De Burhinidae, in het Nederlands bekend als grielen, vormen een kleine familie van middelgrote, nachtdieren met lange poten en grote ogen. Ze lijken op steltlopers, maar zijn genetisch verwant aan andere bodembewonende vogels zoals dikkoppen en trapjes. Grielen komen vooral voor in warme, droge streken in Afrika, Azië, Australië en delen van Europa en Zuid-Amerika.
Hun grote ogen zijn een aanpassing aan hun nachtelijke leefwijze, waarin ze jagen op insecten, kleine gewervelden en andere ongewervelden. Overdag blijven ze meestal goed verborgen door hun uitstekende camouflagekleuren, vaak bruin en gestreept als zand of dor gras.
Grielen staan bekend om hun opvallende, soms klaaglijke roep, die vooral ‘s nachts te horen is. Ze lopen vaak met snelle passen over de grond en vliegen zelden ver. Bekende soorten zijn de griel (Burhinus oedicnemus), die ook in Zuid-Europa en soms Nederland voorkomt, en de Australische griel (Burhinus grallarius), die in open bossen en graslanden leeft.
Foto’s © Jan Dolphijn
Klik hier Genus Burhinus
Soorten binnen Burhinus komen voor in open en vaak droge landschappen met veel zicht en kale plekken, zoals steppe, savanne, halfopen landbouwgebieden, rivierterrassen, kustvlaktes en open bosranden. Buiten de broedtijd kan foerageren overdag voorkomen, maar roepactiviteit en jacht op prooi vinden bij veel soorten vooral ’s avonds en ’s nachts plaats, met kenmerkende, ver dragende klaaglijke roepen.
Het dieet bestaat vooral uit grote insecten en andere ongewervelden, aangevuld met kleine gewervelden zoals hagedissen, kikkers of kleine knaagdieren, afhankelijk van soort en lokaal aanbod. Foerageren gebeurt meestal lopend over de grond, met korte sprintjes of snelle pikbewegingen naar prooi.
Broeden vindt doorgaans plaats op de grond in een ondiepe kuil of eenvoudige schraap, vaak op open bodem of tussen bladstrooisel en stenen, waarbij camouflage belangrijk is. Een legsel bestaat bij veel Burhinus-soorten vaak uit twee eieren; beide oudervogels bewaken het broedterritorium en kunnen bij verstoring afleidingsgedrag tonen om aandacht van eieren of kuikens weg te trekken.
Binnen de huidige soortenindeling worden in Burhinus meerdere soorten geplaatst, verspreid over Europa/Afrika, Sub-Sahara en Zuid-/Zuidoost-Azië tot en met Australië, met regionale variatie in trekgedrag van standvogel tot (gedeeltelijk) migrerend.
Europese griel




Klik hier Griel details
In het veld valt vaak een voorkeur op voor rennen in plaats van wegvliegen. Bij verstoring komt geregeld verstijfgedrag voor, waarbij de vogel volledig stil blijft staan en daardoor lastig te ontdekken is. De poten zijn stevig en geel, aangepast aan een leven op de grond in droog terrein.
Het leefgebied bestaat uit zeer kort begraasde, open graslanden op kalk- of zandbodems, droge heiden en duinen, maar ook uit geschikte akkers met laat ingezaaide gewassen en open plekken met weinig vegetatie. In zulke gebieden is voldoende zicht en ruimte aanwezig om prooien lopend te zoeken en om snel te kunnen wegspurten bij gevaar.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit bodembewonende insecten en larven, waaronder grote kevers, sprinkhanen, krekels en rupsen, aangevuld met regenwormen, slakken en soms kleine gewervelden zoals kikkers, kleine hagedissen en muizen. Ook eieren van andere vogels kunnen tot het menu behoren, afhankelijk van lokale beschikbaarheid.
Trekgedrag verschilt per populatie. Noordelijker en meer continentaal broedende populaties trekken in het najaar zuidwaarts naar Zuid-Europa, het Midden-Oosten en verder tot in Afrika, terwijl populaties in het Middellandse Zeegebied en delen van Noord-Afrika vaak standvogel zijn of slechts beperkte verplaatsingen maken.
Broeden vindt plaats op de grond in een eenvoudige ondiepe kuil op een open plek, vaak op zeer kort gras of kale bodem. Meestal worden twee eieren gelegd, licht van kleur met donkere spikkels. Het broeden duurt ongeveer 24 tot 26 dagen en de zorg rond nest en kuikens wordt gedeeld, waarbij het open akkerlandschap en beheermaatregelen een belangrijke rol kunnen spelen in het broedsucces doordat eieren en kuikens kwetsbaar zijn voor landbouwactiviteiten.
Senegalese Griel



Klik hier Senegalese Griel details
Deze soort valt op door grote gele ogen, een stevige zwart-gele snavel en een cryptisch bruin-grijs verenkleed dat goed camoufleert op droge bodems. In vlucht is een brede witte vleugelband opvallend. Activiteit piekt vooral rond zonsopkomst en zonsondergang, met een luid, herhaald “pi-pi-pi” als typische roep.
Voorkeur gaat uit naar droge, open habitats met wat kale grond, bij voorkeur in de nabijheid van water. Voedsel bestaat vooral uit insecten, kreeftachtigen en andere ongewervelden, aangevuld met kleine prooien wanneer beschikbaar. Broeden gebeurt op de grond in een eenvoudige ondiepe kuil; meestal worden twee lichtbruine, gevlekte eieren gelegd. Overwegend standvogelgedrag, met vooral lokale verplaatsingen afhankelijk van waterstand en voedselaanbod. :contentReference[oaicite:2]{index=2}
Kaapse griel


Klik hier Kaapse griel details
Voedsel bestaat voornamelijk uit grote insecten en andere ongewervelden, aangevuld met kleine gewervelden wanneer beschikbaar; foerageren gebeurt meestal lopend over de grond, vaak in de avond en nacht. Broeden vindt plaats op de grond in een ondiepe kuil of eenvoudige “scrape” met minimale bekleding; doorgaans worden één tot twee eieren gelegd, met broedzorg door beide oudervogels en een sterke nadruk op camouflage en stil blijven bij verstoring. In delen van het verspreidingsgebied komt broeden vooral in de warmere maanden voor, met regionale variatie afhankelijk van regen en voedselaanbod.
Australische griel



Klik hier Australische griel
Verspreiding omvat grote delen van het Australische vasteland, met nadruk op open bosland, lichte eucalyptus-woodlands, parkachtig landschap, savanneachtige graslanden met bomen, bosranden en soms landbouwgebieden met voldoende dekking. Overdag wordt vaak stil rustend doorgebracht op de grond in de schaduw of tussen strooisel; activiteit neemt toe in schemering en nacht.
Voedsel bestaat hoofdzakelijk uit grote insecten en andere ongewervelden zoals kevers, sprinkhanen, krekels, spinnen en wormen, aangevuld met kleine gewervelden zoals hagedissen, kikkers of kleine knaagdieren wanneer beschikbaar. Foerageren gebeurt vooral lopend over de grond, met korte sprints en snel “oppikken” van prooi.
Broeden vindt plaats op de grond, meestal als een ondiepe kuil of eenvoudige schaafplek met weinig tot geen nestmateriaal, vaak tussen strooisel, graspolletjes of lage vegetatie. Een legsel bestaat meestal uit één tot twee eieren. Broedzorg wordt doorgaans door beide oudervogels uitgevoerd, met sterke nadruk op camouflage; kuikens verlaten het nest snel en blijven afhankelijk van dekking en begeleiding tot volledige zelfstandigheid. Verplaatsingen zijn meestal lokaal en afhankelijk van regenval en voedselaanbod, zonder uitgesproken langeafstandstrek.