt de nadruk vaak op schaduwrijke beekjes en kreken, terwijl in opener landschap ook rietranden, kanaaltjes en oeverzones worden benut, zolang er geschikte zitplaatsen zijn om te jagen. :contentReference[oaicite:2]{index=2}
Het voedsel bestaat vooral uit kleine vissen, vaak aangevuld met watergebonden ongewervelden zoals kreeftachtigen. Prooien worden geregeld op een tak of andere harde ondergrond geslagen om ze te verdoven en te verwerken voordat ze worden doorgeslikt. In vergelijking met meer terrestrisch jagende boomijsvogels is binnen dit geslacht de visjacht doorgaans het duidelijkste zwaartepunt. :contentReference[oaicite:3]{index=3}
Broeden gebeurt in een nesttunnel die meestal in een steile oeverwand of rivierbank wordt uitgegraven. Aan het einde van de tunnel ligt een nestkamer waar de eieren worden gelegd en de jongen worden grootgebracht. Stabiele oevers, voldoende rust rond de nestplek en een constante beschikbaarheid van prooi in de directe omgeving zijn belangrijke voorwaarden voor succesvol broeden. :contentReference[oaicite:4]{index=4}
Europese ijsvogel
[LAT] Alcedo atthis |
[UK] Common Kingfisher |
[FR] Martin-pêcheur d’Europe |
[DE] Eisvogel |
[ES] Martín pescador común |
[NL] IJsvogel



Klik hier IJsvogel details
De Europese ijsvogel (Alcedo atthis, Linnaeus, 1758) heeft wereldwijd de status Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is groot en de wereldpopulatie is omvangrijk. Populatietrends zijn niet overal exact gekwantificeerd, maar veel populaties worden als stabiel beschreven, waardoor de soort op wereldschaal niet in de buurt komt van de drempels voor een bedreigde categorie.
De soort komt voor in grote delen van Eurazië en reikt ook tot Noord-Afrika en delen van de Oriëntaalse regio, met een oostelijke uitbreiding tot in Oost-Azië. In gebieden met strenge vorst trekken noordelijke populaties vaak zuidwaarts, meestal binnen het eigen broedareaal. In Centraal-Europa kunnen verplaatsingen sterk toenemen tijdens koude winters, terwijl populaties in zuidelijkere streken vaker standplaatsgebonden zijn. Trekt vindt vooral ’s nachts plaats en langs kusten en mediterrane routes zijn soms duidelijke verplaatsingsgolven zichtbaar. In wintergebieden worden vaak vaste winterterritoria bezet en jonge vogels kunnen tijdelijk in kleine groepjes bij elkaar blijven.
Europese ijsvogel is een kleine ijsvogel van ongeveer 15 tot 16 cm met een relatief lange, dolkvormige snavel. De bovenzijde is glanzend blauwgroen tot azuurblauw en de onderzijde warm oranje. Het snelle “blauwe flits”-effect langs waterkanten is kenmerkend. Kop en rug tonen contrastrijke patronen met blauw en donker, terwijl keel en kin licht zijn. Vrouwtjes zijn vergelijkbaar gekleurd, maar de ondersnavel is doorgaans grotendeels oranje-rood met een donkere punt, wat in goed zicht een bruikbaar onderscheidend kenmerk kan zijn.
Het leefgebied bestaat vooral uit stilstaand of langzaam stromend zoet water met een rijk aanbod aan kleine vis. Kleine rivieren, beken, sloten, kanalen en brede greppels worden vaak verkozen boven open water, al worden ook plassen, vijvers, meren en overstroomde grindgaten gebruikt. Belangrijk zijn rustige oeverzones met riet, ruigte of struiken die uitkijkposten bieden, en een geschikte steile oeverwand of grondbank voor het uitgraven van een nestgang. In de winter wordt vaker uitgeweken naar brakke milieus, zoals estuaria, havenranden en beschutte rotskusten, vooral wanneer binnenlandse wateren dichtvriezen.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vis, met een breed palet aan soorten afhankelijk van het lokale aanbod. Daarnaast worden waterinsecten en andere watergebonden ongewervelden genomen, en in de koude tijd ook vaker alternatieve prooien zoals garnalen en andere kleine kreeftachtigen. Jacht gebeurt meestal vanaf een vaste zitplaats één tot twee meter boven het water. Na het lokaliseren van prooi volgt een steile duik, waarbij prooi onder water wordt gegrepen tot op ongeveer een meter diepte. De typische houding met regelmatig “knikken” helpt bij het inschatten van afstand en diepte.
Broeden vindt plaats in een nestholte aan het einde van een tunnel die in een steile zandige of leemachtige oever wordt uitgegraven. Ook zandgroeves, veenwanden en andere geschikte grondbanken kunnen worden benut, en soms wordt gebruik gemaakt van een bestaande opening in een wand, een rotte boomstronk of een vergelijkbare structuur. Beide oudervogels graven doorgaans de nestgang, wat één tot twee weken kan duren. Het legsel bestaat meestal uit zes tot zeven eieren. Broeden duurt ongeveer negentien tot eenentwintig dagen, met broeden overdag door beide ouders en ’s nachts meestal door het vrouwtje. De broedperiode valt in veel gebieden tussen maart en juli, met regionale variatie. Strenge winters kunnen tot aanzienlijke verliezen leiden, maar bij gunstige omstandigheden kan herstel snel verlopen door meerdere broedpogingen binnen een jaar.
De soort komt voor in grote delen van Eurazië en reikt ook tot Noord-Afrika en delen van de Oriëntaalse regio, met een oostelijke uitbreiding tot in Oost-Azië. In gebieden met strenge vorst trekken noordelijke populaties vaak zuidwaarts, meestal binnen het eigen broedareaal. In Centraal-Europa kunnen verplaatsingen sterk toenemen tijdens koude winters, terwijl populaties in zuidelijkere streken vaker standplaatsgebonden zijn. Trekt vindt vooral ’s nachts plaats en langs kusten en mediterrane routes zijn soms duidelijke verplaatsingsgolven zichtbaar. In wintergebieden worden vaak vaste winterterritoria bezet en jonge vogels kunnen tijdelijk in kleine groepjes bij elkaar blijven.
Europese ijsvogel is een kleine ijsvogel van ongeveer 15 tot 16 cm met een relatief lange, dolkvormige snavel. De bovenzijde is glanzend blauwgroen tot azuurblauw en de onderzijde warm oranje. Het snelle “blauwe flits”-effect langs waterkanten is kenmerkend. Kop en rug tonen contrastrijke patronen met blauw en donker, terwijl keel en kin licht zijn. Vrouwtjes zijn vergelijkbaar gekleurd, maar de ondersnavel is doorgaans grotendeels oranje-rood met een donkere punt, wat in goed zicht een bruikbaar onderscheidend kenmerk kan zijn.
Het leefgebied bestaat vooral uit stilstaand of langzaam stromend zoet water met een rijk aanbod aan kleine vis. Kleine rivieren, beken, sloten, kanalen en brede greppels worden vaak verkozen boven open water, al worden ook plassen, vijvers, meren en overstroomde grindgaten gebruikt. Belangrijk zijn rustige oeverzones met riet, ruigte of struiken die uitkijkposten bieden, en een geschikte steile oeverwand of grondbank voor het uitgraven van een nestgang. In de winter wordt vaker uitgeweken naar brakke milieus, zoals estuaria, havenranden en beschutte rotskusten, vooral wanneer binnenlandse wateren dichtvriezen.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vis, met een breed palet aan soorten afhankelijk van het lokale aanbod. Daarnaast worden waterinsecten en andere watergebonden ongewervelden genomen, en in de koude tijd ook vaker alternatieve prooien zoals garnalen en andere kleine kreeftachtigen. Jacht gebeurt meestal vanaf een vaste zitplaats één tot twee meter boven het water. Na het lokaliseren van prooi volgt een steile duik, waarbij prooi onder water wordt gegrepen tot op ongeveer een meter diepte. De typische houding met regelmatig “knikken” helpt bij het inschatten van afstand en diepte.
Broeden vindt plaats in een nestholte aan het einde van een tunnel die in een steile zandige of leemachtige oever wordt uitgegraven. Ook zandgroeves, veenwanden en andere geschikte grondbanken kunnen worden benut, en soms wordt gebruik gemaakt van een bestaande opening in een wand, een rotte boomstronk of een vergelijkbare structuur. Beide oudervogels graven doorgaans de nestgang, wat één tot twee weken kan duren. Het legsel bestaat meestal uit zes tot zeven eieren. Broeden duurt ongeveer negentien tot eenentwintig dagen, met broeden overdag door beide ouders en ’s nachts meestal door het vrouwtje. De broedperiode valt in veel gebieden tussen maart en juli, met regionale variatie. Strenge winters kunnen tot aanzienlijke verliezen leiden, maar bij gunstige omstandigheden kan herstel snel verlopen door meerdere broedpogingen binnen een jaar.
Klik hier Genus Dacelo
Genus Dacelo (Leach, 1815) is een geslacht van ijsvogels dat vooral bekend is door de kookaburra’s. Het geslacht behoort tot de familie Alcedinidae en omvat meerdere relatief grote, robuust gebouwde soorten met een forse kop en een krachtige, rechte snavel. Binnen het geslacht komen opvallende contrasten in het verenkleed voor, vaak met combinaties van wit, crème, bruin en blauwgroene tot helderblauwe accenten op vleugels en staart, afhankelijk van de soort.
Het verspreidingsgebied ligt in het Australo-Pacifische gebied, met soorten in Australië en op Nieuw-Guinea en omliggende eilanden. Het voorkomen is vaak standplaatsgebonden, met lokale verplaatsingen die vooral samenhangen met voedselbeschikbaarheid, broedgebieden en seizoensinvloeden zoals regen en droogte. In geschikte gebieden kan langdurige territoriumtrouw voorkomen, waardoor dezelfde bosranden en open plekken jaar na jaar worden gebruikt.
In tegenstelling tot veel “klassieke” rivier-ijsvogels is Dacelo minder strikt aan open water gebonden. Het leefgebied bestaat vaak uit open bos, eucalyptusbos, woodland, bosranden, savanne-achtig landschap met bomen, parken en grotere tuinen, en ook landbouwmozaïek met houtwallen en boomgroepen. Uitkijkposten zoals takken, palen en draden worden intensief gebruikt, omdat jacht meestal start vanuit een vaste zitplaats.
Het voedsel is gevarieerd en bevat veel landprooi. Grote insecten, larven en andere ongewervelden vormen vaak een belangrijk deel, aangevuld met kikkers, hagedissen, kleine slangen, muisachtige zoogdieren en soms jonge vogels of eieren, afhankelijk van wat lokaal beschikbaar is. Prooien worden geregeld op een tak of harde ondergrond geslagen om te verdoven en beter te verwerken, waarna doorslikken volgt. Het jachtgedrag is vaak geduldig en doelgericht, met korte, krachtige uitvallen naar de prooi op de grond of in lage vegetatie.
Broeden gebeurt doorgaans in boomholten of in zacht hout, soms ook in termietenstructuren of andere geschikte holtes. De nestkamer ligt beschut en wordt meestal nauwelijks bekleed. Broedsucces hangt sterk samen met geschikte nestbomen, voldoende rust rond de nestplek en een goede prooidichtheid in de omgeving.
Het verspreidingsgebied ligt in het Australo-Pacifische gebied, met soorten in Australië en op Nieuw-Guinea en omliggende eilanden. Het voorkomen is vaak standplaatsgebonden, met lokale verplaatsingen die vooral samenhangen met voedselbeschikbaarheid, broedgebieden en seizoensinvloeden zoals regen en droogte. In geschikte gebieden kan langdurige territoriumtrouw voorkomen, waardoor dezelfde bosranden en open plekken jaar na jaar worden gebruikt.
In tegenstelling tot veel “klassieke” rivier-ijsvogels is Dacelo minder strikt aan open water gebonden. Het leefgebied bestaat vaak uit open bos, eucalyptusbos, woodland, bosranden, savanne-achtig landschap met bomen, parken en grotere tuinen, en ook landbouwmozaïek met houtwallen en boomgroepen. Uitkijkposten zoals takken, palen en draden worden intensief gebruikt, omdat jacht meestal start vanuit een vaste zitplaats.
Het voedsel is gevarieerd en bevat veel landprooi. Grote insecten, larven en andere ongewervelden vormen vaak een belangrijk deel, aangevuld met kikkers, hagedissen, kleine slangen, muisachtige zoogdieren en soms jonge vogels of eieren, afhankelijk van wat lokaal beschikbaar is. Prooien worden geregeld op een tak of harde ondergrond geslagen om te verdoven en beter te verwerken, waarna doorslikken volgt. Het jachtgedrag is vaak geduldig en doelgericht, met korte, krachtige uitvallen naar de prooi op de grond of in lage vegetatie.
Broeden gebeurt doorgaans in boomholten of in zacht hout, soms ook in termietenstructuren of andere geschikte holtes. De nestkamer ligt beschut en wordt meestal nauwelijks bekleed. Broedsucces hangt sterk samen met geschikte nestbomen, voldoende rust rond de nestplek en een goede prooidichtheid in de omgeving.
Kookaburra
[LAT] Dacelo novaeguineae |
[UK] Laughing Kookaburra |
[FR] Martin-chasseur géant |
[DE] Jägerliest |
[ES] Cucaburra risueña |
[NL] Kookaburra



Klik hier Kookaburra details
De Kookaburra (Dacelo novaeguineae, Hermann, 1783) heeft wereldwijd de status Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is zeer groot en de populatietrend wordt als stabiel beschreven, waardoor de soort volgens de IUCN-criteria niet in de buurt komt van drempels voor een bedreigde categorie op basis van areaalgrootte, trend of aantallen.
De soort komt voor in Australazië, met een belangrijk voorkomen in het oosten van Australië en daarnaast ook in delen van het zuidwesten waar populaties zijn gevestigd. Aanwezigheid is overwegend standplaatsgebonden. Lokale verplaatsingen binnen het territorium en naar nabijgelegen voedselrijke plekken komen voor, maar uitgesproken seizoentrek is niet kenmerkend.
Kookaburra is een grote, robuuste boomijsvogel met een zware, brede snavel en een opvallend grote kop. Het verenkleed toont meestal contrastrijke bruin-witte en blauwachtige accenten op vleugels en staart. Het postuur oogt gedrongen en krachtig, passend bij jacht op relatief grote prooien op het land. Een bekend veldkenmerk is de luidruchtige, golvende roep die vaak als “lachend” wordt omschreven en die vooral in de vroege ochtend en rond schemermomenten veel te horen is.
Het leefgebied is breed en omvat open bos, eucalyptusbos, bosranden, parklandschap, rivierbosjes, agrarisch mozaïek met bomen en ook tuinen en parken in en rond bebouwing. Belangrijk zijn voldoende uitkijkposten, zoals takken, palen en draden, en een structuur met beschutting waar rustplaatsen en nestgelegenheid aanwezig zijn. Water is geen vereiste voor aanwezigheid, omdat het jachtgedrag vooral op landprooi is gericht.
Het voedsel bestaat uit een breed spectrum aan dieren, waaronder grote insecten, regenwormen, slakken, kleine zoogdieren, jonge vogels, hagedissen en slangen. Jacht gebeurt meestal volgens een “zit-en-wacht”-strategie vanaf een hoge uitkijkpost, gevolgd door een snelle uitval naar de grond. Grotere prooien worden vaak tegen een tak of andere harde ondergrond geslagen om ze te doden of hanteerbaar te maken voordat doorslikken volgt.
Broeden gebeurt doorgaans in een holte, vaak in een boomholte, een uitgeholde stam of een termietenheuvel waar dit beschikbaar is. Het nest ligt beschut in de holte en het legsel bestaat meestal uit enkele eieren. Broedzorg is intensief en kan in familieverband plaatsvinden, waarbij oudere nakomelingen soms helpen bij het voeren en beschermen van jongen. De broedperiode en timing variëren regionaal, maar liggen vaak in de koelere tot gematigde maanden in Australië, afhankelijk van lokale omstandigheden en voedselaanbod.
De soort komt voor in Australazië, met een belangrijk voorkomen in het oosten van Australië en daarnaast ook in delen van het zuidwesten waar populaties zijn gevestigd. Aanwezigheid is overwegend standplaatsgebonden. Lokale verplaatsingen binnen het territorium en naar nabijgelegen voedselrijke plekken komen voor, maar uitgesproken seizoentrek is niet kenmerkend.
Kookaburra is een grote, robuuste boomijsvogel met een zware, brede snavel en een opvallend grote kop. Het verenkleed toont meestal contrastrijke bruin-witte en blauwachtige accenten op vleugels en staart. Het postuur oogt gedrongen en krachtig, passend bij jacht op relatief grote prooien op het land. Een bekend veldkenmerk is de luidruchtige, golvende roep die vaak als “lachend” wordt omschreven en die vooral in de vroege ochtend en rond schemermomenten veel te horen is.
Het leefgebied is breed en omvat open bos, eucalyptusbos, bosranden, parklandschap, rivierbosjes, agrarisch mozaïek met bomen en ook tuinen en parken in en rond bebouwing. Belangrijk zijn voldoende uitkijkposten, zoals takken, palen en draden, en een structuur met beschutting waar rustplaatsen en nestgelegenheid aanwezig zijn. Water is geen vereiste voor aanwezigheid, omdat het jachtgedrag vooral op landprooi is gericht.
Het voedsel bestaat uit een breed spectrum aan dieren, waaronder grote insecten, regenwormen, slakken, kleine zoogdieren, jonge vogels, hagedissen en slangen. Jacht gebeurt meestal volgens een “zit-en-wacht”-strategie vanaf een hoge uitkijkpost, gevolgd door een snelle uitval naar de grond. Grotere prooien worden vaak tegen een tak of andere harde ondergrond geslagen om ze te doden of hanteerbaar te maken voordat doorslikken volgt.
Broeden gebeurt doorgaans in een holte, vaak in een boomholte, een uitgeholde stam of een termietenheuvel waar dit beschikbaar is. Het nest ligt beschut in de holte en het legsel bestaat meestal uit enkele eieren. Broedzorg is intensief en kan in familieverband plaatsvinden, waarbij oudere nakomelingen soms helpen bij het voeren en beschermen van jongen. De broedperiode en timing variëren regionaal, maar liggen vaak in de koelere tot gematigde maanden in Australië, afhankelijk van lokale omstandigheden en voedselaanbod.
Pages: 1 2