De Trochilidae vormen een fascinerende familie van kleine, kleurrijke vogels die bekendstaan als kolibries. Ze komen uitsluitend voor in het Amerikaanse continent, van Alaska tot Vuurland, maar bereiken hun grootste diversiteit in de tropen van Midden- en Zuid-Amerika. Met meer dan 350 soorten vormen ze een van de meest soortenrijke vogelgroepen ter wereld.
Kolibries zijn beroemd om hun snel kloppende vleugels (tot 80 keer per seconde), waardoor ze als enigen onder de vogels stil kunnen hangen in de lucht én zelfs achteruit kunnen vliegen. Ze zijn bijzonder goed aangepast aan het opzuigen van nectar uit bloemen, met een lange tong en een smalle snavel, en spelen een belangrijke rol in de bestuiving van planten. Daarnaast jagen ze ook op kleine insecten en spinnen voor extra eiwitten.
Hun verenkleed is vaak iriserend en schittert in felle kleuren, vooral bij de mannetjes. Ondanks hun fragiele uiterlijk zijn kolibries territoriaal en fel, vooral als het gaat om voedselbronnen.
foto’s copyright Jan Dolphijn
Klik hier genus Amazilia
Binnen dit type kolibries valt doorgaans een compact lichaam op met een relatief rechte tot licht gebogen snavel, een metallic groene of bronzige bovenzijde en een contrasterende keel of buik die per soort kan variëren. Het gedrag is sterk gebonden aan bloembezoek: nectar vormt de kern van het voedsel, aangevuld met kleine insecten en spinnen die in vlucht of vanaf vegetatie worden verzameld. Voedselzoekgedrag speelt zich vaak af langs bloemrijke routes en bij vaste nectarbronnen, waarbij territoriaal gedrag rond “rijke” bloeiplaatsen regelmatig voorkomt.
De voortplanting sluit aan bij het algemene kolibriepatroon: een klein, diep komvormig nest van plantaardige vezels en dons, samengehouden met spinsel, meestal laag tot middelhoog op een tak of in een vork van struiken/bomen, soms ook dicht bij menselijke bebouwing als geschikte beschutting aanwezig is. Een legsel bestaat meestal uit twee witte eieren. De broedzorg bestaat uit intensief broeden en voeren met kleine prooien en nectar, met een nestperiode die bij kolibries doorgaans enkele weken beslaat, gevolgd door een korte uitvliegfase waarin juvenielen snel zelfstandig leren foerageren.
Franje-amazilia




Klik hier Franje Amazilia details
Het uiterlijk is typisch voor een middelkleine kolibrie: bovenparts overwegend groen tot bronsgroen met een opvallend warmbruine tot kastanjebruine staart. De snavel is slank en meestal roodachtig met een donkerder punt. De onderzijde is overwegend licht (witachtig tot bleekgrijs), vaak met een zachte groenige zweem op borst en flanken, waardoor het contrast met de staart extra opvalt.
Geschikte leefgebieden bestaan uit open en halfopen terrein zoals droge struwelen, bosranden, rivier- en dalvegetatie, parklandschap, plantages en tuinen, inclusief dorpen en stadsranden waar bloeiende sierplanten voedsel leveren. Voedsel bestaat vooral uit nectar van bloeiende struiken, bomen en kruiden; aanvullend worden kleine insecten en spinnen uit de lucht of van vegetatie gepikt voor eiwitten.
Broeden gebeurt meestal solitair. Het nest is een klein, diep komvormig bouwwerk van fijne plantenvezels en dons, vaak verstevigd met spinrag, geplaatst op een dunne tak of in dichte struikvegetatie. Een legsel bestaat doorgaans uit twee witte eieren. De broedduur ligt meestal rond twee tot drie weken, gevolgd door een nestperiode van ongeveer drie tot vier weken, waarna uitvliegen plaatsvindt en nog enige tijd bedelende jongen in de buurt van het nestgebied kunnen worden gezien.
Klik hier Genus Anthracothorax
Binnen het genus is de lichaamsbouw doorgaans vergelijkbaar: stevig voor een kolibrie, met een vrij krachtige vlucht en het vermogen om zowel bij bloemen te “hangen” als actief tussen open plekken te pendelen. Ondanks de overeenkomst in formaat is er juist veel variatie in kleurpatronen, vooral in de iriserende keelvlek. Die iriserende glans kan per soort sterk verschillen in tint en intensiteit, wat vaak een belangrijk herkenningskenmerk is.
Bij de meeste soorten is sprake van duidelijke seksuele dimorfie. Mannetjes tonen meestal meer opvallende, iriserende kleuren op de onderzijde, vaak met een opvallende keelvlek en een contrastrijker lichaam. Vrouwtjes hebben doorgaans een minder glanzende onderzijde in wit-, beige- of grijstinten, regelmatig met een donkerdere centrale streep of markering. Een paar soorten wijken hiervan af en ogen bij beide geslachten relatief gelijk van kleur. In gedrag en ecologie draait veel om nectar, aangevuld met kleine insecten en spinnen voor eiwitten, waarbij territoriaal gedrag rond rijke bloeiplaatsen vaak voorkomt.
Zwartkeelmango



Klik hier Zwartkeelmango details
Groenkeelmango


Klik hier groenkeelmango details
Kenmerken: een relatief grote kolibrie. Mannetje met glanzend groen bovenkleed (vaak met koperachtige tint), groene keel en onderdelen met een donkere centrale streep op borst en buik; staart met donkerder middelste veren en wijnrode buitenste staartveren met donkere toppen. Vrouwtje meestal bronziger op rug en flanken, met lichte onderdelen en eveneens een duidelijke centrale donkere streep; staart met wijnrode buitenste veren met lichte uiteinden.
Habitat omvat mangroveranden, vochtige laagland-savannes en halfopen kustzones met bomen en struikgewas, vaak in gebieden waar nectarbronnen periodiek rijk aanwezig zijn. Voedsel bestaat vooral uit nectar van bloemen (ook van grotere bomen), aangevuld met insecten die in de lucht worden gevangen door foerageren in open ruimtes.
Een diep komvormig nest wordt gebouwd op een dunne, vaak (deels) kale horizontale tak hoog in een boom (regelmatig rond 10 meter). Legsel meestal twee witte eieren; broeden duurt ongeveer 15 dagen en uitvliegen volgt vaak rond 25 dagen na uitkomst. Nesten zijn in delen van het verspreidingsgebied door het jaar heen gevonden, met een piek in de eerste maanden van het jaar in de Guyana’s.
Klik hier Genus Chrysolampis
De soort wordt vooral aangetroffen in open terrein, bosranden, open plekken en tuinen, van zeeniveau tot in heuvelgebied, maar doorgaans op lagere hoogten. Foerageren gebeurt actief overdag tussen struiken en in boomtoppen. Nectar vormt de basis van het dieet en wordt uit uiteenlopende bloeiende planten gehaald, aangevuld met kleine insecten en spinnen die in vlucht worden gegrepen of uit bladgroen worden geplukt; die dierlijke prooien spelen een belangrijke rol als eiwitbron tijdens de voortplantingsperiode.
De voortplantingstijd varieert per regio. In Trinidad en Tobago, Venezuela en Guyana valt die periode vooral tussen december en juni, terwijl elders in het verspreidingsgebied vaker een seizoen van september tot januari wordt genoemd. Nestbouw vindt plaats op ongeveer 1 tot 4 meter boven de grond met zachte plantaardige vezels en kleverige materialen, zodat het nest kan meeveren naarmate de jongen groeien. Een legsel bestaat uit drie kleine witte eieren; de incubatie duurt tot ongeveer 16 dagen. Uitgevlogen jongen verlaten het nest rond 19 tot 22 dagen na uitkomen, en een broedseizoen omvat doorgaans één broedsel.
Muskietkolibrie



Klik hier Muskietkolibrie details
Bij volwassen mannetjes valt de fel rode tot robijnkleurige kruin sterk op, met een contrasterende glanzende keelvlek en een slank postuur; vrouwtjes en jonge vogels zijn overwegend groener en minder contrastrijk, wat in het veld tot verwarring kan leiden met andere “groene” kolibries in hetzelfde gebied.
De muskietkolibrie gebruikt vooral open tot halfopen landschappen: randen van bos, savanne-achtige gebieden, struwelen, tuinen, plantages en andere plekken met bloeiende struiken en bomen. Voedsel bestaat hoofdzakelijk uit nectar, aangevuld met kleine insecten en spinnen die in de vlucht of vanaf een uitkijkplek worden gepakt, wat extra eiwitten oplevert.
Tijdens de broedtijd wordt doorgaans een klein, komvormig nest gebouwd met plantaardig materiaal en spinrag als “bindmiddel”, meestal laag tot middelhoog in een struik of boom. Een legsel bestaat vaak uit twee eieren; broeden en grootbrengen vinden plaats in een relatief korte cyclus, passend bij het snelle leefritme van kolibries.
Klik hier Genus Selasphorus
Soorten uit Selasphorus benutten uiteenlopende biotopen, waaronder bosranden, open naaldbos en eikenbos, struweel, bergweiden, beekdalen, tuinen en parken, en tijdens trek ook lage kuststroken en bloemrijke tussenstops langs routes. In veel gebieden speelt seizoensbloei een grote rol, waardoor lokaal of regionaal verplaatsen tussen laagland en hoger gelegen gebieden regelmatig voorkomt.
Voedsel bestaat hoofdzakelijk uit nectar, aangevuld met kleine insecten en spinnen voor eiwitten. Nectar wordt vooral genomen uit bloeiende kruiden en struiken, vaak uit buisvormige bloemen, maar gebruik van uiteenlopende bloemtypen komt ook voor wanneer die tijdelijk abundant zijn. Insecten worden in de lucht gevangen of van bladeren en takjes geplukt, waarbij korte, wendbare vluchten en stilhangend foerageren worden afgewisseld met korte rustmomenten op uitkijkjes.
Voortplanting volgt in het algemeen het kolibriepatroon met een klein komvormig nest van plantaardig dons en fijne vezels, verstevigd met spinrag en vaak gecamoufleerd met korstmossen of mos. Nestbouw gebeurt meestal op een tak of in een struik, vaak op beschutte plekken langs bosranden of in beekbegeleidende vegetatie. Een legsel bestaat meestal uit twee witte eieren, met een relatief korte broedduur en snelle groei van de jongen. Bij meerdere soorten in dit genus is uitgesproken baltsgedrag bekend met duikvluchten en displaypatronen, waarbij geluiden door de vleugels of staartveren soms een rol kunnen spelen.
Rosse kolibrie



Klik hier Rosse kolibrie details
Volwassen mannetjes zijn in Noord-Amerika uniek door een duidelijk rosse, roodbruine rug en een fel oranje-rode keel. Volwassen vrouwtjes tonen een groener rugdek met doffer rossige tinten langs flanken en bij de staartbasis. Tijdens baltsvluchten worden steile U-vormige of bijna verticale ovale trajecten beschreven, met scherpe geluiden op het laagste punt van de duik. Polygynie komt voor; zorg voor nest en jongen ligt bij het vrouwtje.
Het leefgebied omvat bosranden, open plekken en kapvlakten, struweelrijk secundair bos, beek- en rivieroevers en bergweiden. In het winterhalfjaar wordt vooral gebruik gemaakt van den-eikenbossen in Mexico. Voedsel bestaat hoofdzakelijk uit nectar en kleine insecten. Nectar wordt vooral verzameld uit bloemen, met een duidelijke voorkeur voor rode, buisvormige bloemen, maar ook suikerwater uit voeders en boomsap kunnen worden benut. Insecten en spinnen worden in de lucht gevangen of van blad en takken geplukt; ook sapstromen die door spechten zijn aangeboord worden bezocht.
Nestbouw vindt meestal plaats in het lagere deel van naald- of loofhout, in struiken of klimplanten, vaak goed verborgen. Nesten liggen doorgaans tussen circa 1 en 9 meter hoogte, meestal lager dan ongeveer 4 à 5 meter, al komen hogere nesten later in het seizoen voor. Hergebruik of opknappen van een oud nest kan voorkomen. Het nest is een compacte kom van zachte materialen, gevoerd met plantaardig dons, aan de buitenzijde gecamoufleerd met korstmossen en mos en bijeengehouden met spinrag. Het legsel bestaat meestal uit twee witte eieren. Broeden duurt ongeveer 15 tot 17 dagen. Jongen verlaten het nest rond ongeveer 21 dagen na uitkomen en krijgen in de nestfase vooral dierlijk voedsel, met veel insecten, aangevoerd door het vrouwtje.
Allens Kolibrie


Klik hier Allen Kolibrie details
Volwassen mannetjes lijken sterk op rosse kolibries, met rossige flanken, stuit, staart en wangen en een opvallend vurige keel, maar met een groen gekleurde rug. Volwassen vrouwtjes zijn in het veld praktisch niet te onderscheiden van vrouwtjes rosse kolibrie; subtiele verschillen zitten vooral in details van de buitenste staartpennen en zijn meestal alleen van dichtbij vast te stellen.
Het leefgebied omvat halfopen, struik- en bosrijke plekken zoals beschutte canyons met begroeiing, open eikenbos, beek- en rivierbeplanting, parken, tuinen en goed begroeide buitenwijken. Tijdens trek kunnen hooggelegen bergweiden in de late zomer worden gebruikt. In het wintergebied worden vooral uitlopers en bergbossen in Mexico benut.
Voedsel bestaat hoofdzakelijk uit nectar en kleine insecten. Nectar wordt vaak opgenomen uit rode, buisvormige bloemen zoals penstemons, rode monkeyflowers, akeleien, paintbrush en salvia’s, maar ook uit andere bloeiende planten, waaronder boomtabak. Aanvullend worden suikerwater van voeders en stromend boomsap benut. Insecten en spinnen worden in de lucht gevangen of van blad en takken geplukt; foerageren gebeurt vaak zwevend voor bloemen, maar kort zittend drinken komt ook voor.
Baltsvluchten worden beschreven als een J-vormig patroon: hoog opvliegen, steil duiken met een metaalachtig gezoem op het laagste punt en daarna omhoog buigen om op middelbare hoogte te blijven hangen; voorafgaand kan een pendelbeweging voor het vrouwtje voorkomen. Nestplaatsen liggen in bomen of struiken, zelden op kruidenstengels, meestal laag maar soms zeer hoog, op een horizontale of schuin staande tak. Het nest is een netjes gevormde kom van groene mossen en plantaardige vezels, gevoerd met plantaardig dons, aan de buitenzijde gecamoufleerd met korstmos en samengehouden met spinrag; hergebruik of opknappen van een oud nest kan voorkomen. Het legsel bestaat doorgaans uit twee witte eieren. De broedduur bedraagt ongeveer 17 tot 22 dagen. De nestjongen worden gevoerd via het diep aanbieden van voedsel in de geopende bek en krijgen waarschijnlijk veel insecten. Naarmate de jongen groeien rekt het nest zichtbaar uit. Uitvliegen vindt meestal plaats na ongeveer 22 tot 25 dagen.