De Falconidae vormen een familie van roofvogels die wereldwijd voorkomen, met uitzondering van de poolgebieden. Tot deze familie behoren de echte valken (Falco) en de wat kleinere caracara’s uit Midden- en Zuid-Amerika. In tegenstelling tot haviken en arenden (familie Accipitridae), maken valken geen gebruik van brute kracht, maar van snelheid, behendigheid en precisie.
Valken zijn te herkennen aan hun scherpe, haakvormige snavel met een tandje (de “valkentand”) om prooien snel te doden, en hun lange, spitse vleugels die hen uitzonderlijk wendbaar maken in de lucht. De bekendste soort is de slechtvalk (Falco peregrinus), het snelste dier op aarde tijdens een duikvlucht (tot wel 350 km/u!).
Ze jagen voornamelijk op vogels en insecten, afhankelijk van de soort. Valken bouwen geen nesten, maar gebruiken kliffen, oude nesten van andere vogels of gebouwen als broedplaatsen.
Hun combinatie van kracht, elegantie en snelheid maakt ze tot fascinerende roofvogels die al eeuwenlang worden bewonderd — én ingezet in de valkerij.
Alle foto’s © Jan Dolphijn
Klik hier - Familie Microhierax
De snavel oogt relatief zwaar en heeft een duidelijk ontwikkelde ‘tand’ aan de snijrand, een typisch kenmerk bij valken. Ook de poten en voeten zijn, zeker in verhouding tot de lichaamsgrootte, uitzonderlijk robuust. De klauwen zijn scherp en sterk gekromd, geschikt om prooien in een snelle greep vast te pakken en direct te controleren.
Veel soorten binnen dit genus hebben een uitgesproken tekening, met contrastrijke patronen en vaak een glanzend zwarte bovenzijde. Jongere vogels lijken doorgaans sterk op volwassen dieren, waardoor het onderscheiden van leeftijden in het veld niet altijd eenvoudig is.
Microhierax is nauw verwant aan de andere falconetten Polihierax en Spiziapteryx. In totaal worden vijf soorten onderscheiden, met een verspreiding die loopt van India via Zuidoost-Azië tot aan de Filipijnen.
Musvalk






Klik voor Musvalk details
De musvalk komt voor in Zuidoost-Azië, van zuidelijk Myanmar (Tenasserim) en zuidwestelijk Thailand zuidwaarts over het Maleis schiereiland, en verder op Borneo (ten zuiden van ongeveer 5° NB), Sumatra, Java en Bali. Het is een standvogel, die dus doorgaans het hele jaar in hetzelfde gebied blijft.
Uiterlijk is de soort herkenbaar aan zwarte bovenzijde, een witachtig tot rosbruine onderzijde, brede zwarte “oorvlekken” en donkere flanken en dijen. De onderzijde oogt vaak duidelijk warmer ros dan bij verwante valkjes, wat in het veld een nuttig detail kan zijn.
In het Maleis schiereiland leeft de musvalk vooral in open plekken, randen van bos en allerlei vormen van secundair bos, maar ook in halfopen agrarische landschappen, parkachtig terrein en grote tuinen met veel bomen. Belangrijk is dat er voldoende hoge, dode takken of dode stammen aanwezig zijn als uitkijk- en jachtpost. Daarnaast gebruikt de soort graag oude nestholtes van spechten en (baardvogels) als rust- en nestplaats; zulke holtes dienen ook als schuilplek bij regen. De soort komt voor van laagland tot ten minste ongeveer 1.700 meter hoogte.
Het voedsel bestaat vooral uit grote insecten en andere geleedpotigen, zoals gevleugelde termieten, vlinders en motten, libellen, timmerbijen, kevers, grote sprinkhanen en bidsprinkhanen, cicaden en slechts af en toe kleine vogels. Er wordt vaak sociaal gejaagd, in paren of kleine familiegroepjes tot ongeveer vijf vogels. Vanuit een favoriete, vrijliggende uitkijkpost met goed overzicht maakt de musvalk korte uitvallen om prooien in de lucht te grijpen, soms ook in snelle bochten door de boomkruin en heel af en toe van een oppervlak, zelfs vanaf de grond. Na een succesvolle vangst wordt de prooi meestal teruggebracht naar de zitpost om daar te worden opgegeten.
Broeden gebeurt doorgaans in oude boomholtes, vaak 6 tot 20 meter hoog, die oorspronkelijk door spechten of grotere baardvogels zijn uitgehakt, maar soms ook in nissen en holtes in rotswanden of kalksteenkliffen. Een legsel telt meestal vier eieren, maar vaak vliegen uiteindelijk twee jongen uit, en zelden drie. Tijdens de balts hoort onderlinge verzorging, waarbij het paar elkaar poetst, duidelijk bij het vaste repertoire.
Klik hier - Familie Falco
Kenmerkend zijn de lange, spitse vleugels, die tijdens de vlucht vrijwel voortdurend actief gebruikt worden. Dat past bij een vliegstijl met snelle, krachtige slagen en efficiënt zweven of glijden wanneer de omstandigheden gunstig zijn. De snavel is kort maar zeer krachtig en heeft aan beide zijden een duidelijke ‘tand’ aan de snijrand, waarmee prooien snel kunnen worden gedood of in stukken kunnen worden getrokken.
Bij veel soorten binnen Falco valt bovendien een donkere, druppel- of snorvormige streep op langs de zijkant van de kop, vaak aangeduid als een “moustache”-tekening. Dit geeft veel valken een herkenbare, ‘felle’ uitdrukking en is in het veld vaak een van de eerste aanknopingspunten voor determinatie.
Valken uit dit genus staan bekend als bliksemsnelle jagers van open terrein. Ze kunnen grote hoogtes gebruiken om vervolgens in een steile duikvlucht toe te slaan, waarbij vooral vogelprooien in de lucht worden geraakt. Juist die spectaculaire duikvluchten en de extreem hoge snelheden die daarbij gehaald kunnen worden, hebben valken wereldwijd hun reputatie gegeven als de ultieme snelheidsjagers onder de vogels.
Slechtvalk





Klik voor Slechtvalk details
De slechtvalk komt vrijwel wereldwijd voor, op alle continenten behalve Antarctica. Hij leeft in uiteenlopende landschappen, van kusten en rivierdelta’s tot savannes, woestijnen, gebergten en zelfs toendra, en van zeeniveau tot in hooggebergte. Voor het broeden is de aanwezigheid van steile rotswanden of vergelijkbare hoge structuren vaak cruciaal. Daardoor kan de verspreiding lokaal onregelmatig zijn: waar geschikte nestplaatsen ontbreken, ontbreekt de soort soms ook, zelfs als er voldoende prooi aanwezig is.
Qua trekgedrag is de soort sterk variabel. In het noorden en noordoosten zijn veel populaties trekvogels, terwijl in het zuiden en westen meer stand- en zwerfvogels voorkomen. In arctische gebieden trekken slechtvalken vaak ver weg en overwinteren ze tot in tropisch Afrika. In gematigde streken zijn volwassen vogels vaak relatief plaatstrouw, maar vooral jonge vogels kunnen in de herfst en winter grote omzwervingen maken. De najaarstrek loopt grofweg van augustus tot begin november, en de terugkeer naar broedgebieden vindt meestal plaats tussen maart en begin mei, waarbij onvolwassen vogels soms langer wegblijven.
De soort heeft een zeer kenmerkend uiterlijk. Kop en nek zijn donker, met een donkere “helm” en een uitgesproken, donker wigvormig masker onder het oog. Keel en kin steken daar vaak helder wit tegen af. De bovenzijde varieert van blauwzwart of leigrijs tot warmbruin, met subtiele dwarsbandering op rug en schouders en duidelijker bandering op stuit en staart. De onderzijde is wit tot crème, met bij mannetjes meestal relatief fijnere tekening die naar beneden toe overgaat in horizontale bandering, terwijl vrouwtjes doorgaans zwaarder getekend zijn en sterker gebandeerd op buik, flanken en dijen. Volwassen vogels hebben zeer donkerbruine ogen en felgele poten en voeten. Jonge slechtvalken ogen meestal bruiner, met lichtere veerranden en meer verticale, bruin tot kaneelkleurige strepen op borst en buik, waardoor ze in het veld een wat “warmere” en grover getekende indruk maken.
De slechtvalk jaagt vooral op vogels, zoals spreeuwen, duiven, merels, gaaien, steltlopers en watervogels, en neemt slechts zelden ook kleine zoogdieren, reptielen of insecten. De vangst gebeurt meestal in de lucht, na een snelle achtervolging of na een spectaculaire duikvlucht vanuit hoogte. Juist die steile stootduik, waarmee prooien met grote snelheid uit de lucht kunnen worden geslagen, heeft de slechtvalk zijn wereldwijde reputatie als snelheidsjager gegeven.
Voor nestplaatsen kiest de soort van nature graag richels in steile kliffen, bij voorkeur met een beschuttende overhang en een vrij uitzicht, vaak in de buurt van water waar veel prooivogels aanwezig zijn. De slechtvalk bouwt meestal geen echt nest, maar legt de eieren in een ondiepe kuil die in substraat zoals grond, vegetatie, verweringsmateriaal of prooiresten wordt uitgekrabd. In moderne landschappen worden ook hoge gebouwen, bruggen, groeves en speciale nestplatforms gebruikt, soms midden in stedelijke omgevingen. Territoria kunnen jarenlang worden hergebruikt, waarbij dezelfde rotswand of hetzelfde gebouw seizoen na seizoen opnieuw bezet raakt.
Slechtvalken worden vaak pas geslachtsrijp op een leeftijd van twee tot drie jaar. Ze vormen doorgaans monogame paren en blijven vaak langdurig bij elkaar, al kan het gedrag buiten het broedseizoen variëren afhankelijk van voedselbeschikbaarheid. In het vroege broedseizoen zien paren elkaar opnieuw op het territorium, met baltsvluchten, roepcontacten en prooioverdrachten waarbij het mannetje het vrouwtje voedert. Eieren worden met tussenpozen van ongeveer twee tot drie dagen gelegd, meestal rond vier per legsel. Het broeden gebeurt vooral door het vrouwtje, met kortere broedbeurten door het mannetje. Na ongeveer 32 tot 34 dagen komen de eieren uit. Als een legsel vroeg in het seizoen verloren gaat, kan een vervangend legsel volgen. De jongen blijven na het uitkomen eerst volledig afhankelijk, worden in het begin vooral door het vrouwtje warm gehouden en gevoerd, en vliegen doorgaans uit na ongeveer 35 tot 42 dagen.
Binnen Europa is de soort in de tweede helft van de twintigste eeuw sterk achteruitgegaan, onder meer door vergiftiging met organochloorbestrijdingsmiddelen, waardoor hij in verschillende regio’s verdween. In de decennia daarna is in veel gebieden herstel opgetreden en is de soort opnieuw gaan broeden, ook op door mensen gemaakte structuren. In sommige regio’s speelt vervolging echter nog steeds een rol als drukfactor.
Boomvalk


Klik voor Boomvalk details
De boomvalk is wijd verspreid over Eurazië. Het broedgebied loopt van Noordwest-Afrika en Europa oostwaarts door Centraal-Azië en Noord-China tot aan Kamtsjatka, Sachalin en Noord-Japan. In de winter trekt hij weg naar warmere streken, vooral naar Centraal- en Zuidelijk Afrika en ook naar Zuid-Azië. In West-Palearctische gebieden is het een uitgesproken zomergast; winterwaarnemingen zijn uitzonderlijk, omdat de meeste vogels zich dan in het zuiden ophouden.
De trek is lang en doelgericht. De najaarstrek begint meestal eind augustus, met piekbewegingen in september in Europa, en tegen half oktober zijn in gematigde streken nog maar weinig boomvalken aanwezig. De oversteek van het Middellandse Zeegebied valt vooral tussen half september en half oktober. In het voorjaar start de terugtocht in Oost-Afrika in maart, met grote verplaatsingen in april. De oversteek richting Europa vindt vooral plaats van half april tot half mei, waarna broedgebieden van eind april tot eind mei weer worden bezet. In Noord-Europa behoort de boomvalk tot de later terugkerende zomervogels, wat goed past bij zijn sterke afhankelijkheid van prooi die vooral in het warme seizoen volop beschikbaar is.
Uiterlijk is de boomvalk een slanke, elegante valk met lange vleugels en een opvallend snelle, vaak hoog in de lucht uitgevoerde jacht. Hij is groter dan de smelleken en doet qua formaat enigszins aan een torenvalk denken, maar met een kortere staart en een meer sierlijke, “gestrekte” bouw. Het verenkleed is relatief donker, met een sterk gestreepte onderzijde. Een herkenbare combinatie is de lichte, roomkleurige keel en wangen, samen met de rossige “broek” op de dijen en rossige onderstaartdekveren; dat totaalbeeld is vaak doorslaggevend voor een zekere determinatie. Zittend houdt de boomvalk zich rechtop, waarbij de vleugelpunten vaak tot aan het einde van de korte staart reiken.
De boomvalk jaagt met een gracieuze maar zeer effectieve vliegstijl. Bij het jagen op vogels is de vlucht snel en strak, met stijve vleugelslagen, korte glijmomenten en uiteindelijk een bliksemsnelle stootduik of een snelle achtervolging. Bij het jagen op vliegende insecten wordt de slag vaak wat vlakker en rustiger, zodat prooien in de lucht kunnen worden gegrepen en soms zelfs al vliegend worden opgegeten. Zweven gebeurt met vlak uitgespreide vleugels en een vaak duidelijk gespreide staart. Hoveren doet hij zelden, wat hem onderscheidt van soorten die vaker “bidden”.
Het leefgebied is vooral laagland met voldoende warmte en biologische rijkdom om grote aantallen vliegende insecten te dragen. De boomvalk vermijdt doorgaans open, boomloze landschappen zoals uitgestrekte steppes en woestijnen, maar ook vaak kusten, eilanden, grote moerassen en sombere, natte gebieden. Ideaal zijn mozaïeken van open terrein met lage vegetatie, afgewisseld met groepjes bomen, boomrijen of bosranden met open plekken en glades. Zulke plekken bieden jachtruimte én geschikte, relatief rustige nestplaatsen met goed uitzicht. In Azië kan de soort ook in bergbossen voorkomen tot rond 3.050 meter, maar het blijft vooral een soort van warmer en productiever landschap. In de Afrikaanse overwinteringsgebieden gebruikt hij graag savanne, open bos, grasland en cultuurland, waar hij met andere insecteneters kan profiteren van massaal opkomende termieten na tropische regenbuien.
De boomvalk eet vooral vogels en insecten, en kan daarnaast af en toe vleermuizen, kleine zoogdieren of reptielen nemen. Hij jaagt voornamelijk in open lucht, waarbij hij inspeelt op lokale pieken in prooiaanbod. Vooral in de avond is hij vaak actief, wanneer vogels zich verzamelen bij slaapplaatsen en wanneer er veel insecten in beweging zijn; heel soms wordt zelfs bij maanlicht gejaagd. Prooien worden meestal met de voeten gegrepen in snelle, gecontroleerde vlucht, tijdens een duik, in vlakke achtervolging of in een opwaartse “ophaalbeweging” aan het einde van de duik. Vogels worden vaak hoog in de lucht gepakt, maar ook in snelle uitvallen op boomtop- of dakhoogte, of laag boven rietvelden en kolonies. De soort neemt een breed spectrum aan vogelprooien, maar heeft een duidelijke voorkeur voor soorten die veel in open lucht vliegen, zoals gierzwaluwen, zwaluwen, leeuweriken en piepers, en ook regelmatig mussen en vinkachtigen.
De boomvalk broedt meestal voor het eerst op ongeveer tweejarige leeftijd. Hij bouwt doorgaans geen eigen nest, maar gebruikt vaak oude kraaiennesten in bomen. De nesthoogte varieert sterk, van onder de 6 meter tot ruim 30 meter, en slechts zelden wordt op kliftoppen gebroed. In Noordwest-Europa valt het legbegin meestal in juni, terwijl in zuidelijker delen van het verspreidingsgebied al vanaf half mei eieren kunnen worden gelegd. Een legsel bestaat vaak uit ongeveer drie eieren. De broedduur ligt rond 28 tot 31 dagen. De jongen vliegen uit na ongeveer vier tot vijf weken en worden daarna nog enkele weken gevoerd tot ze volledig zelfstandig zijn. Tijdens het broeden is de soort territoriaal en meestal solitair; soms broeden meerdere paren losjes verspreid in hetzelfde gebied, waarbij elk paar een eigen nestterritorium bezet. In de broedtijd zijn spectaculaire baltsvluchten te zien, vaak geleid door het mannetje, met cirkelen, hoog zweven, roepen en prooioverdrachten in de lucht.
Torenvalk









Klik voor Boomvalk details
De torenvalk is wijd verspreid in Eurazië en Afrika en komt daarnaast in grote delen van Azië voor. Het trekgedrag verschilt sterk per regio. In noordelijke en oostelijke delen van het broedgebied is de soort vooral een trekvogel, terwijl in andere delen van Europa veel vogels gedeeltelijk trekken of zwerven, met name jonge vogels. Er is een belangrijke trekstroom die de Sahara oversteekt. In de winter reikt het verspreidingsgebied van West- en Noordwest-Europa tot diep in Afrika, onder meer tot de Golf van Guinea en verder zuidwaarts, en ook naar delen van het Midden-Oosten en het Arabisch Schiereiland. Het precieze tijdstip van de trek, vooral ten zuiden van de Sahara, hangt mede samen met regenval en de beschikbaarheid van insecten.
Uiterlijk is de torenvalk een kleine, warm kastanjebruine roofvogel die beroemd is om zijn “bidden”: stil in de lucht hangen boven grasland en akkers, op zoek naar prooi. De snavel is haakvormig en vaak blauwgrijs van tint, met een gele washuid. De poten zijn geel. Het mannetje heeft kastanjebruine bovendelen met zwarte vlekken en een blauwgrijze kop en staart; aan het uiteinde van de staart zit een duidelijke zwarte eindband. De onderzijde is gelig tot buffkleurig, met zwarte stippen. Het vrouwtje is doorgaans donkerder en sterker gebandeerd op rug, mantel en vleugels, en de staart heeft over de lengte meerdere donkere banden. Jonge vogels lijken meestal sterk op het vrouwtje, waardoor leeftijdsbepaling in het veld soms lastig kan zijn.
De soort is zeer flexibel in habitatkeuze en is in Europa een van de meest “verstedelijkte” roofvogels. Je vindt hem in uiteenlopende landschappen zoals parken, boomgaarden, kleine bosjes, rivierkloven en ravijnen, maar ook in agrarisch gebied en aan randen van dorpen en steden. In Noord-Afrika komt hij voor bij kust- en binnenlandse kliffen, in open bos, eucalyptusaanplant, palmoases, cultuurland en zelfs in halfdroge steppeachtige gebieden. In zuidelijk Afrika geeft een ondersoort vaak extra voorkeur aan heuvel- en bergland. Tijdens het jagen zit de torenvalk graag op hoge uitkijkpunten zoals rotsen, telefoonpalen, hoogspanningsmasten en elektriciteitsdraden, vanwaar hij het terrein afspeurt. Hij wordt vaak alleen of in paren gezien en is doorgaans niet extreem schuw, zeker niet in gebieden waar hij aan mensen gewend is geraakt.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine zoogdieren zoals veldmuizen, spitsmuizen en muizen, maar ook vogels tot ongeveer spreeuwgrootte en allerlei ongewervelden zoals kevers, sprinkhanen en wormen. Een bijzonder detail is dat torenvalken, naast hun zeer scherpe zicht, ook ultraviolet licht kunnen waarnemen. Dat helpt bij het opsporen van muizen, omdat muizenurine onder ultraviolet licht kan oplichten en zo looproutes en jachtkansen verraden, vooral in kort gras of open vegetatie.
De torenvalk broedt meestal solitair, maar in zeer gunstige gebieden kunnen losse kolonies ontstaan met meerdere broedparen bij elkaar. Nesten worden vaak niet zelf gebouwd; de soort gebruikt oude nesten van andere vogels, of broedt in holtes in bomen, op rotstrappen, en ook op door mensen gemaakte structuren zoals bruggen en gebouwen. Het legsel bestaat meestal uit drie tot vijf eieren, vaak gelegd van eind april tot mei, met ongeveer twee dagen tussen elk ei. Het broeden gebeurt hoofdzakelijk door het vrouwtje en duurt ongeveer 26 tot 30 dagen. Na het uitkomen groeien de jongen snel. Het mannetje brengt vooral voedsel aan, soms direct naar het nest en soms door prooi in de buurt achter te laten en het vrouwtje te roepen om het op te halen. De jongen vliegen doorgaans uit na vier tot vijf weken, maar blijven daarna nog tot ongeveer vier weken afhankelijk van de ouders terwijl ze hun jachttechnieken, inclusief het bidden, verder verfijnen.
Smelleken


Klik voor Smelleken details
Het smelleken is een noordelijke soort met een brede verspreiding in Noord-Amerika en Eurazië. In Europa broedt hij onder meer in IJsland, Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Scandinavië, de Baltische staten, Belarus en Rusland. In de winter wordt de soort ook verder zuidelijk aangetroffen, waarbij een deel van de vogels tot in Noord-Afrika kan doortrekken. In sommige gebieden is het lastig vast te stellen of winterwaarnemingen in broedgebieden betrekking hebben op standvogels of op trekkers van elders, omdat er zowel resident gedrag als instroom van andere populaties kan voorkomen.
De soort is vooral trekvogel, maar niet alle individuen trekken even ver. In het uiterste westen blijven sommige vogels vaker jaarrond aanwezig. In Europa trekken de meeste smellekens in de winter zuidwaarts, terwijl er in bijvoorbeeld Groot-Brittannië ook hoogteverplaatsingen voorkomen, waarbij vogels van heide- en veengebieden naar lager gelegen kustgebieden uitwijken. De najaarstrek begint doorgaans in augustus in Scandinavië en Noord-Rusland, met duidelijke pieken in september, en verder zuidelijk in West-Europa en rond de Alpen vooral in oktober. De voorjaarstrek begint vaak eind februari in zuidelijker gebieden; de meeste vogels zijn tegen eind april terug in het broedgebied, al kunnen de meest noordelijke arctische gebieden pas in mei weer bezet raken.
Uiterlijk is het smelleken een compacte, relatief kleine, “gedrongen” valk met een opvallend snelle, felle jachtstijl. Het mannetje heeft vaak donker tot licht blauwgrijze bovendelen, met onderzijde die kan variëren van donker en sterk gestreept tot bleek buffkleurig en licht gestreept. De staart toont meestal opvallende lichte banden. Het vrouwtje is overwegend bruiner, zonder de blauwgrijze tonen, en oogt vaak gelijkmatiger en minder contrastrijk dan het mannetje. Jonge vogels lijken meestal op het vrouwtje. Tussen ondersoorten bestaan verschillen in kleurtint en, in mindere mate, in grootte; sommige populaties zijn duidelijk donkerder, andere juist opvallend licht.
Het smelleken broedt in noordelijke, vaak open of halfopen landschappen. In Eurazië en Noord-Amerika is hij verbonden aan hooggelegen heide- en veengebieden, moerassen en open randen van naaldbos, en in boreale gebieden vaak in de buurt van plassen, vennen of open water. Dergelijke open plekken maken jagen gemakkelijker en trekken ook prooivogels aan. De soort is afhankelijk van voldoende voedsel en van beschikbare nestplaatsen, omdat hij meestal geen eigen nest bouwt.
De belangrijkste prooi bestaat uit kleine tot middelgrote vogels. Daarnaast worden ook insecten, knaagdieren en kleine hagedissen genomen. Soms kan een smelleken zelfs een vogel ter grootte van een duif slaan, maar veel vaker gaat het om kleine zangvogels of steltlopers van minder dan ongeveer 50 gram. Jagen gebeurt vooral overdag, met snelle achtervolgingen en plotselinge aanvallen, vaak langs bosranden, boven open terrein of langs waterrijke zones waar prooien geconcentreerd zijn. Af en toe wordt ook in de schemering gejaagd, waarbij soms vleermuizen worden gegrepen.
Bij het broeden gebruikt het smelleken meestal oude nesten van andere soorten, vooral van kraaiachtigen zoals kraaien en raven, en soms ook van andere roofvogels. Zeldzamer wordt gebroed in boomholtes, op kliffen of op de grond. Het eerste broeden vindt vaak plaats rond de leeftijd van twee jaar. Een legsel bestaat meestal uit vier tot vijf eieren. Het vrouwtje broedt het grootste deel van de tijd, gedurende ongeveer 28 tot 32 dagen, en wordt daarbij door het mannetje gevoerd. De jongen vliegen uit na ongeveer 25 tot 30 dagen, maar blijven daarna nog vier tot vijf weken afhankelijk van de ouders. Soms wordt voedsel tijdelijk opgeslagen, zowel in de broedtijd als in de winter, en jonge vogels kunnen na het uitvliegen nog samen optrekken, waarbij ze soms ook gezamenlijk zuidwaarts trekken.
Grijze torenvalk


Klik voor Grijze valk details
De soort komt voor in een groot deel van Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal oostwaarts tot Ethiopië en Eritrea, en zuidwaarts tot onder meer Namibië, Zambia en Malawi. De grijze torenvalk is overwegend standvogel, al kunnen in delen van West-Afrika wel seizoensgebonden verplaatsingen optreden, vermoedelijk gekoppeld aan regenpatronen en het lokale voedselaanbod.
De grijze torenvalk is een relatief kleine maar stevig gebouwde roofvogel die meteen opvalt door zijn vrijwel geheel leigrijze verenkleed. Dat uniforme grijs contrasteert sterk met de felgele oogring, washuid en poten en voeten. De kop is relatief groot, met een stevige, donkere snavel en bruine ogen. De vleugels zijn vrij kort en puntig, en de uiteinden van de handpennen ogen donkerder. Verwarring kan optreden met de roetvalk, maar de grijze torenvalk is duidelijk forser gebouwd en heeft kortere vleugels die, wanneer de vogel zit, meestal niet tot aan het staartuiteinde reiken. Mannetje en vrouwtje lijken sterk op elkaar, waarbij het mannetje gemiddeld iets kleiner is. Jonge vogels zijn te herkennen aan een bruine zweem over het verenkleed, een lichtere buik en een meer groenige tint aan de kale huid rond het gezicht.
Het leefgebied bestaat vooral uit vochtige palm-savanne en open bosland, maar de soort wordt ook gevonden in open plekken in secundair en zelfs primair bos. Daarnaast jaagt hij geregeld boven cultuurland en boven open graslanden, inclusief stukken die recent zijn afgebrand. De grijze torenvalk brengt veel tijd zittend door op telefoondraden, elektriciteitslijnen of op een dode tak hoog in een boomtop, vanwaar hij de grond nauwgezet afspeurt naar prooien. Meestal wordt hij alleen of in paren gezien, maar in de buurt van zwermende termieten kunnen soms tijdelijke foerageergroepjes ontstaan.
Het voedsel bestaat vooral uit knaagdieren, kleine vogels, kleine reptielen, insecten en andere ongewervelden. De prooi wordt meestal van de grond gepakt na een snelle duik vanaf een open uitkijkpost, en minder vaak na een korte achtervolging in de lucht. Een opvallend verschil met veel andere torenvalken is dat de grijze torenvalk doorgaans niet bidt; hij vertrouwt meer op uitkijkjacht en een gerichte duik, wat zijn jachtgedrag een eigen karakter geeft.
Broeden gebeurt meestal in oude nesten van de hamerkop, of in holtes in bomen. Er is gesuggereerd dat de beschikbaarheid van hamerkopnesten de verspreiding in sommige gebieden kan beïnvloeden, omdat zulke nesten niet overal even talrijk zijn. Toch kan de soort ook in boomholtes broeden; uit Namibië is bijvoorbeeld een broedgeval bekend in een boomcaviteit, met eileg rond half september. Een legsel bestaat meestal uit twee tot vier eieren. Er wordt ongeveer een maand gebroed en de jongen vliegen na ongeveer een maand uit, waarna ze nog een periode afhankelijk blijven terwijl ze hun jachtvaardigheden verder ontwikkelen.
Roodkopsmelleken



Klik voor Roodkopsmelleken details
De soort komt voor in delen van Afrika ten zuiden van de Sahara en daarnaast ook in de Oriëntaalse regio, met voorkomen in onder meer West-, Centraal- en Zuidelijk Afrika en in India. In de meeste gebieden is de roodneksmelleken waarschijnlijk vooral standvogel, maar hij kan flexibeler reageren op schommelingen in het voedselaanbod. Met name populaties in drogere gebieden lijken minder strikt plaatsgebonden en kunnen verplaatsen wanneer regenvalpatronen veranderen, wat logisch is omdat prooidichtheden daar sterk met seizoenen en neerslag meebewegen.
De roodneksmelleken is een middelgrote, langvleugelige valk met een opvallende warm roodbruine kruin en nek, waar hij zijn Nederlandse naam aan dankt. Volwassen vogels hebben doorgaans een helder, contrastrijk gezicht met donkere snorstreepjes, terwijl de bovenzijde lichtgrijs oogt met donkere handpennen en een donkere staartpunt. De onderzijde is overwegend wit, met donkere bandering die vooral zichtbaar is op de ondervleugels, de onderste borst, buik en onderstaart. Op de voorhals kan een warm buffkleurig bandje te zien zijn. Poten en oogring zijn geel. Mannetje en vrouwtje lijken sterk op elkaar, maar het vrouwtje is gemiddeld groter, zoals bij veel valken gebruikelijk is. Jonge vogels zijn onderaan meer buffkleurig, met minder uitgesproken bandering en een doffere bovenzijde, waardoor ze wat “zachter” van tekening ogen dan de adulten.
De soort leeft vooral in open landschappen met spaarzame vegetatie en verspreid staande bomen. Hij wordt vaak gezien in riviergebonden zones, langs bosranden, in droge waterlopen en in palm-savannes, en lijkt geregeld aangetrokken tot plekken waar palmen bij water aanwezig zijn, zoals bij drinkplaatsen en poelen. In Namibië en Botswana komt een vorm voor die meer aan droge habitats gebonden is, terwijl andere Afrikaanse populaties juist sterker gekoppeld zijn aan vochtiger bosland en savanne met Borassus-palmen, waar open graslanden en boomgroepen samen een geschikt jachtmozaïek vormen.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine vogels, tot ongeveer het formaat van een kleine duif. De jacht gebeurt vaak vanuit een open zitpost, vanwaar de roodneksmelleken met een snelle, directe uitval onder of net langs het bladerdak de prooi verrast. Minder vaak worden ook knaagdieren, vleermuizen en reptielen genomen, en waarschijnlijk soms ook termieten. Opvallend is dat de soort in sommige gebieden regelmatig samen foerageert met de gabarhavik rond waterplaatsen, onder meer in de Kalahari. Het lijkt erop dat beide soorten voordeel kunnen hebben van die nabijheid, doordat prooien onrustig worden en kansen op een succesvolle aanval toenemen.
De broedtijd verschilt per regio. In zuidelijk Afrika worden eieren vooral gelegd van juli tot oktober, terwijl in Oeganda eileg vooral van januari tot half april voorkomt. Nestplaatsen variëren eveneens. In drogere gebieden worden eieren vaak gelegd in oude stoknesten van kraaien of andere roofvogels, meestal hoog in de kroon van een solitaire boom. In andere delen van Afrika worden eieren juist regelmatig geplaatst in de kroon van een palm, bijvoorbeeld in een holte tussen bladbasissen of bij de aanzet van een palmblad. Een legsel bestaat doorgaans uit drie tot vier eieren, die diep buffkleurig zijn met veel fijne roodbruine spikkels. Het vrouwtje broedt en verzorgt de jongen, terwijl het mannetje vooral de jacht en aanvoer van prooi op zich neemt. De broedduur bedraagt ongeveer 33 dagen en de jongen blijven nog ongeveer 36 dagen op het nest voordat ze uitvliegen.
Lannervalk


Klik voor Lannervalk details
De lannervalk komt voor in delen van Zuid-Europa en is daarnaast wijd verspreid in Afrika en op het Arabisch Schiereiland. In Europa is de verspreiding vrij beperkt en vooral verbonden aan gebieden rond de centrale en oostelijke Middellandse Zee, met kerngebieden onder meer in Italië en Griekenland. In Rusland is de soort vooral in het zuiden aanwezig en ontbreekt hij in de winter doorgaans ten noorden van de Krim en de Kaukasus. Verder zuidelijk, waar het klimaat milder is, kunnen sommige vogels dichter bij de broedgebieden overwinteren of slechts kort weg zijn.
Het trekgedrag varieert per regio. In Rusland en West-Siberië trekken lannervalken uit de noordelijkste broedgebieden doorgaans weg in late september en oktober, om terug te keren in maart of begin april. Verder westelijk zijn veel populaties gedeeltelijke trekkers, waarbij in de Europese broedgebieden in de kernwinter vaak slechts een minderheid aanwezig is. Rond de Middellandse Zee trekken sommige vogels door Italië en overwinteren in het zuiden, en er zijn ook passages bekend via Turkije en Cyprus, met vooral najaarstrek van september tot november en een terugbeweging in maart en april. Een deel van de verplaatsingen gaat ook richting Noordoost-Afrika, waarbij vogels via de Nijlvallei door Egypte naar Soedan kunnen trekken en regelmatig ook in Ethiopië worden gezien. In zuid-centraal Europa kan de afwezigheidsperiode veel korter zijn, met vertrek in november en terugkeer al in februari of maart, afhankelijk van lokale omstandigheden en voedselaanbod.
Uiterlijk heeft de lannervalk vaak een warm kastanjebruine tint die door kan lopen tot in nek en mantel, met een onderzijde die meestal duidelijk gebandeerd is. Vrouwtjes zijn gemiddeld groter en ogen geregeld wat donkerder dan mannetjes. Jonge vogels zijn bruiner van boven en hebben onderaan vaak zwaardere, donkergrijze streping. Bij juvenielen is de kale huid rond het gezicht eerder bleek blauw dan geel, wat in combinatie met de algemene tekening een nuttig onderscheid kan zijn. Tussen noordelijke en zuidelijke populaties kan de mate van tekening op de onderzijde verschillen, en ook grootte en kleurintensiteit kunnen per regio variëren.
In Europa leeft de lannervalk vooral in droge, open landschappen met rotswanden, valleien en steppachtige zones, en hij vermijdt doorgaans gesloten bosgebieden. In Sicilië broedt hij bijvoorbeeld vaak in droge valleien met middelhoge rotskliffen en een mozaïek van schrale, niet geïrrigeerde landbouwgrond, ruigtes en begrazing. De voorkeur gaat uit naar een aride klimaat en vaak een zuidelijke expositie. Nestplaatsen liggen geregeld op aanzienlijke hoogte in de rotswand, terwijl het jachtgebied vaak bestaat uit uitgestrekte, open rotsige terreinen en binnenlandse steppeachtige landschappen. Broeden op zeekliffen komt relatief weinig voor. In Afrika zijn er ook populaties die flexibeler zijn in nestkeuze en bijvoorbeeld in bomen of zelfs op elektriciteitsmasten tot broeden kunnen komen.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine tot middelgrote vogels, zoals lijsters, duiven en kraaiachtigen, met een gemiddeld prooigewicht rond 100 tot 150 gram. Daarnaast worden ook reptielen en insecten gegeten, en in mindere mate kleine zoogdieren zoals muizen, vleermuizen en soms zelfs eekhoorns, afhankelijk van de lokale beschikbaarheid. Insecten kunnen een opvallend deel van het dieet vormen, in sommige gebieden tot ongeveer een derde. Plaatselijk kan de soort ook sterk specialiseren, bijvoorbeeld door in oases vleermuizen te vangen wanneer die in de schemer uitvliegen, of door tijdens het broedseizoen juist veel jongen van grondbewonende vogels te nemen als die tijdelijk ruim voorhanden zijn.
De voortplantingsbiologie is in detail niet overal even goed bekend, maar uit Europese kerngebieden is wel een duidelijk beeld opgebouwd. De lannervalk broedt meestal in geïsoleerde paren en gebruikt vaak rotswanden als nestplaats. Eieren worden gelegd in nissen, holtes, verlaten nesten van kraaiachtigen of andere roofvogels, en soms op richels. Het paar is monogaam en in zuidelijke gebieden begint de paarvorming vaak al in december of januari. De eileg valt meestal tussen eind februari en half maart, met doorgaans drie tot vier eieren, soms twee. Beide partners kunnen aan het broeden deelnemen. Het uitkomen van de eieren vindt vaak rond half april plaats. Daarna voert het vrouwtje in veel gevallen het grootste deel van de zorg voor de jongen uit, terwijl het mannetje een belangrijk deel van de prooiaanvoer verzorgt. Het uitvliegen gebeurt meestal rond half mei, al kunnen de data per regio en jaar variëren van vroeg in het voorjaar tot in het begin van de zomer. De broedsucces-cijfers verschillen per gebied, waarbij sommige populaties gemiddeld meer jongen grootbrengen dan andere, wat waarschijnlijk samenhangt met prooidichtheid, verstoring en de kwaliteit van het leefgebied.
In Europa is de soort sinds het midden van de twintigste eeuw in verschillende gebieden achteruitgegaan. Vervolging en het wegnemen van jongen voor de valkerij worden daarbij als belangrijke oorzaken genoemd, en in sommige regio’s lijkt die druk nog steeds een rol te spelen. Tegelijk is de kennisbasis over aantallen in sommige landen beperkt en zijn schattingen niet overal even nauwkeurig, waardoor regionale trends soms moeilijk goed te vergelijken zijn.
Kanarische torenvalk



Klik voor Kanarische Torenvalk details
Deze ondersoort wordt in het algemeen als standvogel beschouwd, zeker op eilanden zoals Tenerife, waar torenvalken jaarrond aanwezig zijn en in uiteenlopende habitats broeden. In vergelijking met continentale populaties gaat het dus minder om langeafstandstrek en meer om lokale verplaatsingen die samenhangen met voedsel en omstandigheden.
Qua bouw en uitstraling sluit canariensis aan bij de “klassieke” torenvalk: een relatief kleine valk met puntige vleugels en een vrij lange staart, gemaakt voor jagen boven open terrein en het afspeuren van de grond vanaf uitkijkposten. Tegelijk wordt de ondersoort vaak omschreven als iets kleiner en gemiddeld wat donkerder en warmer gekleurd dan veel Euraziatische torenvalken, waardoor hij op de eilanden soms een wat kompakter en dieper getint totaalbeeld kan geven.
In de Canarische context blijkt hij ecologisch opvallend flexibel. Hij komt voor van laaggelegen, open gebieden tot meer heuvelachtige zones, en maakt gebruik van zowel natuurlijke structuren als menselijke omgeving. Op Tenerife is hij bijvoorbeeld een algemeen voorkomende dagroofvogel die in een brede reeks landschappen tot broeden kan komen.
Het voedsel en de jachtwijze passen bij torenvalken in het algemeen: de nadruk ligt op kleine prooien die in open terrein beschikbaar zijn, waarbij vanaf een zitpost wordt gejaagd en bij gelegenheid ook boven geschikte plekken wordt “gebeden” om een prooi te lokaliseren. Op eilanden kan de exacte prooisamenstelling lokaal verschuiven met de beschikbaarheid, maar het basispatroon blijft dat van een opportunistische jager die sterk meebeweegt met wat het landschap biedt.
Omdat het een ondersoort betreft, blijft de naamgeving in sommige databronnen en checklists gekoppeld aan een bredere “Canary Islands”-groep (waarbij ook een oostelijke eilandondersoort vaak apart wordt genoemd).
Vleermuisvalk

Klik voor Vleermuisvalk details
De vleermuisvalk komt voor in Latijns-Amerika, van (noordelijk) Mexico via Midden-Amerika tot in grote delen van Zuid-Amerika, met een zuidelijke grens die doorloopt tot noordoostelijk Argentinië. In dat brede gebied wordt hij vooral gevonden in tropische zones waar bos en open plekken elkaar afwisselen.
Het is een middelkleine, langvleugelige valk met een krachtige, compacte bouw. Volwassen vogels ogen opvallend donker aan kop en bovenzijde, met een keel en bovenborst die lichter afsteken, waardoor er een sterk contrast ontstaat. De staart is relatief lang en donker, met fijne lichte bandering en vaak een wat lichtere punt. De ogen zijn donkerbruin, wat bij schemerjacht minder opvalt, en de korte, gehaakte snavel is geschikt om prooi snel in stukken te scheuren. Mannetjes en vrouwtjes lijken sterk op elkaar, al hebben vrouwtjes gemiddeld een grotere spanwijdte.
De vleermuisvalk leeft vooral in tropisch (regen)woud, maar hij blijkt ook goed te kunnen omgaan met verstoring en randen van bos. Daardoor wordt hij niet alleen in aaneengesloten bos gevonden, maar ook langs bosranden, rivieroevers, open plekken, wegdoorsnijdingen en in half ontgonnen landbouwgebied waar nog bomen verspreid staan. In sommige regio’s kan hij juist in gebroken of mozaïekachtig bos relatief vaak worden gezien, omdat zulke plekken goede jachtkansen bieden.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine vogels en grote insecten, zoals libellen, motten en grote sprinkhanen, en daarnaast worden ook andere ongewervelden genomen. Vleermuizen staan bekend als een opvallende prooikeuze en worden geregeld buitgemaakt, al vormen ze lang niet altijd het grootste deel van het menu en lijkt dit per gebied en per paar te verschillen. De soort jaagt vaak rond de schemer en in de nachtelijke uren, wanneer insecten en vleermuizen actief zijn, en kan zijn dieet ook laten meeschuiven met seizoenen en lokale pieken in prooiaanbod.
Tijdens het broedseizoen leeft de vleermuisvalk meestal in paren en is hij opvallend vocaal, waarbij partners elkaar geregeld roepend contact houden. De timing van het broeden verschilt per regio, maar valt vaak samen met de droge tijd, wanneer het weer stabiel is en jachtmomenten voorspelbaar zijn. Nesten worden meestal niet als echt “bouwsel” gemaakt; de soort gebruikt liever bestaande plekken, zoals natuurlijke boomholtes, holtes die door papegaaien zijn achtergelaten, oude nestholtes in termietenstructuren, of richels en gaten in rotsen. Ook bijzondere locaties worden benut, zoals precolumbiaanse ruïnes en menselijke constructies. Een legsel bestaat meestal uit twee tot vier eieren. De ouders verdedigen het nest actief en het mannetje levert in de nestperiode doorgaans het grootste deel van de prooiaanvoer. De jongen zijn na ongeveer vijf tot zes weken volledig bevederd en kunnen rond 35 tot 40 dagen na het uitkomen uitvliegen.