De Galbulidae, of glansvogels, vormen een familie van kleurrijke, slanke bosvogels die uitsluitend voorkomen in Midden- en Zuid-Amerika. Ze zijn verwant aan de schreeuwlijsters en baardkoekoeken en worden gekenmerkt door hun lange, rechte snavel, metaalglanzend verenkleed en voorkeur voor dichte, tropische bossen.
Glansvogels jagen vanaf een zitpost op vliegende insecten zoals vlinders en kevers, die ze in de vlucht vangen. Ze nestelen meestal in zelfgegraven holen in zandige rivieroevers of termietenheuvels. Hun rustige gedrag en glanzende kleuren maken ze geliefd bij vogelkijkers, maar door hun verborgen leefwijze blijven ze vaak lastig te spotten.
Genus Galbula details
Het genus Galbula omvat een groep glansvogels uit de familie Galbulidae. Dit genus vormt de grootste groep binnen de glansvogels en omvat meerdere soorten die vooral voorkomen in tropisch Midden- en Zuid-Amerika. Het gaat om slanke, sierlijke vogels met een lange rechte snavel, een lange staart en vaak een opvallend metaalglanzend verenkleed.
Soorten van Galbula leven vooral in bossen, bosranden, open boomlandschappen, rivieroevers en andere warme, vochtige leefgebieden. Veel soorten houden zich op in de onderste tot middelste boomlaag, maar worden ook langs open plekken en waterlopen gezien. Binnen het genus bestaan duidelijke verschillen in verspreiding, maar alle soorten zijn sterk verbonden met tropische of subtropische landschappen van het Neotropische gebied.
De leefwijze van Galbula is sterk gericht op het vangen van vliegende insecten. Vaak zit een vogel lange tijd stil op een tak als uitkijkpost, om daarna plotseling uit te vliegen en een prooi in de lucht te grijpen. Daarna wordt meestal naar dezelfde of een nabijgelegen zitplaats teruggekeerd. Door deze jachtmethode doen glansvogels in gedrag soms denken aan bijeneters, al behoren zij tot een geheel andere vogelgroep.
Het genus Galbula vormt daarmee een goed herkenbare groep van elegante, insectenetende bosvogels met een opvallende glans en een gespecialiseerde jachtwijze. Binnen de glansvogels is het een centraal genus, zowel door het aantal soorten als door de brede verspreiding in tropisch Amerika.
Soorten van Galbula leven vooral in bossen, bosranden, open boomlandschappen, rivieroevers en andere warme, vochtige leefgebieden. Veel soorten houden zich op in de onderste tot middelste boomlaag, maar worden ook langs open plekken en waterlopen gezien. Binnen het genus bestaan duidelijke verschillen in verspreiding, maar alle soorten zijn sterk verbonden met tropische of subtropische landschappen van het Neotropische gebied.
De leefwijze van Galbula is sterk gericht op het vangen van vliegende insecten. Vaak zit een vogel lange tijd stil op een tak als uitkijkpost, om daarna plotseling uit te vliegen en een prooi in de lucht te grijpen. Daarna wordt meestal naar dezelfde of een nabijgelegen zitplaats teruggekeerd. Door deze jachtmethode doen glansvogels in gedrag soms denken aan bijeneters, al behoren zij tot een geheel andere vogelgroep.
Het genus Galbula vormt daarmee een goed herkenbare groep van elegante, insectenetende bosvogels met een opvallende glans en een gespecialiseerde jachtwijze. Binnen de glansvogels is het een centraal genus, zowel door het aantal soorten als door de brede verspreiding in tropisch Amerika.
Groenstaartglansvogel
[LAT] Galbula galbula |
[UK] Green-tailed Jacamar |
[FR] Jacamar à queue verte |
[DE] Grünschwanz-Jakamar |
[ES] Jacamar coliverde |
[NL] Groenstaartglansvogel


Groenstaartglansvogel details
De groenstaartglansvogel (Galbula galbula) is een slanke en sierlijke glansvogel uit het noorden van Zuid-Amerika. De soort heeft wereldwijd de status niet bedreigd. Het verspreidingsgebied is zeer groot en de populatie lijkt stabiel, waardoor er op wereldschaal geen directe bedreiging bestaat.
De soort komt voor in Noord-Amazonië en leeft zowel ten noorden als ten zuiden van de Amazone, maar vooral in het gebied tussen de rivieren Madeira en Tapajós. In Suriname is dit een van de algemeenste jacamars van de kuststreek en vooral in landbouwgebieden van onder meer Wanica wordt de soort veel gezien. Binnen het verspreidingsgebied is de groenstaartglansvogel overwegend standvogel.
De vogel heeft een opvallend lange en zeer slanke snavel, die ongeveer vijf centimeter meet bij een totale lichaamslengte van ongeveer twintig centimeter. Het mannetje heeft een duidelijke witte keel, een metaalgroene rug en een roodbruine buik. Het vrouwtje lijkt hier sterk op, maar heeft een meer roomwit tot bleek gekleurde keel. Door de fijne bouw, de glanzende kleuren en de lange snavel is de soort goed herkenbaar.
De groenstaartjacamar leeft in uiteenlopende habitats, van zandige kustterreinen tot bos in het binnenland. Dicht, gesloten regenwoud wordt meestal vermeden. De soort wordt juist vaak aangetroffen langs bosranden, open plekken en halfopen landschappen. In Suriname is de soort bijzonder algemeen in de kustvlakte en in agrarische gebieden met verspreide bomen en struiken.
Het voedsel bestaat uit insecten die vanaf een dunne tak worden gevangen. De vogel zit vaak stil op een uitkijkpost en vliegt daarna kort uit om een prooi in de lucht te grijpen. De lange snavel is hierbij functioneel, omdat prooien zoals vlinders, libellen en stekende insecten op enige afstand van het gezicht kunnen worden vastgehouden. Gevangen insecten worden vaak gedood door ze tegen een tak te slaan voordat ze worden doorgeslikt.
Voor het broeden wordt een nestkamer uitgegraven in de grond, meestal op een diepte van ongeveer twintig tot vijftig centimeter. Daarnaast worden ook holen gemaakt in termietennesten of in dood hout, meestal op een hoogte van één tot drie meter boven de grond. Een legsel bestaat gewoonlijk uit twee of drie eieren. Beide oudervogels broeden, waarbij het vrouwtje doorgaans de nachtdienst op zich neemt. De broedduur bedraagt ongeveer 20 tot 23 dagen en de jongen vliegen na ongeveer 21 tot 26 dagen uit.
De soort komt voor in Noord-Amazonië en leeft zowel ten noorden als ten zuiden van de Amazone, maar vooral in het gebied tussen de rivieren Madeira en Tapajós. In Suriname is dit een van de algemeenste jacamars van de kuststreek en vooral in landbouwgebieden van onder meer Wanica wordt de soort veel gezien. Binnen het verspreidingsgebied is de groenstaartglansvogel overwegend standvogel.
De vogel heeft een opvallend lange en zeer slanke snavel, die ongeveer vijf centimeter meet bij een totale lichaamslengte van ongeveer twintig centimeter. Het mannetje heeft een duidelijke witte keel, een metaalgroene rug en een roodbruine buik. Het vrouwtje lijkt hier sterk op, maar heeft een meer roomwit tot bleek gekleurde keel. Door de fijne bouw, de glanzende kleuren en de lange snavel is de soort goed herkenbaar.
De groenstaartjacamar leeft in uiteenlopende habitats, van zandige kustterreinen tot bos in het binnenland. Dicht, gesloten regenwoud wordt meestal vermeden. De soort wordt juist vaak aangetroffen langs bosranden, open plekken en halfopen landschappen. In Suriname is de soort bijzonder algemeen in de kustvlakte en in agrarische gebieden met verspreide bomen en struiken.
Het voedsel bestaat uit insecten die vanaf een dunne tak worden gevangen. De vogel zit vaak stil op een uitkijkpost en vliegt daarna kort uit om een prooi in de lucht te grijpen. De lange snavel is hierbij functioneel, omdat prooien zoals vlinders, libellen en stekende insecten op enige afstand van het gezicht kunnen worden vastgehouden. Gevangen insecten worden vaak gedood door ze tegen een tak te slaan voordat ze worden doorgeslikt.
Voor het broeden wordt een nestkamer uitgegraven in de grond, meestal op een diepte van ongeveer twintig tot vijftig centimeter. Daarnaast worden ook holen gemaakt in termietennesten of in dood hout, meestal op een hoogte van één tot drie meter boven de grond. Een legsel bestaat gewoonlijk uit twee of drie eieren. Beide oudervogels broeden, waarbij het vrouwtje doorgaans de nachtdienst op zich neemt. De broedduur bedraagt ongeveer 20 tot 23 dagen en de jongen vliegen na ongeveer 21 tot 26 dagen uit.
Paradijsglansvogel
[LAT] Galbula dea |
[UK] Paradise Jacamar |
[FR] Jacamar du paradis |
[DE] Paradies-Jakamar |
[ES] Jacamar del paraíso |
[NL] Paradijsglansvogel


Paradijsglansvogel details
De paradijsglansvogel (Galbula dea) is een slanke glansvogel uit het Amazonegebied met een lange spitse staart, een fijne rechte snavel en een opvallend glanzend verenkleed. De soort heeft wereldwijd de status niet bedreigd. Het verspreidingsgebied is zeer groot en hoewel op sommige plaatsen mogelijk sprake is van afname, verloopt die niet zo snel dat de soort momenteel als bedreigd wordt beschouwd.
De soort komt voor in grote delen van het Amazonegebied en aangrenzende streken van noordelijk Zuid-Amerika, waaronder zuidoostelijk Venezuela, de Guyana’s, noordelijk Brazilië, oostelijk Peru, zuidoostelijk Colombia en delen van Bolivia. Binnen dit areaal is de paradijsglansvogel overwegend standvogel. In Suriname is het een algemene soort van bosranden en savanneovergangen in het binnenland, terwijl de soort in de kuststreek ontbreekt.
De paradijsglansvogel is ongeveer dertig centimeter lang en heeft een donkerbruine kruin, een witte keel en een lange naaldvormige snavel. Het verenkleed is overwegend donker groenblauw met een fraaie metaalglans, vooral op de vleugels. De iris is donkerbruin en snavel en poten zijn zwart. Beide geslachten lijken sterk op elkaar, waardoor mannetje en vrouwtje in het veld lastig uit elkaar te houden zijn.
De soort leeft in vochtig regenwoud, savannebos, droger bos en galerijbos langs rivieren. De voorkeur gaat meestal uit naar open plekken, bosranden, kapvlakten en plaatsen met omgevallen bomen, en minder naar het dichte binnenste van gesloten bos. In tegenstelling tot sommige andere glansvogels wordt de paradijsglansvogel vaak vrij hoog in de vegetatie gezien, vaak op een open uitkijkpost in of nabij het kronendak.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vliegende insecten, waaronder vooral vlinders, vliegen, mieren, bijen en andere vliesvleugeligen. De vogel jaagt meestal vanaf een zichtbare tak, vanwaar korte uitvallen worden gemaakt om prooien in de lucht te grijpen. Dit gebeurt alleen, in paren of in kleine groepjes. Na een jachtvlucht wordt vaak naar dezelfde zitplaats teruggekeerd.
Over het broedgedrag is nog maar beperkt informatie beschikbaar. Bekend is dat paren tunnels uitgraven in termietennesten in bomen. Zulke nestplaatsen bevinden zich dus niet in de grond, maar in boomgebonden termietenheuvels. Verdere details over legselgrootte, broedduur en uitvliegtijd zijn slechts beperkt bekend.
De soort komt voor in grote delen van het Amazonegebied en aangrenzende streken van noordelijk Zuid-Amerika, waaronder zuidoostelijk Venezuela, de Guyana’s, noordelijk Brazilië, oostelijk Peru, zuidoostelijk Colombia en delen van Bolivia. Binnen dit areaal is de paradijsglansvogel overwegend standvogel. In Suriname is het een algemene soort van bosranden en savanneovergangen in het binnenland, terwijl de soort in de kuststreek ontbreekt.
De paradijsglansvogel is ongeveer dertig centimeter lang en heeft een donkerbruine kruin, een witte keel en een lange naaldvormige snavel. Het verenkleed is overwegend donker groenblauw met een fraaie metaalglans, vooral op de vleugels. De iris is donkerbruin en snavel en poten zijn zwart. Beide geslachten lijken sterk op elkaar, waardoor mannetje en vrouwtje in het veld lastig uit elkaar te houden zijn.
De soort leeft in vochtig regenwoud, savannebos, droger bos en galerijbos langs rivieren. De voorkeur gaat meestal uit naar open plekken, bosranden, kapvlakten en plaatsen met omgevallen bomen, en minder naar het dichte binnenste van gesloten bos. In tegenstelling tot sommige andere glansvogels wordt de paradijsglansvogel vaak vrij hoog in de vegetatie gezien, vaak op een open uitkijkpost in of nabij het kronendak.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vliegende insecten, waaronder vooral vlinders, vliegen, mieren, bijen en andere vliesvleugeligen. De vogel jaagt meestal vanaf een zichtbare tak, vanwaar korte uitvallen worden gemaakt om prooien in de lucht te grijpen. Dit gebeurt alleen, in paren of in kleine groepjes. Na een jachtvlucht wordt vaak naar dezelfde zitplaats teruggekeerd.
Over het broedgedrag is nog maar beperkt informatie beschikbaar. Bekend is dat paren tunnels uitgraven in termietennesten in bomen. Zulke nestplaatsen bevinden zich dus niet in de grond, maar in boomgebonden termietenheuvels. Verdere details over legselgrootte, broedduur en uitvliegtijd zijn slechts beperkt bekend.
Bronsglansvogel
[LAT] Galbula leucogastra |
[UK] Bronzy Jacamar |
[FR] Jacamar bronzé |
[DE] Bronzejakamar |
[ES] Jacamar bronceado |
[NL] Bronsglansvogel


Bronsglansvogel details
De bronsglansvogel (Galbula leucogastra) is een slanke glansvogel uit het Amazonegebied met een opvallend metaalglanzend verenkleed. De soort heeft wereldwijd de status niet bedreigd. Het verspreidingsgebied is zeer groot en hoewel op sommige plaatsen mogelijk sprake is van afname, verloopt die niet zo snel dat de soort momenteel als bedreigd wordt beschouwd.
De soort komt voor in Bolivia, Brazilië, Colombia, Frans-Guyana, Guyana, Suriname en Venezuela. Binnen dit areaal is de bronsglansvogel overwegend standvogel. In Suriname is de soort niet zeldzaam langs de randen van savannebos en in andere halfopen bosrijke gebieden.
De bovenzijde en borst zijn prachtig bronsachtig metaalgroen, terwijl de kruin donker blauwachtig oogt. Het mannetje heeft een witte keel en witte buik. Bij het vrouwtje zijn keel en buik meer buff- of geelwit gekleurd. De snavel is lang, recht en zwart, zoals kenmerkend is voor glansvogels. Door de glanzende kleuren en de slanke bouw is de soort goed herkenbaar.
De bronsglansvogel leeft in subtropische en tropische vochtige laaglandbossen, maar ook in drogere struikachtige gebieden, savannebos en andere meer open landschappen binnen het Amazonegebied. Vaak wordt de soort aangetroffen langs bosranden, open plekken, rivieroevers en lichte boszones.
Het voedsel bestaat uit insecten die meestal vanaf open takken worden gevangen. Vaak zit de vogel solitair, maar ook paren of kleine groepjes komen voor. Vanaf een zichtbare zitplaats, meestal enkele meters boven de grond, worden korte uitvallen gemaakt om vliegende prooien te grijpen.
Over het broedgedrag is nog maar weinig met zekerheid bekend. Slechts enkele nesten zijn beschreven. Twee daarvan bevonden zich in termietennesten in bomen. Verdere bijzonderheden over broedduur en uitvliegtijd zijn beperkt bekend.
De soort komt voor in Bolivia, Brazilië, Colombia, Frans-Guyana, Guyana, Suriname en Venezuela. Binnen dit areaal is de bronsglansvogel overwegend standvogel. In Suriname is de soort niet zeldzaam langs de randen van savannebos en in andere halfopen bosrijke gebieden.
De bovenzijde en borst zijn prachtig bronsachtig metaalgroen, terwijl de kruin donker blauwachtig oogt. Het mannetje heeft een witte keel en witte buik. Bij het vrouwtje zijn keel en buik meer buff- of geelwit gekleurd. De snavel is lang, recht en zwart, zoals kenmerkend is voor glansvogels. Door de glanzende kleuren en de slanke bouw is de soort goed herkenbaar.
De bronsglansvogel leeft in subtropische en tropische vochtige laaglandbossen, maar ook in drogere struikachtige gebieden, savannebos en andere meer open landschappen binnen het Amazonegebied. Vaak wordt de soort aangetroffen langs bosranden, open plekken, rivieroevers en lichte boszones.
Het voedsel bestaat uit insecten die meestal vanaf open takken worden gevangen. Vaak zit de vogel solitair, maar ook paren of kleine groepjes komen voor. Vanaf een zichtbare zitplaats, meestal enkele meters boven de grond, worden korte uitvallen gemaakt om vliegende prooien te grijpen.
Over het broedgedrag is nog maar weinig met zekerheid bekend. Slechts enkele nesten zijn beschreven. Twee daarvan bevonden zich in termietennesten in bomen. Verdere bijzonderheden over broedduur en uitvliegtijd zijn beperkt bekend.