De Phasianidae vormen een familie van middelgrote tot grote grondvogels binnen de orde Galliformes. Tot deze familie behoren onder meer fazanten, patrijzen, pauwen, kwartels (in de enge zin), kalkoenen en junglefowl (waaronder de wilde voorouder van de kip).
Kenmerken:
Phasianidae zijn meestal goed gecamoufleerd met een vaak opvallend verschil tussen mannetjes en vrouwtjes (seksueel dimorfisme). Mannetjes zijn vaak kleurrijk, met verlengde staartveren of kammen. De meeste soorten zijn grondbewoners die zich voeden met zaden, insecten en plantaardig materiaal. Ze kunnen vliegen, maar doen dit meestal slechts over korte afstanden.
Verspreiding:
De familie komt van nature voor in een groot deel van Eurazië, Afrika, en delen van Noord-Amerika, met de hoogste soortendiversiteit in Azië. Veel soorten zijn elders geïntroduceerd voor de jacht of als siervogels.
De familie telt ruim 180 soorten en speelt zowel ecologisch als cultureel een belangrijke rol.
Foto’s Jan Dolphijn
Genus Arborophila
Arborophila-soorten zijn compact gebouwd, hebben korte afgeronde vleugels, stevige poten en een korte staart. Het verenkleed is meestal fijn getekend met een combinatie van bruin, grijs, kastanjebruin, zwart en wit. Bij veel soorten zijn de koptekening en de keel opvallend, met contrastrijke patronen die belangrijk zijn voor het herkennen van de verschillende soorten. Door de gedrongen bouw en de goede schutkleur zijn deze vogels uitstekend aangepast aan een leven op de bosbodem.
Deze bospatrijzen leven vooral in dichte ondergroei, bamboe, vochtige hellingbossen en andere beschutte terreinen met veel bladstrooisel. Het voedsel bestaat uit zaden, bessen, scheuten, insecten en andere kleine ongewervelden. Meestal wordt op de grond gefoerageerd, waarbij tussen bladeren en humuslaag naar voedsel wordt gezocht.
De voortplanting vindt plaats op of vlak boven de grond. Het nest ligt doorgaans goed verborgen in dichte vegetatie of tussen wortels en struiken. De eieren worden in een beschutte nestplaats gelegd en de jongen zijn nestvlieders, zodat zij kort na het uitkomen al met de oudervogels kunnen meelopen. Door de verborgen leefwijze, de zachte roep en de voorkeur voor dicht bos vormt Arborophila een karakteristiek geslacht van Aziatische bospatrijzen.
Maleise bospatrijs



Maleise Bospatrijs details
De Maleise bospatrijs is compact gebouwd, met stevige poten, een korte staart en afgeronde vleugels. Het verenkleed bestaat uit een fijn patroon van bruine, grijze, kastanjekleurige en zwartachtige tinten, wat een uitstekende schutkleur geeft op de donkere bosbodem. De koptekening is vaak opvallender dan de rest van het lichaam en helpt bij het onderscheiden van deze soort van andere bospatrijzen uit dezelfde regio. Door de gedrongen bouw en de rustige manier van bewegen blijft deze vogel in dichte vegetatie meestal goed verborgen.
Deze soort leeft op de bosbodem van heuvel- en bergbossen, waar tussen bladstrooisel, wortels en lage begroeiing naar voedsel wordt gezocht. De voorkeur gaat uit naar vochtige, beschaduwde terreinen met een goed ontwikkelde ondergroei. Net als andere bospatrijzen vermijdt deze soort doorgaans open terrein en blijft de vogel meestal binnen de beschutting van het bos.
Het voedsel bestaat waarschijnlijk uit zaden, kleine vruchten, scheuten, insecten en andere kleine ongewervelden. Het voedsel wordt voornamelijk op de grond gezocht, waarbij tussen bladeren en humuslaag wordt gescharreld. Daardoor vervult deze soort een typische rol als bodembewonende zoeker in het tropische bos.
Over de voortplanting is weinig bekend, maar vermoedelijk sluit die nauw aan bij die van andere soorten uit hetzelfde geslacht. Het nest ligt waarschijnlijk goed verborgen op of vlak boven de grond in dichte vegetatie. De jongen zijn naar verwachting nestvlieders en kunnen kort na het uitkomen al met de oudervogels meelopen. Door de verborgen levenswijze en het beperkte verspreidingsgebied is de Maleise bospatrijs een weinig opvallende maar karakteristieke vogel van de bergbossen van Maleisië.
Genus Phasianus
Soorten binnen Phasianus zijn middelgrote tot grote hoendervogels met een langgerekte lichaamsvorm, relatief lange staart en krachtige poten. Vooral de mannetjes vallen op door het kleurrijke verenkleed, met glanzende tinten van groen, rood, goud, koper en paars, vaak gecombineerd met een opvallend getekende kop en hals. De vrouwtjes zijn veel soberder gekleurd en hebben meestal een bruin, gevlekt verenkleed dat goede schuilkleur biedt in gras, ruigte en lage begroeiing.
Phasianus-soorten leven vooral in open tot halfopen landschappen met voldoende dekking, zoals bosranden, struweel, akkers, rivieroevers, rietvelden en graslanden. Veel tijd wordt op de grond doorgebracht, waar voedsel wordt gezocht en dekking wordt benut. Bij verstoring vliegen deze vogels meestal kort en krachtig op, maar vaak wordt eerst lopend dekking gezocht.
Het voedsel bestaat uit zaden, granen, bessen, groene plantendelen, insecten en andere kleine ongewervelden. De voortplanting vindt plaats op de grond. Het nest ligt meestal goed verborgen in dichte vegetatie en bestaat uit een eenvoudige kuil met weinig bekleding. De jongen zijn nestvlieders en kunnen kort na het uitkomen al meelopen met het vrouwtje. Door de combinatie van kleurrijke mannetjes, verborgen levende vrouwtjes en de voorkeur voor structuurrijke landschappen vormt Phasianus een zeer kenmerkend geslacht binnen de hoendervogels.
Fazant



Fazant details
De fazant is een grote en opvallende hoendervogel met een lange, spits toelopende staart en een krachtige lichaamsbouw. Mannetjes zijn veel kleurrijker dan vrouwtjes en hebben vaak een glanzend blauwgroene kop, een opvallende rode huidvlek rond het oog en meestal een lichte halsring. Het lichaam is rijk getekend met bruine, koperkleurige, goudachtige en donkere tinten. Vrouwtjes zijn veel soberder en hebben een bruin gevlekt verenkleed dat uitstekende schutkleur biedt. Door de vele ondersoorten en ingevoerde vormen kan het uiterlijk plaatselijk behoorlijk variëren.
Deze soort leeft vooral langs randen van open akkers, ruige heggen, bosranden, moerassige terreinen, rietkragen en andere halfopen landschappen met voldoende dekking. Droge, kale gebieden worden meestal gemeden. Vooral structuurrijke landbouwgebieden met een afwisseling van dekking en open foerageerplekken zijn geschikt voor de fazant. In de winter worden vaak gescheiden groepen gevormd, waarbij mannetjes in kleine groepjes voorkomen en vrouwtjes vaker in grotere groepen samenleven.
Het voedsel is zeer gevarieerd en verandert met het seizoen. In de winter worden vooral zaden, granen, wortels en bessen gegeten. In de zomer bestaat het voedsel in grotere mate uit insecten, verse groene scheuten, spinnen, regenwormen en slakken. Vooral broedende vrouwtjes en jonge kuikens nemen relatief veel dierlijk voedsel op. Het voedsel wordt meestal op de grond gezocht, waarbij met de poten wordt geschraapt en met de snavel in de bodem wordt gewroet.
Het mannetje verdedigt in de broedtijd een territorium waarin zich soms meerdere vrouwtjes ophouden. Het nest wordt op de grond gemaakt, meestal goed verborgen in dichte vegetatie zoals gras, luzerne, graan of hooiland. Het bestaat uit een ondiepe kuil die bekleed wordt met gras, bladeren en ander plantenmateriaal. Gewoonlijk worden tien tot twaalf eieren gelegd. De jongen verlaten kort na het uitkomen het nest en kunnen vrijwel direct zelfstandig voedsel zoeken, terwijl zij nog wel door het vrouwtje worden begeleid.
Genus Lophura
Lophura is een geslacht van fazanten uit de familie Phasianidae. Tot dit geslacht behoren de zogenoemde vuurrugfazanten en verwante soorten uit Zuid- en Zuidoost-Azië. De soorten leven vooral in dichte bossen, heuvelgebieden en bergwouden, waar ze zich meestal schuilhoudend op de grond ophouden.
Kenmerkend voor Lophura zijn de vaak opvallende sekseverschillen, met bij mannetjes doorgaans een glanzend verenkleed, een kale rood gekleurde gezichtshuid en bij diverse soorten een duidelijke kuif of verlengde staartveren. Vrouwtjes zijn meestal bruiner en minder opvallend gekleurd, wat helpt bij camouflage in de ondergroei.
Soorten binnen dit geslacht foerageren hoofdzakelijk op de bosbodem op zaden, bessen, scheuten, insecten en andere kleine ongewervelden. Het broeden vindt doorgaans plaats op de grond in een beschutte nestplaats. Binnen Lophura komen meerdere soorten voor met een beperkt verspreidingsgebied, waardoor ontbossing, jachtdruk en verstoring in delen van het areaal een belangrijke bedreiging vormen.
Nepalese fazant


Nepalfazant details
De nepalfazant is een middelgrote tot grote bosfazant uit Zuid-Azië. Het verspreidingsgebied loopt van noordelijk Pakistan via de uitlopers van de Himalaya oostwaarts tot in westelijk Thailand. Deze soort leeft vooral in beboste heuvelgebieden, dichte struikzones en bosranden, waar vooral op de grond wordt gezocht naar voedsel.
Het mannetje is overwegend donker met een glanzend zwart tot blauwzwart verenkleed, vaak met opvallende lichte of witachtige onderdelen afhankelijk van de ondersoort. Het vrouwtje is veel bruiner en fijner getekend, waardoor betere camouflage in de ondergroei ontstaat. Beide geslachten hebben een kale rood gekleurde gezichtshuid en stevige poten, passend bij een leven op de bosbodem.
Het voedsel bestaat uit zaden, bessen, jonge scheuten, insecten en andere kleine ongewervelden. Het nest wordt op de grond aangelegd op een beschutte plaats tussen vegetatie. Binnen het natuurlijke verspreidingsgebied is de soort overwegend standvogel.
De IUCN-status is LC, oftewel niet bedreigd. De soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en komt over een breed areaal voor. Hoewel de populatietrend afnemend lijkt, wordt de achteruitgang momenteel niet als sterk genoeg beschouwd om de soort in een bedreigde categorie te plaatsen.
Genus Ptilopachus
Soorten uit dit geslacht zijn klein tot middelgroot, stevig gebouwd en aangepast aan een leven op de grond. Het verenkleed bestaat vooral uit bruine, grijze en warm getinte kleuren die goede schutkleur bieden tussen stenen, bladeren en lage vegetatie. De poten zijn krachtig en geschikt om te lopen, te scharrelen en snel dekking te zoeken. De vlucht is meestal kort en laag, terwijl verstoring vaak eerst lopend wordt opgevangen.
Het voedsel bestaat uit zaden, kleine vruchten, groene plantendelen en allerlei kleine ongewervelden. Meestal wordt op de grond gefoerageerd, waarbij tussen strooisel, lage begroeiing en open plekken naar voedsel wordt gezocht. Daardoor vervullen soorten uit dit geslacht een typische rol als rustige, bodembewonende zoekers.
De voortplanting vindt plaats op de grond. Het nest ligt goed verborgen tussen vegetatie, stenen of ander natuurlijk materiaal en bestaat meestal uit een eenvoudige, beschutte nestplaats. De jongen zijn nestvlieders en kunnen kort na het uitkomen al met de oudervogels meelopen. Door de combinatie van verborgen gedrag, aardse kleuren en een voorkeur voor het leven op de bodem vormt Ptilopachus een karakteristiek maar weinig opvallend geslacht binnen de hoendervogels.
Rotspatrijs


Rotspatrijs details
De rotspatrijs is een kleine tot middelgrote, compact gebouwde hoendervogel met een vrij lange staart die vaak iets opgericht wordt gedragen. Het verenkleed is overwegend bruin en warm getint, met fijne tekening die goede schutkleur biedt tussen stenen, droge vegetatie en bladstrooisel. De bouw is stevig, met relatief korte afgeronde vleugels en sterke poten die goed geschikt zijn voor een leven op de grond. De geslachten lijken sterk op elkaar, wat deze soort een vrij gelijkmatig uiterlijk geeft.
Deze soort leeft vooral in struikland, licht beboste terreinen, droge savannen en rotsige gebieden met voldoende dekking. De voorkeur gaat vaak uit naar plaatsen met stenen, rotsen of hellingen, waar tussen struiken en lage begroeiing beschutting wordt gevonden. Open kale terreinen zonder dekking worden meestal vermeden.
Het voedsel bestaat uit zaden, kleine plantaardige delen en insecten. Het voedsel wordt hoofdzakelijk op de grond gezocht, waarbij tussen strooisel, losse aarde en lage vegetatie wordt gescharreld. Door deze manier van foerageren past de rotspatrijs goed in droge en halfopen landschappen waar voedsel verspreid aanwezig is.
Het nest ligt op de grond en wordt goed verborgen aangelegd tussen vegetatie, stenen of andere natuurlijke beschutting. De eieren worden gelegd in een eenvoudige nestkuil. De jongen zijn nestvlieders en kunnen kort na het uitkomen al meelopen met de oudervogels. Door de verborgen levenswijze, de aardkleurige tekening en de voorkeur voor rotsig terrein is de rotspatrijs een karakteristieke maar vaak weinig opvallende grondvogel van Afrika.
Genus Pternistis
Soorten uit Pternistis zijn middelgrote, stevig gebouwde vogels met krachtige poten, een vrij korte staart en een overwegend bruin, grijs of warm getint verenkleed. Veel soorten hebben fijne streping, vlekken of schubtekening, wat uitstekende schutkleur biedt in gras, struiken en strooisellaag. Bij veel soorten komen sporen aan de poten voor, vooral bij mannetjes, wat ook in de groepsnaam tot uiting komt. Door de gedrongen bouw en de meestal aardkleurige tinten zijn deze vogels goed aangepast aan een leven op de grond.
Het voedsel bestaat uit zaden, bessen, groene plantendelen, insecten en andere kleine ongewervelden. Meestal wordt al lopend gefoerageerd, waarbij met de poten wordt geschraapt en met de snavel tussen gras, bladeren en losse bodem naar voedsel wordt gezocht. Veel soorten leven alleen, in paren of in kleine groepen en laten zich vaak eerder horen dan zien.
De voortplanting vindt plaats op de grond. Het nest ligt doorgaans goed verborgen tussen gras, struiken of andere lage vegetatie en bestaat meestal uit een eenvoudige kuil met weinig bekleding. De eieren worden op een beschutte plek gelegd en de jongen zijn nestvlieders, zodat zij kort na het uitkomen al met de oudervogels kunnen meelopen. Door de grote variatie in leefgebieden, de verborgen levenswijze en de vaak krachtige roep vormt Pternistis een bijzonder belangrijk geslacht binnen de Afrikaanse hoendervogels.
Barbarijse francolijn

Barbarijse Frankolijn details
De Barbarijse frankolijn is een middelgrote, stevig gebouwde hoendervogel met een vrij korte staart en krachtige poten. Het verenkleed is overwegend bruinachtig tot warm grijsbruin en is fijn getekend met strepen, vlekken en schubachtige patronen, waardoor een uitstekende schutkleur ontstaat. De keel en koptekening vallen vaak op door lichtere en donker afgezette delen. Zoals de wetenschappelijke naam al aangeeft, kunnen aan de poten twee sporen aanwezig zijn, vooral bij volwassen mannetjes.
Deze soort leeft vooral in open graslanden, savannen, akkers, struikrijke terreinen en bosranden. Ook droge landbouwgebieden met voldoende dekking worden benut. De Barbarijse frankolijn houdt zich vooral op de grond op en verplaatst zich meestal lopend. Bij verstoring wordt vaak eerst dekking gezocht tussen gras of struiken voordat de vogel opvliegt.
Het voedsel bestaat uit zaden, granen, groene plantendelen, insecten en andere kleine ongewervelden. Het voedsel wordt op de grond gezocht, waarbij met de poten wordt geschraapt en tussen gras en strooisel wordt gefoerageerd. Daardoor past deze soort goed in open en halfopen landschappen met een afwisseling van voedselrijke plekken en beschutting.
Het nest ligt op de grond en wordt goed verborgen aangelegd tussen gras of lage vegetatie. Het bestaat meestal uit een eenvoudige kuil met weinig bekleding. De jongen zijn nestvlieders en kunnen kort na het uitkomen al met de oudervogel meelopen. Door de verborgen leefwijze, de aardkleurige tekening en de krachtige roep is de Barbarijse frankolijn een karakteristieke grondvogel van West-Afrika.
Genus Alectoris
Soorten binnen Alectoris zijn stevig gebouwd en hebben een vrij ronde lichaamsvorm, krachtige poten en een korte, sterke snavel. Het verenkleed is meestal grijsbruin tot zandkleurig met opvallende flanktekening in zwart, wit en kastanjebruin. Veel soorten hebben een lichte keel die scherp wordt begrensd door een donkere band, wat het geslacht een kenmerkend uiterlijk geeft. De poten en snavel zijn vaak roodachtig, waardoor deze vogels in het veld goed herkenbaar zijn.
Deze patrijzen leven vooral op de grond en zoeken daar ook hun voedsel. Het menu bestaat hoofdzakelijk uit zaden, bladeren, scheuten en andere plantaardige delen, aangevuld met insecten en andere kleine ongewervelden, vooral in het broedseizoen. Het voedsel wordt meestal al lopend gezocht, waarbij met de snavel in de bodem en tussen vegetatie wordt gefoerageerd.
De voortplanting vindt plaats op de grond. Het nest ligt meestal goed verborgen tussen gras, struiken of stenen en bestaat uit een ondiepe kuil met een eenvoudige bekleding van plantenmateriaal. De jongen zijn nestvlieders en kunnen kort na het uitkomen al met de oudervogels meelopen. Door de combinatie van sterke poten, goede schutkleur en voorkeur voor open, droge landschappen vormt Alectoris een zeer kenmerkend geslacht binnen de patrijzen.
Steenpatrijs


Steenpatrijs details
De steenpatrijs is een middelgrote, stevig gebouwde patrijs met een vrij ronde lichaamsvorm, krachtige poten en een korte snavel. Het verenkleed is warm grijsbruin aan de bovenzijde, met opvallende zwart-witte tekening op de flank. De keel en het gezicht zijn licht van kleur en worden scherp begrensd door een opvallende zwarte rand die doorloopt over de borst. De poten en snavel zijn rood, wat deze soort extra herkenbaar maakt. In vergelijking met andere patrijzen is de steenpatrijs vaak kleurrijker en contrastrijker getekend.
Deze soort leeft in een breed scala aan halfopen en open landschappen, waaronder droge heuvelhellingen, stenige terreinen, akkers, wijngaarden, open bos, boomgaarden, struikvegetaties en graslanden. Ook kleiige, zandige en kalkrijke bodems worden benut. De steenpatrijs vermijdt doorgaans dichte bossen, zeer natte gebieden en uitgesproken droge woestijnachtige streken. In het zuiden van het verspreidingsgebied komt de soort tot ongeveer tweeduizend meter hoogte voor, terwijl in noordelijker delen meestal lager gelegen gebieden worden gebruikt.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit zaden, bladeren en worteldelen. Insecten worden ook gegeten, maar zijn vooral in het late voorjaar en in de zomer belangrijker. Het voedsel wordt meestal op de grond gezocht, waarbij vooral met de snavel in de bodem wordt gegraven. Daardoor kan deze soort zich goed handhaven in droge en structuurrijke landschappen waar plantaardig voedsel ruim beschikbaar is.
Het nest ligt op de grond en wordt meestal goed verborgen tussen vegetatie, vaak beschut door een struik of graspol. Het nest is een ondiepe kuil met een eenvoudige bekleding van plantenmateriaal. Gewoonlijk worden tien tot zestien eieren gelegd. De broedtijd bedraagt ongeveer drieëntwintig tot vierentwintig dagen. De jongen zijn nestvlieders, kunnen al op jonge leeftijd korte stukjes vliegen en bereiken hun volle grootte na ongeveer vijftig tot zestig dagen.
Genus Pavo
Kenmerkend voor Pavo zijn de forse lichaamsbouw, de relatief lange poten en vooral het zeer uitbundige verenkleed van de mannetjes. Deze hebben een glanzend gekleurde hals, een kuif op de kop en sterk verlengde bovendekveren van de staart, die tijdens balts tot een groot waaiervormig pronkscherm worden opgericht. Vrouwtjes zijn kleiner en soberder gekleurd, maar hebben eveneens een elegante bouw en een duidelijke kuif.
Soorten van dit geslacht zoeken hun voedsel vooral op de grond en eten zaden, vruchten, jonge plantendelen, insecten en andere kleine dieren. Het nest wordt doorgaans op de grond aangelegd op een beschutte plaats tussen vegetatie. Pauwen zijn waakzame vogels met krachtige roep en spelen in delen van hun verspreidingsgebied ook een opvallende rol in cultuur, religie en traditionele beeldvorming.
Blauwe Pauw




Blauwe Pauw details
De blauwe pauw is een grote en opvallende hoendervogel uit Zuid-Azië. De soort komt van nature voor op het Indische subcontinent en leeft in open bossen, bosranden, struikgebieden, landbouwgebieden en andere halfopen landschappen, meestal in de nabijheid van water en dekking.
Het mannetje heeft een glanzend blauwgroene hals en borst, een opvallende kuif en zeer sterk verlengde bovendekveren van de staart, die samen het bekende pronkscherm vormen. Het vrouwtje is kleiner, bruiner en minder uitbundig gekleurd, maar heeft eveneens een kuif en een elegante lichaamsbouw. Buiten de broedtijd en tijdens de rui is het pronkverenkleed minder opvallend aanwezig.
De soort zoekt het voedsel vooral op de grond en eet zaden, vruchten, jonge plantendelen, insecten, kleine reptielen en andere kleine dieren. Het nest wordt op de grond aangelegd op een beschutte plaats tussen vegetatie. Binnen het natuurlijke verspreidingsgebied is de blauwe pauw hoofdzakelijk standvogel.
De IUCN-status is LC, oftewel niet bedreigd. De soort heeft een groot verspreidingsgebied en wordt op wereldschaal nog niet als bedreigd beschouwd.
Genus Rollulus
Kenmerkend voor Rollulus is de compacte lichaamsbouw, de korte staart en de uitgesproken kuif. Vooral het mannetje is zeer opvallend, met een donker verenkleed, felrode kuif en contrasterende tekening. Het vrouwtje is overwegend groenachtig en veel soberder gekleurd, maar heeft eveneens een karakteristieke kuif. Door deze duidelijke verschillen tussen de geslachten is het een gemakkelijk herkenbaar geslacht.
Vogels van dit geslacht leven vooral op de bosbodem, waar wordt gezocht naar zaden, vruchten, insecten en andere kleine ongewervelden. Het nest wordt op of vlak boven de grond aangelegd op een beschutte plaats in dichte vegetatie. Door de sterke binding aan oud, vochtig bos zijn ontbossing en versnippering van leefgebied belangrijke risicofactoren voor het voortbestaan van dit geslacht.
Gekuifde bospatrijs

Roelroel details
Het mannetje is zeer karakteristiek met een donker glanzend verenkleed, witte vlekken op de onderdelen en een opvallende rode kuif. Het vrouwtje is overwegend groen gekleurd met een zachtere tekening en eveneens een duidelijke kuif. Door deze sterke verschillen tussen beide geslachten is de soort gemakkelijk van veel andere fazantachtigen te onderscheiden.
Het voedsel bestaat uit zaden, vruchten, jonge plantendelen, insecten en andere kleine ongewervelden die op de bosbodem worden gezocht. Het nest wordt op of vlak boven de grond aangelegd op een beschutte plaats in dichte vegetatie. Binnen het verspreidingsgebied is de soort hoofdzakelijk standvogel.
De roelroel is sterk afhankelijk van goed ontwikkeld tropisch bos. Ontbossing, versnippering van leefgebied en jachtdruk vormen daarom belangrijke bedreigingen voor deze soort.