Klik hier Genus Geopelia
Geopelia (Swainson, 1837) is een geslacht van kleine duiven dat bekendstaat om een fijne, slanke bouw en een vaak subtiel “zebrapatroon” of andere delicate tekening op hals en borst. De soorten ogen licht en wendbaar, met een relatief lange staart en een snelle, rechtlijnige vlucht. Door het bescheiden formaat en de zachte kleurtonen blijven vogels binnen dit geslacht geregeld onopvallend, terwijl roep en groepsgedrag in geschikte gebieden juist goed kunnen verraden dat er aanwezigheid is.
Soorten binnen Geopelia komen vooral voor in Australazië en aangrenzende regio’s, waar open bos, savanne-achtige landschappen, scrub, graslanden en halfopen cultuurlandschap worden benut. Ook tuinen, parken en erven kunnen belangrijk zijn wanneer er voldoende zaden en drinkwater aanwezig zijn. Foerageren gebeurt veelal op de grond, vaak in kleine groepjes, waarbij vooral graszaden en andere fijne zaden worden opgenomen, aangevuld met kleine plantendelen wanneer die beschikbaar zijn. In drogere gebieden speelt de nabijheid van waterpunten een duidelijke rol in verspreiding en dagelijkse activiteit.
Broeden gebeurt met een klein, eenvoudig nest van twijgjes, vaak laag in struiken of in kleine bomen. Het legsel is doorgaans klein en de ouderzorg volgt het bekende duivenpatroon, met voeding van jongen via kropmelk in de eerste fase en later een geleidelijke overgang naar zaden. Lokale verplaatsingen komen geregeld voor en hangen vaak samen met regenval, tijdelijke zaadvorming en het beschikbaar komen van geschikte drinkplaatsen.
Soorten binnen Geopelia komen vooral voor in Australazië en aangrenzende regio’s, waar open bos, savanne-achtige landschappen, scrub, graslanden en halfopen cultuurlandschap worden benut. Ook tuinen, parken en erven kunnen belangrijk zijn wanneer er voldoende zaden en drinkwater aanwezig zijn. Foerageren gebeurt veelal op de grond, vaak in kleine groepjes, waarbij vooral graszaden en andere fijne zaden worden opgenomen, aangevuld met kleine plantendelen wanneer die beschikbaar zijn. In drogere gebieden speelt de nabijheid van waterpunten een duidelijke rol in verspreiding en dagelijkse activiteit.
Broeden gebeurt met een klein, eenvoudig nest van twijgjes, vaak laag in struiken of in kleine bomen. Het legsel is doorgaans klein en de ouderzorg volgt het bekende duivenpatroon, met voeding van jongen via kropmelk in de eerste fase en later een geleidelijke overgang naar zaden. Lokale verplaatsingen komen geregeld voor en hangen vaak samen met regenval, tijdelijke zaadvorming en het beschikbaar komen van geschikte drinkplaatsen.
Roodnekzebraduif
[LAT] Geopelia humeralis |
[UK] Bar-shouldered dove |
[FR] Géopélie à nuque rousse |
[DE] Kupfernackentaube |
[ES] Tortolita humeral |
[NL] Roodnekzebraduif

Klik hier Roodnekzebraduif details
De Roodnekzebraduif (Geopelia humeralis, Temminck, 1821) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is uitzonderlijk groot en de populatietrend wordt als stabiel beschouwd. De populatieomvang is niet overal gekwantificeerd, maar er zijn geen aanwijzingen dat de soort de drempels benadert die horen bij een bedreigde categorie op basis van areaalgrootte, trend of aantallen.
De soort komt voor in zuidelijk-centraal en zuidoostelijk Nieuw-Guinea en in het noorden en oosten van Australië. Trekgedrag is doorgaans beperkt; het voorkomen past vooral bij standplaatsgebonden populaties met verplaatsingen op lokale schaal. In drogere perioden kan aanwezigheid sterker samenhangen met waterpunten en plekken waar zaden tijdelijk overvloedig zijn, waardoor lokaal duidelijke concentraties kunnen ontstaan.
Roodnekzebraduif is een middelgrote, slanke duif met een lange staart en een fijn “zebra”-achtig patroon op borst en flanken, gevormd door smalle donkere bandjes. De bovenzijde oogt overwegend warmbruin tot grijsbruin, met op de schouderpartij een opvallende kastanjebruine tot roodbruine zone die de Nederlandse naam verklaart. In vlucht vallen de lange staart en het contrasterende vleugelpatroon vaak op. De algemene indruk is elegant en licht, met een rustige houding op de grond en een snelle, directe vlucht wanneer verstoring optreedt.
Het leefgebied bestaat uit open tot halfopen landschappen, waaronder open eucalyptusbos, savanne-achtige gebieden, scrub, bosranden, agrarische zones en randen van nederzettingen. Ook parken, tuinen en erven worden benut wanneer er dekking, voedsel en drinkwater aanwezig zijn. Aanwezigheid hangt vaak samen met mozaïeklandschappen waar open foerageerplekken direct grenzen aan struiken of bomen voor schuilen en rusten.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit zaden, vooral graszaden en andere fijne zaden die op de grond worden opgenomen. Daarnaast worden ook kleine plantendelen en incidenteel kleine ongewervelden benut wanneer die gemakkelijk beschikbaar zijn. Foerageren gebeurt meestal lopend op de bodem, vaak in paren of kleine groepjes, met regelmatige bezoeken aan drinkplaatsen in warme of droge perioden.
Broeden gebeurt met een eenvoudig, vrij los nestplatform van twijgjes, meestal laag tot middelhoog in een struik of kleine boom. Het legsel bestaat doorgaans uit twee witte eieren. Broedzorg volgt het bekende duivenpatroon met gezamenlijke verzorging, waarbij jongen in de eerste fase met kropmelk worden gevoerd en later met steeds grover zadenrijk voedsel. De timing van broeden varieert per regio en hangt vaak samen met perioden waarin regenval en zaadvorming gunstig zijn.
De soort komt voor in zuidelijk-centraal en zuidoostelijk Nieuw-Guinea en in het noorden en oosten van Australië. Trekgedrag is doorgaans beperkt; het voorkomen past vooral bij standplaatsgebonden populaties met verplaatsingen op lokale schaal. In drogere perioden kan aanwezigheid sterker samenhangen met waterpunten en plekken waar zaden tijdelijk overvloedig zijn, waardoor lokaal duidelijke concentraties kunnen ontstaan.
Roodnekzebraduif is een middelgrote, slanke duif met een lange staart en een fijn “zebra”-achtig patroon op borst en flanken, gevormd door smalle donkere bandjes. De bovenzijde oogt overwegend warmbruin tot grijsbruin, met op de schouderpartij een opvallende kastanjebruine tot roodbruine zone die de Nederlandse naam verklaart. In vlucht vallen de lange staart en het contrasterende vleugelpatroon vaak op. De algemene indruk is elegant en licht, met een rustige houding op de grond en een snelle, directe vlucht wanneer verstoring optreedt.
Het leefgebied bestaat uit open tot halfopen landschappen, waaronder open eucalyptusbos, savanne-achtige gebieden, scrub, bosranden, agrarische zones en randen van nederzettingen. Ook parken, tuinen en erven worden benut wanneer er dekking, voedsel en drinkwater aanwezig zijn. Aanwezigheid hangt vaak samen met mozaïeklandschappen waar open foerageerplekken direct grenzen aan struiken of bomen voor schuilen en rusten.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit zaden, vooral graszaden en andere fijne zaden die op de grond worden opgenomen. Daarnaast worden ook kleine plantendelen en incidenteel kleine ongewervelden benut wanneer die gemakkelijk beschikbaar zijn. Foerageren gebeurt meestal lopend op de bodem, vaak in paren of kleine groepjes, met regelmatige bezoeken aan drinkplaatsen in warme of droge perioden.
Broeden gebeurt met een eenvoudig, vrij los nestplatform van twijgjes, meestal laag tot middelhoog in een struik of kleine boom. Het legsel bestaat doorgaans uit twee witte eieren. Broedzorg volgt het bekende duivenpatroon met gezamenlijke verzorging, waarbij jongen in de eerste fase met kropmelk worden gevoerd en later met steeds grover zadenrijk voedsel. De timing van broeden varieert per regio en hangt vaak samen met perioden waarin regenval en zaadvorming gunstig zijn.
Zebraduif
[LAT] Geopelia striata |
[UK] Zebra Dove |
[FR] Géopélie zébrée |
[DE] Sperbertaube |
[ES] Tortolita estriada |
[NL] Zebraduif




Klik hier Zebraduif details
De Zebraduif (Geopelia striata, Linnaeus, 1766) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is groot en de populatietrend wordt als stabiel beschouwd. De populatieomvang is niet overal gekwantificeerd, maar er zijn geen aanwijzingen dat de soort de drempels benadert die horen bij een bedreigde categorie op basis van areaalgrootte, trend of aantallen.
De soort komt van oorsprong voor op het Maleis schiereiland, Sumatra en Java. Binnen dit gebied is het voorkomen vaak sterk gekoppeld aan open, door mensen beïnvloede landschappen en mozaïekhabitats met korte vegetatie. Trekgedrag is doorgaans beperkt; aanwezigheid is vooral standplaatsgebonden, met verplaatsingen op lokale schaal afhankelijk van voedsel, water en verstoring. In diverse regio’s buiten het kerngebied is de soort ook geïntroduceerd, waardoor lokaal extra verspreiding kan optreden, maar het aangeleverde areaal blijft het uitgangspunt voor de beschrijving.
Zebraduif is een kleine, slanke duif met een lange staart en een zeer kenmerkend fijn bandpatroon op borst en flanken, waardoor een duidelijke “zebra”-indruk ontstaat. De bovenzijde oogt bruinachtig tot grijsbruin en de kop is relatief klein en fijn. In vlucht vallen de smalle vleugels, de lange staart en het rustige, directe vliegbeeld op. Op de grond beweegt de soort vaak snel en doelgericht, met veel korte pasjes tijdens het zoeken naar zaden.
Het leefgebied bestaat vooral uit open tot halfopen terrein, zoals dorpsranden, tuinen, parken, erven, plantages, akkers, paden, grasvelden en andere plekken met lage vegetatie en open bodem. Aanpassing aan menselijke omgeving is sterk, waardoor aanwezigheid vaak juist toeneemt in cultuurlandschap met voldoende voedsel, drinkwater en beschutting in struiken of bomen in de nabijheid.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit kleine zaden, vooral graszaden en andere fijne zaden die op de grond worden opgenomen. Daarnaast worden ook kleine plantendelen en incidenteel kleine ongewervelden benut wanneer die gemakkelijk beschikbaar zijn. Foerageren gebeurt vrijwel altijd op de bodem, vaak in paren of kleine groepjes, met regelmatige bezoeken aan drinkplaatsen, vooral in warme of drogere omstandigheden.
Broeden gebeurt met een klein, eenvoudig nestplatform van twijgjes, meestal laag in een struik, in een kleine boom of op beschutte structuren in de directe omgeving van open foerageerplekken. Het legsel bestaat doorgaans uit twee witte eieren. Broedzorg volgt het bekende duivenpatroon met gezamenlijke verzorging, waarbij jongen in de eerste fase met kropmelk worden gevoerd en later met steeds grover zadenrijk voedsel. Het broedseizoen kan in tropische omstandigheden lang zijn en meerdere broedsels per jaar zijn mogelijk wanneer voedsel en rustplekken gunstig blijven.
De soort komt van oorsprong voor op het Maleis schiereiland, Sumatra en Java. Binnen dit gebied is het voorkomen vaak sterk gekoppeld aan open, door mensen beïnvloede landschappen en mozaïekhabitats met korte vegetatie. Trekgedrag is doorgaans beperkt; aanwezigheid is vooral standplaatsgebonden, met verplaatsingen op lokale schaal afhankelijk van voedsel, water en verstoring. In diverse regio’s buiten het kerngebied is de soort ook geïntroduceerd, waardoor lokaal extra verspreiding kan optreden, maar het aangeleverde areaal blijft het uitgangspunt voor de beschrijving.
Zebraduif is een kleine, slanke duif met een lange staart en een zeer kenmerkend fijn bandpatroon op borst en flanken, waardoor een duidelijke “zebra”-indruk ontstaat. De bovenzijde oogt bruinachtig tot grijsbruin en de kop is relatief klein en fijn. In vlucht vallen de smalle vleugels, de lange staart en het rustige, directe vliegbeeld op. Op de grond beweegt de soort vaak snel en doelgericht, met veel korte pasjes tijdens het zoeken naar zaden.
Het leefgebied bestaat vooral uit open tot halfopen terrein, zoals dorpsranden, tuinen, parken, erven, plantages, akkers, paden, grasvelden en andere plekken met lage vegetatie en open bodem. Aanpassing aan menselijke omgeving is sterk, waardoor aanwezigheid vaak juist toeneemt in cultuurlandschap met voldoende voedsel, drinkwater en beschutting in struiken of bomen in de nabijheid.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit kleine zaden, vooral graszaden en andere fijne zaden die op de grond worden opgenomen. Daarnaast worden ook kleine plantendelen en incidenteel kleine ongewervelden benut wanneer die gemakkelijk beschikbaar zijn. Foerageren gebeurt vrijwel altijd op de bodem, vaak in paren of kleine groepjes, met regelmatige bezoeken aan drinkplaatsen, vooral in warme of drogere omstandigheden.
Broeden gebeurt met een klein, eenvoudig nestplatform van twijgjes, meestal laag in een struik, in een kleine boom of op beschutte structuren in de directe omgeving van open foerageerplekken. Het legsel bestaat doorgaans uit twee witte eieren. Broedzorg volgt het bekende duivenpatroon met gezamenlijke verzorging, waarbij jongen in de eerste fase met kropmelk worden gevoerd en later met steeds grover zadenrijk voedsel. Het broedseizoen kan in tropische omstandigheden lang zijn en meerdere broedsels per jaar zijn mogelijk wanneer voedsel en rustplekken gunstig blijven.
Klik hier Genus Streptopelia
Streptopelia (Bonaparte, 1855) is een geslacht van tortelduiven dat meerdere middelgrote soorten omvat die vaak herkenbaar zijn aan een slanke bouw, een relatief lange staart en een karakteristieke hals- of nekband bij verschillende soorten. Het verenkleed is meestal zachtgrijs tot bruinachtig, met subtiele schub- of vleugelpatronen en soms een duidelijke contrasterende halsvlek. De vlucht is doorgaans snel en rechtlijnig, met korte, krachtige vleugelslagen, terwijl de roep bij veel soorten uit een herhalend, melodieus gekoer bestaat dat in halfopen landschappen ver draagt.
Soorten binnen Streptopelia komen voor in een breed scala aan open en halfopen biotopen, zoals agrarische landschappen, savannebos, open loofbos, dorpen, parken en stedelijke randen. Aanpassing aan menselijke omgeving is bij meerdere soorten sterk ontwikkeld, waardoor aanwezigheid in bebouwd gebied en in mozaïeklandschappen met veel randen en voedselbronnen vaak voorkomt. Foerageren gebeurt vooral op de grond, met nadruk op zaden, granen en kleine plantendelen, aangevuld met bessen en andere plantaardige bronnen wanneer die lokaal beschikbaar zijn.
Broeden gebeurt meestal met een eenvoudig, vrij los nestplatform van twijgjes in bomen of struiken, maar ook op gebouwen en andere beschutte structuren. Het legsel is doorgaans klein en de ouderzorg is intensief, met voeding van jongen via kropmelk in de eerste fase en daarna een geleidelijke overgang naar zaden. Trekgedrag varieert sterk per soort en regio, van standvogelgedrag tot duidelijke seizoensverplaatsingen, terwijl lokale verplaatsingen in reactie op voedsel, weersomstandigheden en verstoring binnen het geslacht veel voorkomen.
Soorten binnen Streptopelia komen voor in een breed scala aan open en halfopen biotopen, zoals agrarische landschappen, savannebos, open loofbos, dorpen, parken en stedelijke randen. Aanpassing aan menselijke omgeving is bij meerdere soorten sterk ontwikkeld, waardoor aanwezigheid in bebouwd gebied en in mozaïeklandschappen met veel randen en voedselbronnen vaak voorkomt. Foerageren gebeurt vooral op de grond, met nadruk op zaden, granen en kleine plantendelen, aangevuld met bessen en andere plantaardige bronnen wanneer die lokaal beschikbaar zijn.
Broeden gebeurt meestal met een eenvoudig, vrij los nestplatform van twijgjes in bomen of struiken, maar ook op gebouwen en andere beschutte structuren. Het legsel is doorgaans klein en de ouderzorg is intensief, met voeding van jongen via kropmelk in de eerste fase en daarna een geleidelijke overgang naar zaden. Trekgedrag varieert sterk per soort en regio, van standvogelgedrag tot duidelijke seizoensverplaatsingen, terwijl lokale verplaatsingen in reactie op voedsel, weersomstandigheden en verstoring binnen het geslacht veel voorkomen.
Turkse tortel
[LAT] Streptopelia decaocto |
[UK] Eurasian Collared Dove |
[FR] Tourterelle turque |
[DE] Türkentaube |
[ES] Tórtola turca |
[NL] Turkse tortel






Klik hier Turkse tortel details
De Turkse tortel (Streptopelia decaocto, Frivaldszky, 1838) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is uitzonderlijk groot en de populatietrend wordt als toenemend beschreven. De populatie is zeer omvangrijk, waardoor de soort volgens de IUCN-criteria niet in de buurt komt van drempels voor een bedreigde categorie op basis van areaalgrootte, trend of aantallen.
De soort komt voor van West-Europa tot India en oostelijk China. In zuidelijk Azië is het voorkomen overwegend standplaatsgebonden, met in berggebieden soms duidelijke hoogteverplaatsingen waarbij in de periode november tot maart vaker lager gelegen gebieden worden benut. In Europa is een groot deel van de broedvogels standvogel, maar een deel van de jonge vogels maakt opvallende zwerftochten. Dit zwerfg edrag, vooral in westelijke richting, heeft sterk bijgedragen aan de snelle uitbreiding en vestiging in nieuwe gebieden, meestal zonder terugkeer naar het geboortegebied.
Turkse tortel heeft een licht grijszandkleurig verenkleed. De bovendelen zijn bleek buffy-grijs op rug, vleugels en bovenzijde staart, terwijl de onderzijde licht buffroze oogt op borst en buik. Op de vleugels is vaak een subtiel “geschubd” patroon zichtbaar door lichte veerranden, met donkerdere handpennen. De lange staart heeft witte buitenste staartveren en grijzere middelste veren; aan de onderzijde vallen de brede witte punten op met een donkere basis. De kop is licht zandgrijs en op de nek zit de kenmerkende zwarte halve halsband. De snavel is zwart, relatief kort en slank. Ogen zijn donkerrood. Poten en voeten zijn roze. Vrouwtjes en mannetjes lijken sterk op elkaar; juvenielen missen doorgaans de zwarte nekband en ogen daardoor egaler.
De soort is sterk gebonden aan cultuurlandschap en bebouwde omgeving. Geschikte biotopen zijn dorpen en steden, parken, tuinen, boomgaarden, erven, hagen en struweel, akkerlandschappen en locaties rond graanopslag en boerderijen. Ook randen van bos en open terrein worden benut, vooral wanneer daar zaadrijke foerageerplekken en beschutte rustplaatsen dicht bij elkaar liggen. In de winter worden tuinen en voedertafels vaak bezocht, zeker wanneer natuurlijke zaadbronnen schaars zijn.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit zaden, met daarnaast knoppen en zachte vruchten. Ook voedselresten kunnen worden benut in stedelijke omgeving. Foerageren gebeurt vooral op de grond, vaak in paren of in groepen, met duidelijke concentraties rond akkers, erven en plekken met gemorst graan. Een bijzonder kenmerk is de manier van drinken: water wordt opgezogen zonder het typische “kop-heffen” dat bij veel andere vogels nodig is.
Balts en sociale interactie zijn opvallend. Tijdens de baltsvlucht stijgt een vogel vanaf een hoge zitplaats op, klapt luid met de vleugels en glijdt daarna in een lange boog omlaag met gespreide vleugels en staart. Op de grond komen paren soms tot korte sprongetjes met vleugelgefladder en roepen, en achtervolgingen in de lucht komen regelmatig voor. In rust wordt vaak dicht bij soortgenoten gezeten, bijvoorbeeld op kabels of dakranden.
Het broedseizoen loopt vaak van begin maart tot laat in oktober. Het nest is een zeer los en plat platform van dunne twijgjes en droge stengels, meestal in een boom, haag of dichte struik, soms ook op gebouwen of andere beschutte structuren. Soms wordt wat zacht gras gebruikt als bekleding, maar veel nesten blijven eenvoudig. Meestal worden twee gladde witte eieren gelegd. De broedduur is ongeveer 14 dagen en beide oudervogels broeden. De jongen komen hulpeloos uit en worden gevoerd met kropmelk. Uitvliegen gebeurt vaak na ongeveer 18 tot 19 dagen; rond drie weken na uitkomst wordt doorgaans goed gevlogen. Meerdere broedsels per seizoen zijn gebruikelijk en twee tot vier broedsels komen vaak voor, met in gunstige omstandigheden nog meer.
De soort komt voor van West-Europa tot India en oostelijk China. In zuidelijk Azië is het voorkomen overwegend standplaatsgebonden, met in berggebieden soms duidelijke hoogteverplaatsingen waarbij in de periode november tot maart vaker lager gelegen gebieden worden benut. In Europa is een groot deel van de broedvogels standvogel, maar een deel van de jonge vogels maakt opvallende zwerftochten. Dit zwerfg edrag, vooral in westelijke richting, heeft sterk bijgedragen aan de snelle uitbreiding en vestiging in nieuwe gebieden, meestal zonder terugkeer naar het geboortegebied.
Turkse tortel heeft een licht grijszandkleurig verenkleed. De bovendelen zijn bleek buffy-grijs op rug, vleugels en bovenzijde staart, terwijl de onderzijde licht buffroze oogt op borst en buik. Op de vleugels is vaak een subtiel “geschubd” patroon zichtbaar door lichte veerranden, met donkerdere handpennen. De lange staart heeft witte buitenste staartveren en grijzere middelste veren; aan de onderzijde vallen de brede witte punten op met een donkere basis. De kop is licht zandgrijs en op de nek zit de kenmerkende zwarte halve halsband. De snavel is zwart, relatief kort en slank. Ogen zijn donkerrood. Poten en voeten zijn roze. Vrouwtjes en mannetjes lijken sterk op elkaar; juvenielen missen doorgaans de zwarte nekband en ogen daardoor egaler.
De soort is sterk gebonden aan cultuurlandschap en bebouwde omgeving. Geschikte biotopen zijn dorpen en steden, parken, tuinen, boomgaarden, erven, hagen en struweel, akkerlandschappen en locaties rond graanopslag en boerderijen. Ook randen van bos en open terrein worden benut, vooral wanneer daar zaadrijke foerageerplekken en beschutte rustplaatsen dicht bij elkaar liggen. In de winter worden tuinen en voedertafels vaak bezocht, zeker wanneer natuurlijke zaadbronnen schaars zijn.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit zaden, met daarnaast knoppen en zachte vruchten. Ook voedselresten kunnen worden benut in stedelijke omgeving. Foerageren gebeurt vooral op de grond, vaak in paren of in groepen, met duidelijke concentraties rond akkers, erven en plekken met gemorst graan. Een bijzonder kenmerk is de manier van drinken: water wordt opgezogen zonder het typische “kop-heffen” dat bij veel andere vogels nodig is.
Balts en sociale interactie zijn opvallend. Tijdens de baltsvlucht stijgt een vogel vanaf een hoge zitplaats op, klapt luid met de vleugels en glijdt daarna in een lange boog omlaag met gespreide vleugels en staart. Op de grond komen paren soms tot korte sprongetjes met vleugelgefladder en roepen, en achtervolgingen in de lucht komen regelmatig voor. In rust wordt vaak dicht bij soortgenoten gezeten, bijvoorbeeld op kabels of dakranden.
Het broedseizoen loopt vaak van begin maart tot laat in oktober. Het nest is een zeer los en plat platform van dunne twijgjes en droge stengels, meestal in een boom, haag of dichte struik, soms ook op gebouwen of andere beschutte structuren. Soms wordt wat zacht gras gebruikt als bekleding, maar veel nesten blijven eenvoudig. Meestal worden twee gladde witte eieren gelegd. De broedduur is ongeveer 14 dagen en beide oudervogels broeden. De jongen komen hulpeloos uit en worden gevoerd met kropmelk. Uitvliegen gebeurt vaak na ongeveer 18 tot 19 dagen; rond drie weken na uitkomst wordt doorgaans goed gevlogen. Meerdere broedsels per seizoen zijn gebruikelijk en twee tot vier broedsels komen vaak voor, met in gunstige omstandigheden nog meer.
Zomertortel
[LAT] Streptopelia turtur |
[UK] European Turtle Dove |
[FR] Tourterelle des bois |
[DE] Turteltaube |
[ES] Tórtola europea |
[NL] Zomertortel

Klik hier Zomertortel details
De Zomertortel (Streptopelia turtur, Linnaeus, 1758) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is zeer groot en de populatie is zeer omvangrijk. Er is wel sprake van een afnemende trend, maar de afname wordt in de aangeleverde gegevens niet als snel genoeg gezien om de IUCN-drempels voor een bedreigde categorie te benaderen. In Europa is desondanks al langere tijd een duidelijke achteruitgang zichtbaar, waardoor de soort in veel gebieden merkbaar schaarser is geworden.
De soort broedt in West- en Centraal-Eurazië en is in het broedgebied vooral een zomergast. Overwintering vindt plaats in Afrika, met een kerngebied in semi-aride Soedanese en savannezones van Senegal en Guinee tot Soedan en Ethiopië, en zuidwaarts tot onder meer noordelijk Ghana en noordelijk Kameroen. Vertrek uit Europese broedgebieden ligt meestal tussen eind juli en september, met soms uitlopers tot in oktober. De trek verloopt grotendeels breed-front, maar bij passages over de Middellandse Zee kunnen regionale concentraties optreden. Veel westelijke vogels trekken via zuidwest-Frankrijk en het Iberisch schiereiland en bereiken Afrika via Marokko. Ook routes via de Balkan en Italië komen veel voor, met oversteek via onder meer Tunesië en Libië. In het voorjaar ligt de hoofddoortocht door het Middellandse Zeegebied vooral in de tweede helft van april en worden broedgebieden in mei weer bezet.
Zomertortel heeft een fijngebouwd silhouet en een warm getint verenkleed. Voorhoofd en kop tonen licht blauwgrijs, donkerder naar kruin en achterhals. De keel is wit, de zijkant van het gezicht rozegrijs, en de onderkeel en borst zijn mauveroze met een geleidelijke overgang naar wit op buik en onderstaartdekveren. Op schouder- en binnenvleugeldekveren vallen zwarte veren op met brede oranje- tot buffkleurige randen, wat een gevlekt, geschubd effect geeft. Buitenste vleugeldekveren en ondervleugel ogen blauwgrijs. De onderzijde van de staart toont een contrastrijk zwart-wit beeld. Iris kan goudgeel tot licht oranje zijn, met donker purperblauw rondom het oog. De snavel is zwartachtig, vaak met een paarse zweem en lichter naar de punt. Poten zijn purperrood. Ondersoorten verschillen subtiel in grootte en kleurtoon, met in sommige gebieden een duidelijk warmere, zandkleurige indruk op kop en rug en bredere buffranden op de vleugeldekveren.
Het leefgebied bestaat uit een brede variatie aan halfopen landschappen. Dichte, aaneengesloten bossen worden meestal gemeden. Voorkeur gaat uit naar bosranden, open bos met open plekken, heide met boomgroepjes en mozaïeklandschap met hagen, houtwallen, kleine bosjes en akkers. Zonnige, droge en beschutte gebieden worden vaak benut, terwijl natte, winderige of langdurig koele regio’s minder aantrekkelijk zijn. In delen van het areaal worden onder meer open eikenbossen, jeneverbesopstanden, boslandschap met landbouwpercelen, olijfgaarden en in drogere zones oases en dadelpalmgebieden gebruikt.
Het voedsel bestaat vooral uit zaden en vruchten van kruiden, onkruiden en granen. Zaden van onder meer koolachtigen, ganzenvoet, helmbloem, zonnebloem, klavers en tarwe worden genoemd. Daarnaast kunnen bessen en schimmels incidenteel worden gegeten, evenals regenwormen, enkele insecten en kleine slakken. Voedsel wordt grotendeels op de grond gezocht, ook wanneer rusten en een deel van de activiteit in bomen en struiken plaatsvindt.
Broeden vindt in Europa vaak in mei plaats. Het nest is een fragiel platform van fijne takjes, meestal bekleed met grasstengels, worteltjes of bladeren. Nestplaatsen liggen in een boom, struik of haag, en soms worden oude nesten van andere vogelsoorten hergebruikt. Meestal worden twee eieren gelegd. De broedduur bedraagt ongeveer 15 dagen. Na het broedseizoen volgt een opvallende periode van geringe respons op prikkels, een verschijnsel dat als bijzonder wordt beschreven binnen duiven. Eerste broeden kan al op een leeftijd van ongeveer één jaar plaatsvinden.
De soort broedt in West- en Centraal-Eurazië en is in het broedgebied vooral een zomergast. Overwintering vindt plaats in Afrika, met een kerngebied in semi-aride Soedanese en savannezones van Senegal en Guinee tot Soedan en Ethiopië, en zuidwaarts tot onder meer noordelijk Ghana en noordelijk Kameroen. Vertrek uit Europese broedgebieden ligt meestal tussen eind juli en september, met soms uitlopers tot in oktober. De trek verloopt grotendeels breed-front, maar bij passages over de Middellandse Zee kunnen regionale concentraties optreden. Veel westelijke vogels trekken via zuidwest-Frankrijk en het Iberisch schiereiland en bereiken Afrika via Marokko. Ook routes via de Balkan en Italië komen veel voor, met oversteek via onder meer Tunesië en Libië. In het voorjaar ligt de hoofddoortocht door het Middellandse Zeegebied vooral in de tweede helft van april en worden broedgebieden in mei weer bezet.
Zomertortel heeft een fijngebouwd silhouet en een warm getint verenkleed. Voorhoofd en kop tonen licht blauwgrijs, donkerder naar kruin en achterhals. De keel is wit, de zijkant van het gezicht rozegrijs, en de onderkeel en borst zijn mauveroze met een geleidelijke overgang naar wit op buik en onderstaartdekveren. Op schouder- en binnenvleugeldekveren vallen zwarte veren op met brede oranje- tot buffkleurige randen, wat een gevlekt, geschubd effect geeft. Buitenste vleugeldekveren en ondervleugel ogen blauwgrijs. De onderzijde van de staart toont een contrastrijk zwart-wit beeld. Iris kan goudgeel tot licht oranje zijn, met donker purperblauw rondom het oog. De snavel is zwartachtig, vaak met een paarse zweem en lichter naar de punt. Poten zijn purperrood. Ondersoorten verschillen subtiel in grootte en kleurtoon, met in sommige gebieden een duidelijk warmere, zandkleurige indruk op kop en rug en bredere buffranden op de vleugeldekveren.
Het leefgebied bestaat uit een brede variatie aan halfopen landschappen. Dichte, aaneengesloten bossen worden meestal gemeden. Voorkeur gaat uit naar bosranden, open bos met open plekken, heide met boomgroepjes en mozaïeklandschap met hagen, houtwallen, kleine bosjes en akkers. Zonnige, droge en beschutte gebieden worden vaak benut, terwijl natte, winderige of langdurig koele regio’s minder aantrekkelijk zijn. In delen van het areaal worden onder meer open eikenbossen, jeneverbesopstanden, boslandschap met landbouwpercelen, olijfgaarden en in drogere zones oases en dadelpalmgebieden gebruikt.
Het voedsel bestaat vooral uit zaden en vruchten van kruiden, onkruiden en granen. Zaden van onder meer koolachtigen, ganzenvoet, helmbloem, zonnebloem, klavers en tarwe worden genoemd. Daarnaast kunnen bessen en schimmels incidenteel worden gegeten, evenals regenwormen, enkele insecten en kleine slakken. Voedsel wordt grotendeels op de grond gezocht, ook wanneer rusten en een deel van de activiteit in bomen en struiken plaatsvindt.
Broeden vindt in Europa vaak in mei plaats. Het nest is een fragiel platform van fijne takjes, meestal bekleed met grasstengels, worteltjes of bladeren. Nestplaatsen liggen in een boom, struik of haag, en soms worden oude nesten van andere vogelsoorten hergebruikt. Meestal worden twee eieren gelegd. De broedduur bedraagt ongeveer 15 dagen. Na het broedseizoen volgt een opvallende periode van geringe respons op prikkels, een verschijnsel dat als bijzonder wordt beschreven binnen duiven. Eerste broeden kan al op een leeftijd van ongeveer één jaar plaatsvinden.
Palmtortel
[LAT] Streptopelia senegalensis |
[UK] Laughing Dove |
[FR] Tourterelle maillée |
[DE] Palmtaube |
[ES] Tórtola senegalesa |
[NL] Palmtortel




Klik hier Palmtortel details
De Palmtortel (Spilopelia senegalensis, Linnaeus, 1766) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is groot, met een geschatte mondiale verspreidingsomvang van ongeveer 10.000.000 km². De wereldpopulatie is groot; binnen Europa worden aantallen van ongeveer 120.000 tot 410.000 individuen genoemd. Wereldwijde populatietrends zijn niet exact gekwantificeerd, maar er wordt niet aangenomen dat de soort in de buurt komt van drempels voor een sterke afname over tien jaar of drie generaties. In veel gebieden wordt de soort als succesvol en aanpasbaar gezien, met een brede benutting van verschillende habitats. Een belangrijke drukfactor kan nestpredatie zijn, onder meer door kraaiachtigen, ratten en slangen, afhankelijk van de lokale situatie.
De soort komt wijdverspreid voor in Afrika en daarnaast in delen van Eurazië en de Oriëntaalse regio, met een verspreiding die reikt van India en Centraal-Azië tot het zuidelijke deel van het Arabisch schiereiland. In de aangeleverde gegevens wordt palmtortel in brede zin ook genoemd als aanwezig in andere landen door verspreiding en introducties. Trekgedrag is meestal beperkt; in veel gebieden is het voorkomen vooral standplaatsgebonden en worden territoria het hele jaar door bezet, met verplaatsingen op lokale schaal rond voedsel en water.
Palmtortel is een relatief kleine tortelduif zonder zwarte nekband. Het verenkleed toont vaak een rozeachtige tint op kop, hals en borst, met een lichtere buik en onderzijde staart. De handpennen zijn bruin en de bovenzijde van de vleugel kan een grijzige tot blauwgrijze zweem tonen. De snavel is donker en poten en voeten zijn purperrood. Op de borst zijn vaak roodachtig gespikkelde of geschubde tekeningselementen zichtbaar, wat het soortbeeld extra herkenbaar maakt. Vrouwtjes ogen gemiddeld wat doffer, met een meer bruinige of grijzige indruk op de mantel. Juvenielen missen meestal de duidelijke borsttekening en ogen over het geheel doffer en bruiner, met minder roze op kop en borst. Af en toe komen ook zeer bleke of albino-kleurvormen voor.
Het leefgebied is zeer gevarieerd en omvat zowel natuurlijke als door mensen beïnvloede omgevingen. Dorpen en steden worden veel gebruikt, met aanwezigheid in tuinen, op gebouwen en langs straten. Daarnaast worden galerijbossen langs waterlopen en savannelandschappen benut, vooral waar struiken, bomen en open foerageerplekken dicht bij elkaar liggen. Beschikbaarheid van water is belangrijk, waardoor aanwezigheid vaak samenhangt met plekken waar regelmatig kan worden gedronken, zoals waterpunten, irrigatiezones en randen van bebouwing met drinkmogelijkheden.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit kleine zaden en granen. Foerageren gebeurt vooral op de grond, vaak lopend en pikkend tussen kale bodem, korte vegetatie en randen van paden. Insecten worden ook gegeten, met een duidelijke voorkeur voor termieten wanneer die lokaal massaal beschikbaar zijn. Door de afhankelijkheid van water worden foerageerplekken vaak gekozen binnen bereik van drinkplaatsen, vooral in warmere en drogere gebieden.
Broeden kan in veel gebieden gedurende het jaar plaatsvinden, met vaak duidelijke pieken in bepaalde seizoenen, bijvoorbeeld in het najaar en opnieuw in het vroege voorjaar, afhankelijk van regionale omstandigheden. Tijdens de paarvorming kunnen opvallende rituelen voorkomen, waaronder korte, hechte contactbewegingen. Het nest bestaat uit kleine twijgjes en wordt op uiteenlopende plekken gebouwd, zoals balken of rietwerk van een hut, planken en richels, vensterbanken, balkons, bloempotten, en ook in lage bomen of struiken. Meestal bestaat het legsel uit twee witte eieren. De broedduur bedraagt ongeveer 12,5 tot 14 dagen en beide oudervogels broeden. De jongen worden door beide ouders gevoerd met halfverteerd voedsel gemengd met kropsecretie, wat bij duiven bekendstaat als kropmelk. Jonge vogels kunnen het nest soms verlaten voordat goed gevlogen wordt, terwijl de ouderzorg dan nog doorloopt wanneer de jongen in de buurt van de nestplek bereikbaar blijven.
De soort komt wijdverspreid voor in Afrika en daarnaast in delen van Eurazië en de Oriëntaalse regio, met een verspreiding die reikt van India en Centraal-Azië tot het zuidelijke deel van het Arabisch schiereiland. In de aangeleverde gegevens wordt palmtortel in brede zin ook genoemd als aanwezig in andere landen door verspreiding en introducties. Trekgedrag is meestal beperkt; in veel gebieden is het voorkomen vooral standplaatsgebonden en worden territoria het hele jaar door bezet, met verplaatsingen op lokale schaal rond voedsel en water.
Palmtortel is een relatief kleine tortelduif zonder zwarte nekband. Het verenkleed toont vaak een rozeachtige tint op kop, hals en borst, met een lichtere buik en onderzijde staart. De handpennen zijn bruin en de bovenzijde van de vleugel kan een grijzige tot blauwgrijze zweem tonen. De snavel is donker en poten en voeten zijn purperrood. Op de borst zijn vaak roodachtig gespikkelde of geschubde tekeningselementen zichtbaar, wat het soortbeeld extra herkenbaar maakt. Vrouwtjes ogen gemiddeld wat doffer, met een meer bruinige of grijzige indruk op de mantel. Juvenielen missen meestal de duidelijke borsttekening en ogen over het geheel doffer en bruiner, met minder roze op kop en borst. Af en toe komen ook zeer bleke of albino-kleurvormen voor.
Het leefgebied is zeer gevarieerd en omvat zowel natuurlijke als door mensen beïnvloede omgevingen. Dorpen en steden worden veel gebruikt, met aanwezigheid in tuinen, op gebouwen en langs straten. Daarnaast worden galerijbossen langs waterlopen en savannelandschappen benut, vooral waar struiken, bomen en open foerageerplekken dicht bij elkaar liggen. Beschikbaarheid van water is belangrijk, waardoor aanwezigheid vaak samenhangt met plekken waar regelmatig kan worden gedronken, zoals waterpunten, irrigatiezones en randen van bebouwing met drinkmogelijkheden.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit kleine zaden en granen. Foerageren gebeurt vooral op de grond, vaak lopend en pikkend tussen kale bodem, korte vegetatie en randen van paden. Insecten worden ook gegeten, met een duidelijke voorkeur voor termieten wanneer die lokaal massaal beschikbaar zijn. Door de afhankelijkheid van water worden foerageerplekken vaak gekozen binnen bereik van drinkplaatsen, vooral in warmere en drogere gebieden.
Broeden kan in veel gebieden gedurende het jaar plaatsvinden, met vaak duidelijke pieken in bepaalde seizoenen, bijvoorbeeld in het najaar en opnieuw in het vroege voorjaar, afhankelijk van regionale omstandigheden. Tijdens de paarvorming kunnen opvallende rituelen voorkomen, waaronder korte, hechte contactbewegingen. Het nest bestaat uit kleine twijgjes en wordt op uiteenlopende plekken gebouwd, zoals balken of rietwerk van een hut, planken en richels, vensterbanken, balkons, bloempotten, en ook in lage bomen of struiken. Meestal bestaat het legsel uit twee witte eieren. De broedduur bedraagt ongeveer 12,5 tot 14 dagen en beide oudervogels broeden. De jongen worden door beide ouders gevoerd met halfverteerd voedsel gemengd met kropsecretie, wat bij duiven bekendstaat als kropmelk. Jonge vogels kunnen het nest soms verlaten voordat goed gevlogen wordt, terwijl de ouderzorg dan nog doorloopt wanneer de jongen in de buurt van de nestplek bereikbaar blijven.
Roodoogtortel
[LAT] Streptopelia semitorquata |
[UK] Red-eyed Dove |
[FR] ourterelle à collier |
[DE] Halbmondtaube |
[ES] tórtola ojirroja |
[NL] Roodoogtortel


Klik hier Roodoogtortel details
De Roodoogtortel (Streptopelia semitorquata, Rüppell, 1837) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is uitzonderlijk groot en de populatietrend wordt als toenemend beschreven. De populatieomvang is niet overal gekwantificeerd, maar er zijn geen aanwijzingen dat de soort de drempels benadert die horen bij een bedreigde categorie op basis van areaalgrootte, trend of aantallen.
De soort komt wijdverspreid voor in Afrika en kan in veel regio’s een algemene tortelduif zijn. Trekgedrag is meestal beperkt; aanwezigheid is overwegend standplaatsgebonden met lokale verplaatsingen die samenhangen met regenval, voedselbeschikbaarheid en het gebruik van waterpunten. In drogere perioden kunnen aantallen lokaal sterker samenkomen rond plekken waar drinken en foerageren efficiënt blijft.
Roodoogtortel is een middelgrote, vrij forse tortelduif met een warm grijsbruine indruk. Het meest kenmerkende veldkenmerk is het rode oog met een contrastrijke, vaak opvallende oogring, waardoor het gezicht een scherp uitdrukking krijgt. Op de nek is vaak een donkere tot zwarte halsband zichtbaar, meestal minder strak “afgetekend” dan bij Turkse tortel en eerder als een brede zone of halve band. De borst kan een lichte roze- tot mauvetint tonen, terwijl bovendelen grijsbruin blijven. Poten zijn doorgaans roze tot roodachtig. In vlucht valt een stevig, direct vliegbeeld op met regelmatige vleugelslagen en vaak een korte glijfase tussen slagen.
Het leefgebied bestaat uit een grote variatie aan boomrijke en halfopen landschappen, zoals open bos, savanne met verspreide bomen, bosranden, riviervegetatie en landbouwmozaïek met houtwallen en boomgroepen. Ook dorpsranden, tuinen en parken worden benut wanneer er voldoende bomen en struiken beschikbaar zijn voor rusten en nestelen. Aanwezigheid hangt vaak samen met een combinatie van open foerageerplekken op de grond en nabijgelegen dekking in struik- of boomlaag.
Het voedsel bestaat vooral uit zaden en granen, aangevuld met knoppen, zachte vruchten en andere plantaardige delen. Foerageren gebeurt grotendeels op de grond, vaak in paren of kleine groepjes, waarbij zaden tussen korte vegetatie of op kale plekken worden opgenomen. Regelmatige bezoeken aan drinkplaatsen zijn typisch, vooral in warmere en drogere omstandigheden.
Broeden gebeurt met een eenvoudig nestplatform van twijgjes, meestal in een boom of grote struik en vaak op een horizontale tak of in een takvork. Het legsel bestaat doorgaans uit twee witte eieren. Broedzorg wordt door beide oudervogels uitgevoerd. De jongen worden in de eerste fase gevoerd met kropmelk en later met steeds grover zaden- en plantaardig voedsel. Het broedseizoen kan regionaal variëren en hangt vaak samen met perioden waarin voedsel en water relatief ruim beschikbaar zijn.
De soort komt wijdverspreid voor in Afrika en kan in veel regio’s een algemene tortelduif zijn. Trekgedrag is meestal beperkt; aanwezigheid is overwegend standplaatsgebonden met lokale verplaatsingen die samenhangen met regenval, voedselbeschikbaarheid en het gebruik van waterpunten. In drogere perioden kunnen aantallen lokaal sterker samenkomen rond plekken waar drinken en foerageren efficiënt blijft.
Roodoogtortel is een middelgrote, vrij forse tortelduif met een warm grijsbruine indruk. Het meest kenmerkende veldkenmerk is het rode oog met een contrastrijke, vaak opvallende oogring, waardoor het gezicht een scherp uitdrukking krijgt. Op de nek is vaak een donkere tot zwarte halsband zichtbaar, meestal minder strak “afgetekend” dan bij Turkse tortel en eerder als een brede zone of halve band. De borst kan een lichte roze- tot mauvetint tonen, terwijl bovendelen grijsbruin blijven. Poten zijn doorgaans roze tot roodachtig. In vlucht valt een stevig, direct vliegbeeld op met regelmatige vleugelslagen en vaak een korte glijfase tussen slagen.
Het leefgebied bestaat uit een grote variatie aan boomrijke en halfopen landschappen, zoals open bos, savanne met verspreide bomen, bosranden, riviervegetatie en landbouwmozaïek met houtwallen en boomgroepen. Ook dorpsranden, tuinen en parken worden benut wanneer er voldoende bomen en struiken beschikbaar zijn voor rusten en nestelen. Aanwezigheid hangt vaak samen met een combinatie van open foerageerplekken op de grond en nabijgelegen dekking in struik- of boomlaag.
Het voedsel bestaat vooral uit zaden en granen, aangevuld met knoppen, zachte vruchten en andere plantaardige delen. Foerageren gebeurt grotendeels op de grond, vaak in paren of kleine groepjes, waarbij zaden tussen korte vegetatie of op kale plekken worden opgenomen. Regelmatige bezoeken aan drinkplaatsen zijn typisch, vooral in warmere en drogere omstandigheden.
Broeden gebeurt met een eenvoudig nestplatform van twijgjes, meestal in een boom of grote struik en vaak op een horizontale tak of in een takvork. Het legsel bestaat doorgaans uit twee witte eieren. Broedzorg wordt door beide oudervogels uitgevoerd. De jongen worden in de eerste fase gevoerd met kropmelk en later met steeds grover zaden- en plantaardig voedsel. Het broedseizoen kan regionaal variëren en hangt vaak samen met perioden waarin voedsel en water relatief ruim beschikbaar zijn.
Klik hier Genus Columbina
Columbina (Spix, 1825) is een geslacht van kleine grondduiven uit de Nieuwe Wereld. Het geslacht omvat compacte, fijngebouwde soorten die vaak in paren of kleine groepjes op de bodem foerageren en door het bescheiden formaat gemakkelijk over het hoofd worden gezien. Het verenkleed is meestal grijsbruin tot warmbruin, vaak met een subtiele schubtekening op borst en hals en met duidelijke donkere vlekjes of bandjes op de vleugels die in rust een gespikkelde indruk kunnen geven.
Soorten binnen Columbina komen voor van droge scrub en savanne tot agrarische landschappen, open bosranden en stedelijke randen, waarbij aanwezigheid vaak samenhangt met open grond, zadenrijk grasland en beschikbare waterpunten. Foerageren gebeurt vooral lopend op de grond, waar fijne zaden, graszaden en kleine plantendelen worden opgenomen, soms aangevuld met kleine ongewervelden wanneer die gemakkelijk beschikbaar zijn. In warme gebieden worden warme middagen vaak gebruikt om te rusten in schaduw, terwijl activiteit piekt in de ochtend en later op de dag.
Broeden gebeurt met een klein, eenvoudig nest van twijgjes of fijne stengels, meestal laag in struiken of in kleine bomen, soms ook op menselijke structuren wanneer beschutting aanwezig is. Het legsel is doorgaans klein en de ouderzorg volgt het duivenpatroon met kropmelk in de eerste fase en later een overgang naar zaden. Door een snelle levenscyclus en de mogelijkheid om meerdere keren per jaar te broeden in gunstige omstandigheden kunnen sommige soorten lokaal snel in aantal toenemen.
Soorten binnen Columbina komen voor van droge scrub en savanne tot agrarische landschappen, open bosranden en stedelijke randen, waarbij aanwezigheid vaak samenhangt met open grond, zadenrijk grasland en beschikbare waterpunten. Foerageren gebeurt vooral lopend op de grond, waar fijne zaden, graszaden en kleine plantendelen worden opgenomen, soms aangevuld met kleine ongewervelden wanneer die gemakkelijk beschikbaar zijn. In warme gebieden worden warme middagen vaak gebruikt om te rusten in schaduw, terwijl activiteit piekt in de ochtend en later op de dag.
Broeden gebeurt met een klein, eenvoudig nest van twijgjes of fijne stengels, meestal laag in struiken of in kleine bomen, soms ook op menselijke structuren wanneer beschutting aanwezig is. Het legsel is doorgaans klein en de ouderzorg volgt het duivenpatroon met kropmelk in de eerste fase en later een overgang naar zaden. Door een snelle levenscyclus en de mogelijkheid om meerdere keren per jaar te broeden in gunstige omstandigheden kunnen sommige soorten lokaal snel in aantal toenemen.
Musduif
[LAT] Columbina passerina |
[UK] Common Ground Dove |
[FR] Colombe passerine |
[DE] Sperlingstaube |
[ES] Tortolita común |
[NL] Musduif


Klik hier Musduif details
De Musduif (Columbina passerina, Linnaeus, 1758) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is zeer groot en de populatie is zeer omvangrijk. Hoewel er aanwijzingen zijn voor een afnemende trend, wordt de afname niet snel genoeg geacht om de drempels te benaderen die horen bij een bedreigde categorie volgens de IUCN-criteria.
De soort komt voor van het zuiden van de Verenigde Staten tot in zuidoostelijk Brazilië. Het voorkomen is in grote delen van het areaal standplaatsgebonden. In noordelijker delen kan bij strenge weersomstandigheden wel een zuidwaartse verplaatsing optreden, waardoor lokale aanwezigheid in winterperioden kan verschuiven.
Musduif is een zeer kleine, compacte duif met een warm bruingrijze bovenzijde en een lichtere onderzijde. Kop, nek en borst tonen vaak een geschubde indruk door fijne, contrasterende veerranden. Voorhoofd en wangen kunnen licht rozeachtig ogen, terwijl kruin en achterhals een koeler, blauwgrijs geschubd patroon kunnen tonen. De snavel is aan de basis rood en heeft een donkere punt. Poten en voeten zijn rood. De staart is kort en afgerond, met een donkere eindband die naar het midden toe smaller lijkt, en met buitenste staartveren die witte hoekpunten tonen. Opgevouwen vleugels laten donkere bandjes en vlekjes zien. In vlucht vallen de warm kaneel- tot kastanjekleurige ondervleugels op, met donker getipte roodbruine handpennen aan de bovenzijde, wat een opvallend flitsend effect kan geven.
Er zijn duidelijke verschillen tussen de seksen. Mannetjes tonen vaak een rozeachtig buffe tint op kop, hals en borst, met een blauwig achterhoofd en nek, terwijl de buik meer egaal rozeachtig kan ogen. Vrouwtjes zijn doorgaans grijzer op kop en borst en missen de uitgesproken roze tinten. Juvenielen lijken vaak op vrouwtjes, maar kunnen langerstaartiger ogen en tonen doorgaans meer geschubde tekening, met minder of ontbrekende kaneelkleur op de handpennen in vergelijking met volwassen vogels.
Het leefgebied bestaat uit open terrein met verspreide bomen en struiken, zandige en open plekken, bosranden, savanne en vooral ook cultuurlandschap. De soort is sterk verbonden met menselijke omgeving en wordt veel gezien in akkergebieden, dorpen en steden, en in jonge aanplant of vroeg-successionele vegetatie zoals jonge dennenaanplant, citrusboomgaarden en verlaten landbouwpercelen. Belangrijk is de aanwezigheid van planten die kleine zaden produceren, omdat foerageren hoofdzakelijk op de bodem plaatsvindt.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine zaden, aangevuld met kleine bessen en incidenteel insecten. Foerageren gebeurt meestal lopend op de grond, vaak op open bodem tussen lage vegetatie, langs paden en op erven. Door de geringe lichaamsgrootte wordt voedsel vaak heel fijn uitgezocht, met veel korte pikbewegingen en regelmatig korte pauzes om omgeving te scannen.
Broeden gebeurt met een fragiel, ondiep nestplatform van stengels en gras, meestal laag in een struik, cactus of palm, en soms ook op de grond. Hergebruik van een eerder nest komt voor, net als hergebruik van nesten van andere zangvogels. Per legsel worden meestal twee eieren gelegd. In geschikte omstandigheden kunnen meerdere legsels per seizoen worden grootgebracht en het broedseizoen kan lang duren, grofweg van februari tot november, afhankelijk van voedselbeschikbaarheid. De jongen groeien snel en worden door de oudervogels gevoerd met opgebraakt voedsel en kropmelk. Uitvliegen kan al rond elf dagen na uitkomst plaatsvinden en geslachtsrijpheid kan in gunstige omstandigheden al na enkele maanden worden bereikt.
De soort komt voor van het zuiden van de Verenigde Staten tot in zuidoostelijk Brazilië. Het voorkomen is in grote delen van het areaal standplaatsgebonden. In noordelijker delen kan bij strenge weersomstandigheden wel een zuidwaartse verplaatsing optreden, waardoor lokale aanwezigheid in winterperioden kan verschuiven.
Musduif is een zeer kleine, compacte duif met een warm bruingrijze bovenzijde en een lichtere onderzijde. Kop, nek en borst tonen vaak een geschubde indruk door fijne, contrasterende veerranden. Voorhoofd en wangen kunnen licht rozeachtig ogen, terwijl kruin en achterhals een koeler, blauwgrijs geschubd patroon kunnen tonen. De snavel is aan de basis rood en heeft een donkere punt. Poten en voeten zijn rood. De staart is kort en afgerond, met een donkere eindband die naar het midden toe smaller lijkt, en met buitenste staartveren die witte hoekpunten tonen. Opgevouwen vleugels laten donkere bandjes en vlekjes zien. In vlucht vallen de warm kaneel- tot kastanjekleurige ondervleugels op, met donker getipte roodbruine handpennen aan de bovenzijde, wat een opvallend flitsend effect kan geven.
Er zijn duidelijke verschillen tussen de seksen. Mannetjes tonen vaak een rozeachtig buffe tint op kop, hals en borst, met een blauwig achterhoofd en nek, terwijl de buik meer egaal rozeachtig kan ogen. Vrouwtjes zijn doorgaans grijzer op kop en borst en missen de uitgesproken roze tinten. Juvenielen lijken vaak op vrouwtjes, maar kunnen langerstaartiger ogen en tonen doorgaans meer geschubde tekening, met minder of ontbrekende kaneelkleur op de handpennen in vergelijking met volwassen vogels.
Het leefgebied bestaat uit open terrein met verspreide bomen en struiken, zandige en open plekken, bosranden, savanne en vooral ook cultuurlandschap. De soort is sterk verbonden met menselijke omgeving en wordt veel gezien in akkergebieden, dorpen en steden, en in jonge aanplant of vroeg-successionele vegetatie zoals jonge dennenaanplant, citrusboomgaarden en verlaten landbouwpercelen. Belangrijk is de aanwezigheid van planten die kleine zaden produceren, omdat foerageren hoofdzakelijk op de bodem plaatsvindt.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine zaden, aangevuld met kleine bessen en incidenteel insecten. Foerageren gebeurt meestal lopend op de grond, vaak op open bodem tussen lage vegetatie, langs paden en op erven. Door de geringe lichaamsgrootte wordt voedsel vaak heel fijn uitgezocht, met veel korte pikbewegingen en regelmatig korte pauzes om omgeving te scannen.
Broeden gebeurt met een fragiel, ondiep nestplatform van stengels en gras, meestal laag in een struik, cactus of palm, en soms ook op de grond. Hergebruik van een eerder nest komt voor, net als hergebruik van nesten van andere zangvogels. Per legsel worden meestal twee eieren gelegd. In geschikte omstandigheden kunnen meerdere legsels per seizoen worden grootgebracht en het broedseizoen kan lang duren, grofweg van februari tot november, afhankelijk van voedselbeschikbaarheid. De jongen groeien snel en worden door de oudervogels gevoerd met opgebraakt voedsel en kropmelk. Uitvliegen kan al rond elf dagen na uitkomst plaatsvinden en geslachtsrijpheid kan in gunstige omstandigheden al na enkele maanden worden bereikt.
Steenduif
[LAT] Columbina talpacoti |
[UK] Ruddy Ground Dove |
[FR] Colombe rousse |
[DE] Röteltaube |
[ES] Tortolita rojiza |
[NL] Steenduif



Klik hier Steenduif details
De Steenduif (Columbina talpacoti, Temminck, 1809) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is zeer groot, met een geschatte mondiale verspreidingsomvang van ongeveer 15.000.000 km². De wereldpopulatie is niet exact gekwantificeerd, maar wordt als groot beschouwd, mede omdat de soort in delen van het areaal als zeer algemeen tot talrijk wordt beschreven. Wereldwijde trends zijn niet goed gekwantificeerd, maar er zijn geen aanwijzingen dat de soort de drempels benadert die horen bij een sterke afname over tien jaar of drie generaties.
De soort komt wijdverspreid voor in Latijns-Amerika en is standvogel binnen het verspreidingsgebied. Het kernareaal loopt van Mexico zuidwaarts tot Peru, Brazilië en Paraguay, en omvat ook Trinidad en Tobago. Incidenteel worden individuen verder noordelijk gezien in het zuidwesten van de Verenigde Staten, vooral in de winter, bijvoorbeeld van zuidelijk Texas tot het uiterste zuiden van Californië. In delen van het noorden van Zuid-Amerika, waaronder Suriname, wordt de soort vaak als zeer algemeen genoemd, met aanwezigheid in open terrein en in tuinen.
Steenduif is een kleine, kortstaartige duif van ongeveer 17 cm lengte en met een gewicht rond 47 gram. Mannetjes hebben vaak een lichtgrijze kop en nek met daarachter warme roodbruine bovendelen. Op de vleugeldekveren zijn zwarte vlekken zichtbaar, wat op zit of bij goede lichtval een gespikkeld effect geeft. De onderzijde is lichter bruin. De staart toont donkere randen en ondervleugels hebben een kaneelkleurige indruk met donkere accenten. Vrouwtjes zijn doorgaans grijzerbruin en missen de sterke roodbruine kleur, met minder contrast tussen kop en lichaam.
Het leefgebied bestaat vooral uit scrub en ander open terrein, waaronder ook cultuurlandschap. Akkergebieden, ruigten, braakliggende stukken en randen van bebouwing worden veel benut, zolang er open foerageerplekken en enige dekking in struiken of kleine bomen beschikbaar zijn. De soort is vaak te zien in lage vegetatie en op open bodem, soms ook in tuinen en parken waar zadenrijk voedsel aanwezig is.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit zaden. Foerageren gebeurt vooral op de grond, lopend en pikkend tussen korte vegetatie en open zandige of kale plekken. Kleine groepjes kunnen samen foerageren, vooral waar zaden geconcentreerd liggen, bijvoorbeeld langs paden, randen van akkers en in erven of tuinen.
Broeden gebeurt met een stevig, komvormig nest van takjes in een boom of struik. Meestal worden twee witte eieren gelegd. De broedduur bedraagt ongeveer 12 tot 13 dagen, gevolgd door een periode van ongeveer 12 tot 14 dagen tot uitvliegen. In gunstige omstandigheden kunnen meerdere broedsels per seizoen voorkomen, waarbij een tweede of derde broedsel mogelijk is.
De soort komt wijdverspreid voor in Latijns-Amerika en is standvogel binnen het verspreidingsgebied. Het kernareaal loopt van Mexico zuidwaarts tot Peru, Brazilië en Paraguay, en omvat ook Trinidad en Tobago. Incidenteel worden individuen verder noordelijk gezien in het zuidwesten van de Verenigde Staten, vooral in de winter, bijvoorbeeld van zuidelijk Texas tot het uiterste zuiden van Californië. In delen van het noorden van Zuid-Amerika, waaronder Suriname, wordt de soort vaak als zeer algemeen genoemd, met aanwezigheid in open terrein en in tuinen.
Steenduif is een kleine, kortstaartige duif van ongeveer 17 cm lengte en met een gewicht rond 47 gram. Mannetjes hebben vaak een lichtgrijze kop en nek met daarachter warme roodbruine bovendelen. Op de vleugeldekveren zijn zwarte vlekken zichtbaar, wat op zit of bij goede lichtval een gespikkeld effect geeft. De onderzijde is lichter bruin. De staart toont donkere randen en ondervleugels hebben een kaneelkleurige indruk met donkere accenten. Vrouwtjes zijn doorgaans grijzerbruin en missen de sterke roodbruine kleur, met minder contrast tussen kop en lichaam.
Het leefgebied bestaat vooral uit scrub en ander open terrein, waaronder ook cultuurlandschap. Akkergebieden, ruigten, braakliggende stukken en randen van bebouwing worden veel benut, zolang er open foerageerplekken en enige dekking in struiken of kleine bomen beschikbaar zijn. De soort is vaak te zien in lage vegetatie en op open bodem, soms ook in tuinen en parken waar zadenrijk voedsel aanwezig is.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit zaden. Foerageren gebeurt vooral op de grond, lopend en pikkend tussen korte vegetatie en open zandige of kale plekken. Kleine groepjes kunnen samen foerageren, vooral waar zaden geconcentreerd liggen, bijvoorbeeld langs paden, randen van akkers en in erven of tuinen.
Broeden gebeurt met een stevig, komvormig nest van takjes in een boom of struik. Meestal worden twee witte eieren gelegd. De broedduur bedraagt ongeveer 12 tot 13 dagen, gevolgd door een periode van ongeveer 12 tot 14 dagen tot uitvliegen. In gunstige omstandigheden kunnen meerdere broedsels per seizoen voorkomen, waarbij een tweede of derde broedsel mogelijk is.
Dwergduif
[LAT] Columbina minuta |
[UK] Plain-breasted Ground Dove |
[FR] Colombe pygmée |
[DE] Zwergtäubchen |
[ES] columbina menuda |
[NL] Dwergduif


Klik hier Dwergduif details
De Dwergduif (Columbina minuta, Linnaeus, 1766) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is zeer groot en de populatietrend wordt als stabiel beschreven. De totale populatieomvang is niet overal gekwantificeerd, maar er zijn geen aanwijzingen dat de soort de drempels benadert die horen bij een bedreigde categorie op basis van areaalgrootte, trend of aantallen.
De soort komt wijdverspreid voor in Latijns-Amerika. Aanwezigheid is doorgaans standplaatsgebonden en er is geen sprake van uitgesproken trek. In noordelijker delen kan bij ongunstige omstandigheden wel een beperkte zuidwaartse verplaatsing optreden, waardoor lokale aantallen in de winter kunnen verschuiven.
Dwergduif is een zeer kleine duif met een rustige, gedrongen indruk en een korte, afgeronde staart. Voorhoofd en gezicht tonen vaak een zachte rozegrijze tint. Kruin, nek en bovenmantel ogen grijs tot rozegrijs, terwijl rug, stuit en bovenzijde staart eerder grijsbruin overkomen. De buitenste staartveren zijn donkerder met brede witte punten, waardoor de staart bij opvliegen en landen contrastrijk kan ogen. Handpennen en buitenste armpennen hebben een roodbruine indruk met donkerdere toppen. Op de vleugel zijn subtiele, metaalachtig donkerpaarse lijntjes en kleine donkere vlekken mogelijk, vooral op dekveren. Keel en kin zijn witachtig. Halszijden en borst zijn meestal licht rozegrijs en lopen naar een grijzere buik en flanken. Onderstaart en ondervleugel tonen vaak warm roodbruine tinten. Iris kan geelbruin tot oranje zijn, met blauwgrijze huid rond het oog. Snavel is zwart. Poten en voeten zijn opvallend koraalrood. Vrouwtjes en jonge vogels ogen gemiddeld doffer van kleur.
Het leefgebied bestaat vooral uit droge, open biotopen. Dun begroeide droge scrub, licht acaciabos met open kroon en ondergroei, savanne en struikland worden veel benut. Ook door mensen beïnvloede omgevingen worden gebruikt, zoals cultuurland, dorpsranden en open plekken met pioniervegetatie, zolang er kale bodem en zaadrijk kruidlaagje aanwezig is.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit kleine zaden. Foerageren gebeurt vooral op de grond, meestal solitair of in paren, lopend en pikkend tussen open bodem en lage vegetatie. Kleine bessen en incidenteel insecten kunnen worden meegenomen wanneer die gemakkelijk beschikbaar zijn.
Broeden kan in geschikte gebieden gedurende lange perioden plaatsvinden. Nesten kunnen op de grond worden aangelegd of in een struik of boom worden gebouwd, soms tot ongeveer 9 meter hoog. Het legsel bestaat meestal uit twee eieren. Broeden duurt naar verwachting rond twee weken en de jongen kunnen in gunstige omstandigheden na ongeveer twee weken uitvliegen, waarbij exacte timing per situatie kan variëren.
De soort komt wijdverspreid voor in Latijns-Amerika. Aanwezigheid is doorgaans standplaatsgebonden en er is geen sprake van uitgesproken trek. In noordelijker delen kan bij ongunstige omstandigheden wel een beperkte zuidwaartse verplaatsing optreden, waardoor lokale aantallen in de winter kunnen verschuiven.
Dwergduif is een zeer kleine duif met een rustige, gedrongen indruk en een korte, afgeronde staart. Voorhoofd en gezicht tonen vaak een zachte rozegrijze tint. Kruin, nek en bovenmantel ogen grijs tot rozegrijs, terwijl rug, stuit en bovenzijde staart eerder grijsbruin overkomen. De buitenste staartveren zijn donkerder met brede witte punten, waardoor de staart bij opvliegen en landen contrastrijk kan ogen. Handpennen en buitenste armpennen hebben een roodbruine indruk met donkerdere toppen. Op de vleugel zijn subtiele, metaalachtig donkerpaarse lijntjes en kleine donkere vlekken mogelijk, vooral op dekveren. Keel en kin zijn witachtig. Halszijden en borst zijn meestal licht rozegrijs en lopen naar een grijzere buik en flanken. Onderstaart en ondervleugel tonen vaak warm roodbruine tinten. Iris kan geelbruin tot oranje zijn, met blauwgrijze huid rond het oog. Snavel is zwart. Poten en voeten zijn opvallend koraalrood. Vrouwtjes en jonge vogels ogen gemiddeld doffer van kleur.
Het leefgebied bestaat vooral uit droge, open biotopen. Dun begroeide droge scrub, licht acaciabos met open kroon en ondergroei, savanne en struikland worden veel benut. Ook door mensen beïnvloede omgevingen worden gebruikt, zoals cultuurland, dorpsranden en open plekken met pioniervegetatie, zolang er kale bodem en zaadrijk kruidlaagje aanwezig is.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit kleine zaden. Foerageren gebeurt vooral op de grond, meestal solitair of in paren, lopend en pikkend tussen open bodem en lage vegetatie. Kleine bessen en incidenteel insecten kunnen worden meegenomen wanneer die gemakkelijk beschikbaar zijn.
Broeden kan in geschikte gebieden gedurende lange perioden plaatsvinden. Nesten kunnen op de grond worden aangelegd of in een struik of boom worden gebouwd, soms tot ongeveer 9 meter hoog. Het legsel bestaat meestal uit twee eieren. Broeden duurt naar verwachting rond twee weken en de jongen kunnen in gunstige omstandigheden na ongeveer twee weken uitvliegen, waarbij exacte timing per situatie kan variëren.
Klik hier Genus Turtur
Turtur (Boddaert, 1783) is een geslacht van tortelduiven dat vooral in Afrika voorkomt en bekendstaat om slanke, elegant gebouwde soorten met een warme bruinige tot grijsbruine basiskleur en vaak duidelijke zwart-witte tekening op de hals of vleugels. Het gedrag is doorgaans rustig en enigszins terughoudend, met veel foerageren op de grond en korte, snelle vluchten tussen bomen en struiken wanneer verstoring optreedt. Roepen zijn vaak ritmisch en herhalend, wat in bosranden en savannebos goed kan dragen.
Soorten binnen Turtur komen voor in een breed spectrum aan open tot halfopen biotopen, waaronder savannebos, acacia- en miombobos, bosranden, rivierbos en boomrijke cultuurlandschappen. Ook tuinen, erven en parken kunnen worden benut wanneer er voldoende dekking en voedsel aanwezig zijn. Foerageren vindt meestal plaats op de grond, met nadruk op zaden en kleine plantendelen, aangevuld met bessen en andere plantaardige bronnen wanneer die lokaal beschikbaar zijn. Waterpunten kunnen belangrijk zijn, vooral in drogere regio’s, waardoor aanwezigheid vaak geconcentreerd is rond drinkplaatsen in de ochtend en later op de dag.
Broeden gebeurt met een relatief eenvoudig nestplatform van twijgjes in bomen of struiken, vaak op bescheiden hoogte. Het legsel is klein en ouderzorg volgt het bekende duivenpatroon, met voeding van jongen via kropmelk in de eerste fase en later een overgang naar zaden. Seizoensinvloeden spelen een duidelijke rol, waardoor broedactiviteit vaak samenvalt met perioden waarin zaden en bessen ruim beschikbaar zijn en omstandigheden gunstig zijn voor het grootbrengen van jongen.
Soorten binnen Turtur komen voor in een breed spectrum aan open tot halfopen biotopen, waaronder savannebos, acacia- en miombobos, bosranden, rivierbos en boomrijke cultuurlandschappen. Ook tuinen, erven en parken kunnen worden benut wanneer er voldoende dekking en voedsel aanwezig zijn. Foerageren vindt meestal plaats op de grond, met nadruk op zaden en kleine plantendelen, aangevuld met bessen en andere plantaardige bronnen wanneer die lokaal beschikbaar zijn. Waterpunten kunnen belangrijk zijn, vooral in drogere regio’s, waardoor aanwezigheid vaak geconcentreerd is rond drinkplaatsen in de ochtend en later op de dag.
Broeden gebeurt met een relatief eenvoudig nestplatform van twijgjes in bomen of struiken, vaak op bescheiden hoogte. Het legsel is klein en ouderzorg volgt het bekende duivenpatroon, met voeding van jongen via kropmelk in de eerste fase en later een overgang naar zaden. Seizoensinvloeden spelen een duidelijke rol, waardoor broedactiviteit vaak samenvalt met perioden waarin zaden en bessen ruim beschikbaar zijn en omstandigheden gunstig zijn voor het grootbrengen van jongen.
Staalvlektortel
[LAT] Turtur afer |
[UK] Blue-spotted Wood Dove |
[FR] Colombar à ailes bleues |
[DE] Stahlfleck-Kolonetaube |
[ES] Tórtola azulada |
[NL] Staalvlektortel

Klik hier Staalvlekduif details
De Staalvlekduif (Turtur afer, Linnaeus, 1766) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is uitzonderlijk groot en de populatietrend wordt als stabiel beschreven. De populatieomvang is niet overal gekwantificeerd, maar er zijn geen aanwijzingen dat de soort de drempels benadert die horen bij een bedreigde categorie op basis van areaalgrootte, trend of aantallen.
De soort komt wijdverspreid voor in Afrika en kan in geschikte habitats plaatselijk algemeen zijn. Trekgedrag is doorgaans beperkt. Aanwezigheid is meestal standplaatsgebonden, met verplaatsingen op lokale schaal die samenhangen met regenval, zaadaanbod en de beschikbaarheid van beschutte rustplaatsen.
Staalvlekduif is een middelgrote tortelduif met een warme bruinige basis en opvallende, staalblauwe tot blauwgrijze vlekken op de vleugeldekveren, wat het soortbeeld een kenmerkend “gespikkeld” patroon geeft. Kop en borst ogen vaak zacht grijsbruin tot licht roodbruin, met een rustig en vriendelijk gezicht. In vlucht vallen de contrasterende vleugelvlekken en een soepele, rechtlijnige vlucht op, vaak laag over vegetatie en met korte uitwijkbewegingen naar dekking. Het gedrag is doorgaans schuw, met voorkeur voor dichte struiken en bosranden waar snel kan worden geschuild.
Het leefgebied omvat vooral open bos, bosranden, struweel, galerijbos langs waterlopen, savanne met struiken en bomen, en ook secundaire vegetatie in de buurt van landbouw en nederzettingen. Mozaïeklandschappen met afwisseling van dekking en open foerageerplekken worden veel benut. In sommige regio’s kan aanwezigheid toenemen in gebieden waar bosschages zich herstellen of waar menselijke activiteit voor extra zaadaanbod zorgt, zolang er voldoende schuilmogelijkheden blijven.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit zaden die op de grond worden opgenomen, aangevuld met kleine vruchten en andere plantaardige delen wanneer beschikbaar. Foerageren gebeurt grotendeels lopend op de bodem, vaak solitair of in paren, met regelmatige korte pauzes om omgeving te controleren. In de vroege ochtend en later op de dag is activiteit vaak het hoogst, vooral op rustige plekken met open bodem en nabijgelegen dekking.
Broeden gebeurt met een eenvoudig nestplatform van twijgjes in struiken of kleine bomen, meestal op beschutte plekken in dichte vegetatie. Het legsel bestaat doorgaans uit twee witte eieren. Broedzorg wordt door beide oudervogels uitgevoerd, waarbij de jongen in de eerste fase met kropmelk worden gevoerd en later met steeds grover zadenrijk voedsel. De timing van broeden kan regionaal variëren en hangt vaak samen met perioden waarin voedsel en dekking gunstig blijven.
De soort komt wijdverspreid voor in Afrika en kan in geschikte habitats plaatselijk algemeen zijn. Trekgedrag is doorgaans beperkt. Aanwezigheid is meestal standplaatsgebonden, met verplaatsingen op lokale schaal die samenhangen met regenval, zaadaanbod en de beschikbaarheid van beschutte rustplaatsen.
Staalvlekduif is een middelgrote tortelduif met een warme bruinige basis en opvallende, staalblauwe tot blauwgrijze vlekken op de vleugeldekveren, wat het soortbeeld een kenmerkend “gespikkeld” patroon geeft. Kop en borst ogen vaak zacht grijsbruin tot licht roodbruin, met een rustig en vriendelijk gezicht. In vlucht vallen de contrasterende vleugelvlekken en een soepele, rechtlijnige vlucht op, vaak laag over vegetatie en met korte uitwijkbewegingen naar dekking. Het gedrag is doorgaans schuw, met voorkeur voor dichte struiken en bosranden waar snel kan worden geschuild.
Het leefgebied omvat vooral open bos, bosranden, struweel, galerijbos langs waterlopen, savanne met struiken en bomen, en ook secundaire vegetatie in de buurt van landbouw en nederzettingen. Mozaïeklandschappen met afwisseling van dekking en open foerageerplekken worden veel benut. In sommige regio’s kan aanwezigheid toenemen in gebieden waar bosschages zich herstellen of waar menselijke activiteit voor extra zaadaanbod zorgt, zolang er voldoende schuilmogelijkheden blijven.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit zaden die op de grond worden opgenomen, aangevuld met kleine vruchten en andere plantaardige delen wanneer beschikbaar. Foerageren gebeurt grotendeels lopend op de bodem, vaak solitair of in paren, met regelmatige korte pauzes om omgeving te controleren. In de vroege ochtend en later op de dag is activiteit vaak het hoogst, vooral op rustige plekken met open bodem en nabijgelegen dekking.
Broeden gebeurt met een eenvoudig nestplatform van twijgjes in struiken of kleine bomen, meestal op beschutte plekken in dichte vegetatie. Het legsel bestaat doorgaans uit twee witte eieren. Broedzorg wordt door beide oudervogels uitgevoerd, waarbij de jongen in de eerste fase met kropmelk worden gevoerd en later met steeds grover zadenrijk voedsel. De timing van broeden kan regionaal variëren en hangt vaak samen met perioden waarin voedsel en dekking gunstig blijven.
Zwartsnavelduif
[LAT] Turtur abyssinicus |
[UK] Black-billed Wood Dove |
[FR] Colombar à bec noir |
[DE] Schwarzschnabel-Kolonetaube |
[ES] Tórtola silvestre piquinegra |
[NL] Zwartsnavelduif



Klik hier Genus Leptotila
Leptotila (Swainson, 1837) is een geslacht van duiven uit de Amerika’s dat vooral bestaat uit grondfoeragerende bos- en struweelduiven. Het gaat meestal om middelgrote, rustig ogende soorten met een zachte bruin- tot grijsbruine basiskleur, vaak met subtiele kleurverschillen op kop en borst en een weinig opvallend vleugelpatroon. In veel situaties wordt een terughoudende indruk gewekt, met voorkeur voor dichte begroeiing en schaduwrijke plekken, waardoor aanwezigheid eerder wordt verraden door roep of door beweging op de bosbodem dan door opvallende vluchtbeelden.
Soorten binnen Leptotila komen voor in uiteenlopende habitats, waaronder tropisch en subtropisch bos, secundair bos, bosranden, galerijbos langs rivieren en mozaïeklandschappen met struweel en landbouwpercelen. Foerageren gebeurt veelal lopend op de grond, waar zaden, gevallen vruchten en andere plantaardige delen worden opgenomen, soms aangevuld met kleine ongewervelden die tussen strooisel en bladresten beschikbaar zijn. Rusten en broeden vindt meestal plaats in struiken of bomen, waarbij een eenvoudig nestplatform van twijgjes wordt gebruikt, passend bij het algemene duivenpatroon met een klein legsel en intensieve ouderzorg.
Binnen het geslacht zijn meerdere soorten regionaal gebonden aan eilanden of beperkte gebieden, wat kan leiden tot gefragmenteerde verspreiding en verhoogde gevoeligheid voor leefgebiedverlies en verstoring. Tegelijk kunnen andere soorten juist breed verspreid en lokaal algemeen zijn, vooral waar bosstructuur en voedselbronnen stabiel blijven.
Soorten binnen Leptotila komen voor in uiteenlopende habitats, waaronder tropisch en subtropisch bos, secundair bos, bosranden, galerijbos langs rivieren en mozaïeklandschappen met struweel en landbouwpercelen. Foerageren gebeurt veelal lopend op de grond, waar zaden, gevallen vruchten en andere plantaardige delen worden opgenomen, soms aangevuld met kleine ongewervelden die tussen strooisel en bladresten beschikbaar zijn. Rusten en broeden vindt meestal plaats in struiken of bomen, waarbij een eenvoudig nestplatform van twijgjes wordt gebruikt, passend bij het algemene duivenpatroon met een klein legsel en intensieve ouderzorg.
Binnen het geslacht zijn meerdere soorten regionaal gebonden aan eilanden of beperkte gebieden, wat kan leiden tot gefragmenteerde verspreiding en verhoogde gevoeligheid voor leefgebiedverlies en verstoring. Tegelijk kunnen andere soorten juist breed verspreid en lokaal algemeen zijn, vooral waar bosstructuur en voedselbronnen stabiel blijven.
Verreaux duif
[LAT] Leptotila verreauxi |
[UK] White-tipped Dove |
[FR] Tourterelle à ailes blanches |
[DE] Weißflügeltaube |
[ES] Paloma aliblanca |
[NL] Verreauxduif


Klik hier Zwartsnavelduif details
De Zwartsnavelduif (Turtur abyssinicus, Sharpe, 1902) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is zeer groot en de populatietrend wordt als stabiel beschreven. De populatieomvang is niet overal gekwantificeerd, maar er zijn geen aanwijzingen dat de soort de drempels benadert die horen bij een bedreigde categorie op basis van areaalgrootte, trend of aantallen.
De soort komt voor in Afrika, met een brede verspreiding in noordoostelijk, centraal en westelijk Afrika. Aanwezigheid is overwegend standplaatsgebonden, met verplaatsingen op lokale schaal die samenhangen met regenval, zaadaanbod en de beschikbaarheid van water. Rond drinkplaatsen kunnen tijdelijk grotere concentraties ontstaan, vooral in droge perioden.
De Zwartsnavelduif is een kleine, gedrongen tortelduif met een korte tot middelmatige staart. Bovendelen zijn meestal bleek grijsbruin tot zandig bruin, met op de gesloten vleugel vaak opvallende donker metaalglanzende vlekken. Op de rug kunnen twee donkerdere, bandachtige zones zichtbaar zijn. Kop en nek tonen doorgaans een koeler blauwgrijze tint die naar het gezicht toe lichter wordt. De onderzijde is zacht rozeachtig en loopt naar witter op de buik. De snavel is kenmerkend zwart, wat de Nederlandse naam verklaart. In vlucht kan een warme kastanjekleur in de ondervleugel opvallen. Het vliegbeeld is snel en direct, meestal laag boven de vegetatie, met regelmatige vleugelslagen en af en toe een scherpere vleugelflik die bij veel duiven herkenbaar is.
Het leefgebied bestaat vooral uit open en halfopen landschappen, zoals droge scrub, savanne, struweelranden en lichte bosjes, vaak in zones met een droger klimaat. Ook door mensen beïnvloede gebieden worden benut wanneer er open foerageerplekken, dekking en water beschikbaar zijn, bijvoorbeeld rond dorpsranden, paden, erven en landbouwmozaïek met struiken en bomen. Beschutting in struiken of lage bomen is belangrijk om snel te kunnen wegduiken bij verstoring.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit kleine zaden, waaronder graszaden en zaden van kruiden en onkruiden. Foerageren gebeurt grotendeels op de grond, vaak solitair of in paren, met korte, gerichte pikbewegingen tussen open bodem en lage vegetatie. Bij waterpunten kan groepsvorming optreden, maar buiten zulke plekken blijft de soort vaak minder uitgesproken groepsgericht dan sommige andere duiven.
Broeden gebeurt met een eenvoudig nest van twijgjes, meestal in een struik of boom en vaak in acacia’s waar die beschikbaar zijn. Het legsel bestaat doorgaans uit twee eieren met een lichte, crèmekleurige indruk. Beide oudervogels verzorgen het broeden en het grootbrengen van de jongen, waarbij in de eerste fase kropmelk wordt gegeven en later steeds meer zadenrijk voedsel. De timing van broeden kan regionaal variëren en hangt vaak samen met perioden waarin voedsel en water gunstig beschikbaar zijn.
De soort komt voor in Afrika, met een brede verspreiding in noordoostelijk, centraal en westelijk Afrika. Aanwezigheid is overwegend standplaatsgebonden, met verplaatsingen op lokale schaal die samenhangen met regenval, zaadaanbod en de beschikbaarheid van water. Rond drinkplaatsen kunnen tijdelijk grotere concentraties ontstaan, vooral in droge perioden.
De Zwartsnavelduif is een kleine, gedrongen tortelduif met een korte tot middelmatige staart. Bovendelen zijn meestal bleek grijsbruin tot zandig bruin, met op de gesloten vleugel vaak opvallende donker metaalglanzende vlekken. Op de rug kunnen twee donkerdere, bandachtige zones zichtbaar zijn. Kop en nek tonen doorgaans een koeler blauwgrijze tint die naar het gezicht toe lichter wordt. De onderzijde is zacht rozeachtig en loopt naar witter op de buik. De snavel is kenmerkend zwart, wat de Nederlandse naam verklaart. In vlucht kan een warme kastanjekleur in de ondervleugel opvallen. Het vliegbeeld is snel en direct, meestal laag boven de vegetatie, met regelmatige vleugelslagen en af en toe een scherpere vleugelflik die bij veel duiven herkenbaar is.
Het leefgebied bestaat vooral uit open en halfopen landschappen, zoals droge scrub, savanne, struweelranden en lichte bosjes, vaak in zones met een droger klimaat. Ook door mensen beïnvloede gebieden worden benut wanneer er open foerageerplekken, dekking en water beschikbaar zijn, bijvoorbeeld rond dorpsranden, paden, erven en landbouwmozaïek met struiken en bomen. Beschutting in struiken of lage bomen is belangrijk om snel te kunnen wegduiken bij verstoring.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit kleine zaden, waaronder graszaden en zaden van kruiden en onkruiden. Foerageren gebeurt grotendeels op de grond, vaak solitair of in paren, met korte, gerichte pikbewegingen tussen open bodem en lage vegetatie. Bij waterpunten kan groepsvorming optreden, maar buiten zulke plekken blijft de soort vaak minder uitgesproken groepsgericht dan sommige andere duiven.
Broeden gebeurt met een eenvoudig nest van twijgjes, meestal in een struik of boom en vaak in acacia’s waar die beschikbaar zijn. Het legsel bestaat doorgaans uit twee eieren met een lichte, crèmekleurige indruk. Beide oudervogels verzorgen het broeden en het grootbrengen van de jongen, waarbij in de eerste fase kropmelk wordt gegeven en later steeds meer zadenrijk voedsel. De timing van broeden kan regionaal variëren en hangt vaak samen met perioden waarin voedsel en water gunstig beschikbaar zijn.
Klik hier Genus Macropygia
Macropygia (Swainson, 1837) is een geslacht van overwegend bosgebonden duiven dat vooral opvalt door een slanke bouw en een relatief lange, smalle staart. Veel soorten hebben een warmbruin tot roodbruin verenkleed met fijne bandering of schubachtige tekening op hals en borst, waardoor een zacht, “houtkleurig” uiterlijk ontstaat dat goed past bij leven in schaduwrijke vegetatie. In vlucht is het silhouet vaak langgerekt en elegant, met een rustige, gelijkmatige vleugelslag en een staart die duidelijk langer oogt dan bij veel andere duivengeslachten.
Soorten binnen Macropygia komen vooral voor in Zuid- en Zuidoost-Azië en in delen van Australazië, vaak in tropische en subtropische bossen, secundair bos, bosranden en boomrijke mozaïeklandschappen. Aanwezigheid hangt sterk samen met voldoende dekking en een gelaagde bosstructuur, waarbij rusten en verplaatsen vaak in middelhoge tot hogere vegetatielagen plaatsvindt. Foerageren gebeurt zowel op de grond als in lagere vegetatie, afhankelijk van soort en leefgebied, met een duidelijke nadruk op zaden en gevallen vruchten, aangevuld met bessen en andere plantaardige delen wanneer die beschikbaar zijn.
Broeden gebeurt doorgaans met een eenvoudig nestplatform van twijgjes, vaak in bomen of struiken op beschutte plekken. Het legsel is meestal klein en de ouderzorg volgt het bekende duivenpatroon, met in de eerste fase voeding via kropmelk en later een geleidelijke overgang naar grover plantaardig voedsel. Door de combinatie van een terughoudend gedrag en een goede camouflage blijven soorten uit dit geslacht geregeld onopvallend, terwijl roep en zachte contactgeluiden in stille bosranden juist vaak verraden dat er aanwezigheid is.
Soorten binnen Macropygia komen vooral voor in Zuid- en Zuidoost-Azië en in delen van Australazië, vaak in tropische en subtropische bossen, secundair bos, bosranden en boomrijke mozaïeklandschappen. Aanwezigheid hangt sterk samen met voldoende dekking en een gelaagde bosstructuur, waarbij rusten en verplaatsen vaak in middelhoge tot hogere vegetatielagen plaatsvindt. Foerageren gebeurt zowel op de grond als in lagere vegetatie, afhankelijk van soort en leefgebied, met een duidelijke nadruk op zaden en gevallen vruchten, aangevuld met bessen en andere plantaardige delen wanneer die beschikbaar zijn.
Broeden gebeurt doorgaans met een eenvoudig nestplatform van twijgjes, vaak in bomen of struiken op beschutte plekken. Het legsel is meestal klein en de ouderzorg volgt het bekende duivenpatroon, met in de eerste fase voeding via kropmelk en later een geleidelijke overgang naar grover plantaardig voedsel. Door de combinatie van een terughoudend gedrag en een goede camouflage blijven soorten uit dit geslacht geregeld onopvallend, terwijl roep en zachte contactgeluiden in stille bosranden juist vaak verraden dat er aanwezigheid is.
Kleine koekoeksduif
[LAT] Macropygia ruficeps |
[UK] Little Cuckoo-Dove |
[FR] Colombine rousse |
[DE] Zimt-Kuckuckstaube |
[ES] Paloma cuco chica |
[NL] Kleine koekoeksduif



Klik hier Kleine koekoeksduif details
De Kleine koekoeksduif (Macropygia ruficeps, Temminck, 1834) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is uitzonderlijk groot en de populatietrend wordt als stabiel beschreven. De populatieomvang is niet overal gekwantificeerd, maar er zijn geen aanwijzingen dat de soort de drempels benadert die horen bij een bedreigde categorie op basis van areaalgrootte, trend of aantallen.
De soort komt wijdverspreid voor in de Oriëntaalse regio en daarnaast ook op de Kleine Soenda-eilanden. Trekgedrag is doorgaans beperkt. Aanwezigheid past vooral bij standplaatsgebonden populaties, met verplaatsingen op lokale schaal tussen foerageerplekken en rustplaatsen, bijvoorbeeld wanneer fruit- en zaadaanbod lokaal wisselt.
Kleine koekoeksduif is een slanke, relatief langstaartige duif met een koekoeksachtige indruk door de lange, geleidelijk toelopende staart en de rustige, gestrekte houding op takken. Het verenkleed toont meestal warm bruinige tot roestkleurige tinten, vaak met een duidelijk roder of kastanjebruin accent op de kop. Bovendelen kunnen subtiel gebandeerd ogen, vooral op vleugels en staart, wat in gefilterd boslicht een fijn geschubd of gegolfd patroon geeft. De onderzijde is doorgaans lichter en kan een zachte roze- tot beige indruk maken, met variatie tussen regio’s en ondersoorten. In vlucht valt de lange staart op en een soepel, rechtlijnig vliegbeeld tussen boomkruinen en bosranden.
Het leefgebied bestaat vooral uit bos en bosranden, waaronder laaglandbos, heuvelbos en secundair bos. Ook dichte struikvegetatie, bamboe- of pioniergroei en boomrijke aanplant kunnen worden benut wanneer er voldoende dekking en voedsel aanwezig is. Aanwezigheid is vaak het duidelijkst in overgangszones waar dicht bos grenst aan open plekken, paden of randen van plantages, zolang verstoring beperkt blijft en er voldoende hoge zitplaatsen beschikbaar zijn.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit vruchten en zaden, aangevuld met kleine bessen en incidenteel plantaardige knoppen of andere zachte plantendelen. Foerageren vindt vaak plaats in bomen en struiken, maar voedsel kan ook op de grond worden opgenomen wanneer gevallen vruchten of zaden beschikbaar zijn. Door het gebruik van vruchten draagt de soort vaak bij aan zaadverspreiding binnen bos- en randhabitats.
Broeden gebeurt met een relatief eenvoudig nestplatform van twijgjes, meestal in een boom of grote struik en vaak op een horizontale tak of in een takvork. Het legsel bestaat doorgaans uit één tot twee eieren. Broedzorg volgt het typische duivenpatroon met gezamenlijke verzorging, waarbij jongen in de eerste fase met kropmelk worden gevoerd en later met steeds grover plantaardig voedsel. De timing van broeden varieert per regio en sluit vaak aan op perioden waarin voedsel in de omgeving ruim beschikbaar is.
De soort komt wijdverspreid voor in de Oriëntaalse regio en daarnaast ook op de Kleine Soenda-eilanden. Trekgedrag is doorgaans beperkt. Aanwezigheid past vooral bij standplaatsgebonden populaties, met verplaatsingen op lokale schaal tussen foerageerplekken en rustplaatsen, bijvoorbeeld wanneer fruit- en zaadaanbod lokaal wisselt.
Kleine koekoeksduif is een slanke, relatief langstaartige duif met een koekoeksachtige indruk door de lange, geleidelijk toelopende staart en de rustige, gestrekte houding op takken. Het verenkleed toont meestal warm bruinige tot roestkleurige tinten, vaak met een duidelijk roder of kastanjebruin accent op de kop. Bovendelen kunnen subtiel gebandeerd ogen, vooral op vleugels en staart, wat in gefilterd boslicht een fijn geschubd of gegolfd patroon geeft. De onderzijde is doorgaans lichter en kan een zachte roze- tot beige indruk maken, met variatie tussen regio’s en ondersoorten. In vlucht valt de lange staart op en een soepel, rechtlijnig vliegbeeld tussen boomkruinen en bosranden.
Het leefgebied bestaat vooral uit bos en bosranden, waaronder laaglandbos, heuvelbos en secundair bos. Ook dichte struikvegetatie, bamboe- of pioniergroei en boomrijke aanplant kunnen worden benut wanneer er voldoende dekking en voedsel aanwezig is. Aanwezigheid is vaak het duidelijkst in overgangszones waar dicht bos grenst aan open plekken, paden of randen van plantages, zolang verstoring beperkt blijft en er voldoende hoge zitplaatsen beschikbaar zijn.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit vruchten en zaden, aangevuld met kleine bessen en incidenteel plantaardige knoppen of andere zachte plantendelen. Foerageren vindt vaak plaats in bomen en struiken, maar voedsel kan ook op de grond worden opgenomen wanneer gevallen vruchten of zaden beschikbaar zijn. Door het gebruik van vruchten draagt de soort vaak bij aan zaadverspreiding binnen bos- en randhabitats.
Broeden gebeurt met een relatief eenvoudig nestplatform van twijgjes, meestal in een boom of grote struik en vaak op een horizontale tak of in een takvork. Het legsel bestaat doorgaans uit één tot twee eieren. Broedzorg volgt het typische duivenpatroon met gezamenlijke verzorging, waarbij jongen in de eerste fase met kropmelk worden gevoerd en later met steeds grover plantaardig voedsel. De timing van broeden varieert per regio en sluit vaak aan op perioden waarin voedsel in de omgeving ruim beschikbaar is.