Sakervalk
[LAT] Falco cherrug|
[UK] Saker Falcon |
[FR] Faucon sacre |
[DE] Würgfalke |
[ES] Halcón sacre |
[NL] Sakervalk

Klik voor Sakervalk details
De sakervalk (Falco cherrug (Gray, 1834)) wordt momenteel als kwetsbaar (Vulnerable) beoordeeld. De soort is opnieuw ingedeeld omdat een recente analyse suggereert dat de achteruitgang minder extreem was dan eerder werd gedacht, maar er is wel sprake geweest van een snelle afname, vooral in de broedgebieden van Centraal-Azië. De belangrijkste oorzaken zijn het niet-duurzame wegvangen voor de valkerijhandel, aantasting en verslechtering van leefgebied en de invloed van landbouwchemicaliën. Voor een goed beeld van herstel of verdere achteruitgang is gerichte monitoring van kernpopulaties en beter inzicht in de impact van vangstdruk essentieel.
De sakervalk komt voor in een brede zone van Eurazië, grofweg van Midden- en Oost-Europa oostwaarts via onder meer Zuidwest-Rusland, Oekraïne en Iran tot aan de Jenisej-regio en de uitlopers van de Altaj. In de winter verschuift het verspreidingsgebied naar zuidelijker streken, met overwintering van Europa en Noordoost-Afrika tot in Noordwest-India. Binnen Europa is het huidige broedareaal gefragmenteerd geraakt en bestaat het uit losse kerngebieden, wat de soort extra kwetsbaar maakt voor lokale druk en verstoring.
Het trekgedrag is sterk variabel en hangt nauw samen met voedselbeschikbaarheid in de winter. In Rusland zijn veel vogels trekvogels, terwijl populaties verder westelijk gedeeltelijk trekken. In delen van het zuidelijke areaal zijn volwassen vogels vaak meer standvastig, al kunnen ze ook ’s winters wat uitzwerven. Jonge vogels verspreiden zich vrijwel overal na het uitvliegen en kunnen daarbij grote afstanden afleggen. In het noorden vertrekken veel vogels in oktober en keren terug in maart of april. Rond de centrale Middellandse Zee trekken sommige vogels door en overwinteren in het zuiden, en er zijn ook regelmatige passages via onder meer Turkije en Cyprus, met najaarstrek vooral in september tot november en een terugbeweging in maart en april. Een deel van de vogels trekt door Noordoost-Afrika, onder meer langs de Nijlvallei richting Soedan, en de soort wordt ook geregeld in Ethiopië vastgesteld.
Uiterlijk is de sakervalk gemiddeld kleiner dan de giervalk, maar groter dan de slechtvalk. De bovenzijde is doorgaans donkerbruin en mist meestal de duidelijke blauw- of grijstinten die je bij sommige andere valken wel ziet. De staart toont eerder lichte lijntjes van vlekken dan duidelijke dwarsbanden. Een volwassen vogel valt vaak op door een opvallend crème- tot lichtgekleurde kop met een vrij zachte, weinig contrastrijke gezichtstekening, terwijl de onderzijde doorgaans dicht gestreept is. Bij juveniele vogels kan een donkere band over de ondervleugel contrasteren met de lichtere onderzijde van de vliegveren. Op grotere afstand kan verwarring ontstaan met giervalk of lannervalk, waarbij ervaring met bouw en vluchtstijl helpt. De giervalk is forser en breder gebouwd met bredere vleugels en staart, terwijl de lannervalk meestal slanker oogt met smallere vleugels en vaak een donkerder gezicht. Een nuttig detail bij de sakervalk is dat de basis van de onderzijde van de vliegveren vaak opvallend licht en enigszins doorschijnend oogt, wat bij bepaalde kijkhoeken een karakteristiek effect geeft. De vlucht is snel en krachtig, maar de jacht gebeurt vaak relatief laag boven de grond, met snelle aanvallen of een duik op prooien, waarbij de actie soms wat “losser” en minder explosief oogt dan bij de slechtvalk.
De soort is sterk aangepast aan jagen in open terrein dicht bij de grond. Hij combineert snelle acceleratie met hoge wendbaarheid en is daardoor gespecialiseerd in middelgrote, overdag actieve, grondbewonende knaagdieren in open graslanden, steppe, halfwoestijnranden en droge berggebieden. In sommige regio’s, vooral in de buurt van water of waar knaagdieren schaars zijn, schakelt hij meer over op vogels als hoofdprooi. In delen van Europa is ook waargenomen dat verwilderde of gehouden duiven een belangrijk alternatief prooitype kunnen worden, wat de soort plaatselijk helpt om perioden met lage knaagdierstand te overbruggen.
De sakervalk gebruikt voor het broeden vaak bestaande nestplaatsen in bomen, bosjes, rotswanden of op kliffen, en neemt regelmatig oude nesten van andere grote vogels in gebruik. In sommige gebieden broedt hij ook op menselijke structuren, zoals hoogspanningsmasten, waarbij oude raven- of kraaiennesten als basis kunnen dienen. De balts- en displayvluchten worden vaak al in maart gezien. De eileg kan vroeg in het seizoen plaatsvinden, met de eerste legsels soms al aan het einde van maart. Het aantal eieren varieert, maar ligt meestal rond drie tot vier, met een mogelijke spreiding van één tot vijf. De broedduur bedraagt ongeveer 28 tot 30 dagen. De jongen verschijnen in april en veel jongen vliegen uit tegen eind mei of begin juni, afhankelijk van regio en weersomstandigheden. Het broedsucces kan sterk per jaar verschillen, vooral in gebieden waar knaagdierpopulaties cyclisch fluctueren, waardoor goede prooijaren en slechte prooijaren elkaar kunnen afwisselen. Na het broedseizoen gaan jonge vogels vaak geleidelijk zwerven; sommige trekken al vanaf augustus weg, terwijl andere pas later in het najaar vertrekken. Volwassen vogels verlaten sommige gebieden pas in november, en een deel van de populatie kan zelfs in of nabij het broedgebied overwinteren wanneer voedsel beschikbaar blijft.
De sakervalk komt voor in een brede zone van Eurazië, grofweg van Midden- en Oost-Europa oostwaarts via onder meer Zuidwest-Rusland, Oekraïne en Iran tot aan de Jenisej-regio en de uitlopers van de Altaj. In de winter verschuift het verspreidingsgebied naar zuidelijker streken, met overwintering van Europa en Noordoost-Afrika tot in Noordwest-India. Binnen Europa is het huidige broedareaal gefragmenteerd geraakt en bestaat het uit losse kerngebieden, wat de soort extra kwetsbaar maakt voor lokale druk en verstoring.
Het trekgedrag is sterk variabel en hangt nauw samen met voedselbeschikbaarheid in de winter. In Rusland zijn veel vogels trekvogels, terwijl populaties verder westelijk gedeeltelijk trekken. In delen van het zuidelijke areaal zijn volwassen vogels vaak meer standvastig, al kunnen ze ook ’s winters wat uitzwerven. Jonge vogels verspreiden zich vrijwel overal na het uitvliegen en kunnen daarbij grote afstanden afleggen. In het noorden vertrekken veel vogels in oktober en keren terug in maart of april. Rond de centrale Middellandse Zee trekken sommige vogels door en overwinteren in het zuiden, en er zijn ook regelmatige passages via onder meer Turkije en Cyprus, met najaarstrek vooral in september tot november en een terugbeweging in maart en april. Een deel van de vogels trekt door Noordoost-Afrika, onder meer langs de Nijlvallei richting Soedan, en de soort wordt ook geregeld in Ethiopië vastgesteld.
Uiterlijk is de sakervalk gemiddeld kleiner dan de giervalk, maar groter dan de slechtvalk. De bovenzijde is doorgaans donkerbruin en mist meestal de duidelijke blauw- of grijstinten die je bij sommige andere valken wel ziet. De staart toont eerder lichte lijntjes van vlekken dan duidelijke dwarsbanden. Een volwassen vogel valt vaak op door een opvallend crème- tot lichtgekleurde kop met een vrij zachte, weinig contrastrijke gezichtstekening, terwijl de onderzijde doorgaans dicht gestreept is. Bij juveniele vogels kan een donkere band over de ondervleugel contrasteren met de lichtere onderzijde van de vliegveren. Op grotere afstand kan verwarring ontstaan met giervalk of lannervalk, waarbij ervaring met bouw en vluchtstijl helpt. De giervalk is forser en breder gebouwd met bredere vleugels en staart, terwijl de lannervalk meestal slanker oogt met smallere vleugels en vaak een donkerder gezicht. Een nuttig detail bij de sakervalk is dat de basis van de onderzijde van de vliegveren vaak opvallend licht en enigszins doorschijnend oogt, wat bij bepaalde kijkhoeken een karakteristiek effect geeft. De vlucht is snel en krachtig, maar de jacht gebeurt vaak relatief laag boven de grond, met snelle aanvallen of een duik op prooien, waarbij de actie soms wat “losser” en minder explosief oogt dan bij de slechtvalk.
De soort is sterk aangepast aan jagen in open terrein dicht bij de grond. Hij combineert snelle acceleratie met hoge wendbaarheid en is daardoor gespecialiseerd in middelgrote, overdag actieve, grondbewonende knaagdieren in open graslanden, steppe, halfwoestijnranden en droge berggebieden. In sommige regio’s, vooral in de buurt van water of waar knaagdieren schaars zijn, schakelt hij meer over op vogels als hoofdprooi. In delen van Europa is ook waargenomen dat verwilderde of gehouden duiven een belangrijk alternatief prooitype kunnen worden, wat de soort plaatselijk helpt om perioden met lage knaagdierstand te overbruggen.
De sakervalk gebruikt voor het broeden vaak bestaande nestplaatsen in bomen, bosjes, rotswanden of op kliffen, en neemt regelmatig oude nesten van andere grote vogels in gebruik. In sommige gebieden broedt hij ook op menselijke structuren, zoals hoogspanningsmasten, waarbij oude raven- of kraaiennesten als basis kunnen dienen. De balts- en displayvluchten worden vaak al in maart gezien. De eileg kan vroeg in het seizoen plaatsvinden, met de eerste legsels soms al aan het einde van maart. Het aantal eieren varieert, maar ligt meestal rond drie tot vier, met een mogelijke spreiding van één tot vijf. De broedduur bedraagt ongeveer 28 tot 30 dagen. De jongen verschijnen in april en veel jongen vliegen uit tegen eind mei of begin juni, afhankelijk van regio en weersomstandigheden. Het broedsucces kan sterk per jaar verschillen, vooral in gebieden waar knaagdierpopulaties cyclisch fluctueren, waardoor goede prooijaren en slechte prooijaren elkaar kunnen afwisselen. Na het broedseizoen gaan jonge vogels vaak geleidelijk zwerven; sommige trekken al vanaf augustus weg, terwijl andere pas later in het najaar vertrekken. Volwassen vogels verlaten sommige gebieden pas in november, en een deel van de populatie kan zelfs in of nabij het broedgebied overwinteren wanneer voedsel beschikbaar blijft.
Australische boomvalk
[LAT] Falco longipennis |
[UK] Australian Hobby |
[FR] Faucon australien |
[DE] Australischer Baumfalke |
[ES] Alcotán australiano |
[NL] Australische boomvalk


Klik voor Australische boomvalk details
De Australische boomvalk (Falco longipennis (Swainson, 1837)) wordt door de IUCN beoordeeld als niet bedreigd (Least Concern). De soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied, een zeer grote populatie en een trend die in veel gebieden als toenemend wordt gezien. Daardoor komt hij niet in de buurt van de drempels die horen bij een kwetsbare status.
De soort komt wijd verspreid voor in Australazië. Hij is te vinden in vrijwel heel het Australische vasteland en daarnaast in de noordelijke en oostelijke delen van Tasmanië. Het trekgedrag is gemengd: een deel van de populaties is standvogel, maar vogels die op hogere breedten of op grotere hoogte broeden trekken ’s winters vaak naar lagere, mildere kust- en laaglandgebieden. Veel individuen trekken bovendien noordwaarts, waarbij sommigen, vooral vrouwtjes, door kunnen trekken tot Nieuw-Guinea, Nieuw-Brittannië en delen van Oost-Indonesië.
Uiterlijk is de Australische boomvalk klein, maar opvallend langvleugelig voor zijn formaat. Dat zie je terug in zijn snelle, “zwaluwachtige” vliegbeeld en zijn wendbaarheid. In rust vallen de donkergrijze rug en de witachtige keel op, die contrasteren met de warm roestkleurige borst. In vlucht ogen de vleugels donker, terwijl aan de onderzijde vaak een rossige bandering zichtbaar is. In Australië is verwarring met andere soorten meestal beperkt, maar in Nieuw-Guinea, waar hij als trekker kan voorkomen, kan verwarring ontstaan met de Oosterse boomvalk. De Australische boomvalk is dan doorgaans te onderscheiden door een blekere onderzijde, al zijn onvolwassen vogels van deze twee soorten in het veld veel lastiger uit elkaar te houden.
De Australische boomvalk wordt het vaakst gezien in bosrijk of boomrijk landschap, bij voorkeur in vochtiger gebieden, maar hij kan ook in drogere streken en zelfs in halfwoestijnachtig terrein voorkomen zolang er maar voldoende bomen of hogere uitkijkpunten aanwezig zijn. Hij zit en rust graag in bomen en gebruikt boomgroepen en bosranden ook als schakelpunten om jachtvluchten op te bouwen en prooien te verwerken.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine vogels tot ongeveer kwartelgrootte, en soms ook parkieten of duiven. Daarnaast eet hij grote insecten en kan hij ook vleermuizen nemen, vooral wanneer die overdag worden opgeschrikt, al lijkt dit minder het typische schemerjachtpatroon te zijn dat bij sommige verwante soorten sterker naar voren komt. De jacht is vaak snel en gedurfd, met een zeer snelle stootduik die geregeld laag boven de grond eindigt. Soms kan hij zelfs in een groep vogels toeslaan en met uitzonderlijk veel succes een prooi grijpen. Hij is duidelijk ingesteld op vogelprooi en lijkt relatief vaak daadwerkelijk vogels te slaan in vergelijking met sommige andere boomvalken.
Broeden gebeurt meestal in het nest van andere vogelsoorten, dat eerst licht wordt “opgefrist”, bijvoorbeeld met zacht schorsmateriaal. De nesten liggen vaak hoog in grote bomen, grofweg op 18 tot 21 meter hoogte, en de soort is daarbij niet erg kieskeurig zolang de nestkom maar groot genoeg is. Nesten worden doorgaans overgenomen wanneer ze onbezet of verlaten zijn, zonder dat er sprake hoeft te zijn van het actief verdrijven van de oorspronkelijke eigenaar. De eileg valt meestal in september tot oktober, en in zuidelijk Australië loopt het broedseizoen grofweg van september tot november. Het legsel bestaat meestal uit twee of drie eieren, en soms vier.
Het vrouwtje broedt en verzorgt in het begin vooral de kleine jongen, terwijl het mannetje grotendeels voor de voedselvoorziening zorgt. Wanneer het mannetje prooi heeft, roept hij vaak zodat het vrouwtje even van het nest komt om het voedsel over te nemen, soms zelfs met een overdracht in de lucht of in een nabije boom. Daarna brengt het vrouwtje de prooi naar het nest om te plukken, te verdelen en te voeren. Zodra de jongen verder zijn en de eerste penveren zichtbaar worden, neemt het broeden af en laten beide ouders vaker voedsel in het nest achter, waarna de jongen het zelf oppakken en leren eten. De broedduur ligt rond de 30 dagen en de jongen vliegen doorgaans uit na ongeveer vijf weken. In veel gevallen overleven relatief veel jongen en is het broedsucces behoorlijk goed.
De soort komt wijd verspreid voor in Australazië. Hij is te vinden in vrijwel heel het Australische vasteland en daarnaast in de noordelijke en oostelijke delen van Tasmanië. Het trekgedrag is gemengd: een deel van de populaties is standvogel, maar vogels die op hogere breedten of op grotere hoogte broeden trekken ’s winters vaak naar lagere, mildere kust- en laaglandgebieden. Veel individuen trekken bovendien noordwaarts, waarbij sommigen, vooral vrouwtjes, door kunnen trekken tot Nieuw-Guinea, Nieuw-Brittannië en delen van Oost-Indonesië.
Uiterlijk is de Australische boomvalk klein, maar opvallend langvleugelig voor zijn formaat. Dat zie je terug in zijn snelle, “zwaluwachtige” vliegbeeld en zijn wendbaarheid. In rust vallen de donkergrijze rug en de witachtige keel op, die contrasteren met de warm roestkleurige borst. In vlucht ogen de vleugels donker, terwijl aan de onderzijde vaak een rossige bandering zichtbaar is. In Australië is verwarring met andere soorten meestal beperkt, maar in Nieuw-Guinea, waar hij als trekker kan voorkomen, kan verwarring ontstaan met de Oosterse boomvalk. De Australische boomvalk is dan doorgaans te onderscheiden door een blekere onderzijde, al zijn onvolwassen vogels van deze twee soorten in het veld veel lastiger uit elkaar te houden.
De Australische boomvalk wordt het vaakst gezien in bosrijk of boomrijk landschap, bij voorkeur in vochtiger gebieden, maar hij kan ook in drogere streken en zelfs in halfwoestijnachtig terrein voorkomen zolang er maar voldoende bomen of hogere uitkijkpunten aanwezig zijn. Hij zit en rust graag in bomen en gebruikt boomgroepen en bosranden ook als schakelpunten om jachtvluchten op te bouwen en prooien te verwerken.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine vogels tot ongeveer kwartelgrootte, en soms ook parkieten of duiven. Daarnaast eet hij grote insecten en kan hij ook vleermuizen nemen, vooral wanneer die overdag worden opgeschrikt, al lijkt dit minder het typische schemerjachtpatroon te zijn dat bij sommige verwante soorten sterker naar voren komt. De jacht is vaak snel en gedurfd, met een zeer snelle stootduik die geregeld laag boven de grond eindigt. Soms kan hij zelfs in een groep vogels toeslaan en met uitzonderlijk veel succes een prooi grijpen. Hij is duidelijk ingesteld op vogelprooi en lijkt relatief vaak daadwerkelijk vogels te slaan in vergelijking met sommige andere boomvalken.
Broeden gebeurt meestal in het nest van andere vogelsoorten, dat eerst licht wordt “opgefrist”, bijvoorbeeld met zacht schorsmateriaal. De nesten liggen vaak hoog in grote bomen, grofweg op 18 tot 21 meter hoogte, en de soort is daarbij niet erg kieskeurig zolang de nestkom maar groot genoeg is. Nesten worden doorgaans overgenomen wanneer ze onbezet of verlaten zijn, zonder dat er sprake hoeft te zijn van het actief verdrijven van de oorspronkelijke eigenaar. De eileg valt meestal in september tot oktober, en in zuidelijk Australië loopt het broedseizoen grofweg van september tot november. Het legsel bestaat meestal uit twee of drie eieren, en soms vier.
Het vrouwtje broedt en verzorgt in het begin vooral de kleine jongen, terwijl het mannetje grotendeels voor de voedselvoorziening zorgt. Wanneer het mannetje prooi heeft, roept hij vaak zodat het vrouwtje even van het nest komt om het voedsel over te nemen, soms zelfs met een overdracht in de lucht of in een nabije boom. Daarna brengt het vrouwtje de prooi naar het nest om te plukken, te verdelen en te voeren. Zodra de jongen verder zijn en de eerste penveren zichtbaar worden, neemt het broeden af en laten beide ouders vaker voedsel in het nest achter, waarna de jongen het zelf oppakken en leren eten. De broedduur ligt rond de 30 dagen en de jongen vliegen doorgaans uit na ongeveer vijf weken. In veel gevallen overleven relatief veel jongen en is het broedsucces behoorlijk goed.
Klik hier - Familie Micrastur
Het genus Micrastur omvat de zogenoemde bosvalken, een groep valkachtigen die volledig in de Amerika’s voorkomt. Ze zijn te vinden van Mexico via Midden-Amerika tot in grote delen van Zuid-Amerika, met het zwaartepunt in (sub)tropische bosgebieden. De meeste soorten zijn sterk gebonden aan vochtig tropisch en subtropisch bos, al zijn enkele wijdverspreide soorten ook buiten het klassieke regenwoud te vinden, bijvoorbeeld in drogere of meer open mozaïeklandschappen zolang er maar voldoende dekking en bosstructuur aanwezig is.
Bosvalken uit Micrastur zijn gebouwd voor jagen in dicht begroeid terrein. In plaats van lange, snelle vluchten in open lucht zijn ze vooral aangepast aan wendbaarheid tussen stammen, lianen en ondergroei. Daarbij passen relatief korte vleugels en een langere staart, waarmee ze snel kunnen sturen en abrupt kunnen versnellen in krappe ruimtes. Ze blijven vaak visueel onopvallend in het bos, maar zijn tegelijk berucht om hun roep: je hoort ze geregeld eerder dan je ze ziet, vooral rond bosranden, open plekken of langs paden en waterlopen.
Hun jachtstijl is vaak die van een geduldige hinderlaagjager. Ze kiezen een beschutte zitpost, wachten tot een prooi langskomt en slaan dan toe met een korte, felle achtervolging door de vegetatie. Het menu is gevarieerd en kan bestaan uit vogels, kleine zoogdieren en reptielen, aangevuld met grotere insecten, afhankelijk van wat lokaal beschikbaar is. Bij sommige soorten hoort daar ook een opvallend “grondgericht” element bij, waarbij prooien lopend of springend op de bosbodem worden gegrepen wanneer dat de meeste kans op succes geeft.
Binnen de valkachtigen worden bosvalken vaak samen besproken met nauw verwante lijnen, en Micrastur wordt geregeld geplaatst in de subfamilie Herpetotherinae, samen met de lachvalk. Die indeling onderstreept dat bosvalken in bouw en ecologie een eigen niche bezetten binnen de familie, met een sterke focus op bosinterieurs en jacht in dekking.
Over de voortplanting verschilt de detailkennis per soort, maar een terugkerend patroon is het gebruik van bestaande nestplaatsen in holtes, vaak in boomcaviteiten en soms ook in andere natuurlijke nissen. Voor meerdere soorten is beschreven dat ze geen nestmateriaal aanvoeren zoals veel andere roofvogels, maar eieren leggen in een geschikte holte, waarbij de nestplaatskeuze sterk kan samenhangen met de beschikbaarheid van grote, oude bomen. Legselgroottes zijn bij verschillende onderzochte soorten meestal klein tot middelgroot, en de broedzorg is doorgaans duidelijk verdeeld, met een belangrijke rol voor het vrouwtje op het nest en veel prooiaanvoer door het mannetje tijdens de nestfase.
Kortom, Micrastur is een typisch “bos-genus”: discreet, vaak vooral hoorbaar, en gespecialiseerd in snelle, gecontroleerde aanvallen in een omgeving waar zichtlijnen kort zijn en een fractie van een seconde het verschil maakt.
Bosvalken uit Micrastur zijn gebouwd voor jagen in dicht begroeid terrein. In plaats van lange, snelle vluchten in open lucht zijn ze vooral aangepast aan wendbaarheid tussen stammen, lianen en ondergroei. Daarbij passen relatief korte vleugels en een langere staart, waarmee ze snel kunnen sturen en abrupt kunnen versnellen in krappe ruimtes. Ze blijven vaak visueel onopvallend in het bos, maar zijn tegelijk berucht om hun roep: je hoort ze geregeld eerder dan je ze ziet, vooral rond bosranden, open plekken of langs paden en waterlopen.
Hun jachtstijl is vaak die van een geduldige hinderlaagjager. Ze kiezen een beschutte zitpost, wachten tot een prooi langskomt en slaan dan toe met een korte, felle achtervolging door de vegetatie. Het menu is gevarieerd en kan bestaan uit vogels, kleine zoogdieren en reptielen, aangevuld met grotere insecten, afhankelijk van wat lokaal beschikbaar is. Bij sommige soorten hoort daar ook een opvallend “grondgericht” element bij, waarbij prooien lopend of springend op de bosbodem worden gegrepen wanneer dat de meeste kans op succes geeft.
Binnen de valkachtigen worden bosvalken vaak samen besproken met nauw verwante lijnen, en Micrastur wordt geregeld geplaatst in de subfamilie Herpetotherinae, samen met de lachvalk. Die indeling onderstreept dat bosvalken in bouw en ecologie een eigen niche bezetten binnen de familie, met een sterke focus op bosinterieurs en jacht in dekking.
Over de voortplanting verschilt de detailkennis per soort, maar een terugkerend patroon is het gebruik van bestaande nestplaatsen in holtes, vaak in boomcaviteiten en soms ook in andere natuurlijke nissen. Voor meerdere soorten is beschreven dat ze geen nestmateriaal aanvoeren zoals veel andere roofvogels, maar eieren leggen in een geschikte holte, waarbij de nestplaatskeuze sterk kan samenhangen met de beschikbaarheid van grote, oude bomen. Legselgroottes zijn bij verschillende onderzochte soorten meestal klein tot middelgroot, en de broedzorg is doorgaans duidelijk verdeeld, met een belangrijke rol voor het vrouwtje op het nest en veel prooiaanvoer door het mannetje tijdens de nestfase.
Kortom, Micrastur is een typisch “bos-genus”: discreet, vaak vooral hoorbaar, en gespecialiseerd in snelle, gecontroleerde aanvallen in een omgeving waar zichtlijnen kort zijn en een fractie van een seconde het verschil maakt.
Gebandeerde bosvalk
[LAT] Micrastur gilvicollis |
[UK] Lined forest falcon |
[FR] Carnifex à gorge cendrée |
[DE] Zweibinden-Waldfalke |
[ES] Halcón montés cabecigrís |
[NL] Gebandeerde bosvalk

Klik voor Gebandeerde bosvalk details
De gebandeerde bosvalk (Micrastur gilvicollis (Vieillot, 1817)) wordt door de IUCN beoordeeld als niet bedreigd (Least Concern). De soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en een zeer grote populatie. Wel wordt vaak genoemd dat de trend afneemt, maar op basis van de beschikbare gegevens lijkt die afname niet snel genoeg om de soort richting een kwetsbare categorie te duwen.
De soort is een standvogel in zijn hele verspreidingsgebied en wordt vooral geassocieerd met het Amazonegebied. Hij komt voor van oostelijk Colombia via zuidelijk Venezuela en de Guiana’s en verder zuidwaarts door het Amazonebekken, en wordt in landen als Suriname in het binnenland zelfs als een van de meest algemene roofvogels gezien.
Uiterlijk zijn mannetje en vrouwtje op het eerste gezicht vergelijkbaar. De bovenzijde is donker grijszwart, waarbij kroon en nek vaak net iets donkerder ogen. De vleugelpennen kunnen een bruine zweem hebben, terwijl de staart juist opvallend donker is, bijna zwart, met aan het uiteinde een witte punt en één tot drie smalle lichte banden. De onderzijde is gebandeerd, maar de mate waarin die bandering doorloopt verschilt per individu en per populatie: bij sommige vogels blijft de buik vrijwel ongetekend, terwijl bij andere de bandering meer gelijkmatig over de hele onderzijde aanwezig is. Kenmerkend zijn ook de lichte iris, rood-oranje kale gezichtshuid en geel- tot oranjegele poten, met relatief lichtgekleurde klauwen.
De gebandeerde bosvalk leeft vooral in laagland, volwassen tropisch bos en houdt zich veelal op in de schaduwrijke ondergroei en lagere boslagen. Hij kan ook in lagere dichtheden voorkomen in secundair bos en aan bosranden, maar het zwaartepunt ligt meestal in intact regenwoud, waar hij vanuit dekking jaagt in een mozaïek van open plekken, paden, omgevallen bomen en dichte vegetatie.
Het voedsel is breed en opportunistisch. De soort jaagt met een “zit-en-wacht” strategie, waarbij hij vaak stil blijft zitten en dan plotseling toeslaat. Hagedissen en grotere insecten vormen regelmatig een belangrijk deel van het menu, maar er worden ook andere prooien genomen wanneer die zich aandienen, zoals kleine vogels en andere kleine gewervelden. Juist doordat hij zich vaak in de ondergroei ophoudt, is de jacht meestal kort, explosief en gericht op prooien die dicht bij de grond of tussen het bladerdek van lage struiken bewegen.
Over het broeden van de gebande bosvalk zelf is opvallend weinig met zekerheid gepubliceerd. Wat wél aannemelijk is, is dat hij in grote lijnen hetzelfde basispatroon volgt als andere bosvalken uit het genus Micrastur, waarbij doorgaans in boomholtes wordt gebroed, vaak in natuurlijke holtes of bestaande gaten, soms op aanzienlijke hoogte onder gesloten kroonlaag. Legselgroottes bij verwante soorten liggen meestal laag tot middelmatig en kunnen variëren, en de zorgverdeling is vaak zo dat het vrouwtje het grootste deel van het broeden doet, terwijl het mannetje een groot deel van de prooiaanvoer verzorgt. Ook de nestperiode en het uitvliegen kunnen per regio en seizoen verschillen, wat goed past bij tropische omstandigheden waarin regen- en droogseizoenen het voedselaanbod sturen.
De soort is een standvogel in zijn hele verspreidingsgebied en wordt vooral geassocieerd met het Amazonegebied. Hij komt voor van oostelijk Colombia via zuidelijk Venezuela en de Guiana’s en verder zuidwaarts door het Amazonebekken, en wordt in landen als Suriname in het binnenland zelfs als een van de meest algemene roofvogels gezien.
Uiterlijk zijn mannetje en vrouwtje op het eerste gezicht vergelijkbaar. De bovenzijde is donker grijszwart, waarbij kroon en nek vaak net iets donkerder ogen. De vleugelpennen kunnen een bruine zweem hebben, terwijl de staart juist opvallend donker is, bijna zwart, met aan het uiteinde een witte punt en één tot drie smalle lichte banden. De onderzijde is gebandeerd, maar de mate waarin die bandering doorloopt verschilt per individu en per populatie: bij sommige vogels blijft de buik vrijwel ongetekend, terwijl bij andere de bandering meer gelijkmatig over de hele onderzijde aanwezig is. Kenmerkend zijn ook de lichte iris, rood-oranje kale gezichtshuid en geel- tot oranjegele poten, met relatief lichtgekleurde klauwen.
De gebandeerde bosvalk leeft vooral in laagland, volwassen tropisch bos en houdt zich veelal op in de schaduwrijke ondergroei en lagere boslagen. Hij kan ook in lagere dichtheden voorkomen in secundair bos en aan bosranden, maar het zwaartepunt ligt meestal in intact regenwoud, waar hij vanuit dekking jaagt in een mozaïek van open plekken, paden, omgevallen bomen en dichte vegetatie.
Het voedsel is breed en opportunistisch. De soort jaagt met een “zit-en-wacht” strategie, waarbij hij vaak stil blijft zitten en dan plotseling toeslaat. Hagedissen en grotere insecten vormen regelmatig een belangrijk deel van het menu, maar er worden ook andere prooien genomen wanneer die zich aandienen, zoals kleine vogels en andere kleine gewervelden. Juist doordat hij zich vaak in de ondergroei ophoudt, is de jacht meestal kort, explosief en gericht op prooien die dicht bij de grond of tussen het bladerdek van lage struiken bewegen.
Over het broeden van de gebande bosvalk zelf is opvallend weinig met zekerheid gepubliceerd. Wat wél aannemelijk is, is dat hij in grote lijnen hetzelfde basispatroon volgt als andere bosvalken uit het genus Micrastur, waarbij doorgaans in boomholtes wordt gebroed, vaak in natuurlijke holtes of bestaande gaten, soms op aanzienlijke hoogte onder gesloten kroonlaag. Legselgroottes bij verwante soorten liggen meestal laag tot middelmatig en kunnen variëren, en de zorgverdeling is vaak zo dat het vrouwtje het grootste deel van het broeden doet, terwijl het mannetje een groot deel van de prooiaanvoer verzorgt. Ook de nestperiode en het uitvliegen kunnen per regio en seizoen verschillen, wat goed past bij tropische omstandigheden waarin regen- en droogseizoenen het voedselaanbod sturen.
Klik hier - Familie Herpetotheres
Het genus Herpetotheres is een klein en opvallend genus binnen de valkachtigen en omvat in de praktijk één soort: de lachvalk. Daardoor is het genus ecologisch en uiterlijk vrij “eenduidig”, met een duidelijke specialisatie die het meteen onderscheidt van veel andere valken die vooral op vogels jagen.
Herpetotheres is sterk verbonden met de Neotropen en komt voor van Mexico via Midden-Amerika tot in grote delen van tropisch Zuid-Amerika. Het zwaartepunt ligt in warme laaglanden, maar het genus kan ook hoger in heuvel- en bergland voorkomen zolang er maar voldoende bosstructuur en halfopen jachtplekken aanwezig zijn. Je ziet deze vogels zelden diep in ononderbroken oerwoud; ze worden juist vaak geassocieerd met bosranden, open plekken, kapvlakten en mozaïeklandschappen waar bomen en open ruimte elkaar afwisselen.
Qua bouw en gedrag is Herpetotheres vooral een “zit-en-wacht”-jager. De vogel kiest een zichtbare uitkijkpost, zit vaak opvallend rechtop en speurt langdurig de bodem en lagere vegetatie af. Daarbij kan hij de kop ver draaien om beweging op te pikken. De aanval is dan kort, krachtig en gericht, meestal op de grond of net boven de grond. De specialisatie op reptielen, en met name kleine slangen, hoort nadrukkelijk bij dit genus, al worden ook andere prooien genomen wanneer die kansrijk zijn.
Uiterlijk is het genus herkenbaar aan een contrastrijke koptekening met een duidelijk masker en een lichte kraagachtige indruk in de nek. Het verenkleed combineert vaak buff- en donkerbruine tinten, met een donkere rug en staart en een lichtere onderzijde. Die tekening sluit goed aan bij leven in halfopen bos, waar licht en schaduw elkaar afwisselen en waar duidelijke contouren op afstand toch zichtbaar blijven.
Een extra kenmerk van Herpetotheres is de vocale aanwezigheid. De roep is opvallend melodieus en “tweeledig” van karakter, vaak juist in de schemer en na zonsondergang, en kan ver dragen. In veel gebieden is het genus daardoor eerder te horen dan te zien, en roepduetten van twee vogels komen geregeld voor, wat past bij territoriaal gedrag en paarbinding in bosrandhabitat.
Wat broeden betreft past Herpetotheres bij een patroon waarin bestaande nestplaatsen worden benut, zoals een eenvoudig takkenplatform hoog in een boom, een holte of een rotsnis, met relatief weinig echte nestbouw. De eileg is doorgaans klein in aantal, en de taakverdeling is vaak duidelijk: na het uitkomen levert het mannetje een groot deel van de prooiaanvoer, terwijl het vrouwtje vooral bij de jongen blijft om te broeden, te beschermen en te voeren. Zo vormt Herpetotheres een compact, gespecialiseerd genus dat in gedrag, prooikeuze en geluid een heel eigen plek inneemt binnen de valkachtigen.
Herpetotheres is sterk verbonden met de Neotropen en komt voor van Mexico via Midden-Amerika tot in grote delen van tropisch Zuid-Amerika. Het zwaartepunt ligt in warme laaglanden, maar het genus kan ook hoger in heuvel- en bergland voorkomen zolang er maar voldoende bosstructuur en halfopen jachtplekken aanwezig zijn. Je ziet deze vogels zelden diep in ononderbroken oerwoud; ze worden juist vaak geassocieerd met bosranden, open plekken, kapvlakten en mozaïeklandschappen waar bomen en open ruimte elkaar afwisselen.
Qua bouw en gedrag is Herpetotheres vooral een “zit-en-wacht”-jager. De vogel kiest een zichtbare uitkijkpost, zit vaak opvallend rechtop en speurt langdurig de bodem en lagere vegetatie af. Daarbij kan hij de kop ver draaien om beweging op te pikken. De aanval is dan kort, krachtig en gericht, meestal op de grond of net boven de grond. De specialisatie op reptielen, en met name kleine slangen, hoort nadrukkelijk bij dit genus, al worden ook andere prooien genomen wanneer die kansrijk zijn.
Uiterlijk is het genus herkenbaar aan een contrastrijke koptekening met een duidelijk masker en een lichte kraagachtige indruk in de nek. Het verenkleed combineert vaak buff- en donkerbruine tinten, met een donkere rug en staart en een lichtere onderzijde. Die tekening sluit goed aan bij leven in halfopen bos, waar licht en schaduw elkaar afwisselen en waar duidelijke contouren op afstand toch zichtbaar blijven.
Een extra kenmerk van Herpetotheres is de vocale aanwezigheid. De roep is opvallend melodieus en “tweeledig” van karakter, vaak juist in de schemer en na zonsondergang, en kan ver dragen. In veel gebieden is het genus daardoor eerder te horen dan te zien, en roepduetten van twee vogels komen geregeld voor, wat past bij territoriaal gedrag en paarbinding in bosrandhabitat.
Wat broeden betreft past Herpetotheres bij een patroon waarin bestaande nestplaatsen worden benut, zoals een eenvoudig takkenplatform hoog in een boom, een holte of een rotsnis, met relatief weinig echte nestbouw. De eileg is doorgaans klein in aantal, en de taakverdeling is vaak duidelijk: na het uitkomen levert het mannetje een groot deel van de prooiaanvoer, terwijl het vrouwtje vooral bij de jongen blijft om te broeden, te beschermen en te voeren. Zo vormt Herpetotheres een compact, gespecialiseerd genus dat in gedrag, prooikeuze en geluid een heel eigen plek inneemt binnen de valkachtigen.
Lachvalk
[LAT] Herpetotheres cachinnans |
[UK] Laughing Falcon |
[FR] Faucon rieur |
[DE] Lachfalke |
[ES] Halcón risueño |
[NL] Lachvalk




Klik voor Lachvalk details
De lachvalk (Herpetotheres cachinnans (Linnaeus, 1758)) wordt door de IUCN beoordeeld als niet bedreigd (Least Concern). De soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en een zeer grote populatie. Hoewel wordt genoemd dat de trend afneemt, lijkt die afname niet snel genoeg om de soort richting een hogere risicocategorie te brengen.
De lachvalk komt voor in Latijns-Amerika, van Mexico zuidwaarts door Midden-Amerika tot in grote delen van tropisch Zuid-Amerika, met een verspreiding die reikt tot onder meer oostelijk Bolivia, Paraguay, zuidelijk Brazilië en noordelijk Argentinië. Het is vermoedelijk vooral een standvogel, al kan hij in sommige delen van Brazilië niet het hele jaar aanwezig zijn en lijkt er daar sprake van seizoensmatige verschuivingen.
Uiterlijk is de lachvalk opvallend contrastrijk en vrij gemakkelijk te herkennen. De kop is buffkleurig, waarbij de tint per individu en met slijtage kan variëren. Over de ogen en rond het achterhoofd loopt een brede zwarte ‘maskerband’ die overgaat in een smalle kraag achter in de nek, vaak met een lichte rand. Op de kruin zijn duidelijke donkere schachtstreepjes te zien. Rug, vleugels en staart zijn zeer donkerbruin, terwijl de bovendekveren van de staart wit tot buffkleurig kunnen zijn. De staart is fijn zwart-wit gebandeerd en heeft vaak lichte toppen. De onderzijde is overwegend buffkleurig en kleurt onder de vleugels en richting de basis van de handpennen vaak warmer, soms bijna licht roestkleurig. Donkere spikkels op ondervleugeldekveren en dijen komen geregeld voor. De ogen zijn donkerbruin, de snavel zwart en de washuid en poten zijn strogeel. Jonge vogels lijken op volwassen dieren, maar ogen vaak bruiner van boven met brede lichte veerranden, en de lichte delen zijn eerder wit dan buff. Donzige kuikens zijn zacht lichtbuff en al vroeg is de donkere masker- en kraagtekening zichtbaar, met een opvallend dichte, zachte donsstructuur.
De lachvalk is vooral een soort van halfopen bosland. Hij leeft in open delen van hoog bos, bosranden, kapvlakten, open plekken in bos en in ontgonnen landschap met verspreid staande bomen, zoals plantages en landbouwgebieden waar nog veel bomen zijn blijven staan. Hij is meestal te vinden van zeeniveau tot ongeveer 2.500 meter hoogte. In vochtige gebieden kan hij algemeen zijn, terwijl hij in drogere bosregio’s vaak schaarser is. In volledig gesloten, ononderbroken bos wordt hij minder vaak gezien; hij houdt juist van situaties met zicht en jachtruimte, waar hij op verschillende hoogtes kan posten, soms open op een kale tak en soms half verscholen in blad.
De soort is beroemd om zijn roep, die heel anders klinkt dan de typische kreten van veel roofvogels. Een roep die bij verstoring kan klinken is een langzaam dalende reeks noten die vaak als “lachend” wordt ervaren. Vaker hoor je juist een harde, tweeledige roep die in de schemer en na zonsondergang veelvuldig kan worden herhaald en op grote afstand te horen is. Soms roepen twee vogels samen, elk met een eigen ritme en licht verschillende toonhoogte, waardoor het geheel een wat opzwepend, bijna “duetterend” karakter krijgt.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine slangen. De lachvalk jaagt meestal vanaf een open uitkijkpost en laat zich dan met grote kracht op de prooi vallen, waarbij hij de grond soms hoorbaar raakt. Hij grijpt de slang bij voorkeur vlak achter de kop en kan de kop soms afbijten. Kleine slangen worden vaak staart-eerst ingeslikt, terwijl grotere prooien eerder in stukken worden getrokken. Daarnaast worden ook hagedissen, vleermuizen, knaagdieren en soms vis gegeten, afhankelijk van wat lokaal beschikbaar is. Tijdens het jagen zit hij vaak opvallend rechtop en kan hij de kop ver draaien om de bodem af te speuren, wat hem een wat “uilachtige” houding kan geven.
Voor het broeden gebruikt de lachvalk meestal een oud takkenniveau hoog in een solitaire boom of in een uitstekende takpartij boven de omringende kroonlaag, ruwweg van enkele meters tot ruim dertig meter hoogte. Het nest is doorgaans een eenvoudig platform van takken met weinig echte opbouw, en soms wordt ook gebroed in boomholtes of op rotsen. Het broedseizoen verschilt met de breedtegraad. Er worden meestal één tot twee eieren gelegd. Beide ouders kunnen broeden, al blijft het vrouwtje tegen het uitkomen vaak zeer nestvast. Na het uitkomen, na een relatief lange nestperiode, jaagt het mannetje in sterke mate voor voedsel terwijl het vrouwtje de jongen vooral verzorgt en bewaakt, waardoor de taakverdeling in deze fase vaak heel uitgesproken is.
De lachvalk komt voor in Latijns-Amerika, van Mexico zuidwaarts door Midden-Amerika tot in grote delen van tropisch Zuid-Amerika, met een verspreiding die reikt tot onder meer oostelijk Bolivia, Paraguay, zuidelijk Brazilië en noordelijk Argentinië. Het is vermoedelijk vooral een standvogel, al kan hij in sommige delen van Brazilië niet het hele jaar aanwezig zijn en lijkt er daar sprake van seizoensmatige verschuivingen.
Uiterlijk is de lachvalk opvallend contrastrijk en vrij gemakkelijk te herkennen. De kop is buffkleurig, waarbij de tint per individu en met slijtage kan variëren. Over de ogen en rond het achterhoofd loopt een brede zwarte ‘maskerband’ die overgaat in een smalle kraag achter in de nek, vaak met een lichte rand. Op de kruin zijn duidelijke donkere schachtstreepjes te zien. Rug, vleugels en staart zijn zeer donkerbruin, terwijl de bovendekveren van de staart wit tot buffkleurig kunnen zijn. De staart is fijn zwart-wit gebandeerd en heeft vaak lichte toppen. De onderzijde is overwegend buffkleurig en kleurt onder de vleugels en richting de basis van de handpennen vaak warmer, soms bijna licht roestkleurig. Donkere spikkels op ondervleugeldekveren en dijen komen geregeld voor. De ogen zijn donkerbruin, de snavel zwart en de washuid en poten zijn strogeel. Jonge vogels lijken op volwassen dieren, maar ogen vaak bruiner van boven met brede lichte veerranden, en de lichte delen zijn eerder wit dan buff. Donzige kuikens zijn zacht lichtbuff en al vroeg is de donkere masker- en kraagtekening zichtbaar, met een opvallend dichte, zachte donsstructuur.
De lachvalk is vooral een soort van halfopen bosland. Hij leeft in open delen van hoog bos, bosranden, kapvlakten, open plekken in bos en in ontgonnen landschap met verspreid staande bomen, zoals plantages en landbouwgebieden waar nog veel bomen zijn blijven staan. Hij is meestal te vinden van zeeniveau tot ongeveer 2.500 meter hoogte. In vochtige gebieden kan hij algemeen zijn, terwijl hij in drogere bosregio’s vaak schaarser is. In volledig gesloten, ononderbroken bos wordt hij minder vaak gezien; hij houdt juist van situaties met zicht en jachtruimte, waar hij op verschillende hoogtes kan posten, soms open op een kale tak en soms half verscholen in blad.
De soort is beroemd om zijn roep, die heel anders klinkt dan de typische kreten van veel roofvogels. Een roep die bij verstoring kan klinken is een langzaam dalende reeks noten die vaak als “lachend” wordt ervaren. Vaker hoor je juist een harde, tweeledige roep die in de schemer en na zonsondergang veelvuldig kan worden herhaald en op grote afstand te horen is. Soms roepen twee vogels samen, elk met een eigen ritme en licht verschillende toonhoogte, waardoor het geheel een wat opzwepend, bijna “duetterend” karakter krijgt.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine slangen. De lachvalk jaagt meestal vanaf een open uitkijkpost en laat zich dan met grote kracht op de prooi vallen, waarbij hij de grond soms hoorbaar raakt. Hij grijpt de slang bij voorkeur vlak achter de kop en kan de kop soms afbijten. Kleine slangen worden vaak staart-eerst ingeslikt, terwijl grotere prooien eerder in stukken worden getrokken. Daarnaast worden ook hagedissen, vleermuizen, knaagdieren en soms vis gegeten, afhankelijk van wat lokaal beschikbaar is. Tijdens het jagen zit hij vaak opvallend rechtop en kan hij de kop ver draaien om de bodem af te speuren, wat hem een wat “uilachtige” houding kan geven.
Voor het broeden gebruikt de lachvalk meestal een oud takkenniveau hoog in een solitaire boom of in een uitstekende takpartij boven de omringende kroonlaag, ruwweg van enkele meters tot ruim dertig meter hoogte. Het nest is doorgaans een eenvoudig platform van takken met weinig echte opbouw, en soms wordt ook gebroed in boomholtes of op rotsen. Het broedseizoen verschilt met de breedtegraad. Er worden meestal één tot twee eieren gelegd. Beide ouders kunnen broeden, al blijft het vrouwtje tegen het uitkomen vaak zeer nestvast. Na het uitkomen, na een relatief lange nestperiode, jaagt het mannetje in sterke mate voor voedsel terwijl het vrouwtje de jongen vooral verzorgt en bewaakt, waardoor de taakverdeling in deze fase vaak heel uitgesproken is.
Klik hier - Familie Milvago
Het genus Milvago omvat Zuid-Amerikaanse roofvogels die bekendstaan als caracara’s. Ze hebben een opvallende, veelzijdige uitstraling en doen in gedrag en houding soms zowel aan arenden als aan gieren denken. Dat komt vooral doordat ze niet alleen actief jagen, maar ook geregeld aas eten. Door die opruimende rol worden caracara’s soms ook “aasbuizerds” genoemd, al zijn het in werkelijkheid valkachtigen met een heel eigen manier van leven.
Binnen dit genus worden doorgaans twee soorten onderscheiden. Het zijn typische bewoners van open landschappen, zoals prairies, savannes, graslanden en halfopen agrarisch gebied, waar ze veel ruimte hebben om te lopen, te speuren en snel van plek naar plek te gaan. In tegenstelling tot veel andere valkachtigen brengen ze relatief veel tijd op de grond door. Je ziet ze vaak lopend foerageren, kort opvliegen om iets te onderzoeken en vervolgens weer neerstrijken, alsof ze het terrein systematisch afzoeken.
Milvago-caracara’s zijn opportunisten. Ze ruimen kadavers op wanneer die beschikbaar zijn, maar nemen ook levende prooi zoals insecten, kleine zoogdieren, reptielen en jonge vogels, en ze profiteren graag van makkelijk voedsel rond water, akkers, wegen en veehouderij. Daarbij zijn ze slim en assertief: ze kunnen andere vogels wegdrukken bij voedsel en reageren snel op kansen, bijvoorbeeld wanneer een brand of landbouwactiviteit prooien blootlegt. Deze flexibiliteit helpt hen om in wisselende omstandigheden te overleven, ook in landschappen die door mensen zijn veranderd.
In vlucht zijn ze doorgaans minder “bliksemsnel” dan veel valken; ze combineren rustige slagen met glijden en cirkelen, en schakelen moeiteloos tussen vliegen en lopen. Op de grond vallen ze op door hun alerte houding en hun gewoonte om steeds met de kop te draaien, alsof ze constant afwegen waar de volgende kans ligt. In open savannes en graslanden past dat gedrag perfect, omdat voedselbronnen vaak verspreid en tijdelijk zijn en een vlotte, opportunistische strategie loont.
Binnen dit genus worden doorgaans twee soorten onderscheiden. Het zijn typische bewoners van open landschappen, zoals prairies, savannes, graslanden en halfopen agrarisch gebied, waar ze veel ruimte hebben om te lopen, te speuren en snel van plek naar plek te gaan. In tegenstelling tot veel andere valkachtigen brengen ze relatief veel tijd op de grond door. Je ziet ze vaak lopend foerageren, kort opvliegen om iets te onderzoeken en vervolgens weer neerstrijken, alsof ze het terrein systematisch afzoeken.
Milvago-caracara’s zijn opportunisten. Ze ruimen kadavers op wanneer die beschikbaar zijn, maar nemen ook levende prooi zoals insecten, kleine zoogdieren, reptielen en jonge vogels, en ze profiteren graag van makkelijk voedsel rond water, akkers, wegen en veehouderij. Daarbij zijn ze slim en assertief: ze kunnen andere vogels wegdrukken bij voedsel en reageren snel op kansen, bijvoorbeeld wanneer een brand of landbouwactiviteit prooien blootlegt. Deze flexibiliteit helpt hen om in wisselende omstandigheden te overleven, ook in landschappen die door mensen zijn veranderd.
In vlucht zijn ze doorgaans minder “bliksemsnel” dan veel valken; ze combineren rustige slagen met glijden en cirkelen, en schakelen moeiteloos tussen vliegen en lopen. Op de grond vallen ze op door hun alerte houding en hun gewoonte om steeds met de kop te draaien, alsof ze constant afwegen waar de volgende kans ligt. In open savannes en graslanden past dat gedrag perfect, omdat voedselbronnen vaak verspreid en tijdelijk zijn en een vlotte, opportunistische strategie loont.
Geelkopcarcara
[LAT] Milvago chimachima |
[UK] Yellow-headed Caracara |
[FR] Caracara à tête jaune |
[DE] Gelbkopfkarakara |
[ES] Caracara cabecigualdo |
[NL] Geelkopcaracara





Klik voor Geelkopcaracara details
De geelkopcaracara (Milvago chimachima (Vieillot, 1816)) wordt door de IUCN beoordeeld als niet bedreigd (Least Concern). De soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en een zeer grote populatie. De trend wordt in veel gebieden zelfs als toenemend gezien, waardoor er geen aanwijzing is dat de soort op korte termijn richting een risicocategorie schuift.
De soort komt voor in Latijns-Amerika van Costa Rica tot noordelijk Argentinië. Hij broedt resident in een groot deel van dat gebied, onder meer van Costa Rica en Trinidad en Tobago zuidwaarts door grote delen van Zuid-Amerika tot in noordelijk Argentinië. Over trekbewegingen is relatief weinig bekend, maar het algemene beeld is dat de soort vooral standvogel is. In Suriname is hij in veel gebieden algemeen en in het noorden zelfs bijzonder talrijk, wat goed past bij zijn opportunistische leefwijze in halfopen landschap.
Uiterlijk is de geelkopcaracara breedvleugelig en langstaartig, met een robuuste, “caracara-achtige” bouw. De volwassen vogel heeft een buffgeel tot gelig gekleurde kop, met een opvallende zwarte streep achter het oog. De onderzijde is licht buffkleurig. De bovenzijde is bruin en de vleugels tonen herkenbare, lichte vlekken op de slagpennen. De staart is gebandeerd in crème en bruin, wat in vlucht en bij zittende vogels vaak goed zichtbaar is. Het vrouwtje is gemiddeld groter dan het mannetje. Jonge vogels zijn onderaan meer gevlekt en gemarmerd met bruin, waardoor ze minder strak en gelijkmatig ogen dan volwassen dieren.
De geelkopcaracara leeft vooral in open of halfopen terrein met verspreid staande bomen. Hij is vaak te vinden in agrarisch gebied, met name rond veehouderij, maar ook in savanne, moerasranden en langs bosranden. Juist die overgangszones, waar open ruimte en dekking elkaar afwisselen, lijken ideaal: er is veel voedsel te vinden en er zijn genoeg uitkijkpunten om het terrein af te speuren. Je ziet hem geregeld op palen, hekken of bomen zitten, maar hij foerageert ook veel lopend op de grond, waarbij hij elk kansrijk plekje onderzoekt.
Het voedsel is zeer gevarieerd. De soort is alleseter en neemt onder meer kleine dieren zoals reptielen en amfibieën, maar eet ook aas wanneer dat beschikbaar is. Een opvallend gedrag is het zoeken naar teken op runderen, waarbij hij als het ware “opruimt” op het vee. In sommige regio’s heeft hij daardoor bijnamen die verwijzen naar die rol als “tekenvogel”. Deze flexibiliteit maakt dat de soort goed kan profiteren van door mensen beïnvloede landschappen, waar voedselbronnen vaak voorspelbaar en verspreid aanwezig zijn.
Broeden gebeurt op uiteenlopende plekken. Er worden takkennesten gebruikt, maar soms ook bijzondere locaties zoals verhogingen in het landschap en regelmatig door mensen gemaakte structuren. Daarnaast kan de soort ook in holtes broeden, bijvoorbeeld in bomen. Een interessant detail is dat de broedduur relatief kort kan zijn voor een roofvogel van dit formaat, met een incubatietijd van ongeveer 22 dagen en een opvallend korte periode tot uitvliegen van rond 17 dagen. Het vrouwtje broedt meestal het grootste deel van de tijd, maar het mannetje kan haar af en toe kort aflossen nadat hij haar roepend van het nest heeft gelokt. Bij deze soort is ook beschreven dat het broeden soms pas echt start wanneer het legsel compleet is, waardoor de jongen meer gelijktijdig uitkomen. Het legsel kan rond vier eieren liggen, al kan de legselgrootte aan de randen van het verspreidingsgebied variëren, waarschijnlijk omdat lokale omstandigheden en voedselbeschikbaarheid daar sterker limiteren.
De soort komt voor in Latijns-Amerika van Costa Rica tot noordelijk Argentinië. Hij broedt resident in een groot deel van dat gebied, onder meer van Costa Rica en Trinidad en Tobago zuidwaarts door grote delen van Zuid-Amerika tot in noordelijk Argentinië. Over trekbewegingen is relatief weinig bekend, maar het algemene beeld is dat de soort vooral standvogel is. In Suriname is hij in veel gebieden algemeen en in het noorden zelfs bijzonder talrijk, wat goed past bij zijn opportunistische leefwijze in halfopen landschap.
Uiterlijk is de geelkopcaracara breedvleugelig en langstaartig, met een robuuste, “caracara-achtige” bouw. De volwassen vogel heeft een buffgeel tot gelig gekleurde kop, met een opvallende zwarte streep achter het oog. De onderzijde is licht buffkleurig. De bovenzijde is bruin en de vleugels tonen herkenbare, lichte vlekken op de slagpennen. De staart is gebandeerd in crème en bruin, wat in vlucht en bij zittende vogels vaak goed zichtbaar is. Het vrouwtje is gemiddeld groter dan het mannetje. Jonge vogels zijn onderaan meer gevlekt en gemarmerd met bruin, waardoor ze minder strak en gelijkmatig ogen dan volwassen dieren.
De geelkopcaracara leeft vooral in open of halfopen terrein met verspreid staande bomen. Hij is vaak te vinden in agrarisch gebied, met name rond veehouderij, maar ook in savanne, moerasranden en langs bosranden. Juist die overgangszones, waar open ruimte en dekking elkaar afwisselen, lijken ideaal: er is veel voedsel te vinden en er zijn genoeg uitkijkpunten om het terrein af te speuren. Je ziet hem geregeld op palen, hekken of bomen zitten, maar hij foerageert ook veel lopend op de grond, waarbij hij elk kansrijk plekje onderzoekt.
Het voedsel is zeer gevarieerd. De soort is alleseter en neemt onder meer kleine dieren zoals reptielen en amfibieën, maar eet ook aas wanneer dat beschikbaar is. Een opvallend gedrag is het zoeken naar teken op runderen, waarbij hij als het ware “opruimt” op het vee. In sommige regio’s heeft hij daardoor bijnamen die verwijzen naar die rol als “tekenvogel”. Deze flexibiliteit maakt dat de soort goed kan profiteren van door mensen beïnvloede landschappen, waar voedselbronnen vaak voorspelbaar en verspreid aanwezig zijn.
Broeden gebeurt op uiteenlopende plekken. Er worden takkennesten gebruikt, maar soms ook bijzondere locaties zoals verhogingen in het landschap en regelmatig door mensen gemaakte structuren. Daarnaast kan de soort ook in holtes broeden, bijvoorbeeld in bomen. Een interessant detail is dat de broedduur relatief kort kan zijn voor een roofvogel van dit formaat, met een incubatietijd van ongeveer 22 dagen en een opvallend korte periode tot uitvliegen van rond 17 dagen. Het vrouwtje broedt meestal het grootste deel van de tijd, maar het mannetje kan haar af en toe kort aflossen nadat hij haar roepend van het nest heeft gelokt. Bij deze soort is ook beschreven dat het broeden soms pas echt start wanneer het legsel compleet is, waardoor de jongen meer gelijktijdig uitkomen. Het legsel kan rond vier eieren liggen, al kan de legselgrootte aan de randen van het verspreidingsgebied variëren, waarschijnlijk omdat lokale omstandigheden en voedselbeschikbaarheid daar sterker limiteren.
Klik hier - Familie Caracara
Het genus Caracara omvat twee soorten roofvogels binnen de familie van de valkachtigen. Het gaat om caracara’s die qua bouw en gedrag duidelijk afwijken van de “klassieke” valken uit het genus Falco. Waar veel Falco-soorten bekendstaan als snelle luchtjagers, zijn Caracara’s meestal minder gericht op langdurige achtervolgingen in de lucht en vaker bezig met foerageren op of dicht bij de grond. Ze ogen daardoor soms wat trager en zwaarder in hun bewegingen, en ze zijn bovendien geregeld aaseters die kadavers benutten wanneer de kans zich voordoet.
Binnen dit genus is er een noordelijke soort die lange tijd als één geheel werd gezien met de zuidelijke soort, maar later als aparte soort is afgesplitst. Die noordelijke soort staat ook bekend als de kuifcaracara, een naam die verwijst naar de opvallende kruinveren en het karakteristieke silhouet. In oudere indelingen werden deze caracara’s vaak ondergebracht in het genus Polyborus, waardoor je in oudere literatuur en verzameldatabases nog regelmatig die naam tegenkomt.
Caracara’s zijn echte opportunisten. In plaats van uitsluitend op één jachtstrategie te vertrouwen, combineren ze verschillende manieren om aan voedsel te komen. Ze scharrelen lopend door open terrein, inspecteren wegbermen en open plekken, volgen soms andere dieren om restanten te benutten en kunnen ook actief prooien grijpen als die zich aandienen. Juist die mix van jagen en opruimen maakt ze ecologisch succesvol in halfopen en door mensen beïnvloede landschappen, waar voedselbronnen vaak wisselend maar regelmatig beschikbaar zijn. Daardoor passen ze in gedrag soms net zo goed bij “opruimers” als bij roofvogels, terwijl ze taxonomisch duidelijk valkachtigen blijven.
In het veld vallen Caracara’s vaak op door hun zelfverzekerde houding, relatief lange verblijftijd op de grond en hun slimme, onderzoekende gedrag. Ze lijken voortdurend kansen af te wegen, waarbij ze niet aarzelen om nieuw voedsel te proberen of om op te duiken op plekken waar iets te halen valt. Dat maakt het genus Caracara tot een opvallende, eigenzinnige tak binnen de valkachtigen, met een levenswijze die minder om pure snelheid draait en meer om veelzijdigheid en opportunisme.
Binnen dit genus is er een noordelijke soort die lange tijd als één geheel werd gezien met de zuidelijke soort, maar later als aparte soort is afgesplitst. Die noordelijke soort staat ook bekend als de kuifcaracara, een naam die verwijst naar de opvallende kruinveren en het karakteristieke silhouet. In oudere indelingen werden deze caracara’s vaak ondergebracht in het genus Polyborus, waardoor je in oudere literatuur en verzameldatabases nog regelmatig die naam tegenkomt.
Caracara’s zijn echte opportunisten. In plaats van uitsluitend op één jachtstrategie te vertrouwen, combineren ze verschillende manieren om aan voedsel te komen. Ze scharrelen lopend door open terrein, inspecteren wegbermen en open plekken, volgen soms andere dieren om restanten te benutten en kunnen ook actief prooien grijpen als die zich aandienen. Juist die mix van jagen en opruimen maakt ze ecologisch succesvol in halfopen en door mensen beïnvloede landschappen, waar voedselbronnen vaak wisselend maar regelmatig beschikbaar zijn. Daardoor passen ze in gedrag soms net zo goed bij “opruimers” als bij roofvogels, terwijl ze taxonomisch duidelijk valkachtigen blijven.
In het veld vallen Caracara’s vaak op door hun zelfverzekerde houding, relatief lange verblijftijd op de grond en hun slimme, onderzoekende gedrag. Ze lijken voortdurend kansen af te wegen, waarbij ze niet aarzelen om nieuw voedsel te proberen of om op te duiken op plekken waar iets te halen valt. Dat maakt het genus Caracara tot een opvallende, eigenzinnige tak binnen de valkachtigen, met een levenswijze die minder om pure snelheid draait en meer om veelzijdigheid en opportunisme.
Kuifcaracara
[LAT] Caracara plancus |
[UK] Southern Caracara |
[FR] Caracara huppé |
[DE] Schopfkarakara |
[ES] Caracara moñudo |
[NL] Kuifcaracara


Klik voor Kuifcaracara details
Klik voor Kuifcaracara details
Caracara plancus (Caracara plancus (Miller, 1777)) wordt door de IUCN beoordeeld als niet bedreigd (Least Concern). De soort heeft een groot verspreidingsgebied en een wereldpopulatie die op honderdduizenden tot rond een miljoen individuen wordt geschat. Wereldwijde trends zijn niet overal exact doorgemeten, maar er zijn aanwijzingen dat de soort in meerdere gebieden stabiel is of toeneemt, waardoor hij niet in de buurt komt van de drempels voor een hogere risicocategorie.
De soort wordt vooral geassocieerd met Zuid- en zuid-centraal Zuid-Amerika, maar caracara’s van dit type worden in bredere context vaak ook genoemd voor delen van Midden-Amerika en zelfs verder noordelijk. In Suriname wordt hij in het kustgebied in open landschap met verspreide bomen gezien, met lokaal hoge aantallen, onder meer in de omgeving waar veel open agrarisch terrein, water en menselijke activiteit samenkomen. Over het algemeen is het een soort die vooral standvogel is, met vermoedelijk vooral lokale verplaatsingen afhankelijk van voedsel, water en omstandigheden.
Uiterlijk is dit een middelgrote, breedvleugelige en langstaartige roofvogel, waarbij mannetje en vrouwtje sterk op elkaar lijken. Opvallend zijn de stevige, grijs gehaakte snavel en de roodachtige washuid en kale gezichtshuid rond het oog. In vlucht valt de relatief lange nek vaak extra op. De kop toont een zwarte kap met achterop een lichte kuif. De buitenste handpennen hebben opvallend witte bases, waardoor in de buitenvleugel een groot wit vlak zichtbaar is, vergelijkbaar met het effect dat je bij sommige aasgieren ziet. De stuit en zowel boven- als onderstaartdekveren zijn wit, terwijl de staart zelf wit is met zwarte bandering en een brede, donkere eindband. De buik is zwart, de poten zijn lang en gelig, en rug en borst ogen donker met een fijne, subtiele tekening die de vogel een wat “gemarmerde” indruk kan geven.
De soort leeft vooral in open, laaggelegen landschap, zoals graslanden, weiden, savannes, rivieroevers en ranch- of landbouwgebieden. Hij kan ook in moerassen en aan randen van bos voorkomen, maar de voorkeur ligt duidelijk bij open terrein waar hij lopend kan foerageren en van uitkijkpunten zoals palen, bomen of lage verhogingen de omgeving kan afspeuren. Juist door die voorkeur voor halfopen en door mensen beïnvloede landschappen is hij op veel plekken goed zichtbaar, soms zelfs in de nabijheid van dorpen en steden.
Het voedsel is zeer veelzijdig. Caracara plancus eet vaak aas, maar benut vrijwel elke kans op makkelijk voedsel. Naast kadavers worden ook kleine zoogdieren, amfibieën, reptielen, schildpadden, vissen, krabben, eieren, insecten, wormen en jonge vogels gegeten. Levend voedsel wordt vaak lopend op de grond gevangen, en de soort kan ook prooi of voedsel afpakken van andere vogels wanneer dat lukt. Die opportunistische strategie maakt hem tot een echte “alleskunner” die snel inspeelt op lokale voedselpieken, bijvoorbeeld langs wegen, bij water, of rond veehouderij.
Voor het broeden wordt een groot takkennest gebouwd, vaak in een palm, cactus of boom, maar soms ook op de grond. Het nest is meestal een forse, wat rommelig ogende constructie van takken, vaak zonder nette bekleding, al kan het soms worden “aangekleed” met droge mest en allerlei resten zoals botjes of stukjes gedroogde huid. In de diepe nestkom kan een compacte laag van uitgebraakte braakballen aanwezig zijn, die als het ware een vilten basis vormt. Nesten worden geregeld hergebruikt en liggen vaak goed verborgen tussen dichte takken, in cactussen of tussen palmbladeren. In boomloze pampagebieden kan op de grond worden gebroed, soms op een eilandje in een moeras, en in kale woestijnachtige streken zelfs onder overhangende rotsen. Het vrouwtje legt meestal twee tot drie eieren, die ongeveer 28 tot 32 dagen worden bebroed. De jongen blijven lang afhankelijk en de periode tot ze echt zelfstandig en volledig vaardig zijn kan tot ongeveer drie maanden duren, wat goed past bij een soort die veel tijd nodig heeft om zowel jacht- als foerageervaardigheden op te bouwen.
De soort wordt vooral geassocieerd met Zuid- en zuid-centraal Zuid-Amerika, maar caracara’s van dit type worden in bredere context vaak ook genoemd voor delen van Midden-Amerika en zelfs verder noordelijk. In Suriname wordt hij in het kustgebied in open landschap met verspreide bomen gezien, met lokaal hoge aantallen, onder meer in de omgeving waar veel open agrarisch terrein, water en menselijke activiteit samenkomen. Over het algemeen is het een soort die vooral standvogel is, met vermoedelijk vooral lokale verplaatsingen afhankelijk van voedsel, water en omstandigheden.
Uiterlijk is dit een middelgrote, breedvleugelige en langstaartige roofvogel, waarbij mannetje en vrouwtje sterk op elkaar lijken. Opvallend zijn de stevige, grijs gehaakte snavel en de roodachtige washuid en kale gezichtshuid rond het oog. In vlucht valt de relatief lange nek vaak extra op. De kop toont een zwarte kap met achterop een lichte kuif. De buitenste handpennen hebben opvallend witte bases, waardoor in de buitenvleugel een groot wit vlak zichtbaar is, vergelijkbaar met het effect dat je bij sommige aasgieren ziet. De stuit en zowel boven- als onderstaartdekveren zijn wit, terwijl de staart zelf wit is met zwarte bandering en een brede, donkere eindband. De buik is zwart, de poten zijn lang en gelig, en rug en borst ogen donker met een fijne, subtiele tekening die de vogel een wat “gemarmerde” indruk kan geven.
De soort leeft vooral in open, laaggelegen landschap, zoals graslanden, weiden, savannes, rivieroevers en ranch- of landbouwgebieden. Hij kan ook in moerassen en aan randen van bos voorkomen, maar de voorkeur ligt duidelijk bij open terrein waar hij lopend kan foerageren en van uitkijkpunten zoals palen, bomen of lage verhogingen de omgeving kan afspeuren. Juist door die voorkeur voor halfopen en door mensen beïnvloede landschappen is hij op veel plekken goed zichtbaar, soms zelfs in de nabijheid van dorpen en steden.
Het voedsel is zeer veelzijdig. Caracara plancus eet vaak aas, maar benut vrijwel elke kans op makkelijk voedsel. Naast kadavers worden ook kleine zoogdieren, amfibieën, reptielen, schildpadden, vissen, krabben, eieren, insecten, wormen en jonge vogels gegeten. Levend voedsel wordt vaak lopend op de grond gevangen, en de soort kan ook prooi of voedsel afpakken van andere vogels wanneer dat lukt. Die opportunistische strategie maakt hem tot een echte “alleskunner” die snel inspeelt op lokale voedselpieken, bijvoorbeeld langs wegen, bij water, of rond veehouderij.
Voor het broeden wordt een groot takkennest gebouwd, vaak in een palm, cactus of boom, maar soms ook op de grond. Het nest is meestal een forse, wat rommelig ogende constructie van takken, vaak zonder nette bekleding, al kan het soms worden “aangekleed” met droge mest en allerlei resten zoals botjes of stukjes gedroogde huid. In de diepe nestkom kan een compacte laag van uitgebraakte braakballen aanwezig zijn, die als het ware een vilten basis vormt. Nesten worden geregeld hergebruikt en liggen vaak goed verborgen tussen dichte takken, in cactussen of tussen palmbladeren. In boomloze pampagebieden kan op de grond worden gebroed, soms op een eilandje in een moeras, en in kale woestijnachtige streken zelfs onder overhangende rotsen. Het vrouwtje legt meestal twee tot drie eieren, die ongeveer 28 tot 32 dagen worden bebroed. De jongen blijven lang afhankelijk en de periode tot ze echt zelfstandig en volledig vaardig zijn kan tot ongeveer drie maanden duren, wat goed past bij een soort die veel tijd nodig heeft om zowel jacht- als foerageervaardigheden op te bouwen.
Klik hier - Familie Phalcoboenus
Het genus Phalcoboenus is een klein genus van roofvogels binnen de familie van de valkachtigen. Het gaat om caracara’s die vooral zijn aangepast aan ruige, open landschappen in het zuiden en westen van Zuid-Amerika. Ze komen voor in kale of halfkale gebieden van de Andes en Patagonië en daarnaast op de Falklandeilanden, waar openheid, wind en schaars verspreide voedselbronnen de toon zetten. In zulke omgevingen zijn ze vaak opvallend aanwezig, niet zozeer door snelle luchtjacht, maar door hun slimme, opportunistische manier van foerageren.
Binnen dit genus worden doorgaans vier soorten onderscheiden. Die soorten leven grotendeels gescheiden van elkaar, waardoor ze elkaar in het wild meestal niet of nauwelijks overlappen. Daardoor hebben ze per gebied hun eigen niche ontwikkeld, vaak met subtiele verschillen in leefgebiedkeuze en voedselstrategie, maar met een duidelijk gedeeld “Phalcoboenus-profiel” in gedrag en uitstraling.
Volwassen vogels zijn zeer herkenbaar door de kale gezichtshuid en washuid, die geel, oranje of rood kan zijn en sterk contrasteert met het overwegend zwarte verenkleed. De hoeveelheid wit varieert per soort en soms ook per individu, waardoor het totale patroon binnen het genus niet altijd identiek is, maar het contrast tussen donkere veren en opvallend gekleurde kale huid blijft een betrouwbaar kenmerk. Jonge vogels zien er duidelijk anders uit: zij zijn overwegend bruin en hebben een meer flets, rozegrijs gezicht en washuid, waardoor ze minder “fel” ogen dan volwassen dieren. Die leeftijdsverschillen zijn vaak goed te zien, zeker wanneer de vogel op de grond loopt of van dichtbij wordt bekeken.
Phalcoboenus-soorten zijn uitgesproken opportunisten. Ze worden vaak lopend gezien, soms bijna scharrelend, terwijl ze het terrein systematisch afzoeken. Ze eten aas wanneer dat beschikbaar is, maar nemen net zo goed levende prooi mee als die binnen bereik komt. Dat kan uiteenlopen van insecten en andere ongewervelden tot kleine gewervelden die ze lopend kunnen grijpen of met een korte sprong kunnen pakken. Juist doordat ze veel op de grond foerageren, passen ze goed bij open, rotsige of grasachtige landschappen waar je voedsel niet altijd vanuit de lucht “uit het niets” kunt slaan, maar waar je winst boekt door vol te houden, goed te kijken en snel kansen te benutten.
Door hun nieuwsgierige, assertieve gedrag kunnen ze in hun leefgebied opvallend brutaal overkomen. Ze benaderen objecten en dieren soms op korte afstand, onderzoeken nieuwe situaties zonder veel schroom en kunnen bij voedselbronnen actief concurreren met andere vogels. Dat gedrag maakt het genus Phalcoboenus tot een van de meest karaktervolle groepen binnen de valkachtigen, met een levensstijl die minder draait om pure snelheid en meer om slimheid, flexibiliteit en het vermogen om in een ruig landschap overal iets eetbaars uit te halen.
Binnen dit genus worden doorgaans vier soorten onderscheiden. Die soorten leven grotendeels gescheiden van elkaar, waardoor ze elkaar in het wild meestal niet of nauwelijks overlappen. Daardoor hebben ze per gebied hun eigen niche ontwikkeld, vaak met subtiele verschillen in leefgebiedkeuze en voedselstrategie, maar met een duidelijk gedeeld “Phalcoboenus-profiel” in gedrag en uitstraling.
Volwassen vogels zijn zeer herkenbaar door de kale gezichtshuid en washuid, die geel, oranje of rood kan zijn en sterk contrasteert met het overwegend zwarte verenkleed. De hoeveelheid wit varieert per soort en soms ook per individu, waardoor het totale patroon binnen het genus niet altijd identiek is, maar het contrast tussen donkere veren en opvallend gekleurde kale huid blijft een betrouwbaar kenmerk. Jonge vogels zien er duidelijk anders uit: zij zijn overwegend bruin en hebben een meer flets, rozegrijs gezicht en washuid, waardoor ze minder “fel” ogen dan volwassen dieren. Die leeftijdsverschillen zijn vaak goed te zien, zeker wanneer de vogel op de grond loopt of van dichtbij wordt bekeken.
Phalcoboenus-soorten zijn uitgesproken opportunisten. Ze worden vaak lopend gezien, soms bijna scharrelend, terwijl ze het terrein systematisch afzoeken. Ze eten aas wanneer dat beschikbaar is, maar nemen net zo goed levende prooi mee als die binnen bereik komt. Dat kan uiteenlopen van insecten en andere ongewervelden tot kleine gewervelden die ze lopend kunnen grijpen of met een korte sprong kunnen pakken. Juist doordat ze veel op de grond foerageren, passen ze goed bij open, rotsige of grasachtige landschappen waar je voedsel niet altijd vanuit de lucht “uit het niets” kunt slaan, maar waar je winst boekt door vol te houden, goed te kijken en snel kansen te benutten.
Door hun nieuwsgierige, assertieve gedrag kunnen ze in hun leefgebied opvallend brutaal overkomen. Ze benaderen objecten en dieren soms op korte afstand, onderzoeken nieuwe situaties zonder veel schroom en kunnen bij voedselbronnen actief concurreren met andere vogels. Dat gedrag maakt het genus Phalcoboenus tot een van de meest karaktervolle groepen binnen de valkachtigen, met een levensstijl die minder draait om pure snelheid en meer om slimheid, flexibiliteit en het vermogen om in een ruig landschap overal iets eetbaars uit te halen.
Falklandcaracara
[LAT] Phalcoboenus australis |
[UK] Striated Caracara |
[FR] Caracara austral |
[DE] Falklandkarakara |
[ES] Caracara estriado |
[NL] Falklandcaracara



Klik voor Falklandcaracara details
Klik voor Falklandcaracara details
De falklandcaracara is een opvallende, opportunistische roofvogel van de valkachtigen die vooral bekend is van de Falklandeilanden. In tegenstelling tot veel “klassieke” valken is dit geen soort die vooral leeft van snelle luchtjacht, maar eerder een slimme alleseter die veel lopend foerageert en elke kans benut die het landschap biedt. Door dat gedrag en zijn nieuwsgierige, brutale uitstraling wordt hij lokaal ook wel als een echte “doener” gezien in het kustlandschap, vaak eerder op de grond dan hoog in de lucht.
De soort heeft een beperkt verspreidingsgebied in het uiterste zuiden van Zuid-Amerika, met een zwaartepunt op de Falklandeilanden en daarnaast voorkomens in het zuidelijkste deel van het continent en omliggende eilanden. Het is overwegend een standvogel, waarbij verplaatsingen vooral lokaal en seizoensgebonden zijn, bijvoorbeeld tussen kustzones en iets hoger gelegen delen wanneer voedselbronnen verschuiven.
Uiterlijk is de falklandcaracara als volwassen vogel vaak donker tot zwart, met variabele witte accenten, en vooral de kale gezichtshuid valt op. Die huid en de washuid kunnen geel, oranje of rood zijn, wat sterk contrasteert met het donkere verenkleed. De juvenielen zien er heel anders uit en zijn overwegend bruin, met een meer dof en bleek rozegrijs gezicht en een minder “felle” uitstraling dan volwassen vogels. Daardoor is leeftijd vaak goed te schatten, zeker van dichtbij of bij goede lichtomstandigheden.
Het leefgebied bestaat uit open, vaak kaal en winderig terrein, met een duidelijke voorkeur voor kustzones. Rotsige kusten, getijdegebieden en aangrenzende vegetatie zoals polgrasvelden vormen typische plekken waar de soort zich ophoudt. Hij kan ook verder landinwaarts rondzwerven, maar blijft meestal gekoppeld aan open situaties waar hij lopend kan zoeken en waar aas, kuikens, eieren of kleine dieren binnen bereik komen. In zulke omgevingen valt hij ook op doordat hij vaak in kleine groepjes aanwezig kan zijn, zeker wanneer er lokaal veel voedsel beschikbaar is.
De falklandcaracara is een uitgesproken opportunist. Hij eet aas wanneer dat voorhanden is, maar pakt net zo goed levende prooi als hij die kan overmeesteren. Het menu kan bestaan uit allerlei kleine dieren die hij op de grond vindt of vangt, en daarnaast profiteert hij van voedsel rond zeevogelkolonies en kustfauna. Hij staat er ook om bekend dat hij brutaal kan zijn, voedsel kan stelen of andere dieren kan wegjagen bij een prooibron, en dat hij met veel lef situaties onderzoekt waar andere roofvogels afstand zouden houden. Juist die combinatie van slimheid, durf en flexibiliteit maakt dat hij in zijn ruige leefgebied succesvol kan zijn, maar ook gevoelig kan reageren op veranderingen in voedselbeschikbaarheid en menselijke druk.
Over het broeden is inmiddels meer bekend dan vroeger, maar er blijven ook duidelijke kennislacunes. Op de Falklandeilanden broedt de soort grofweg van eind oktober tot en met januari. Het nest wordt vaak op de grond gemaakt, bijvoorbeeld onder polgraspluimen, in beschutte plekjes tussen vegetatie, of op richels langs kliffen. Er wordt regelmatig in losse groepen gebroed, waarbij nesten soms relatief dicht bij elkaar kunnen liggen, en er zijn aanwijzingen dat samenwerking rond het nest bij deze soort kan voorkomen. Het legsel bestaat meestal uit twee eieren, maar kan variëren en in uitzonderlijke gevallen groter zijn. Details zoals exacte broedduur en de periode tot uitvliegen zijn niet overal even goed vastgesteld, mede doordat veel nestplaatsen lastig toegankelijk zijn en de omstandigheden in het veld ruw kunnen zijn, maar het algemene beeld is dat beide ouders een actieve rol hebben in bewaken en verzorgen, met een sterke nadruk op het veilig houden van de nestplek in een omgeving waar opportunisten en stormen altijd meespelen.
De wetenschappelijke naam is Daptrius australis, en in oudere bronnen wordt hij vaak vermeld als Phalcoboenus australis. De Engelstalige naam is Striated Caracara en op de Falklandeilanden wordt hij ook wel “Johnny rook” genoemd.
De soort heeft een beperkt verspreidingsgebied in het uiterste zuiden van Zuid-Amerika, met een zwaartepunt op de Falklandeilanden en daarnaast voorkomens in het zuidelijkste deel van het continent en omliggende eilanden. Het is overwegend een standvogel, waarbij verplaatsingen vooral lokaal en seizoensgebonden zijn, bijvoorbeeld tussen kustzones en iets hoger gelegen delen wanneer voedselbronnen verschuiven.
Uiterlijk is de falklandcaracara als volwassen vogel vaak donker tot zwart, met variabele witte accenten, en vooral de kale gezichtshuid valt op. Die huid en de washuid kunnen geel, oranje of rood zijn, wat sterk contrasteert met het donkere verenkleed. De juvenielen zien er heel anders uit en zijn overwegend bruin, met een meer dof en bleek rozegrijs gezicht en een minder “felle” uitstraling dan volwassen vogels. Daardoor is leeftijd vaak goed te schatten, zeker van dichtbij of bij goede lichtomstandigheden.
Het leefgebied bestaat uit open, vaak kaal en winderig terrein, met een duidelijke voorkeur voor kustzones. Rotsige kusten, getijdegebieden en aangrenzende vegetatie zoals polgrasvelden vormen typische plekken waar de soort zich ophoudt. Hij kan ook verder landinwaarts rondzwerven, maar blijft meestal gekoppeld aan open situaties waar hij lopend kan zoeken en waar aas, kuikens, eieren of kleine dieren binnen bereik komen. In zulke omgevingen valt hij ook op doordat hij vaak in kleine groepjes aanwezig kan zijn, zeker wanneer er lokaal veel voedsel beschikbaar is.
De falklandcaracara is een uitgesproken opportunist. Hij eet aas wanneer dat voorhanden is, maar pakt net zo goed levende prooi als hij die kan overmeesteren. Het menu kan bestaan uit allerlei kleine dieren die hij op de grond vindt of vangt, en daarnaast profiteert hij van voedsel rond zeevogelkolonies en kustfauna. Hij staat er ook om bekend dat hij brutaal kan zijn, voedsel kan stelen of andere dieren kan wegjagen bij een prooibron, en dat hij met veel lef situaties onderzoekt waar andere roofvogels afstand zouden houden. Juist die combinatie van slimheid, durf en flexibiliteit maakt dat hij in zijn ruige leefgebied succesvol kan zijn, maar ook gevoelig kan reageren op veranderingen in voedselbeschikbaarheid en menselijke druk.
Over het broeden is inmiddels meer bekend dan vroeger, maar er blijven ook duidelijke kennislacunes. Op de Falklandeilanden broedt de soort grofweg van eind oktober tot en met januari. Het nest wordt vaak op de grond gemaakt, bijvoorbeeld onder polgraspluimen, in beschutte plekjes tussen vegetatie, of op richels langs kliffen. Er wordt regelmatig in losse groepen gebroed, waarbij nesten soms relatief dicht bij elkaar kunnen liggen, en er zijn aanwijzingen dat samenwerking rond het nest bij deze soort kan voorkomen. Het legsel bestaat meestal uit twee eieren, maar kan variëren en in uitzonderlijke gevallen groter zijn. Details zoals exacte broedduur en de periode tot uitvliegen zijn niet overal even goed vastgesteld, mede doordat veel nestplaatsen lastig toegankelijk zijn en de omstandigheden in het veld ruw kunnen zijn, maar het algemene beeld is dat beide ouders een actieve rol hebben in bewaken en verzorgen, met een sterke nadruk op het veilig houden van de nestplek in een omgeving waar opportunisten en stormen altijd meespelen.
De wetenschappelijke naam is Daptrius australis, en in oudere bronnen wordt hij vaak vermeld als Phalcoboenus australis. De Engelstalige naam is Striated Caracara en op de Falklandeilanden wordt hij ook wel “Johnny rook” genoemd.
Pages: 1 2