Klik hier Genus Ducula
Ducula (Hodgson, 1836) is een geslacht van relatief grote, overwegend boomlevende duiven dat vaak wordt aangeduid als de keizersduiven. Veel soorten hebben een forse, statige bouw met brede vleugels en een krachtige vlucht, en tonen vaak een combinatie van zachte grijstinten, wit en kastanjebruin, soms met metaalglans op hals of mantel. Binnen het geslacht is variatie groot, maar de algemene indruk blijft die van stevige bosduiven die vooral in de kruinlaag en de hogere boomlagen leven.
Soorten binnen Ducula komen vooral voor in Zuid- en Zuidoost-Azië, Australazië en op talrijke eilanden in de Indo-Pacifische regio. De kernhabitats zijn tropische bossen, moessonbossen, mangroveranden en bosrijke eilanden, maar ook secundair bos en boomrijk cultuurlandschap kan belangrijk zijn wanneer voldoende voedselbomen aanwezig blijven. Veel soorten zijn sterk gebonden aan eilanden of beperkte regio’s, waardoor verspreiding vaak gefragmenteerd is en populaties gevoelig kunnen zijn voor habitatverlies en verstoring.
Het voedsel bestaat in hoofdzaak uit vruchten, met een duidelijke voorkeur voor grotere vruchten en bessen die hoog in bomen beschikbaar zijn, waaronder vaak vijgen en andere vruchtbomen. Door dit frugivore dieet spelen keizersduiven geregeld een rol in zaadverspreiding, vooral van boomsoorten met grotere zaden. Broeden gebeurt meestal met een eenvoudig takkennist hoog in bomen, met een klein legsel en intensieve ouderzorg, waarbij de jongen eerst met kropmelk en later met steeds grover voedsel worden gevoerd.
Soorten binnen Ducula komen vooral voor in Zuid- en Zuidoost-Azië, Australazië en op talrijke eilanden in de Indo-Pacifische regio. De kernhabitats zijn tropische bossen, moessonbossen, mangroveranden en bosrijke eilanden, maar ook secundair bos en boomrijk cultuurlandschap kan belangrijk zijn wanneer voldoende voedselbomen aanwezig blijven. Veel soorten zijn sterk gebonden aan eilanden of beperkte regio’s, waardoor verspreiding vaak gefragmenteerd is en populaties gevoelig kunnen zijn voor habitatverlies en verstoring.
Het voedsel bestaat in hoofdzaak uit vruchten, met een duidelijke voorkeur voor grotere vruchten en bessen die hoog in bomen beschikbaar zijn, waaronder vaak vijgen en andere vruchtbomen. Door dit frugivore dieet spelen keizersduiven geregeld een rol in zaadverspreiding, vooral van boomsoorten met grotere zaden. Broeden gebeurt meestal met een eenvoudig takkennist hoog in bomen, met een klein legsel en intensieve ouderzorg, waarbij de jongen eerst met kropmelk en later met steeds grover voedsel worden gevoerd.
Bonte muskaatduif
[LAT] Ducula bicolor |
[UK] Pied Imperial-Pigeon |
[FR] Carpophage blanc |
[DE] Zweifarben-Fruchttaube |
[ES] Dúcula bicolor |
[NL] Bonte muskaatduif

Klik hier Bonte muskaatduif details
Bonte Muskaatduifsduif (Ducula bicolor, Scopoli, 1786) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is uitzonderlijk groot en de populatie is zeer omvangrijk. Hoewel er aanwijzingen zijn voor een afnemende trend, wordt de afname niet snel genoeg geacht om de soort volgens de IUCN-criteria in een bedreigde categorie te plaatsen.
De soort komt voor in de Oriëntaalse regio, met een verspreiding van Zuidoost-Azië tot de Filipijnen. Binnen dit uitgestrekte gebied is het voorkomen vaak gekoppeld aan eilanden, kustzones en bosrijke eilandgroepen, waardoor aanwezigheid plaatselijk geconcentreerd kan zijn en sterk kan samenhangen met geschikte slaap- en broedplaatsen in bomen nabij voedselrijke zones.
Over langeafstandstrek is in de aangeleverde gegevens geen specifieke informatie opgenomen. Binnen het verspreidingsgebied worden wel verplaatsingen verwacht op lokale en regionale schaal, vooral tussen eilanden en kuststroken wanneer voedselbronnen zoals vruchtbomen of seizoensgebonden aanbod verschuiven.
Bonte keizersduif is een opvallende, grote duif met een sterk contrastrijk zwart-wit uiterlijk. De indruk is overwegend wit, met donkere (zwart tot donkergrijze) vleugels die in vlucht duidelijk afsteken. Kop en lichaam ogen stevig en statig, passend bij het typische silhouet van keizersduiven. In het veld valt vooral het heldere, “witte” beeld op boven kustbossen en eilanden, vaak in groepen die hoog in bomen rusten of doelgericht tussen voedselbomen vliegen.
Het leefgebied bestaat voornamelijk uit kustnabije bossen, eilandbossen en bosranden, vaak in de buurt van mangrove, strandbossen of andere boomrijke vegetatie in laagland. Rustplaatsen en broedlocaties liggen meestal in bomen, waarbij rustige eilanden en bospercelen met weinig verstoring belangrijk zijn. In gebieden met toenemende menselijke druk kunnen geschikte plekken snel schaars worden, waardoor lokale aantallen kunnen teruglopen ondanks de brede totale verspreiding.
Het voedsel bestaat vooral uit vruchten, met een duidelijke nadruk op bessen en vruchten van bosbomen, waaronder vaak vijgen wanneer die beschikbaar zijn. Voedsel wordt doorgaans in bomen opgenomen, soms met korte verplaatsingen tussen foerageerplekken en vaste rustplaatsen. Door het consumeren en verspreiden van zaden draagt de soort bij aan natuurlijke verjonging van boomrijke eilandhabitats.
Broeden vindt doorgaans plaats met een relatief eenvoudig nestplatform van twijgjes in bomen. Het legsel is meestal klein, vaak één ei, passend bij het broedpatroon van veel keizersduiven. Broedzorg omvat intensieve verzorging van het jong, met voeding via kropmelk in de eerste fase en later een overgang naar vruchtenrijk voedsel. Broedperiode en timing kunnen per regio verschillen en hangen vaak samen met seizoensaanbod van vruchten en de beschikbaarheid van rustige broedplaatsen.
De soort komt voor in de Oriëntaalse regio, met een verspreiding van Zuidoost-Azië tot de Filipijnen. Binnen dit uitgestrekte gebied is het voorkomen vaak gekoppeld aan eilanden, kustzones en bosrijke eilandgroepen, waardoor aanwezigheid plaatselijk geconcentreerd kan zijn en sterk kan samenhangen met geschikte slaap- en broedplaatsen in bomen nabij voedselrijke zones.
Over langeafstandstrek is in de aangeleverde gegevens geen specifieke informatie opgenomen. Binnen het verspreidingsgebied worden wel verplaatsingen verwacht op lokale en regionale schaal, vooral tussen eilanden en kuststroken wanneer voedselbronnen zoals vruchtbomen of seizoensgebonden aanbod verschuiven.
Bonte keizersduif is een opvallende, grote duif met een sterk contrastrijk zwart-wit uiterlijk. De indruk is overwegend wit, met donkere (zwart tot donkergrijze) vleugels die in vlucht duidelijk afsteken. Kop en lichaam ogen stevig en statig, passend bij het typische silhouet van keizersduiven. In het veld valt vooral het heldere, “witte” beeld op boven kustbossen en eilanden, vaak in groepen die hoog in bomen rusten of doelgericht tussen voedselbomen vliegen.
Het leefgebied bestaat voornamelijk uit kustnabije bossen, eilandbossen en bosranden, vaak in de buurt van mangrove, strandbossen of andere boomrijke vegetatie in laagland. Rustplaatsen en broedlocaties liggen meestal in bomen, waarbij rustige eilanden en bospercelen met weinig verstoring belangrijk zijn. In gebieden met toenemende menselijke druk kunnen geschikte plekken snel schaars worden, waardoor lokale aantallen kunnen teruglopen ondanks de brede totale verspreiding.
Het voedsel bestaat vooral uit vruchten, met een duidelijke nadruk op bessen en vruchten van bosbomen, waaronder vaak vijgen wanneer die beschikbaar zijn. Voedsel wordt doorgaans in bomen opgenomen, soms met korte verplaatsingen tussen foerageerplekken en vaste rustplaatsen. Door het consumeren en verspreiden van zaden draagt de soort bij aan natuurlijke verjonging van boomrijke eilandhabitats.
Broeden vindt doorgaans plaats met een relatief eenvoudig nestplatform van twijgjes in bomen. Het legsel is meestal klein, vaak één ei, passend bij het broedpatroon van veel keizersduiven. Broedzorg omvat intensieve verzorging van het jong, met voeding via kropmelk in de eerste fase en later een overgang naar vruchtenrijk voedsel. Broedperiode en timing kunnen per regio verschillen en hangen vaak samen met seizoensaanbod van vruchten en de beschikbaarheid van rustige broedplaatsen.
Klik hier Genus Chalcophaps
Chalcophaps (Gould, 1843) is een geslacht van duiven dat vooral bekendstaat om soorten met opvallend “smaragdgroene” vleugel- en manteltinten, waardoor het verenkleed in gefilterd boslicht vaak sterk glanst. Het gaat meestal om middelgrote, compact gebouwde duiven met een relatief korte hals en een rustige, enigszins schuifelende gang op de bosbodem. Door de combinatie van metaalglans en een vaak warm getinte onderzijde ontstaat een karakteristieke, rijk gekleurde uitstraling die in schaduwrijke begroeiing toch verrassend onopvallend kan blijven.
Soorten binnen Chalcophaps zijn doorgaans sterk verbonden aan dichte, vochtige bossen, bosranden, mangroves en boomrijke tuinen of plantages, waarbij veel tijd op of vlak boven de grond wordt doorgebracht. Foerageren vindt vaak plaats tussen strooisel en lage vegetatie, waar zaden, gevallen vruchten en kleine plantaardige delen worden opgenomen. Rusten en broeden gebeurt meestal in dichte struiken of laag tot middelhoog in bomen, met een bescheiden nestplatform van twijgjes dat past bij het algemene duivenpatroon.
Het gedrag is vaak terughoudend en schuw, met korte, snelle vluchtbewegingen tussen dichtbegroeide plekken wanneer verstoring optreedt. In geschikte leefgebieden kunnen lokale aantallen relatief hoog zijn, maar waarneming blijft regelmatig lastig doordat aanwezigheid samenvalt met dekkingrijke vegetatie en een voorkeur voor stille, beschutte microhabitats.
Soorten binnen Chalcophaps zijn doorgaans sterk verbonden aan dichte, vochtige bossen, bosranden, mangroves en boomrijke tuinen of plantages, waarbij veel tijd op of vlak boven de grond wordt doorgebracht. Foerageren vindt vaak plaats tussen strooisel en lage vegetatie, waar zaden, gevallen vruchten en kleine plantaardige delen worden opgenomen. Rusten en broeden gebeurt meestal in dichte struiken of laag tot middelhoog in bomen, met een bescheiden nestplatform van twijgjes dat past bij het algemene duivenpatroon.
Het gedrag is vaak terughoudend en schuw, met korte, snelle vluchtbewegingen tussen dichtbegroeide plekken wanneer verstoring optreedt. In geschikte leefgebieden kunnen lokale aantallen relatief hoog zijn, maar waarneming blijft regelmatig lastig doordat aanwezigheid samenvalt met dekkingrijke vegetatie en een voorkeur voor stille, beschutte microhabitats.
Smaragdduif
[LAT] Chalcophaps indica |
[UK] Emerald Dove |
[FR] Colombine turvert |
[DE] Smaragdtaube |
[ES] Paloma esmeralda |
[NL] Smaragduif


Klik hier Smaragdduif details
Smaragdduif (Chalcophaps indica, Linnaeus, 1758) heeft wereldwijd de status Niet bedreigd (LC). De soort is wijdverspreid in de Oriëntaalse regio en delen van Australazië, waardoor het totale verspreidingsgebied groot is en de soort in veel landen als een vaste en regelmatig waargenomen bosduif geldt.
De soort komt voor in Zuid- en Zuidoost-Azië en strekt zich uit over een breed gebied met tropische en subtropische bossen, inclusief eilanden en kustgebieden waar dichte vegetatie aanwezig is. Over langeafstandstrek is doorgaans weinig sprake; aanwezigheid is meestal standplaatsgebonden, met verplaatsingen op lokale schaal die samenhangen met voedsel, dekking en rustplaatsen.
Smaragdduif is een middelgrote duif met een opvallende, metaalgroene glans op vleugels en mantel, waardoor bij zonlicht een intens “smaragd” effect ontstaat. De onderzijde oogt meestal warmer van tint, met kastanjebruine tot roodbruine partijen die contrasteren met de groene bovenzijde. In vlucht valt vooral het glanzende groen op, terwijl op de bosbodem juist het rustige, laag gehouden profiel en de compacte bouw opvallen. Het totaalbeeld is dat van een schuwe bosbewoner die vaak pas laat zichtbaar wordt.
Het leefgebied bestaat uit dichte, vochtige bossen, secundair bos, bamboe- of struikrijke zones, bosranden en schaduwrijke tuinen of plantages waar ondergroei aanwezig is. Vooral plekken met veel strooisel en beschutting worden benut, omdat foerageren veelal op de grond plaatsvindt. Overdag wordt vaak dekking gezocht in lage vegetatie of in beschaduwde delen van het bos, waardoor waarnemingen geregeld beperkt blijven tot korte doorkijkjes of een plotselinge vlucht naar een lagere tak.
Het voedsel bestaat vooral uit zaden, gevallen vruchten en bessen die tussen bladstrooisel en op bospaadjes worden opgenomen. Afhankelijk van lokaal aanbod worden ook kleine plantaardige delen meegenomen. Foerageren gebeurt meestal lopend, met korte stops om voedsel uit het strooisel te pikken, waarbij stilte en dekking belangrijk blijven.
Broeden gebeurt met een klein, vrij eenvoudig nestplatform van twijgjes, meestal laag tot middelhoog in struiken of bomen, goed beschut tussen bladeren. Het legsel bestaat doorgaans uit twee eieren. Broedzorg volgt het bekende duivenpatroon met gezamenlijke verzorging, waarbij jongen in de eerste fase met kropmelk worden gevoerd en later met steeds grover plantaardig voedsel. De timing van broeden varieert per regio en hangt vaak samen met perioden waarin voedsel op de bosbodem en in de ondergroei ruimer beschikbaar is.
De soort komt voor in Zuid- en Zuidoost-Azië en strekt zich uit over een breed gebied met tropische en subtropische bossen, inclusief eilanden en kustgebieden waar dichte vegetatie aanwezig is. Over langeafstandstrek is doorgaans weinig sprake; aanwezigheid is meestal standplaatsgebonden, met verplaatsingen op lokale schaal die samenhangen met voedsel, dekking en rustplaatsen.
Smaragdduif is een middelgrote duif met een opvallende, metaalgroene glans op vleugels en mantel, waardoor bij zonlicht een intens “smaragd” effect ontstaat. De onderzijde oogt meestal warmer van tint, met kastanjebruine tot roodbruine partijen die contrasteren met de groene bovenzijde. In vlucht valt vooral het glanzende groen op, terwijl op de bosbodem juist het rustige, laag gehouden profiel en de compacte bouw opvallen. Het totaalbeeld is dat van een schuwe bosbewoner die vaak pas laat zichtbaar wordt.
Het leefgebied bestaat uit dichte, vochtige bossen, secundair bos, bamboe- of struikrijke zones, bosranden en schaduwrijke tuinen of plantages waar ondergroei aanwezig is. Vooral plekken met veel strooisel en beschutting worden benut, omdat foerageren veelal op de grond plaatsvindt. Overdag wordt vaak dekking gezocht in lage vegetatie of in beschaduwde delen van het bos, waardoor waarnemingen geregeld beperkt blijven tot korte doorkijkjes of een plotselinge vlucht naar een lagere tak.
Het voedsel bestaat vooral uit zaden, gevallen vruchten en bessen die tussen bladstrooisel en op bospaadjes worden opgenomen. Afhankelijk van lokaal aanbod worden ook kleine plantaardige delen meegenomen. Foerageren gebeurt meestal lopend, met korte stops om voedsel uit het strooisel te pikken, waarbij stilte en dekking belangrijk blijven.
Broeden gebeurt met een klein, vrij eenvoudig nestplatform van twijgjes, meestal laag tot middelhoog in struiken of bomen, goed beschut tussen bladeren. Het legsel bestaat doorgaans uit twee eieren. Broedzorg volgt het bekende duivenpatroon met gezamenlijke verzorging, waarbij jongen in de eerste fase met kropmelk worden gevoerd en later met steeds grover plantaardig voedsel. De timing van broeden varieert per regio en hangt vaak samen met perioden waarin voedsel op de bosbodem en in de ondergroei ruimer beschikbaar is.
Klik hier Genus Gallicolumba
Gallicolumba (Heck, 1849) is een geslacht van overwegend bodembewonende duiven dat vooral bekendstaat om soorten die in dichte tropische bossen leven en veel tijd lopend doorbrengen op de bosbodem. Binnen het geslacht vallen zowel relatief sober gekleurde patrijsduiven als de zogeheten bloedduiven, waarbij bij meerdere soorten een opvallende, felgekleurde borst- of buikvlek voorkomt die in het veld direct de aandacht kan trekken wanneer de vogel goed zichtbaar is.
Soorten binnen Gallicolumba komen vooral voor in Zuidoost-Azië en op eilanden in de westelijke en centrale Stille Oceaan. Het leefgebied bestaat meestal uit laagland- en heuvelbossen, secundair bos en bosranden met een dichte ondergroei, waar beschutting en voedsel op de grond ruim aanwezig zijn. Aanwezigheid is vaak sterk gebonden aan rustige, aaneengesloten bosgebieden, waardoor verstoring en ontbossing snel effect kunnen hebben op lokale aantallen, vooral op eilanden waar leefgebied van nature al beperkt is.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit zaden en gevallen vruchten, aangevuld met kleine ongewervelden die tussen strooisel en bladresten worden opgenomen. Foerageren gebeurt meestal stapvoets en behoedzaam, vaak in de schaduw van lage begroeiing. Bij verstoring volgt vaak een korte, krachtige vlucht naar een lage tak of naar dichte vegetatie, waarna opnieuw dekking wordt gezocht.
Broeden gebeurt doorgaans met een bescheiden nest van twijgjes, vaak laag in struiken of in lage bomen, passend bij het algemene duivenpatroon met een klein legsel en intensieve ouderzorg. Door de voorkeur voor dekkingrijke microhabitats en een vaak terughoudend gedrag blijven soorten uit dit geslacht geregeld onopvallend, zelfs in gebieden waar ze lokaal aanwezig zijn.
Soorten binnen Gallicolumba komen vooral voor in Zuidoost-Azië en op eilanden in de westelijke en centrale Stille Oceaan. Het leefgebied bestaat meestal uit laagland- en heuvelbossen, secundair bos en bosranden met een dichte ondergroei, waar beschutting en voedsel op de grond ruim aanwezig zijn. Aanwezigheid is vaak sterk gebonden aan rustige, aaneengesloten bosgebieden, waardoor verstoring en ontbossing snel effect kunnen hebben op lokale aantallen, vooral op eilanden waar leefgebied van nature al beperkt is.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit zaden en gevallen vruchten, aangevuld met kleine ongewervelden die tussen strooisel en bladresten worden opgenomen. Foerageren gebeurt meestal stapvoets en behoedzaam, vaak in de schaduw van lage begroeiing. Bij verstoring volgt vaak een korte, krachtige vlucht naar een lage tak of naar dichte vegetatie, waarna opnieuw dekking wordt gezocht.
Broeden gebeurt doorgaans met een bescheiden nest van twijgjes, vaak laag in struiken of in lage bomen, passend bij het algemene duivenpatroon met een klein legsel en intensieve ouderzorg. Door de voorkeur voor dekkingrijke microhabitats en een vaak terughoudend gedrag blijven soorten uit dit geslacht geregeld onopvallend, zelfs in gebieden waar ze lokaal aanwezig zijn.
Dolksteekduif
[LAT] Gallicolumba luzonica |
[UK] Luzon Bleeding-heart |
[FR] Gallicolombe poignardée |
[DE] Dolchzugtaube |
[ES] Paloma puñalada de Luzón |
[NL] Dolksteekduif

Klik hier Dolksteekduif details
Dolksteekduif (Gallicolumba luzonica, Scopoli, 1786) is wereldwijd beoordeeld als Gevoelig (NT). Deze status is gebaseerd op het vermoeden van een matig snelle afname, vooral door jacht en houtkap. Door het zeer verborgen en terughoudende gedrag is de soort moeilijk goed te volgen en het is mogelijk dat nieuwe gegevens laten zien dat de achteruitgang sterker is dan nu wordt aangenomen, waardoor een zwaardere bedreigingscategorie in beeld kan komen.
De soort komt voor in de Filipijnen en is daarmee beperkt tot de Oriëntaalse regio. Binnen dit verspreidingsgebied is aanwezigheid sterk gebonden aan geschikte bosgebieden met voldoende dekking, waardoor het voorkomen vaak versnipperd kan zijn op plekken waar boskap en menselijke verstoring toenemen.
Dolksteekduif behoort tot de patrijsduiven en leeft vooral op de bosbodem. Het uiterlijk is bekend om een opvallende, felrode borsttekening die de indruk wekt van een bloedvlek, wat de Engelse naam “bleeding-heart” verklaart. Het verenkleed is verder overwegend zacht getint en werkt goed camouflerend in schaduwrijke ondergroei, waardoor waarneming vaak beperkt blijft tot korte momenten wanneer een vogel een pad kruist of schichtig wegloopt tussen strooisel en lage vegetatie.
Het leefgebied bestaat voornamelijk uit (laagland)bos en dicht begroeide bosranden, waar rust, schuilmogelijkheden en voedsel op de bodem beschikbaar zijn. Houtkap tast niet alleen de bosoppervlakte aan, maar vermindert ook de structuur van ondergroei en het aanbod van veilige schuilplekken, wat voor een grondbewonende soort extra nadelig kan zijn. Jachtdruk werkt vaak het sterkst in toegankelijke bosdelen, waardoor resterende populaties zich steeds meer kunnen terugtrekken in moeilijker bereikbare gebieden.
Het voedsel bestaat vooral uit zaden en gevallen vruchten die op de bosbodem worden opgenomen, aangevuld met kleine ongewervelden die tussen strooisel aanwezig zijn wanneer die gemakkelijk te grijpen zijn. Foerageren gebeurt doorgaans lopend en behoedzaam, met sterke voorkeur voor dekkingrijke plekken, waardoor aanwezigheid vaak eerder wordt verraden door zachte geluiden of korte beweging dan door open zicht.
Broeden vindt plaats met een bescheiden nest van twijgjes en bladmateriaal op een beschutte plek, vaak laag in vegetatie of op een lage tak, passend bij het algemene patroon van grond- en struikbroedende bosduiven. Het legsel is doorgaans klein en de ouderzorg is intensief, waarbij het grootbrengen van een jong sterk afhankelijk is van rust rond de nestplek en een stabiele beschikbaarheid van voedsel in de directe omgeving.
De soort komt voor in de Filipijnen en is daarmee beperkt tot de Oriëntaalse regio. Binnen dit verspreidingsgebied is aanwezigheid sterk gebonden aan geschikte bosgebieden met voldoende dekking, waardoor het voorkomen vaak versnipperd kan zijn op plekken waar boskap en menselijke verstoring toenemen.
Dolksteekduif behoort tot de patrijsduiven en leeft vooral op de bosbodem. Het uiterlijk is bekend om een opvallende, felrode borsttekening die de indruk wekt van een bloedvlek, wat de Engelse naam “bleeding-heart” verklaart. Het verenkleed is verder overwegend zacht getint en werkt goed camouflerend in schaduwrijke ondergroei, waardoor waarneming vaak beperkt blijft tot korte momenten wanneer een vogel een pad kruist of schichtig wegloopt tussen strooisel en lage vegetatie.
Het leefgebied bestaat voornamelijk uit (laagland)bos en dicht begroeide bosranden, waar rust, schuilmogelijkheden en voedsel op de bodem beschikbaar zijn. Houtkap tast niet alleen de bosoppervlakte aan, maar vermindert ook de structuur van ondergroei en het aanbod van veilige schuilplekken, wat voor een grondbewonende soort extra nadelig kan zijn. Jachtdruk werkt vaak het sterkst in toegankelijke bosdelen, waardoor resterende populaties zich steeds meer kunnen terugtrekken in moeilijker bereikbare gebieden.
Het voedsel bestaat vooral uit zaden en gevallen vruchten die op de bosbodem worden opgenomen, aangevuld met kleine ongewervelden die tussen strooisel aanwezig zijn wanneer die gemakkelijk te grijpen zijn. Foerageren gebeurt doorgaans lopend en behoedzaam, met sterke voorkeur voor dekkingrijke plekken, waardoor aanwezigheid vaak eerder wordt verraden door zachte geluiden of korte beweging dan door open zicht.
Broeden vindt plaats met een bescheiden nest van twijgjes en bladmateriaal op een beschutte plek, vaak laag in vegetatie of op een lage tak, passend bij het algemene patroon van grond- en struikbroedende bosduiven. Het legsel is doorgaans klein en de ouderzorg is intensief, waarbij het grootbrengen van een jong sterk afhankelijk is van rust rond de nestplek en een stabiele beschikbaarheid van voedsel in de directe omgeving.

Sulawesi patrijsduif
[LAT] Gallicolumba tristigmata |
[UK] Sulawesi Ground Dove |
[FR] Gallicolombe tristigmate |
[DE] Celebes-Gelbbrusterdtaube |
[ES] [Vertaling niet gevonden] |
[NL] Sulawesi Patrijsduif

Klik hier Sulawesi patrijsduif details
Sulawesi patrijsduif (Gallicolumba tristigmata, Bonaparte, 1855) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Hoewel het verspreidingsgebied beperkt kan zijn, wordt niet aangenomen dat de soort de drempels benadert die horen bij een kwetsbare status op basis van areaalgrootte. De populatietrend wordt als stabiel beschreven. De totale populatieomvang is niet overal gekwantificeerd, maar er zijn geen aanwijzingen dat de aantallen de IUCN-drempels benaderen die horen bij een sterk kwetsbare populatie.
De soort is gebonden aan Sulawesi en valt daarmee binnen de Australaziatische regio. Verspreiding is daardoor van nature beperkt tot één eiland, waardoor behoud van geschikte bosstructuur en rust in kerngebieden belangrijk blijft, ook wanneer de huidige trend als stabiel wordt beschouwd. Over trekgedrag is geen specifieke informatie opgenomen; het algemene patroon past bij standplaatsgebonden aanwezigheid met verplaatsingen op lokale schaal binnen geschikte boscomplexen.
Sulawesi patrijsduif is een grondbewonende bosduif die meestal in dichte ondergroei wordt gezien. Het gedrag is terughoudend en schuw, met veel lopen op de bosbodem en slechts korte, krachtige vluchten naar lage takken wanneer verstoring optreedt. Het verenkleed is afgestemd op camouflage in strooisel en schaduw, waardoor waarneming vaak beperkt blijft tot korte momenten op bospaden of open plekken. Het geslacht Gallicolumba staat bekend om soorten met opvallende borsttekeningen, maar de mate waarin dit bij deze soort in het veld direct opvalt hangt sterk af van licht, afstand en de houding van de vogel.
Het leefgebied bestaat vooral uit bos, bosranden en dichte, beschutte vegetatie waar voldoende strooisel en dekking aanwezig is. Aanwezigheid hangt vaak samen met rustige zones met een intacte ondergroei, omdat foerageren en schuilen grotendeels op of vlak boven de grond plaatsvindt. In gebieden waar bos wordt geopend of ondergroei verdwijnt, neemt de kans op geschikte microhabitats snel af, ook wanneer de soort op grotere schaal nog kan standhouden.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit zaden en gevallen vruchten die op de bosbodem worden opgenomen. Daarnaast worden ook kleine ongewervelden gegeten wanneer die gemakkelijk bereikbaar zijn, vooral tussen bladresten en strooisel. Foerageren gebeurt meestal stapvoets en voorzichtig, met nadruk op dekkingrijke plekken waar snel kan worden uitgeweken naar dichte vegetatie.
Broeden vindt plaats met een bescheiden nest van twijgjes en plantmateriaal op een beschutte plek, vaak laag in vegetatie of op een lage tak, passend bij het algemene broedpatroon van bosduiven met een klein legsel en intensieve ouderzorg. Broedsucces is sterk afhankelijk van rust rond de nestplek en van voldoende voedsel in de directe omgeving, omdat veel activiteit dicht bij de bodem plaatsvindt en verstoring daardoor relatief snel effect kan hebben.
De soort is gebonden aan Sulawesi en valt daarmee binnen de Australaziatische regio. Verspreiding is daardoor van nature beperkt tot één eiland, waardoor behoud van geschikte bosstructuur en rust in kerngebieden belangrijk blijft, ook wanneer de huidige trend als stabiel wordt beschouwd. Over trekgedrag is geen specifieke informatie opgenomen; het algemene patroon past bij standplaatsgebonden aanwezigheid met verplaatsingen op lokale schaal binnen geschikte boscomplexen.
Sulawesi patrijsduif is een grondbewonende bosduif die meestal in dichte ondergroei wordt gezien. Het gedrag is terughoudend en schuw, met veel lopen op de bosbodem en slechts korte, krachtige vluchten naar lage takken wanneer verstoring optreedt. Het verenkleed is afgestemd op camouflage in strooisel en schaduw, waardoor waarneming vaak beperkt blijft tot korte momenten op bospaden of open plekken. Het geslacht Gallicolumba staat bekend om soorten met opvallende borsttekeningen, maar de mate waarin dit bij deze soort in het veld direct opvalt hangt sterk af van licht, afstand en de houding van de vogel.
Het leefgebied bestaat vooral uit bos, bosranden en dichte, beschutte vegetatie waar voldoende strooisel en dekking aanwezig is. Aanwezigheid hangt vaak samen met rustige zones met een intacte ondergroei, omdat foerageren en schuilen grotendeels op of vlak boven de grond plaatsvindt. In gebieden waar bos wordt geopend of ondergroei verdwijnt, neemt de kans op geschikte microhabitats snel af, ook wanneer de soort op grotere schaal nog kan standhouden.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit zaden en gevallen vruchten die op de bosbodem worden opgenomen. Daarnaast worden ook kleine ongewervelden gegeten wanneer die gemakkelijk bereikbaar zijn, vooral tussen bladresten en strooisel. Foerageren gebeurt meestal stapvoets en voorzichtig, met nadruk op dekkingrijke plekken waar snel kan worden uitgeweken naar dichte vegetatie.
Broeden vindt plaats met een bescheiden nest van twijgjes en plantmateriaal op een beschutte plek, vaak laag in vegetatie of op een lage tak, passend bij het algemene broedpatroon van bosduiven met een klein legsel en intensieve ouderzorg. Broedsucces is sterk afhankelijk van rust rond de nestplek en van voldoende voedsel in de directe omgeving, omdat veel activiteit dicht bij de bodem plaatsvindt en verstoring daardoor relatief snel effect kan hebben.
Klik hier Genus Caloenas
Caloenas (Gray, 1840) is een klein geslacht binnen de duivenfamilie dat vooral bekendstaat doordat er tegenwoordig meestal één levende soort wordt erkend, de nicobarduif. Het geslacht neemt een wat bijzondere positie in doordat het vooral aan eilanden en kustnabije eilandgroepen is gekoppeld en in gedrag geregeld een sterke band met de bodem laat zien, met veel lopen en foerageren op de grond in plaats van langdurig hoog in bomen te verblijven.
Soorten binnen Caloenas worden vaak geassocieerd met tropische eilanden, waar bosranden, dicht begroeide kustvegetatie en rustige eilandbossen belangrijk zijn. Aanwezigheid hangt sterk samen met veilige slaap- en broedplekken en met de beschikbaarheid van voedsel op de bosbodem. Het voedsel bestaat vooral uit zaden, vruchten en ander plantaardig materiaal dat wordt opgenomen tussen strooisel en gevallen blad, aangevuld met kleine, makkelijk te grijpen items wanneer die beschikbaar zijn.
Het geslacht is ook bekend uit (sub)fossiele vondsten van uitgestorven vormen, wat laat zien dat Caloenas in het verleden waarschijnlijk meer soorten omvatte en mogelijk een bredere verspreiding had. Dit onderstreept dat eilandenfauna door de tijd heen sterk kan veranderen door jacht, verstoring en verlies van leefgebied, factoren die bij eilandduiven vaak extra snel doorwerken.
Soorten binnen Caloenas worden vaak geassocieerd met tropische eilanden, waar bosranden, dicht begroeide kustvegetatie en rustige eilandbossen belangrijk zijn. Aanwezigheid hangt sterk samen met veilige slaap- en broedplekken en met de beschikbaarheid van voedsel op de bosbodem. Het voedsel bestaat vooral uit zaden, vruchten en ander plantaardig materiaal dat wordt opgenomen tussen strooisel en gevallen blad, aangevuld met kleine, makkelijk te grijpen items wanneer die beschikbaar zijn.
Het geslacht is ook bekend uit (sub)fossiele vondsten van uitgestorven vormen, wat laat zien dat Caloenas in het verleden waarschijnlijk meer soorten omvatte en mogelijk een bredere verspreiding had. Dit onderstreept dat eilandenfauna door de tijd heen sterk kan veranderen door jacht, verstoring en verlies van leefgebied, factoren die bij eilandduiven vaak extra snel doorwerken.
Manenduif
[LAT] Caloenas nicobarica |
[UK] Nicobar Pigeon |
[FR] Carpophage de Nicobar |
[DE] Nikobartaube |
[ES] Paloma de Nicobar |
[NL] manenduif


Klik hier Manenduif details
Manenduif (Caloenas nicobarica, Linnaeus, 1758) is wereldwijd beoordeeld als Gevoelig (NT). Binnen het zeer grote verspreidingsgebied wordt een afname vermoed door vangst voor consumptie en de (lokale) huisdierhandel, aantasting en verlies van leefgebied, en predatie door geïntroduceerde zoogdieren op eilanden. Door de eilandgebonden leefwijze kunnen lokale drukfactoren snel doorwerken op broedkolonies, vooral wanneer rustige broedeilanden toegankelijker worden of wanneer predatoren worden geïntroduceerd.
De soort komt voor van de Andamanen tot de Filipijnen en verder tot Nieuw-Guinea en de Salomonseilanden, met daarnaast ook aanwezigheid op Palau. Het algemene patroon past bij een standvogel met nomadische verplaatsingen tussen eilanden, waarbij rust- en broedplekken vaak op kleinere, predatorarme eilanden liggen en foerageergebieden ook op grotere eilanden kunnen liggen wanneer daar meer voedsel beschikbaar is.
Manenduif is een opvallende, relatief grote duif met een grijze kop en een korte, zuiver witte staart die in vlucht sterk opvalt. De hals en bovenborst dragen verlengde, glanzende veren die als een “manenkrans” ogen en bij goed licht groen en koperkleurig kunnen glanzen. De rest van het verenkleed heeft een metaalgroene glans die bij dof licht donker kan lijken. De snavel is donker met een lichte washuid en vaak een kleine knobbel aan de basis. Poten en voeten zijn stevig en doorgaans roodachtig van kleur, passend bij veel lopen en foerageren op de bosbodem.
Het leefgebied bestaat vooral uit kleine eilanden en kustgebieden met dichte begroeiing, waaronder strandbos, regenwoud, droger bos, mangroven en struikrijke zones. Broedplaatsen liggen vaak in ongestoorde kustbossen op kleine, bij voorkeur onbewoonde eilanden, waar het risico op predatie lager is. Logging en aanleg van infrastructuur in laaglandbos kunnen zowel geschikt broedhabitat verminderen als de toegang voor jagers vergroten.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit gevallen vruchten en zaden, aangevuld met knoppen en ander plantaardig materiaal. Af en toe worden ook kleine ongewervelden opgenomen. Foerageren vindt vaak op de grond plaats, waarbij voedsel wordt gezocht tussen strooisel en onder begroeiing. In gebieden met akkers of opslagplaatsen kan ook graan worden benut wanneer dat beschikbaar is.
Broeden gebeurt meestal in kolonies, vaak op kleine eilanden met weinig verstoring. Het nest is doorgaans een los platform van twijgjes, geplaatst in een boom of struik, variërend van relatief laag in dichte vegetatie tot hoger onder het bladerdak, afhankelijk van situatie en verstoringsdruk. Meestal wordt één wit ei gelegd met soms een lichte blauwachtige tint. Beide ouders broeden en verzorgen het jong, waarbij voeding in de eerste fase via kropmelk plaatsvindt en later via steeds grover vruchten- en zadenrijk voedsel. In meerdere gebieden ligt een duidelijke broedpiek in de eerste maanden van het jaar, maar timing kan regionaal verschillen afhankelijk van lokale omstandigheden.
De soort komt voor van de Andamanen tot de Filipijnen en verder tot Nieuw-Guinea en de Salomonseilanden, met daarnaast ook aanwezigheid op Palau. Het algemene patroon past bij een standvogel met nomadische verplaatsingen tussen eilanden, waarbij rust- en broedplekken vaak op kleinere, predatorarme eilanden liggen en foerageergebieden ook op grotere eilanden kunnen liggen wanneer daar meer voedsel beschikbaar is.
Manenduif is een opvallende, relatief grote duif met een grijze kop en een korte, zuiver witte staart die in vlucht sterk opvalt. De hals en bovenborst dragen verlengde, glanzende veren die als een “manenkrans” ogen en bij goed licht groen en koperkleurig kunnen glanzen. De rest van het verenkleed heeft een metaalgroene glans die bij dof licht donker kan lijken. De snavel is donker met een lichte washuid en vaak een kleine knobbel aan de basis. Poten en voeten zijn stevig en doorgaans roodachtig van kleur, passend bij veel lopen en foerageren op de bosbodem.
Het leefgebied bestaat vooral uit kleine eilanden en kustgebieden met dichte begroeiing, waaronder strandbos, regenwoud, droger bos, mangroven en struikrijke zones. Broedplaatsen liggen vaak in ongestoorde kustbossen op kleine, bij voorkeur onbewoonde eilanden, waar het risico op predatie lager is. Logging en aanleg van infrastructuur in laaglandbos kunnen zowel geschikt broedhabitat verminderen als de toegang voor jagers vergroten.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit gevallen vruchten en zaden, aangevuld met knoppen en ander plantaardig materiaal. Af en toe worden ook kleine ongewervelden opgenomen. Foerageren vindt vaak op de grond plaats, waarbij voedsel wordt gezocht tussen strooisel en onder begroeiing. In gebieden met akkers of opslagplaatsen kan ook graan worden benut wanneer dat beschikbaar is.
Broeden gebeurt meestal in kolonies, vaak op kleine eilanden met weinig verstoring. Het nest is doorgaans een los platform van twijgjes, geplaatst in een boom of struik, variërend van relatief laag in dichte vegetatie tot hoger onder het bladerdak, afhankelijk van situatie en verstoringsdruk. Meestal wordt één wit ei gelegd met soms een lichte blauwachtige tint. Beide ouders broeden en verzorgen het jong, waarbij voeding in de eerste fase via kropmelk plaatsvindt en later via steeds grover vruchten- en zadenrijk voedsel. In meerdere gebieden ligt een duidelijke broedpiek in de eerste maanden van het jaar, maar timing kan regionaal verschillen afhankelijk van lokale omstandigheden.

Klik hier Genus Lopholaimus
Lopholaimus (Gould, 1833) is een klein geslacht van grote bosduiven dat doorgaans als monotypisch wordt beschouwd, met als bekendste vertegenwoordiger de topknoopduif. Het geslacht valt op door een forse, statige bouw en een karakteristieke “topknoop” van losse, krullende veren op de kop, waardoor het silhouet direct herkenbaar is, vooral wanneer de vogel rustig in de boomkruin zit.
Soorten binnen Lopholaimus zijn sterk boomgebonden en worden vooral geassocieerd met vochtige bossen en regenwoudranden, maar ook met goed ontwikkeld rivierbos en boomrijke secundaire bossen waar voldoende vruchtdragende bomen aanwezig zijn. Veel tijd wordt doorgebracht in de hogere vegetatielagen, waarbij rusten, foerageren en verplaatsen vaak in de kruinlaag plaatsvinden. Door deze leefwijze kan aanwezigheid afhankelijk zijn van de kwaliteit en continuïteit van bosstructuren, met name van grote, oude bomen die langdurig vruchten produceren.
Het dieet bestaat voornamelijk uit vruchten en bessen, aangevuld met zaden en andere plantaardige delen. Door het opnemen van grotere vruchten kan het geslacht een rol spelen in zaadverspreiding, vooral van boomsoorten die vruchten in de kruinlaag aanbieden. Broeden gebeurt met een eenvoudig takkennist in bomen, met een klein legsel en intensieve ouderzorg volgens het bekende duivenpatroon, waarbij jongen eerst met kropmelk en later met steeds grover voedsel worden gevoerd.
Soorten binnen Lopholaimus zijn sterk boomgebonden en worden vooral geassocieerd met vochtige bossen en regenwoudranden, maar ook met goed ontwikkeld rivierbos en boomrijke secundaire bossen waar voldoende vruchtdragende bomen aanwezig zijn. Veel tijd wordt doorgebracht in de hogere vegetatielagen, waarbij rusten, foerageren en verplaatsen vaak in de kruinlaag plaatsvinden. Door deze leefwijze kan aanwezigheid afhankelijk zijn van de kwaliteit en continuïteit van bosstructuren, met name van grote, oude bomen die langdurig vruchten produceren.
Het dieet bestaat voornamelijk uit vruchten en bessen, aangevuld met zaden en andere plantaardige delen. Door het opnemen van grotere vruchten kan het geslacht een rol spelen in zaadverspreiding, vooral van boomsoorten die vruchten in de kruinlaag aanbieden. Broeden gebeurt met een eenvoudig takkennist in bomen, met een klein legsel en intensieve ouderzorg volgens het bekende duivenpatroon, waarbij jongen eerst met kropmelk en later met steeds grover voedsel worden gevoerd.
Knoedelduif
[LAT] Lopholaimus antarcticus |
[UK] Topknot Pigeon |
[FR] Pigeon à huppe |
[DE] Haubenfruchttaube |
[ES] Paloma de penacho |
[NL] Knoedelduif

Klik hier Knoedelduif details
Knoedelduif (Lopholaimus antarcticus, Shaw, 1794) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is groot en de soort wordt niet geacht de drempels te benaderen voor een bedreigde categorie op basis van areaalgrootte, trend of populatieomvang. Hoewel in sommige gebieden een afname wordt genoemd, wordt die niet als snel genoeg gezien om de soort in een hogere risicocategorie te plaatsen.
De soort is inheems in Oost-Australië en komt vooral voor langs en nabij de oostelijke boszones, van noordelijk Queensland tot in het oosten van New South Wales, met incidentele verplaatsingen verder zuidwaarts. Er is doorgaans geen sprake van klassieke trek, maar de soort kan wel grote afstanden afleggen binnen de regio wanneer voedselbomen plotseling veel vruchten dragen. Daardoor kunnen in sommige jaren onverwacht grote groepen opduiken in gebieden waar langere tijd weinig waarnemingen waren.
Knoedelduif is een grote, overwegend leigrijze duif met een opvallende kuif die als een “knoedel” op de kop ligt. Bovendelen ogen vaak donkerder leigrijs met zwarte slagpennen, terwijl de rest van het lichaam lichter leigrijs kan tonen. De borst kan een gestreepte indruk geven door donkere veerbases. De staart oogt donker met een brede grijzige band. Snavel en poten tonen doorgaans roodachtige tinten, waarbij aan de snavelbasis een blauwgroenige zone kan opvallen. In vlucht en tijdens verplaatsingen kan de soort in grote groepen verschijnen, wat een indrukwekkend beeld geeft boven bosranden en valleien.
Het leefgebied bestaat vooral uit regenwoud, vochtig bos en aangrenzend bosrijk landschap, inclusief goed ontwikkelde bosranden en valleibossen. Aanwezigheid hangt sterk samen met plekken waar fruitdragende bomen periodiek massaal produceren. In delen van het verspreidingsgebied kunnen ook secundaire bossen en boomrijke zones met geschikt voedselaanbod tijdelijk aantrekkelijk zijn, waardoor het voorkomen lokaal sterk kan wisselen.
Het voedsel bestaat vrijwel volledig uit vruchten, met nadruk op bessen en vruchten van regenwoudbomen, waaronder vaak vijgen wanneer die beschikbaar zijn. Door het eten van vruchten en het verspreiden van zaden draagt de soort bij aan natuurlijke verjonging van bosvegetatie, waarbij zaden niet alleen bij voedselbomen maar ook onder vaste rust- en slaapbomen terecht kunnen komen.
Broeden vindt meestal plaats wanneer het aanbod van vruchten gunstig is. Nesten worden gebouwd van takken en liggen in bomen, soms relatief hoog in de kruinlaag. Meestal wordt één ei gelegd. Beide ouders verzorgen het broeden en het grootbrengen van het jong, met voeding in de eerste fase via kropmelk en daarna via vruchtenrijk voedsel. De periode waarin nesten en eieren worden gezien kan meerdere maanden omvatten, afhankelijk van regio en omstandigheden, waardoor het broedseizoen in de praktijk vrij lang kan aanhouden.
De soort is inheems in Oost-Australië en komt vooral voor langs en nabij de oostelijke boszones, van noordelijk Queensland tot in het oosten van New South Wales, met incidentele verplaatsingen verder zuidwaarts. Er is doorgaans geen sprake van klassieke trek, maar de soort kan wel grote afstanden afleggen binnen de regio wanneer voedselbomen plotseling veel vruchten dragen. Daardoor kunnen in sommige jaren onverwacht grote groepen opduiken in gebieden waar langere tijd weinig waarnemingen waren.
Knoedelduif is een grote, overwegend leigrijze duif met een opvallende kuif die als een “knoedel” op de kop ligt. Bovendelen ogen vaak donkerder leigrijs met zwarte slagpennen, terwijl de rest van het lichaam lichter leigrijs kan tonen. De borst kan een gestreepte indruk geven door donkere veerbases. De staart oogt donker met een brede grijzige band. Snavel en poten tonen doorgaans roodachtige tinten, waarbij aan de snavelbasis een blauwgroenige zone kan opvallen. In vlucht en tijdens verplaatsingen kan de soort in grote groepen verschijnen, wat een indrukwekkend beeld geeft boven bosranden en valleien.
Het leefgebied bestaat vooral uit regenwoud, vochtig bos en aangrenzend bosrijk landschap, inclusief goed ontwikkelde bosranden en valleibossen. Aanwezigheid hangt sterk samen met plekken waar fruitdragende bomen periodiek massaal produceren. In delen van het verspreidingsgebied kunnen ook secundaire bossen en boomrijke zones met geschikt voedselaanbod tijdelijk aantrekkelijk zijn, waardoor het voorkomen lokaal sterk kan wisselen.
Het voedsel bestaat vrijwel volledig uit vruchten, met nadruk op bessen en vruchten van regenwoudbomen, waaronder vaak vijgen wanneer die beschikbaar zijn. Door het eten van vruchten en het verspreiden van zaden draagt de soort bij aan natuurlijke verjonging van bosvegetatie, waarbij zaden niet alleen bij voedselbomen maar ook onder vaste rust- en slaapbomen terecht kunnen komen.
Broeden vindt meestal plaats wanneer het aanbod van vruchten gunstig is. Nesten worden gebouwd van takken en liggen in bomen, soms relatief hoog in de kruinlaag. Meestal wordt één ei gelegd. Beide ouders verzorgen het broeden en het grootbrengen van het jong, met voeding in de eerste fase via kropmelk en daarna via vruchtenrijk voedsel. De periode waarin nesten en eieren worden gezien kan meerdere maanden omvatten, afhankelijk van regio en omstandigheden, waardoor het broedseizoen in de praktijk vrij lang kan aanhouden.
Klik hier Genus Patagioenas
Patagioenas (Reichenbach, 1853) is een geslacht van duiven uit de Nieuwe Wereld dat lange tijd dicht bij Columba werd geplaatst, maar tegenwoordig meestal als een eigen, duidelijk afgrensbare groep wordt behandeld. Het geslacht omvat middelgrote tot grote duiven die in bouw vaak “klassiek duifachtig” ogen, met een stevige borst, brede vleugels en een krachtige, doorgaans rechtlijnige vlucht. Binnen het geslacht komt veel variatie voor in tekening en kleur, van vrij sobere grijsbruine soorten tot vogels met duidelijke iriserende glans in halsveren of opvallende koptekeningen.
Soorten binnen Patagioenas komen voor van warmgematigde tot tropische delen van Noord-, Midden- en Zuid-Amerika en op eilanden in het Caribisch gebied. Leefgebieden lopen uiteen van berg- en dennenbossen tot laaglandbos, savannebos, mangroveranden en agrarische landschappen met bomen. Veel soorten zijn in belangrijke mate boomgebonden, maar foerageren gebeurt geregeld ook op de grond, bijvoorbeeld op akkers, open plekken of bosranden waar zaden en gevallen vruchten beschikbaar zijn.
Het voedsel bestaat vooral uit zaden, granen en vruchten, vaak met een duidelijke nadruk op seizoensaanbod van bessen en vruchtbomen. Door intensief gebruik van vruchten kunnen soorten binnen dit geslacht lokaal een rol spelen in zaadverspreiding, vooral in bos- en eilandecosystemen. Broeden gebeurt doorgaans met een eenvoudig takkennist in bomen, met een klein legsel en intensieve ouderzorg volgens het bekende duivenpatroon, waarbij jongen eerst met kropmelk en later met steeds grover voedsel worden gevoerd. Trekgedrag varieert per soort en regio en kan uiteenlopen van standvogelgedrag tot duidelijke seizoensverplaatsingen, vooral waar voedsel en klimaat door het jaar heen sterk veranderen.
Soorten binnen Patagioenas komen voor van warmgematigde tot tropische delen van Noord-, Midden- en Zuid-Amerika en op eilanden in het Caribisch gebied. Leefgebieden lopen uiteen van berg- en dennenbossen tot laaglandbos, savannebos, mangroveranden en agrarische landschappen met bomen. Veel soorten zijn in belangrijke mate boomgebonden, maar foerageren gebeurt geregeld ook op de grond, bijvoorbeeld op akkers, open plekken of bosranden waar zaden en gevallen vruchten beschikbaar zijn.
Het voedsel bestaat vooral uit zaden, granen en vruchten, vaak met een duidelijke nadruk op seizoensaanbod van bessen en vruchtbomen. Door intensief gebruik van vruchten kunnen soorten binnen dit geslacht lokaal een rol spelen in zaadverspreiding, vooral in bos- en eilandecosystemen. Broeden gebeurt doorgaans met een eenvoudig takkennist in bomen, met een klein legsel en intensieve ouderzorg volgens het bekende duivenpatroon, waarbij jongen eerst met kropmelk en later met steeds grover voedsel worden gevoerd. Trekgedrag varieert per soort en regio en kan uiteenlopen van standvogelgedrag tot duidelijke seizoensverplaatsingen, vooral waar voedsel en klimaat door het jaar heen sterk veranderen.
Bandstaartduif
[LAT] Patagioenas fasciata |
[UK] Band-tailed Pigeon |
[FR] Pigeon à queue barrée |
[DE] Bandtaube |
[ES] Paloma de cola bandeada |
[NL] Bandstaartduif

Klik hier Bandstaartduif details
Bandstaartduif (Patagioenas fasciata, Say, 1823) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is zeer groot en de populatie is zeer omvangrijk. Ondanks aanwijzingen voor een afnemende trend wordt de afname niet snel genoeg geacht om de drempels te benaderen die horen bij een bedreigde categorie volgens de IUCN-criteria.
De soort komt voor van zuidwestelijk Brits-Columbia door het westen van Noord-Amerika en via berg- en kustzones zuidwaarts tot in het noordwesten van Argentinië. Het voorkomen is sterk regionaal: aan de Pacifische kust zijn op diverse plaatsen jaarrond aanwezige populaties, terwijl elders vooral sprake is van zomeraanwezigheid. Verplaatsingen zijn vaak nomadisch, met zwermen die samenkomen op plekken waar voedsel tijdelijk overvloedig is. Zwerfvogels kunnen ver buiten het kerngebied opduiken en zijn zelfs tot aan de Atlantische kust vastgesteld.
Bandstaartduif is een forse, zwaar gebouwde duif die op afstand aan een rotsduif kan doen denken, maar doorgaans in bos- en berglandschappen voorkomt en vaak in bomen rust. Een belangrijk herkenningskenmerk is de brede, lichte band over het uiteinde van de waaierachtige staart. Van dichtbij valt een witte halvemaanvormige vlek op de nek op. Poten zijn geel en de snavel is geel met een donkere punt.
Het leefgebied omvat eikenrijke ravijnen en heuvelzones, chaparral, en bergbossen. Voorkeur gaat uit naar beboste of halfopen habitats, met regelmatige verplaatsingen om wisselende voedselbronnen te benutten. Broeden vindt plaats in eikenbossen langs de kust en in berggebieden, maar ook in gemengde den-eikenbossen en in sparren- en zilversparbossen. Foerageren kan ook plaatsvinden langs waterlopen in laaglandwoestijnen. In toenemende mate wordt de soort regelmatig waargenomen in suburbane gebieden langs de Pacifische kust, vooral waar geschikte bomen en voedselplanten aanwezig zijn.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit noten, zaden en bessen, met een duidelijk seizoenspatroon. Eikels vormen een belangrijke voedselbron wanneer beschikbaar. Daarnaast worden bessen van onder meer vlier, manzanita, jeneverbes en wilde druif gegeten, evenals zaden, zachte jonge kegels van sparren, knoppen, jonge bladeren en bloemen. Insecten worden incidenteel opgenomen. Foerageren gebeurt zowel op de grond als in bomen, waarbij opvallend behendig tussen dunne takken kan worden geklommen, soms zelfs hangend om bessen te bereiken. Voedselzoeken gebeurt vaak in groepen, ook tijdens het broedseizoen.
Broeden kan plaatsvinden in losse kolonies, waarbij meerdere paren relatief dicht bij elkaar nestelen. Baltsvluchten omvatten een stijgende vlucht gevolgd door een brede cirkelglijvlucht met een fluitend, piepend geluid en aan het einde een kort vleugelgefladder. Op een zitplaats wordt een typische koerhouding aangenomen met opgeblazen borst en hals en een lager gedragen, deels gespreide staart. Het nest ligt in een boom, vaak op ongeveer 5 tot 12 meter hoogte, maar kan lager of juist veel hoger worden geplaatst. Een vork van een horizontale tak of een plek tegen de stam aan de basis van een zijtak wordt vaak gebruikt. Het nest is een vrij groot maar los gebouwd platform van takken, waarbij nestmateriaal wordt aangevoerd en ter plekke wordt verwerkt tot een draagvlak.
Het legsel bestaat meestal uit één ei en soms uit twee. De eieren zijn wit. Beide oudervogels broeden, met een broedduur van ongeveer 18 tot 20 dagen. Jongen worden door beide ouders gevoerd; in de eerste fase gebeurt dit met kropmelk en later wordt dit aangevuld met vast voedsel. Uitvliegen vindt doorgaans plaats ongeveer 25 tot 30 dagen na het uitkomen, waarna nog enige tijd nazorg volgt. Twee broedsels per jaar komen voor en in gunstige omstandigheden kan een derde broedsel optreden.
De soort komt voor van zuidwestelijk Brits-Columbia door het westen van Noord-Amerika en via berg- en kustzones zuidwaarts tot in het noordwesten van Argentinië. Het voorkomen is sterk regionaal: aan de Pacifische kust zijn op diverse plaatsen jaarrond aanwezige populaties, terwijl elders vooral sprake is van zomeraanwezigheid. Verplaatsingen zijn vaak nomadisch, met zwermen die samenkomen op plekken waar voedsel tijdelijk overvloedig is. Zwerfvogels kunnen ver buiten het kerngebied opduiken en zijn zelfs tot aan de Atlantische kust vastgesteld.
Bandstaartduif is een forse, zwaar gebouwde duif die op afstand aan een rotsduif kan doen denken, maar doorgaans in bos- en berglandschappen voorkomt en vaak in bomen rust. Een belangrijk herkenningskenmerk is de brede, lichte band over het uiteinde van de waaierachtige staart. Van dichtbij valt een witte halvemaanvormige vlek op de nek op. Poten zijn geel en de snavel is geel met een donkere punt.
Het leefgebied omvat eikenrijke ravijnen en heuvelzones, chaparral, en bergbossen. Voorkeur gaat uit naar beboste of halfopen habitats, met regelmatige verplaatsingen om wisselende voedselbronnen te benutten. Broeden vindt plaats in eikenbossen langs de kust en in berggebieden, maar ook in gemengde den-eikenbossen en in sparren- en zilversparbossen. Foerageren kan ook plaatsvinden langs waterlopen in laaglandwoestijnen. In toenemende mate wordt de soort regelmatig waargenomen in suburbane gebieden langs de Pacifische kust, vooral waar geschikte bomen en voedselplanten aanwezig zijn.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit noten, zaden en bessen, met een duidelijk seizoenspatroon. Eikels vormen een belangrijke voedselbron wanneer beschikbaar. Daarnaast worden bessen van onder meer vlier, manzanita, jeneverbes en wilde druif gegeten, evenals zaden, zachte jonge kegels van sparren, knoppen, jonge bladeren en bloemen. Insecten worden incidenteel opgenomen. Foerageren gebeurt zowel op de grond als in bomen, waarbij opvallend behendig tussen dunne takken kan worden geklommen, soms zelfs hangend om bessen te bereiken. Voedselzoeken gebeurt vaak in groepen, ook tijdens het broedseizoen.
Broeden kan plaatsvinden in losse kolonies, waarbij meerdere paren relatief dicht bij elkaar nestelen. Baltsvluchten omvatten een stijgende vlucht gevolgd door een brede cirkelglijvlucht met een fluitend, piepend geluid en aan het einde een kort vleugelgefladder. Op een zitplaats wordt een typische koerhouding aangenomen met opgeblazen borst en hals en een lager gedragen, deels gespreide staart. Het nest ligt in een boom, vaak op ongeveer 5 tot 12 meter hoogte, maar kan lager of juist veel hoger worden geplaatst. Een vork van een horizontale tak of een plek tegen de stam aan de basis van een zijtak wordt vaak gebruikt. Het nest is een vrij groot maar los gebouwd platform van takken, waarbij nestmateriaal wordt aangevoerd en ter plekke wordt verwerkt tot een draagvlak.
Het legsel bestaat meestal uit één ei en soms uit twee. De eieren zijn wit. Beide oudervogels broeden, met een broedduur van ongeveer 18 tot 20 dagen. Jongen worden door beide ouders gevoerd; in de eerste fase gebeurt dit met kropmelk en later wordt dit aangevuld met vast voedsel. Uitvliegen vindt doorgaans plaats ongeveer 25 tot 30 dagen na het uitkomen, waarna nog enige tijd nazorg volgt. Twee broedsels per jaar komen voor en in gunstige omstandigheden kan een derde broedsel optreden.
Klik hier Genus Zenaida
Zenaida (Bonaparte, 1838) is een geslacht van duiven uit de Amerika’s dat meerdere middelgrote soorten omvat die vaak goed herkenbaar zijn aan een slanke bouw, een relatief lange staart en een zachte, vaak warmgrijze tot bruinige tint. Binnen het geslacht komen subtiele, maar duidelijke verschillen voor in koptekening en vleugelpatroon, waardoor determinatie vaak goed mogelijk is bij aandacht voor detail. Veel soorten laten een rustige, gelijkmatige vlucht zien en roepen met een karakteristiek, herhalend gekoer dat in bosranden en halfopen landschappen vaak goed draagt.
Soorten binnen Zenaida komen voor in uiteenlopende leefgebieden, van open bos en savannebos tot scrub, agrarische landschappen, kustzones en bebouwde omgeving. In veel regio’s worden parken, tuinen en stedelijke randen benut wanneer er voldoende voedsel en geschikte rustplekken aanwezig zijn. Foerageren gebeurt vaak op de grond, waarbij zaden, granen en andere plantaardige delen worden opgenomen, aangevuld met bessen en kleine vruchten wanneer die beschikbaar zijn. Wateropname en bezoek aan drinkplaatsen kan belangrijk zijn, vooral in drogere gebieden.
Broeden sluit aan bij het algemene duivenpatroon met een eenvoudig nestplatform van twijgjes, meestal in struiken of bomen, soms ook op beschutte menselijke structuren. Het legsel is doorgaans klein en de ouderzorg is intensief, met voeding van jongen via kropmelk in de eerste fase en later geleidelijk grover voedsel. Trekgedrag varieert per soort en regio, van standvogelgedrag tot duidelijke seizoensverplaatsingen, waarbij voedselbeschikbaarheid en lokale klimaatomstandigheden vaak bepalend zijn.
Soorten binnen Zenaida komen voor in uiteenlopende leefgebieden, van open bos en savannebos tot scrub, agrarische landschappen, kustzones en bebouwde omgeving. In veel regio’s worden parken, tuinen en stedelijke randen benut wanneer er voldoende voedsel en geschikte rustplekken aanwezig zijn. Foerageren gebeurt vaak op de grond, waarbij zaden, granen en andere plantaardige delen worden opgenomen, aangevuld met bessen en kleine vruchten wanneer die beschikbaar zijn. Wateropname en bezoek aan drinkplaatsen kan belangrijk zijn, vooral in drogere gebieden.
Broeden sluit aan bij het algemene duivenpatroon met een eenvoudig nestplatform van twijgjes, meestal in struiken of bomen, soms ook op beschutte menselijke structuren. Het legsel is doorgaans klein en de ouderzorg is intensief, met voeding van jongen via kropmelk in de eerste fase en later geleidelijk grover voedsel. Trekgedrag varieert per soort en regio, van standvogelgedrag tot duidelijke seizoensverplaatsingen, waarbij voedselbeschikbaarheid en lokale klimaatomstandigheden vaak bepalend zijn.
Treurduif
[LAT] Zenaida macroura |
[UK] Mourning Dove |
[FR] Tourterelle triste |
[DE] Carolinataube |
[ES] Tortolita llorona |
[NL] Treurduif






Klik hier Treurduif details
Treurduif (Zenaida macroura, Linnaeus, 1758) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is uitzonderlijk groot en de populatie is zeer omvangrijk. De trend wordt als toenemend beschreven, waardoor de soort volgens de IUCN-criteria niet in de buurt komt van drempels voor een bedreigde categorie op basis van areaalgrootte, trend of populatieomvang.
De soort komt voor van zuidelijk Canada door vrijwel de gehele Verenigde Staten tot in Midden-Amerika, met een verspreiding die reikt tot Panama. In grote delen van het verspreidingsgebied is treurduif jaarrond aanwezig. Trekgedrag verschilt per regio: populaties in Centraal- en het zuiden van Noord-Amerika zijn overwegend standvogel, terwijl noordelijke populaties in de winter zuidwaarts trekken. Ringonderzoek laat zien dat in sommige gebieden, zoals rond Berkeley in Californië, standplaatsgebonden gedrag overheerst, en in Florida bleek het merendeel van de vogels vrijwel sedentair, met slechts beperkte verspreiding naar omliggende staten. Vogels uit noordelijker breedten kunnen daarentegen tot in Mexico en verder naar Midden-Amerika overwinteren. Vastgestelde trekafstanden kunnen oplopen tot enkele duizenden kilometers, met een gemiddelde dagafstand van grofweg 80 tot 160 km, meestal op lage hoogte.
Treurduif heeft een slanke bouw en een lange staart die naar een punt toeloopt, wat het silhouet direct herkenbaar maakt. Het verenkleed is bruingrijs, met een meer buffkleurige tot warm getinte buik en lichtgrijze vleugels. De snavel is zwart en de poten zijn oranje. Op de vleugels zitten zwarte vlekken. In de nek is vaak een subtiele iriserende glans zichtbaar. Het donkere oog is omgeven door een lichtblauwe oogring. Juvenielen lijken op volwassen vogels, maar ogen vaak wat meer gevlekt en doffer van kleur.
Het leefgebied bestaat uit een brede variatie aan landschappen waar open terrein en bomen elkaar afwisselen. Randen van bos en open veld, schrale graslanden met struiken, agrarisch landschap, erven en suburbane zones worden veel gebruikt. Wegbermen en stedelijke randen leveren vaak precies het mozaïek van open foerageerplekken en nabijgelegen schuil- en nestgelegenheid dat gunstig is. Aanpassing aan menselijke omgeving is sterk, vooral in regio’s met graanproductie en verspreide bomen of struiken.
Het voedsel bestaat voor het overgrote deel uit zaden en andere plantaardige delen, vaak rond 95% van het dieet. Daarnaast worden ook gemorst graan, vruchten en incidenteel insecten gegeten. Voorkeur gaat uit naar zaden die op de grond liggen. Wanneer voedsel op de bodem schaars is, worden ook zaden en vruchten uit struiken en bomen opgenomen. In agrarische gebieden worden vooral granen benut, waaronder maïs, gierst, rogge, gerst en haver. Af en toe worden ook kleine dieren zoals sprinkhanen, mieren, kevers en slakken opgenomen.
De voortplanting kan in warme gebieden zeer productief zijn, met meerdere broedsels per jaar en in gunstige omstandigheden tot ongeveer zes broedsels. Het mannetje leidt naar mogelijke nestplaatsen, waarna een nestplek wordt gekozen en nestmateriaal wordt aangevoerd. Het nest is een vrij fragiel platform van twijgjes. Nestplaatsen liggen meestal in een boom of struik, maar kunnen ook op de grond liggen of op beschutte randen van gebouwen en andere structuren. Meestal worden twee eieren gelegd. Beide ouders broeden ongeveer twee weken. De jongen worden gevoerd met kropmelk, waarna geleidelijk ook ander voedsel wordt gegeven. Ongeveer twee weken na uitkomst verlaten de jongen het nest, maar in de omgeving volgt vaak nog één tot twee weken nazorg met bijvoeding.
De soort komt voor van zuidelijk Canada door vrijwel de gehele Verenigde Staten tot in Midden-Amerika, met een verspreiding die reikt tot Panama. In grote delen van het verspreidingsgebied is treurduif jaarrond aanwezig. Trekgedrag verschilt per regio: populaties in Centraal- en het zuiden van Noord-Amerika zijn overwegend standvogel, terwijl noordelijke populaties in de winter zuidwaarts trekken. Ringonderzoek laat zien dat in sommige gebieden, zoals rond Berkeley in Californië, standplaatsgebonden gedrag overheerst, en in Florida bleek het merendeel van de vogels vrijwel sedentair, met slechts beperkte verspreiding naar omliggende staten. Vogels uit noordelijker breedten kunnen daarentegen tot in Mexico en verder naar Midden-Amerika overwinteren. Vastgestelde trekafstanden kunnen oplopen tot enkele duizenden kilometers, met een gemiddelde dagafstand van grofweg 80 tot 160 km, meestal op lage hoogte.
Treurduif heeft een slanke bouw en een lange staart die naar een punt toeloopt, wat het silhouet direct herkenbaar maakt. Het verenkleed is bruingrijs, met een meer buffkleurige tot warm getinte buik en lichtgrijze vleugels. De snavel is zwart en de poten zijn oranje. Op de vleugels zitten zwarte vlekken. In de nek is vaak een subtiele iriserende glans zichtbaar. Het donkere oog is omgeven door een lichtblauwe oogring. Juvenielen lijken op volwassen vogels, maar ogen vaak wat meer gevlekt en doffer van kleur.
Het leefgebied bestaat uit een brede variatie aan landschappen waar open terrein en bomen elkaar afwisselen. Randen van bos en open veld, schrale graslanden met struiken, agrarisch landschap, erven en suburbane zones worden veel gebruikt. Wegbermen en stedelijke randen leveren vaak precies het mozaïek van open foerageerplekken en nabijgelegen schuil- en nestgelegenheid dat gunstig is. Aanpassing aan menselijke omgeving is sterk, vooral in regio’s met graanproductie en verspreide bomen of struiken.
Het voedsel bestaat voor het overgrote deel uit zaden en andere plantaardige delen, vaak rond 95% van het dieet. Daarnaast worden ook gemorst graan, vruchten en incidenteel insecten gegeten. Voorkeur gaat uit naar zaden die op de grond liggen. Wanneer voedsel op de bodem schaars is, worden ook zaden en vruchten uit struiken en bomen opgenomen. In agrarische gebieden worden vooral granen benut, waaronder maïs, gierst, rogge, gerst en haver. Af en toe worden ook kleine dieren zoals sprinkhanen, mieren, kevers en slakken opgenomen.
De voortplanting kan in warme gebieden zeer productief zijn, met meerdere broedsels per jaar en in gunstige omstandigheden tot ongeveer zes broedsels. Het mannetje leidt naar mogelijke nestplaatsen, waarna een nestplek wordt gekozen en nestmateriaal wordt aangevoerd. Het nest is een vrij fragiel platform van twijgjes. Nestplaatsen liggen meestal in een boom of struik, maar kunnen ook op de grond liggen of op beschutte randen van gebouwen en andere structuren. Meestal worden twee eieren gelegd. Beide ouders broeden ongeveer twee weken. De jongen worden gevoerd met kropmelk, waarna geleidelijk ook ander voedsel wordt gegeven. Ongeveer twee weken na uitkomst verlaten de jongen het nest, maar in de omgeving volgt vaak nog één tot twee weken nazorg met bijvoeding.
Klik hier Genus Spilopelia
Spilopelia (Sundevall, 1873) is een geslacht van kleinere tortelduiven dat vooral bekendstaat om soorten met een fijngetekende, vaak “geschubde” indruk en een opvallend hals- of nekpatroon. De bouw is slank en licht, met een relatief lange staart en een zachte, soepele vlucht. In het veld vallen vaak het subtiele vlekken- of bandpatroon op de hals en een warmbruin tot grijzig verenkleed op, waardoor soorten binnen dit geslacht een herkenbare uitstraling hebben, zelfs wanneer kleurtonen per individu en seizoen iets kunnen variëren.
Soorten binnen Spilopelia komen voor in open tot halfopen landschappen, waaronder agrarische gebieden, dorpen, parken, bosranden en droge scrub. Aanpassing aan menselijk gebruik van het landschap is bij meerdere soorten goed ontwikkeld, waardoor aanwezigheid in bebouwde omgeving en in mozaïeklandschappen met veel randen en open plekken regelmatig voorkomt. Foerageren gebeurt vooral op de grond, met nadruk op zaden en kleine plantendelen, aangevuld met andere gemakkelijk beschikbare voedselbronnen wanneer die lokaal aanwezig zijn.
Broeden gebeurt meestal met een eenvoudig, vrij los nestplatform van twijgjes in struiken of bomen, soms op gebouwen of andere beschutte structuren. Het legsel is klein en ouderzorg is intensief, met voeding van jongen via kropmelk in de eerste fase en daarna een geleidelijke overgang naar zaden en ander plantaardig voedsel. Verspreiding en trekgedrag verschillen per soort, maar lokale verplaatsingen in reactie op droogte, voedselaanbod en verstoring komen binnen het geslacht geregeld voor.
Soorten binnen Spilopelia komen voor in open tot halfopen landschappen, waaronder agrarische gebieden, dorpen, parken, bosranden en droge scrub. Aanpassing aan menselijk gebruik van het landschap is bij meerdere soorten goed ontwikkeld, waardoor aanwezigheid in bebouwde omgeving en in mozaïeklandschappen met veel randen en open plekken regelmatig voorkomt. Foerageren gebeurt vooral op de grond, met nadruk op zaden en kleine plantendelen, aangevuld met andere gemakkelijk beschikbare voedselbronnen wanneer die lokaal aanwezig zijn.
Broeden gebeurt meestal met een eenvoudig, vrij los nestplatform van twijgjes in struiken of bomen, soms op gebouwen of andere beschutte structuren. Het legsel is klein en ouderzorg is intensief, met voeding van jongen via kropmelk in de eerste fase en daarna een geleidelijke overgang naar zaden en ander plantaardig voedsel. Verspreiding en trekgedrag verschillen per soort, maar lokale verplaatsingen in reactie op droogte, voedselaanbod en verstoring komen binnen het geslacht geregeld voor.
Parelhalstortel
[LAT] Spilopelia chinensis |
[UK] Spotted Dove |
[FR] Tourterelle tigrine |
[DE] Perlhalstaube |
[ES] Tórtola moteada |
[NL] Parelhalstortel






Klik hier Parelhalstortel details
Parelhalstortel (Spilopelia chinensis, Scopoli, 1786)
Parelhalstortel is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is zeer groot en de populatietrend wordt als toenemend beschreven. De populatieomvang is niet overal gekwantificeerd, maar er zijn geen aanwijzingen dat de soort de drempels benadert die horen bij een bedreigde categorie op basis van areaalgrootte, trend of aantallen.
De soort is wijdverspreid in de Oriëntaalse regio en komt in grote delen van Zuidoost-Azië algemeen voor. Daarnaast zijn er geïntroduceerde populaties buiten het oorspronkelijke gebied. In de aangeleverde gegevens wordt een introductie in de regio Los Angeles genoemd, waarna uitbreiding plaatsvond naar onder meer Santa Barbara, Bakersfield, Oceanside, San Diego en zuidelijk Arizona. In Californië wordt het voorkomen vooral gekenmerkt als standvogel binnen een beperkt verspreidingsgebied, met slechts zelden verdere zwerftochten binnen de staat.
Parelhalstortel is iets groter dan treurduif en heeft een afgeronde tot stomp ogende staart, met opvallend veel wit in de buitenste staartpunten. Het meest kenmerkende veldkenmerk is de brede halsband van zwarte en witte “parelvlekken” op de achterhals. Juvenielen missen deze halsband, maar kunnen vaak toch worden herkend aan de vorm van de uitgespreide staart, die minder puntig oogt dan bij treurduif. In vlucht en op zitplaatsen zorgt de contrastrijke halsband bij volwassen vogels voor een direct herkenningsbeeld, vooral bij goed licht.
Het leefgebied bestaat vaak uit door mensen beïnvloede habitats, met nadruk op woonwijken, parken en groenstroken. Goed bewaterde suburbane zones met bomen en gazons zijn vaak bijzonder geschikt. Daarnaast worden landbouwgebieden, erven en boomgroepen langs waterlopen benut, waaronder ook aanplant met eucalyptus. Aanwezigheid hangt vaak samen met open foerageerplekken op de grond en nabijgelegen bomen of struiken voor rusten en nestelen.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit zaden. Foerageren gebeurt meestal op de grond, lopend en pikkend tussen gras, open aarde en verhardingsranden. Meestal wordt in paren of kleine groepjes gezocht. Bezoek aan voedertafels komt voor, maar zaden worden vaak liever van de grond opgenomen, bijvoorbeeld onder voedersilo’s of onder bomen waar zaden en kruimels vallen.
Balts- en territoriaal gedrag omvat een opvallende displayvlucht waarbij een steile opstijging plaatsvindt met luid vleugelklappen, gevolgd door een brede glijvlucht omlaag met vleugels en staart volledig gespreid. Op een zitplaats wordt gebogen en gekoerd, waarbij de kop wordt verlaagd en de gevlekte halsband extra zichtbaar wordt. Het nest ligt meestal in een grote struik of boom, vaak op een horizontale tak of in een takvork, grofweg tussen 2,5 en 12 meter hoogte. Het nest is een losse platformconstructie van twijgjes. Meestal worden twee witte eieren gelegd. Broeden gebeurt doorgaans door beide oudervogels en duurt rond twee weken of iets langer. Jongen worden door beide ouders verzorgd, in de eerste fase met kropmelk en later met een mengsel waarin zaden steeds belangrijker worden. De exacte ontwikkeling en leeftijd waarop jongen voor het eerst uitvliegen kan lokaal variëren en is niet overal even goed gedocumenteerd.
Engelse naam: Spotted Dove.
Parelhalstortel is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is zeer groot en de populatietrend wordt als toenemend beschreven. De populatieomvang is niet overal gekwantificeerd, maar er zijn geen aanwijzingen dat de soort de drempels benadert die horen bij een bedreigde categorie op basis van areaalgrootte, trend of aantallen.
De soort is wijdverspreid in de Oriëntaalse regio en komt in grote delen van Zuidoost-Azië algemeen voor. Daarnaast zijn er geïntroduceerde populaties buiten het oorspronkelijke gebied. In de aangeleverde gegevens wordt een introductie in de regio Los Angeles genoemd, waarna uitbreiding plaatsvond naar onder meer Santa Barbara, Bakersfield, Oceanside, San Diego en zuidelijk Arizona. In Californië wordt het voorkomen vooral gekenmerkt als standvogel binnen een beperkt verspreidingsgebied, met slechts zelden verdere zwerftochten binnen de staat.
Parelhalstortel is iets groter dan treurduif en heeft een afgeronde tot stomp ogende staart, met opvallend veel wit in de buitenste staartpunten. Het meest kenmerkende veldkenmerk is de brede halsband van zwarte en witte “parelvlekken” op de achterhals. Juvenielen missen deze halsband, maar kunnen vaak toch worden herkend aan de vorm van de uitgespreide staart, die minder puntig oogt dan bij treurduif. In vlucht en op zitplaatsen zorgt de contrastrijke halsband bij volwassen vogels voor een direct herkenningsbeeld, vooral bij goed licht.
Het leefgebied bestaat vaak uit door mensen beïnvloede habitats, met nadruk op woonwijken, parken en groenstroken. Goed bewaterde suburbane zones met bomen en gazons zijn vaak bijzonder geschikt. Daarnaast worden landbouwgebieden, erven en boomgroepen langs waterlopen benut, waaronder ook aanplant met eucalyptus. Aanwezigheid hangt vaak samen met open foerageerplekken op de grond en nabijgelegen bomen of struiken voor rusten en nestelen.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit zaden. Foerageren gebeurt meestal op de grond, lopend en pikkend tussen gras, open aarde en verhardingsranden. Meestal wordt in paren of kleine groepjes gezocht. Bezoek aan voedertafels komt voor, maar zaden worden vaak liever van de grond opgenomen, bijvoorbeeld onder voedersilo’s of onder bomen waar zaden en kruimels vallen.
Balts- en territoriaal gedrag omvat een opvallende displayvlucht waarbij een steile opstijging plaatsvindt met luid vleugelklappen, gevolgd door een brede glijvlucht omlaag met vleugels en staart volledig gespreid. Op een zitplaats wordt gebogen en gekoerd, waarbij de kop wordt verlaagd en de gevlekte halsband extra zichtbaar wordt. Het nest ligt meestal in een grote struik of boom, vaak op een horizontale tak of in een takvork, grofweg tussen 2,5 en 12 meter hoogte. Het nest is een losse platformconstructie van twijgjes. Meestal worden twee witte eieren gelegd. Broeden gebeurt doorgaans door beide oudervogels en duurt rond twee weken of iets langer. Jongen worden door beide ouders verzorgd, in de eerste fase met kropmelk en later met een mengsel waarin zaden steeds belangrijker worden. De exacte ontwikkeling en leeftijd waarop jongen voor het eerst uitvliegen kan lokaal variëren en is niet overal even goed gedocumenteerd.
Engelse naam: Spotted Dove.
Wijntortel
[LAT] Spilopelia vinacea |
[UK] Vinaceous Dove |
[FR] Tourterelle vineuse |
[DE] Dunkle Turteltaube |
[ES] Tórtola lúgubre |
[NL] Wijntortel


Klik hier Wijntortel details
De Wijntortel (Streptopelia vinacea, Gmelin, 1789) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is zeer groot en de populatietrend wordt als stabiel beschreven, waardoor de soort niet in de buurt komt van drempels voor een bedreigde categorie op basis van areaalgrootte, trend of populatieomvang.
De soort komt wijdverspreid voor in Afrika, vooral in een brede gordel ten zuiden van de Sahara, met aanwezigheid in oostelijk, centraal en westelijk Afrika. Trekgedrag is doorgaans beperkt. Aanwezigheid is meestal standplaatsgebonden, met lokale verplaatsingen die samenhangen met regenval, zaadaanbod en tijdelijke voedselpieken.
Wijntortel is een middelgrote tortelduif met een warme, wijnkleurige tot roze-bruine indruk op borst en hals, in combinatie met meer grijsbruine bovendelen. Een donkere halsband op de achterhals kan zichtbaar zijn, maar is doorgaans minder contrastrijk dan bij sommige andere tortels. De vlucht is snel en direct, met regelmatige vleugelslagen, passend bij soorten uit het geslacht Streptopelia.
Het leefgebied bestaat vooral uit scrub, savanne, open bos en boomrijke randen, vaak in drogere zones met verspreide bomen en struiken. Ook randen van dorpen en cultuurlandschap worden benut wanneer er dekking en voedsel aanwezig is, maar het zwaartepunt ligt meestal in halfopen habitats met voldoende zaaddragende vegetatie.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit zaden, granen en andere plantaardige delen. Foerageren gebeurt grotendeels op de grond, vaak in paren of kleine groepjes, en soms op plekken waar zadenrijk voedsel geconcentreerd beschikbaar is, bijvoorbeeld langs paden, open plekken en randen van akkers.
Broeden gebeurt met een nestplatform van takjes in een boom of struik. Meestal worden twee witte eieren gelegd. Broedzorg wordt door beide oudervogels uitgevoerd en de broedperiode kan regionaal variëren, vaak in samenhang met perioden waarin voedsel ruimer beschikbaar is.
De soort komt wijdverspreid voor in Afrika, vooral in een brede gordel ten zuiden van de Sahara, met aanwezigheid in oostelijk, centraal en westelijk Afrika. Trekgedrag is doorgaans beperkt. Aanwezigheid is meestal standplaatsgebonden, met lokale verplaatsingen die samenhangen met regenval, zaadaanbod en tijdelijke voedselpieken.
Wijntortel is een middelgrote tortelduif met een warme, wijnkleurige tot roze-bruine indruk op borst en hals, in combinatie met meer grijsbruine bovendelen. Een donkere halsband op de achterhals kan zichtbaar zijn, maar is doorgaans minder contrastrijk dan bij sommige andere tortels. De vlucht is snel en direct, met regelmatige vleugelslagen, passend bij soorten uit het geslacht Streptopelia.
Het leefgebied bestaat vooral uit scrub, savanne, open bos en boomrijke randen, vaak in drogere zones met verspreide bomen en struiken. Ook randen van dorpen en cultuurlandschap worden benut wanneer er dekking en voedsel aanwezig is, maar het zwaartepunt ligt meestal in halfopen habitats met voldoende zaaddragende vegetatie.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit zaden, granen en andere plantaardige delen. Foerageren gebeurt grotendeels op de grond, vaak in paren of kleine groepjes, en soms op plekken waar zadenrijk voedsel geconcentreerd beschikbaar is, bijvoorbeeld langs paden, open plekken en randen van akkers.
Broeden gebeurt met een nestplatform van takjes in een boom of struik. Meestal worden twee witte eieren gelegd. Broedzorg wordt door beide oudervogels uitgevoerd en de broedperiode kan regionaal variëren, vaak in samenhang met perioden waarin voedsel ruimer beschikbaar is.