Scharrelaars vormen een kleurrijke en opvallende familie van vogels binnen de orde Coraciiformes. Ze zijn verwant aan ijsvogels en bijeneters, en staan bekend om hun felgekleurde verenkleed, vaak in tinten blauw, groen en kastanjebruin. De familie Coraciidae telt wereldwijd ongeveer een dozijn soorten, waarvan de Europese scharrelaar (Coracias garrulus) de bekendste is in Europa.
Scharrelaars danken hun naam aan hun spectaculaire baltsvluchten, waarbij ze tuimelende en draaiende bewegingen maken in de lucht. Ze leven meestal in open landschappen zoals savannes, graslanden en bosranden, waar ze jagen op insecten, hagedissen en kleine gewervelden. Met hun brede snavels en scherpe zicht slaan ze hun prooi vanaf een uitkijkpost of in vlucht.
Hoewel ze mooi en charismatisch zijn, hebben sommige soorten te maken met afnemende populaties door verlies aan leefgebied en het gebruik van pesticiden.
Foto’s © Jan Dolphijn
Klik hier Genus Coracias
Soorten uit dit genus leven vooral in open tot halfopen biotopen, zoals savanne-achtig landschap, open bos, bosranden, landbouwmozaïek met bomen en droge graslanden met verspreide uitkijkposten. Een opvallende jachtstrategie is het langdurig posten vanaf een tak, paal of draad, gevolgd door een korte, gerichte uitval naar de grond. Daarbij worden vooral grote insecten genomen, maar ook kleine gewervelden zoals hagedissen, kikkers en kleine knaagdieren kunnen tot het menu behoren wanneer die lokaal beschikbaar zijn.
Voortplanting is vaak gebonden aan holtes, bijvoorbeeld in bomen, in oevers of in andere natuurlijke openingen. Het gebruik van bestaande gaten, zoals oude spechtenholen, komt veel voor. Het gedrag rond het broedterritorium kan duidelijk zichtbaar zijn, met frequente zitposten, baltsvluchten en roepactiviteit, vooral in de periode dat territoria bezet worden en de broedcyclus op gang komt.
Binnen het genus is een duidelijke voorkeur te zien voor warmere regio’s van de Oude Wereld, met soorten die vooral in Afrika en delen van Eurazië voorkomen. Migratiegedrag verschilt per soort en populatie, maar het algemene patroon blijft dat geschikte jachtgebieden met open zichtlijnen en voldoende zitposten een kernvoorwaarde vormen voor aanwezigheid.
Europese scharrelaar


Klik hier Scharrelaar details
De soort broedt in West- en Centraal-Eurazië en overwintert vrijwel volledig in Afrika ten zuiden van de Sahara. Trek is uitgesproken en intercontinentaal, met grote verplaatsingen tussen broedgebieden en winterkwartieren. In het najaar kunnen doortrekconcentraties optreden langs Noord-Afrikaanse routes en via grote trekassen richting Oost- en zuidelijk Afrika. In het voorjaar zijn opvallende, soms massale verplaatsingen bekend langs oostelijke corridors, waarbij grote aantallen binnen korte tijd over dezelfde regio kunnen trekken. De seizoensaanwezigheid in zuidelijk Afrika ligt doorgaans tussen oktober en april of mei, met regionale verschillen in timing en doortrekintensiteit.
Scharrelaar is een relatief grote, zeer kleurrijke vogel met een opvallend langgerekte indruk in vlucht en een relatief forse kop. Kop, hals en onderzijde zijn licht blauw, met een bleke zone rond de basis van de snavel en een smalle, donkere oogstreep. De bovenzijde is warm kastanjebruin, terwijl rug, stuit en bovenzijde van de staart helder blauw tot ultramarijn tonen. De vleugels laten in vlucht een sterk contrast zien tussen felle blauwgroene en blauwachtige delen en donkerder slagpennen, waardoor het kleurpatroon al op afstand herkenbaar is. De staart is blauwgroen met donkerder basis en iets grijzere middelste staartveren.
Het leefgebied bestaat uit warme, zonnige laaglanden met open landschap en verspreide bomen of boomgroepen. Geschikte gebieden zijn open agrarisch mozaïek, boomrijke graslanden, boomgaarden, brede rivierdalen, licht beboste zones met open plekken en vlaktes met verspreide doorn- of loofbomen. Aanwezigheid hangt sterk samen met voldoende uitkijkposten en een bodemstructuur waarin prooien goed zichtbaar en bereikbaar zijn.
Het voedsel bestaat vooral uit ongewervelden, met nadruk op kevers en andere stevige insecten. Ook andere grote insecten, schorpioenen en uiteenlopende bodem- of vegetatiebewonende prooidieren worden genomen, aangevuld met kleine gewervelden wanneer die beschikbaar zijn. Foerageren gebeurt vaak vanaf een verhoogde zitplaats, met langdurig speuren naar beweging op de grond en daarna een korte, gerichte uitval om prooi te grijpen. Af en toe worden ook vruchten gegeten, zoals druiven en vijgen, maar dit vormt meestal een klein deel van het menu.
Broeden gebeurt in paren en territoria worden actief verdedigd. Balts omvat vaak golvende, “rollende” en duikende vluchten boven het territorium. Het nest ligt in een holte zonder bekleding, bijvoorbeeld in een grote boom, in een gebouw, in een klifwand of in een oeverwand. Het legsel bestaat meestal uit vier tot vijf eieren. Broeden duurt ongeveer zeventien tot negentien dagen, waarbij broeden vooral door het vrouwtje plaatsvindt. Kuikens komen naakt en blind uit en ontwikkelen in de eerste weken duidelijk zichtbare, stekelige veerschachten voordat het verenkleed verder uitgroeit.
Blauwbuikscharrelaar


Klik hier Blauwbuikscharrelaar details
Het verspreidingsgebied ligt in West- en Centraal-Afrika, in een brede gordel van west naar oost. In veel gebieden is sprake van standplaatsgebonden aanwezigheid, met vooral lokale of seizoensgebonden verplaatsingen die samenhangen met regenval, insectenaanbod en de toestand van de vegetatie.
Het leefgebied bestaat vooral uit savanne en open savannebos, met verspreid staande bomen en een mozaïek van graslanden, bosranden en open plekken. Ook plekken met kort gras of recent verstoorde vegetatie kunnen aantrekkelijk zijn, omdat prooien daar beter zichtbaar en bereikbaar zijn.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit grotere insecten en andere ongewervelden, zoals kevers, sprinkhanen en termieten. Daarnaast worden soms kleine gewervelden genomen, bijvoorbeeld kleine reptielen, en incidenteel ook vruchten. Jagen gebeurt vaak vanaf een uitkijkpost in een boom. Na kort speuren volgt een snelle uitval naar de grond om prooien te grijpen. Rond brandplekken in savannelandschap kan veel insectenactiviteit ontstaan, wat extra foerageerkansen oplevert.
Broeden gebeurt doorgaans in een holte, meestal in een boom of in een andere natuurlijke opening. Het nest is meestal onopvallend en de omgeving rond de nestplaats wordt actief gebruikt als uitkijk- en jachtgebied. Het legsel bestaat vaak uit twee tot drie eieren. De broedduur ligt rond drie weken en de jongen worden na het uitkomen nog enkele weken gevoerd. Nazorg blijft vaak nog enige tijd doorgaan nadat de jongen zijn uitgevlogen.
De soort heeft wereldwijd de status Niet bedreigd (LC).
Sahelscharrelaar




Klik hier Sahelscharrelaar details
Het verspreidingsgebied ligt in een brede gordel ten zuiden van de Sahara, vooral in de Sahel en aangrenzende savannezones van West- tot Oost-Afrika. Daarnaast komt de soort ook voor in het zuidwesten van het Arabisch Schiereiland. In het zuidelijke deel van het areaal is aanwezigheid meestal standplaatsgebonden. Noordelijke broedpopulaties maken vaker korteafstandstrek en verplaatsen zich na het regenseizoen naar zuidelijkere gebieden met gunstiger omstandigheden.
Sahelscharrelaar is een opvallend gekleurde scharrelaar met warm bruin op de rug en overwegend blauwe tinten op kop, onderzijde en vleugels. In vlucht vallen de heldere blauwe vleugelvelden sterk op, vaak gecombineerd met een kenmerkende, sierlijke staart die bij volwassen vogels langwerpige verlengde staartpennen kan tonen. De vlucht is krachtig en rechtlijnig, en de soort zit geregeld hoog en zichtbaar op palen, draden of vrijstaande takken als vaste uitkijkposten.
Het leefgebied bestaat uit warm, open landschap met verspreid staande bomen en struiken, zoals savanne, droge graslanden met boombegroeiing, landbouwmozaïek met bomen, dorpsranden en open bosranden. Gebieden met voldoende zitposten en open bodemstructuren zijn vooral geschikt, omdat jacht vaak op de grond plaatsvindt. Aanpassing aan cultuurlandschap komt veel voor, waardoor aanwezigheid ook langs wegen en in agrarische zones regelmatig is.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit grote insecten en andere ongewervelden, zoals kevers, sprinkhanen en termieten, aangevuld met kleine gewervelden zoals muizen, kleine hagedissen of andere kleine prooien wanneer die beschikbaar zijn. Jacht gebeurt meestal vanuit een verhoogde zitpost, gevolgd door een snelle uitval naar de grond. Ook worden soms prooien bemachtigd rond brandplekken, waar insecten door rook en hitte uit de vegetatie worden gedreven.
Broeden gebeurt doorgaans in een holte, bijvoorbeeld in een boomholte, een opening in een wand of een geschikte holte in een gebouw. Het nest is weinig tot niet bekleed. Het legsel bestaat meestal uit drie tot zes eieren. De broedzorg vindt in paren plaats en het territorium wordt actief verdedigd, waarbij opvallende baltsvluchten met golvende, rollende en duikende bewegingen kunnen voorkomen, vooral aan het begin van het broedseizoen.
Vorkstaartscharrelaar

Klik hier Vorkstaartscharrelaar details
Het verspreidingsgebied ligt vooral in Zuidelijk en Oostelijk Afrika. In het zuidelijke deel van het Arabisch Schiereiland komt de soort soms als dwaalgast voor. Aanwezigheid is vaak standplaatsgebonden, maar lokale verplaatsingen en seizoensgebonden verschuivingen komen voor, vooral wanneer regenval, insectenrijkdom en vegetatiestructuur veranderen.
Vorkstaartscharrelaar is een zeer opvallende scharrelaar met een helder blauw tot turkoois kleurbeeld in combinatie met warm roestbruin en lila tinten op borst en onderzijde. De kop oogt relatief groot en de snavel is stevig. In vlucht vallen de contrasterende blauwe vleugelvelden sterk op, net als de lange staart met duidelijk verlengde staartveren die de “vorkstaart”-indruk geven. Zitgedrag op hoge uitkijkposten, zoals boomtoppen, palen en draden, is kenmerkend.
Het leefgebied bestaat vooral uit open bos, savanne en savannebos met verspreid staande bomen en open bodem. Treeless vlaktes worden doorgaans gemeden, terwijl mozaïeklandschap met open plekken en voldoende uitkijkposten juist geschikt is. Ook parkrand, landbouwmozaïek met bomen en wegbermen met zitposten kunnen benut worden, zolang jacht op de grond goed mogelijk blijft.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit grote insecten en andere ongewervelden, aangevuld met kleine gewervelden zoals kikkers, hagedissen en kleine vogels wanneer de gelegenheid zich voordoet. Jacht gebeurt vaak vanuit een verhoogde zitplaats met een korte, gerichte uitval naar de grond. Prooien worden soms tegen een tak of andere harde ondergrond geslagen om verwerking te vergemakkelijken.
Broeden vindt plaats in een natuurlijke holte, meestal in een boomholte, soms in een andere geschikte opening. Het nest is doorgaans onopvallend en zonder bekleding. Een legsel bestaat vaak uit twee tot vier eieren. Broedzorg wordt gedeeld door beide oudervogels en nestverdediging kan zeer fel zijn, met actief afweren van indringers in de directe omgeving van de nestplaats.
Indische scharrelaar



Klik hier details Indische scharrelaar
Het verspreidingsgebied ligt vooral in Zuid-Azië en strekt zich uit over grote delen van het Indiase subcontinent, met voorkomen in omliggende regio’s richting het westen en oosten, afhankelijk van de populatie. In delen van het areaal is sprake van standplaatsgebonden aanwezigheid, terwijl elders seizoensgebonden verplaatsingen voorkomen, bijvoorbeeld na de broedtijd of als reactie op regenpatronen en voedselaanbod.
Indische scharrelaar is een middelgrote, opvallend gekleurde vogel met een stevige bouw en een relatief grote kop. De onderzijde en vleugelvelden tonen vaak heldere blauwtinten, terwijl bovendelen bruiner ogen. In vlucht valt het contrastrijke blauw in de vleugels sterk op, en zitgedrag op palen, draden en vrijstaande takken is karakteristiek, vooral in open terrein.
Het leefgebied bestaat uit warm open landschap met verspreide bomen, zoals agrarisch mozaïek, open bos, savanneachtig terrein, rivieroevers met boombegroeiing, parken en dorpsranden. Aanwezigheid is sterk verbonden met voldoende uitkijkposten en open bodemstructuur, waardoor jagen op de grond effectief blijft. De soort profiteert vaak van menselijke structuren die extra zitplaatsen en nestmogelijkheden bieden.
Het voedsel bestaat vooral uit grote insecten en andere ongewervelden, zoals kevers, sprinkhanen, termieten en krekels. Daarnaast worden ook kleine gewervelden genomen, bijvoorbeeld kleine hagedissen, kikkers en kleine knaagdieren, afhankelijk van lokaal aanbod. Foerageren gebeurt meestal vanaf een verhoogde zitpost met een korte, gerichte uitval naar de grond. Rond ploegen, maaien en brandplekken kunnen tijdelijk extra foerageerkansen ontstaan door verhoogde activiteit van insecten en kleine dieren.
Broeden gebeurt doorgaans in een holte, bijvoorbeeld in een boomholte, een opening in een gebouw, een nis in een wand of andere geschikte structuur. Het nest is meestal weinig bekleed. Het legsel bestaat vaak uit enkele eieren en beide oudervogels verzorgen broeden en voeren. Het broedseizoen valt in veel gebieden in het voorjaar en de vroege zomer, met regionale variatie afhankelijk van klimaat en regenregime.
Roodkruinscharrelaar


Klik hier Roodkruinscharrelaar details
Het verspreidingsgebied ligt wijd verspreid in Afrika ten zuiden van de Sahara. Aanwezigheid is meestal standplaatsgebonden, met lokale verplaatsingen die samenhangen met regenval, voedselbeschikbaarheid en de toestand van de vegetatie. In droge seizoenen kan een duidelijke verschuiving optreden naar gebieden met gunstiger omstandigheden.
Het leefgebied bestaat vooral uit droge savanne, doornstruikland en open bos met voldoende uitkijkposten. Langdurig zitten op de top van doornbomen, op palen of op andere hoge punten is kenmerkend, waarbij de omgeving intensief wordt afgespeurd naar prooien op of vlak boven de grond.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit grote insecten en andere ongewervelden, waaronder kevers, sprinkhanen, spinnen en schorpioenen. Daarnaast worden ook kleine gewervelden genomen, zoals kleine hagedissen en soms muizen of jonge vogels, afhankelijk van lokaal aanbod. Jagen gebeurt vaak vanuit een vaste zitpost, gevolgd door een korte, gerichte duik naar de grond. Tijdens balts- en territoriumvluchten komen golvende, “rollende” vluchtbewegingen voor, vaak vergezeld van raspende roepen.
Broeden vindt plaats in holtes, meestal in natuurlijke boomholten of oude spechtenholen, maar ook in gaten in oevers, klifwanden of in geschikte openingen in bouwwerken. Het legsel bestaat doorgaans uit ongeveer drie witte eieren. Beide oudervogels nemen doorgaans een deel van broeden en voeren voor rekening, en de broedperiode kan per regio variëren afhankelijk van de regencyclus.
De soort heeft wereldwijd de status Niet bedreigd (LC).
Klik hier Genus Eurystomus
Soorten binnen Eurystomus hebben doorgaans langere vleugels en kortere poten dan veel Coracias-scharrelaars. Het jachtgedrag sluit daarbij aan: prooien worden vaak in de lucht gegrepen of tijdens korte, wendbare vluchten boven open terrein, in plaats van uitsluitend vanuit een vaste zitpost met een duik naar de grond. In veel gebieden bestaat het menu vooral uit grotere insecten zoals kevers, sprinkhanen, termieten en gevleugelde mieren, aangevuld met andere kleine prooien wanneer die beschikbaar zijn.
Het leefgebied bestaat meestal uit open bos, savanne, bosranden en landbouwmozaïek met verspreide bomen, waar voldoende ruimte aanwezig is voor snelle achtervolgingsvluchten. Ook in vochtiger landschappen komen soorten voor, mits open plekken aanwezig blijven om te foerageren. Seizoensverplaatsingen komen bij meerdere soorten voor, vooral in delen van het verspreidingsgebied waar regenpatronen en insectenaanbod sterk variëren.
Broeden gebeurt doorgaans in holtes, bijvoorbeeld in boomholten of andere natuurlijke openingen. Het nest is meestal eenvoudig en weinig bekleed. De directe omgeving rond de nestplaats wordt vaak intensief gebruikt als jachtgebied, met regelmatige terugkeer naar vaste uitkijkpunten.
Breedbekscharrelaar




Klik hier Breedbekscharrelaar details
De soort is bekend als seizoensgebonden broedvogel die sterk samenhangt met het regenseizoen. Buiten de broedperiode vinden verplaatsingen plaats, waarbij populaties uit noordelijke en zuidelijke delen van het areaal vaak verschuiven richting vochtiger, meer equatoriale zones in de droge tijd. Hierdoor kan de soort lokaal sterk in aantallen wisselen door het jaar heen.
Het uiterlijk is robuust en opvallend, met een brede, felgele snavel die direct herkenning geeft. Bovendelen ogen warm bruin, terwijl in vlucht vooral de heldere blauwe vleugel- en staartdelen contrasteren met de bruine rug. De vlucht is krachtig en rechtlijnig, en zitgedrag op goed zichtbare uitkijkposten zoals boomtoppen, palen en draden komt veel voor.
Het leefgebied bestaat vooral uit open bos en savanneachtig landschap met hogere bomen, bij voorkeur in de nabijheid van water zoals rivieren, poelen of moerassige randen. Open plekken met goede uitkijkpunten en insectenrijkdom zijn belangrijk, waardoor de soort ook geregeld in halfopen cultuurlandschap kan worden gezien zolang bomen en water in de buurt aanwezig blijven.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit insecten. Zwermende mieren en termieten vormen vaak een belangrijk deel van het menu, vooral later op de dag wanneer zwermen op gang komen. Foerageren kan dan groepsgewijs plaatsvinden, soms met grote aantallen bij lokale zwermen. Prooien worden zowel vanuit een zitpost gegrepen als tijdens korte, wendbare vluchten boven open terrein.
Broeden gebeurt in een holte, meestal in een boomholte, zonder duidelijke nestbekleding. Het legsel bestaat vaak uit twee tot drie eieren. De omgeving rond de nestplaats wordt intensief gebruikt als jachtgebied, waarbij vaste zitposten een duidelijke rol spelen.