Ganzen zijn overwegend herbivoor, met een voorkeur voor gras, wortels en knollen, en ze zijn uitstekend aangepast aan zowel aquatische als terrestrische leefomgevingen. Ganzen hebben een robuust lichaam, krachtige snavel met tandachtige randen, lange nek en sterke poten die hen in staat stellen om effectief te grazen op land. Veel soorten zijn uitgesproken trekvogels, die jaarlijks duizenden kilometers afleggen tussen broedgebieden in het hoge noorden en overwinteringsgebieden in gematigde of subtropische zones. Hun sociale gedrag is sterk ontwikkeld; ze leven vaak in paren of familiegroepen en communiceren met luide, herkenbare roepgeluiden.
Tot de bekendste geslachten behoren Anser (grijze ganzen) en Branta (zwarte ganzen), met soorten als de kolgans, grauwe gans, brandgans en rotgans. Ganzen spelen ecologisch een belangrijke rol in het open landschap, maar ook cultureel en economisch zijn ze van betekenis voor de mens — van veeteelt tot jacht en natuurbescherming.
Foto’s © Jan Dolphijn
Klik hier – Familie Plectropterus
Spoorwiekgans


Klik hier voor Spoorwiekgans details
De spoorwiekgans is gedeeltelijk trekvogel en maakt seizoensgebonden verplaatsingen van enkele honderden kilometers die samenhangen met de beschikbaarheid van water. De broedperiode valt tijdens of tegen het einde van het regenseizoen en vindt meestal plaats in solitaire paren, terwijl foerageren in deze periode ook in kleine groepen kan voorkomen. Na het broeden, aan het begin van het droge seizoen, verzamelen groepen zich om een ruiperiode door te maken waarin tijdelijk niet gevlogen kan worden, met een duur van ongeveer zes tot zeven weken, waarbij mannetjes doorgaans eerder ruien dan vrouwtjes. In die fase worden vaak groepen tot circa vijftig vogels gezien en soms grotere concentraties, terwijl in de winter vaker overdag wordt gerust en vooral vroeg in de ochtend, tegen de avond of ’s nachts wordt gegeten, met geregeld rusten of overnachten in bomen.
De spoorwiekgans geldt als de grootste Afrikaanse watervogel en behoort gemiddeld tot de grootste “ganzen” ter wereld. Het verenkleed is overwegend zwart met een witte kop en opvallende grote witte vleugelvlekken, en de lange poten zijn vleeskleurig. Bij de nominaatvorm Plectropterus gambensis gambensis is het wit op buik en flanken uitgebreid, terwijl de zuidelijk van de Zambezi voorkomende ondersoort Plectropterus gambensis niger kleiner is en slechts een beperkte witte buikvlek heeft. Het mannetje verschilt van het vrouwtje door de grotere lichaamsomvang en door een grotere rode gezichtsvlek die vanaf de rode snavel verder naar achteren doorloopt, vaak met een knobbel aan de basis van de bovensnavel. De soort is overwegend stil, maar kan in vlucht een dun fluitje laten horen.
Het leefgebied bestaat uit seizoensgebonden en permanente wetlands nabij graslanden of akkerland, waaronder meren, rivieren, binnenlandse delta’s, moerassen, swamps, overstroomde graslanden, weiden, reservoirs, landbouwbekkens en waterzuiveringsinstallaties. Gebieden met opkomende en oevervegetatie en met verspreid staande bomen worden vaak benut, terwijl tijdens de rui vooral locaties met open oevers, eilanden en zandbanken worden opgezocht en zoute meren en hooggelegen gebieden doorgaans worden gemeden.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit plantaardig materiaal, zoals groene delen en zaden van grassen, zeggen en waterplanten, aangevuld met landbouwgraan, vruchten zoals vijgen en knolgewassen zoals zoete aardappel, terwijl soms ook kleine vis of insecten worden genomen.
De voortplanting vindt bij voorkeur plaats in holle bomen, boomholtes of verlaten nesten van andere boomnestelende soorten, zoals de hamerkop (Scopus umbretta), de Afrikaanse zeearend (Haliaeetus vocifer) of de sociable weaver (Philetairus socius), vaak in bomen van enkele meters hoog. Wanneer geschikte boomlocaties ontbreken, worden ook nestplaatsen op de grond gebruikt, bijvoorbeeld in lang gras of riet nabij water, in rotsholtes, in holtes in termietenheuvels of zelfs in aardvarkholen (Orycteropus afer). De start van het broedseizoen ligt vaak tegen het einde van de regentijd, met regionale verschillen zoals september tot januari in Zuid-Afrika en vooral januari tot maart in Zambia. Het legsel telt doorgaans 6–14 eieren en de broedduur bedraagt ongeveer 30–33 dagen, vooral uitgevoerd door het vrouwtje, terwijl de jongen na circa tien weken uitvliegen en meestal voornamelijk door het vrouwtje worden begeleid, met soms een grotere rol van het mannetje in delen van Oost-Afrika. Bij de spoorwiekgans kan ook nestparasitering voorkomen, waarbij eieren in nesten van soortgenoten worden gelegd.
In delen van het verspreidingsgebied bestaat druk door ongecontroleerde jacht, waarbij afnames onder meer in Botswana in verband zijn gebracht met jacht buiten beschermde gebieden, en daarnaast vindt bejaging en handel plaats voor traditionele medicijnmarkten, bijvoorbeeld in Nigeria.
Klik hier – Familie Plectropterus
De verspreiding van Branta ligt vooral in de noordelijke kustregio’s van het Palearctisch gebied en in grote delen van Noord-Amerika. Veel soorten broeden hoog in het noorden en trekken in de winter naar zuidelijker kustgebieden, estuaria en graslanden waar voedsel beschikbaar blijft. Een opvallende uitzondering vormt de Hawaiigans, die op de Hawaiiaanse eilanden als standvogel voorkomt en daarmee laat zien hoe flexibel dit genus in de loop van de evolutie kan zijn geweest, zeker op eilanden waar roofdruk en habitat anders zijn dan op het vasteland.
In de zuidelijke hemisfeer bestaat daarnaast een zichzelf in stand houdende verwilderde populatie in Nieuw-Zeeland, die is ontstaan uit geïntroduceerde vogels van één soort. Dat is ecologisch interessant omdat het laat zien dat Branta, mits de omstandigheden gunstig zijn, ook buiten het natuurlijke verspreidingsgebied levensvatbare populaties kan opbouwen, al blijft dat een uitzondering op het overwegend noordelijke karakter van het genus.
Branta is ook vanuit historisch en paleontologisch perspectief boeiend. Op de Hawaiiaanse eilanden zijn subfossiele resten gevonden van een soort die in de prehistorie is uitgestorven, wat onderstreept dat er ooit meer diversiteit was dan we nu nog in levende soorten terugzien. Daarnaast zijn er aanwijzingen voor nog andere, zeer bijzondere prehistorische vormen op Hawaii, waaronder een extreem grote en vermoedelijk niet-vliegende vogel die voorlopig aan dit genus wordt gekoppeld omdat hij in meerdere kenmerken afwijkend en “eilandachtig” oogt. Het beeld dat op elke grotere Hawaiiaanse eilandgroep ooit minstens één Branta-vorm voorkwam, suggereert dat er mogelijk nog meer onontdekte of onbeschreven soorten zijn geweest, zeker als niet alle eilanden even intensief op resten zijn onderzocht.
Ook de verwantschappen van sommige fossiele of raadselachtige vormen zijn niet volledig opgehelderd. Er zijn prehistorische resten bekend van een vorm waarvan slechts fragmenten van één skelet zijn gevonden, beschadigd en geconserveerd in omstandigheden die passen bij een vulkanische context. Voor zulke vondsten is het lastig om harde conclusies te trekken, omdat je met weinig materiaal moet werken en sommige kenmerken door beschadiging of incompleetheid moeilijk te interpreteren zijn. Daardoor blijft het bij enkele fossiele taxa onduidelijk of ze het beste bij Branta passen, of dat er mogelijk verwantschap is met andere groepen watervogels, waarbij vergelijkingen soms worden bemoeilijkt door convergente kenmerken die op eilanden of in vergelijkbare niches kunnen ontstaan.
Er zijn meerdere fossiele soorten van Branta beschreven, maar bij ganzen is het determineren op basis van botkenmerken vaak lastig omdat de “echte ganzen” anatomisch relatief op elkaar kunnen lijken. Daardoor is het niet altijd zeker of elk fossiel dat aan Branta is toegeschreven ook echt in dit genus thuishoort. In Noord-Amerika zijn bovendien ook prehistorische “grijze ganzen” beschreven die mogelijk tot Anser behoren, en in sommige vindplaatsen lijken resten van Anser-achtige ganzen en Branta-achtige ganzen door elkaar te liggen. Dat roept interessante vragen op over hoe wijd Anser vroeger verspreid was en in hoeverre beide genera in het verleden naast elkaar in dezelfde zoetwater- of kusthabitats voorkwamen. Bij enkele fossiele namen is daarom expliciet twijfel geuit over de juiste toewijzing aan het genus, wat laat zien dat het beeld nog in beweging is en dat nieuwe vondsten of heranalyses tot herindelingen kunnen leiden.
Samengevat is Branta een genus dat in het heden vooral bekend is van arctische broedgebieden, grote trekbewegingen en overwinterende groepen langs kusten en graslanden, maar dat in het verleden waarschijnlijk een bredere en gevarieerdere geschiedenis heeft gehad, met eilandvormen, uitstervingen en fossiele puzzelstukken die nog niet allemaal netjes op hun plek liggen.
Brandgans







Klik hier voor Brandgans details
De brandgans heeft een overwegend Euraziatische verspreiding en broedt vooral in het hoge noorden. In de winter trekt een groot deel van de vogels naar Noordwest-Europa, met belangrijke wintergebieden in onder meer Schotland en Ierland en langs de oostkust van de Noordzee, waaronder Nederland. Af en toe worden ook verder zuidelijke of afwijkende overwinteringen gemeld, en zeldzame dwaalgasten kunnen zelfs buiten het normale areaal opduiken. De trek begint bij de belangrijkste populaties vaak eind augustus of begin september. Opvallend is dat er meerdere hoofdpopulaties bestaan die in grote lijnen hun eigen routes en wintergebieden aanhouden, waardoor je in verschillende delen van West-Europa vaak vooral “hun” groep terugziet.
Uiterlijk is de brandgans een kleine, compacte gans die gemakkelijk te herkennen is aan de zwarte hals en borst, de helder witte kop en het grijs gestreepte of gebandeerde rugpatroon. De onderzijde oogt relatief licht, wat een sterk contrast geeft met het donkere voorstuk. Soms wordt hij oppervlakkig vergeleken met de Canadese gans, maar die is duidelijk groter, heeft een langere hals en mist de combinatie van een witte kop met een zwarte borst. De brandgans heeft bovendien een relatief kleine, driehoekige zwarte snavel, zwarte poten en een witte stuit. In vlucht ogen de vleugels breed en het contrastrijke zwart-wit patroon blijft vaak goed zichtbaar, ook op grotere afstand.
Binnen Europa worden doorgaans drie hoofdpopulaties onderscheiden. Er is een populatie die in Groenland broedt en vooral in Ierland en noordwestelijk Schotland overwintert. Een tweede broedt op Spitsbergen en overwintert vooral in zuidwestelijk Schotland. Een derde, grotere populatie broedt langs arctische kusten van Rusland en bij Nova Zembla en overwintert vooral in noordelijk Duitsland en Nederland. Sinds de jaren zeventig is de soort daarnaast ook als broedvogel in het Baltische gebied gevestigd, met broedplaatsen in onder meer Zweden, Finland en Estland. Al deze populaties zijn sinds de tweede helft van de twintigste eeuw duidelijk gegroeid, wat doorgaans wordt gekoppeld aan betere bescherming van leefgebieden en afgenomen jachtdruk.
In de zomer houdt de brandgans zich in arctische gebieden vaak op bij kliffen en rotshellingen of in ruige toendra-omgevingen, waar nestplaatsen relatief veilig kunnen zijn. In de winter zie je hem juist in natte graslanden, overstroomde weiden, kustmoerassen en in de omgeving van zeearmen, baaien en slikken. Bij laagwater benut hij ook getijdengebieden en modderplaten, maar hij trekt graag naar grasrijke zones in de kuststrook waar regelmatig water overheen komt en waar voedsel dicht bij elkaar staat.
Het voedsel is hoofdzakelijk plantaardig. Gras vormt het belangrijkste deel van het menu. In de zomer worden daarnaast ook scheuten van kust- en zeeplanten gegeten, afhankelijk van wat lokaal groeit. In de winter, wanneer gras minder dicht of minder toegankelijk kan zijn, kan de brandgans ook zeewieren benutten en daarnaast geregeld kleine dierlijke aanvullingen meenemen, zoals waterinsecten, weekdieren en schelpdieren. De soort foerageert overdag en kiest vaak het liefst voor graslanden in de kustzone die periodiek onder water lopen; als die niet beschikbaar zijn wijkt hij uit naar meer landinwaarts gelegen weiden achter de zeedijk of duinrand.
Het broedseizoen begint kort na terugkeer in het arctische broedgebied. Tijdens balts en paarvorming zijn opvallende houdingen te zien, met springen, het strekken van de hals en het klapperen met de vleugels, vaak begeleid door luid roepen. Veel vogels vormen langdurige paren en sommige blijven hun partner meerdere jaren trouw. Brandganzen broeden vaak in kolonies. Het nest wordt gemaakt van plantaardig materiaal en ruim bekleed met dons. Het kan liggen op een klifrichel, op een eilandje dicht bij de kust of direct op de toendra. Soms ligt een nestplek in de buurt van zeevogels, wat extra veiligheid kan geven door gezamenlijke waakzaamheid. Het vrouwtje legt meestal drie tot vijf eieren en broedt ongeveer 24 tot 25 dagen, terwijl het mannetje in de buurt waakt. De kuikens zijn na het uitkomen direct actief en ontwikkelen zich snel; ze kunnen meestal na ongeveer 40 tot 45 dagen vliegen. Het gezin blijft daarna vaak als groep bij elkaar, zowel tijdens de trek als in de winter, waardoor je in overwinteringsgebieden regelmatig hechte familiegroepjes ziet die samen foerageren en rusten.
De wetenschappelijke naam is Branta leucopsis (Bechstein, 1803). De Engelstalige naam is Barnacle Goose.
Rotgans





Klik hier voor Rotgans details
De rotgans komt wijd verspreid voor in Noord-Amerika en Eurazië en is vooral een uitgesproken kustsoort. De Europese wintervogels zijn onderdeel van een grote, volledig trekkende populatie die broedt in de Russische toendra. Deze vogels vertrekken doorgaans van half augustus tot in de eerste week van september. De belangrijkste route loopt westwaarts langs arctische kusten richting de Witte Zee en vervolgens over land naar de Golf van Finland en de Botnische Golf. De doortrek door het Baltische gebied valt vooral van half september tot begin oktober. De eerste vogels bereiken Denemarken vaak eind september, maar de grootste aantallen volgen in oktober. Sommige rotganzen blijven nog een tijd in Denemarken en West-Duitsland en trekken pas verder bij kouder weer, terwijl andere direct doorvliegen naar wintergebieden in Nederland, Zuidoost-Engeland en West-Frankrijk, waar de hoogste aantallen meestal tussen december en februari worden gezien. De voorjaarstrek begint al vroeg in maart; de meeste vogels verlaten Engeland en Frankrijk tegen half april. Daarna ontstaan vaak grotere verzamelingen in Nederland, Denemarken en West-Duitsland, tot de hoofduittocht in mei, met daarna nog slechts achterblijvers tot in juni.
Uiterlijk lijkt de rotgans oppervlakkig op een Canadese gans, maar hij is duidelijk kleiner en donkerder. Volwassen vogels hebben een grijze buik en borst, een witte stuit en een zwarte hals en kop. Op de hals zit een smalle witte “ketting” of halsvlek, en in tegenstelling tot de Canadese gans ontbreekt een witte kinband. In vlucht vallen de snelle, directe vlucht en de relatief ver naar achteren gehouden vleugels op. Rotganzen worden meestal in compacte groepen gezien en ze staan bekend om hun trouw aan vaste winter- en broedgebieden, waardoor dezelfde plekken vaak jarenlang door dezelfde populaties worden gebruikt.
In Europa is de rotgans een zeldzame broedvogel in het hoge arctische gebied, maar als wintervogel is hij juist sterk vertegenwoordigd langs de kusten van West-Europa. De Europese winterpopulatie is groot en nam in de late twintigste eeuw toe, al waren er ook periodes en deelpopulaties met afnames. Binnen het brede geheel zijn verschillende populaties te onderscheiden die in verschillende gebieden broeden en overwinteren. Een deel bestaat uit relatief lichtbuikige vogels die in Groenland en noordelijk Canada broeden en vooral in Ierland overwinteren. Een kleinere groep broedt op Spitsbergen en overwintert in Denemarken en noordoostelijk Engeland. De grootste groep bestaat uit donkerbuikige vogels die langs Russische arctische kusten broeden en vooral overwinteren in Denemarken, Duitsland, Nederland, Zuidwest-Engeland en Frankrijk. In de geschiedenis zijn er sterke schommelingen geweest, onder meer door ziektes die zeegrasvelden aantastten, waarna herstel in verschillende fasen heeft plaatsgevonden.
Het leefgebied is bijna volledig aan de kust gebonden. Rotganzen worden vooral gevonden in ondiepe baaien, zeearmen en zoutwatermoerassen. Ze foerageren wadend en “dobberend” in ondiep water, maar ook lopend op slikken en langs de kustlijn. Broeden doen ze in natte, kustgebonden toendra van het hoge Noordpoolgebied. In de winter hangt hun aanwezigheid sterk samen met het voorkomen van zeegrassen en mariene algen, omdat die de kern vormen van hun voedselbasis en daarmee ook hun verspreiding in de winter sturen.
Het voedsel bestond historisch bijna volledig uit zeegras, en dat blijft sterk de voorkeur houden waar het beschikbaar is. Wanneer zeegras schaars is, kunnen rotganzen uitwijken naar graslanden en andere vegetatie en zo hun dieet verbreden, al blijft de soort in zijn verspreiding sterk gekoppeld aan kustgebieden waar zeegras of vergelijkbaar voedsel te vinden is. Naast plantenmateriaal worden ook kleine watergebonden ongewervelden gegeten, maar dat blijft meestal een aanvulling op het overwegend vegetarische dieet.
Rotganzen vormen vaak langdurige paarbanden, die al op de wintergronden kunnen ontstaan. In het broedgebied nestelen ze in losse kolonies, vaak op kleine eilandjes in toendrapoelen, doorgaans binnen enkele kilometers van de kust. Het nest is een ondiepe kom van gras en andere vegetatie, rijk bekleed met dons. Het vrouwtje broedt meestal drie tot vijf eieren uit in ongeveer 22 tot 24 dagen. De kuikens verlaten het nest al binnen een dag na uitkomen en worden daarna door beide ouders begeleid naar voedselrijke plekken. Door de lange zomerdagen in het arctische gebied kunnen de jongen vrijwel continu foerageren, groeien ze snel en vliegen ze doorgaans uit na ongeveer 40 tot 50 dagen. Daarna blijven ze vaak nog bij de ouders, ook tijdens de eerste trek, waardoor familiegroepen in najaar en winter herkenbaar als hechte eenheden kunnen optreden.
De wetenschappelijke naam is Branta bernicla (Linnaeus, 1758). De Engelstalige naam is Brant Goose.
Roodhalsgans

Klik hier voor Roodhalsgans details
De roodhalsgans broedt in de arctische toendra van noordelijk Rusland, vooral op de schiereilanden Tajmyr, Gydan en Jamal. Een groot deel van de broedpopulatie bevindt zich in Tajmyr, met de rest vooral in Gydan en Jamal. Mogelijk broeden kleine aantallen ook westelijker, maar dat lijkt geen groot aandeel van de totale populatie te zijn. Buiten de broedtijd is het een uitgesproken trekvogel die lange, relatief smalle trekcorridors kan volgen en daarbij vaste pleisterplaatsen gebruikt.
De voorjaarstrek start meestal in maart. Vanuit de broedgebieden trekken de vogels zuidwaarts door een corridor van ongeveer 100 tot 150 kilometer breed, met een reeks belangrijke tussenstops. Een eerste grote pleisterplaats ligt bij de overstromingsvlakten van de Ob rond de poolcirkel. Daarna volgen pleistergebieden verder stroomafwaarts aan de Ob, onder meer in de omgeving van Chanto-Mansiejsk, en soms ook tussen Surgut en de rivier de Vach. Vervolgens schuift de trek zuidwestwaarts over de West-Siberische laagvlakte richting de Kazachse hooglanden, waar een belangrijk pleistergebied ligt in de bossteppe en rond stroomgebieden en waterscheidingen van meerdere rivieren. Daarna gaat de route door richting de Manytsj-vallei in Rusland. Een deel kan onderweg kort bij de Zee van Azov stoppen, en sommige vogels kunnen in de winter zelfs aan de noordelijke Zwarte Zeekust in Oekraïne blijven, maar het zwaartepunt van de overwintering ligt vooral in Bulgarije en Roemenië.
In mei bereikt een groot deel van de vogels de Kazachse pleistergebieden en begin juni komen ze aan in het arctische broedgebied, ongeveer wanneer de toendra begint te ontdooien. De najaarstrek start meestal rond half september. Eind september bereiken veel vogels Kazachstan; een klein deel kan verder naar het Aralmeer trekken, maar de meerderheid gaat opnieuw zuidwestwaarts richting de Kaspische regio. Er zijn ook overwinteringen gemeld aan de Kaspische kust, onder meer in Azerbeidzjan, en sommige individuen trekken nog verder door naar Iran en Irak. Toch concentreert het grootste deel zich in oktober en november aan de westelijke Zwarte Zeekust, waar roodhalsganzen vaak tussen kolganzen te vinden zijn. Kleine aantallen kunnen doorstoten naar Griekenland, en zeer kleine aantallen duiken incidenteel op in uiteenlopende landen ver buiten het kerngebied.
Uiterlijk is de roodhalsgans vrijwel onmiskenbaar door de combinatie van kastanjerood, zwart en wit. De voorhals, borst en zijkanten van de kop zijn kastanjerood en worden scherp begrensd door witte randen, wat de soort een sterk “gemaskerd” uiterlijk geeft. Er is een duidelijke witte flankstreep, een zwarte buik en een zwarte staart, met een lichtere achterbuik. Jonge vogels zijn doorgaans doffer en minder contrastrijk. In vlucht vallen de korte nek en de donkere buik extra op. Toch kan de soort in grote gemengde ganzenkuddes verrassend lastig te ontdekken zijn, juist omdat hij klein is en zich tussen grotere ganzen kan “verstoppen”. De roep is een herhaalde, schokkerige klank die vooral in vlucht te horen is.
De winterverschuiving in de verspreiding is opvallend. Vóór 1950 lagen belangrijke wintergebieden vooral aan de zuidelijke kusten van de Kaspische Zee. In de loop van de twintigste eeuw verschoof een groot deel van de overwintering naar Zuidoost-Europa, met kerngebieden in Bulgarije en Roemenië. Tegenwoordig liggen de belangrijkste winterplekken aan en nabij de westelijke Zwarte Zeekust, waaronder gebieden met meren, lagunes, delta’s en het achterliggende plateau- en steppeachtige agrarische landschap. In sommige winters overwinterde een zeer groot deel van de wereldpopulatie in Bulgarije. De soort gebruikt in de winter vaak akkerland voor voedsel en vliegt vervolgens naar veilige wateren om te drinken en om te slapen, soms op meren en bij hoge verstoringsdruk zelfs op zee, zolang het water rustig is.
Het leefgebied in de broedtijd bestaat vooral uit toendra, soms ook open delen van struiktoendra, waarbij de soort graag hoge en droge plekken kiest op steile rivieroevers, rotsige hellingen, lage rotsrichels of geulen. De dekking is vaak dun en kan bestaan uit dwergberk, wilg of dode grassen. Het is gunstig wanneer er water in de buurt is, omdat dat jonge vogels een vluchtplek biedt. Opvallend is dat nestplaatsen in de buurt van roofvogelnesten of grote meeuwen gunstig kunnen uitpakken, omdat die aanwezigheid predatie door poolvossen kan verminderen. Tijdens de trek worden steppeachtige habitats gebruikt, en in de winter is het voedsellandschap vaak agrarisch, met graanakkers en graslanden als hoofdbron, gekoppeld aan veilige slaap- en drinkplaatsen op water.
Het voedsel verschuift met het seizoen. In het broedgebied bestaan veel maaltijden uit grasbladeren en scheuten, waaronder katoen- of wollegras. Tijdens de trek kunnen ook knollen en wortelstokken worden benut in steppehabitat. Historisch, toen de soort meer aan de Kaspische kust overwinterde, werd veel gegeten van zoutplanten op slikken en van steppevegetatie en stoppelvelden. Door verlies van natuurlijke winterhabitat is de soort in veel gebieden sterker aangewezen geraakt op landbouwgewassen langs de Zwarte Zeekust, zoals wintertarwe, gerst, maïs, grasland en gemorst graan. In het vroege voorjaar kunnen ook jonge grasscheuten in geploegde velden belangrijk worden, en daarnaast worden verschillende water- en oeverplanten en zaden meegenomen wanneer die beschikbaar zijn.
In het broedgebied arriveren roodhalsganzen begin juni en nestelen ze vaak in kleine kolonies van gemiddeld enkele paren. De eileg start meestal in de tweede helft van juni. Een legsel kan variëren, maar ligt vaak rond vier tot vijf eieren. De incubatie duurt ongeveer 25 dagen en de jongen hebben daarna grofweg vijf tot zes weken nodig tot ze kunnen vliegen. Verlies van legsels blijft in veel jaren beperkt, maar broedsucces kan sterk wisselen. Klimaat, predatie en de conditie waarmee vogels het broedgebied bereiken spelen allemaal mee. Poolvossen zijn belangrijke predatoren, waarbij de predatiedruk ook samenhangt met cycli in lemmingstand, omdat dat het hoofdvoedsel van vossen is. Nesten in de buurt van slechtvalken, ruigpootbuizerds of meeuwen kunnen extra bescherming opleveren, en er is waargenomen dat zulke “beschermde” buurtschappen samenhangen met betere gemiddelde broedresultaten.
Canadese gans







Klik hier voor Canadese gans details
In Noord-Amerika is de Canadese gans wijdverspreid en de trek begint in het voorjaar in de late winter, waarbij noordwaarts langzaam wordt opgeschoven langs de voortschrijdende smeltende sneeuw en onderweg meerdere foerageerstops worden gemaakt om reserves op te bouwen. In de herfst start de trek wanneer water en bodem in het broedgebied beginnen te bevriezen en verloopt de verplaatsing naar overwinteringsgebieden vaak sneller dan in het voorjaar, met bij sommige populaties zeer grote afstanden in korte tijd. Naast de jaarlijkse trek kan ook een ruigerichte “rui-trek” voorkomen, omdat de slagpennen in één keer worden vervangen en gedurende vier tot vijf weken niet kan worden gevlogen, waardoor gebieden met veel open water en eiwitrijk voedsel belangrijk zijn; niet-broedende vogels ondernemen zulke verplaatsingen vaak tussen eind mei en begin juni, terwijl succesvolle broedvogels later ruien en bij de jongen blijven. Verwilderde populaties zijn in veel gebieden grotendeels standvastig.
De Canadese gans is goed herkenbaar aan de zwarte kop, de witte wangvlekken en de lange zwarte hals, maar het soortcomplex kent meerdere ondersoorten die regionaal sterk kunnen verschillen in formaat en verhoudingen. Binnen het geheel varieert het lichaamsgewicht grofweg van zeer kleine vormen rond circa 1,1 kg tot zeer grote vormen die tot ongeveer 8 kg kunnen wegen, en de spanwijdte kan uiteenlopen van ongeveer 90 cm tot circa 2 meter. De onderzijde kan licht parelgrijs, kastanjebruin of zelfs donkerbruin zijn, terwijl verschillen in halslengte, lichaamsvorm en houding eveneens kenmerkend zijn, waarbij grotere vogels gemiddeld een langere hals en een meer langgerekt lichaam hebben. Pas uitgekomen jongen hebben geel tot olijfkleurig dons dat in de eerste weken donkerder en grijzer wordt, waarna veren het dons geleidelijk vervangen en jonge vogels tegen het einde van de zomer in uiterlijk vrijwel niet meer van volwassen vogels te onderscheiden zijn; mannetjes en vrouwtjes lijken vervolgens het hele jaar sterk op elkaar.
De soort is in Europa geïntroduceerd, met vestiging in Engeland sinds het midden van de zeventiende eeuw en in Zweden sinds 1933, waarna uitbreiding volgde naar onder meer noordelijk Frankrijk, België, Nederland en Duitsland. Binnen de Europese Unie wordt een aanzienlijke broedpopulatie genoemd, terwijl de soort in veel gebieden als overlastgevend wordt beschouwd en desondanks lokaal nog steeds in nieuwe gebieden is uitgezet.
De Canadese gans benut vrijwel alle typen wetlands, van kleine plassen tot grote meren en rivieren, maar brengt minstens zoveel tijd op land door als op water. Het broedhabitat is breed en omvat laaggelegen gebieden met natte graslanden en veel plassen en meren die dekking bieden tegen landpredatoren, maar ook de boomloze toendra van het Arctisch gebied, open boreaal bos met verspreide naaldbomen en tal van door mensen beïnvloede plekken zoals stadsparken en golfbanen. In herfst en winter worden landbouwgebieden met grote akkers van graan en andere gewassen vaak verkozen, omdat daar veel voedsel beschikbaar is en de openheid relatief veilig kan zijn.
Het voedsel wordt grotendeels op land gezocht en bestaat in voorjaar en zomer vooral uit bladeren van grassen, aangevuld met een brede reeks plantaardige delen zoals bladeren, bloemen, stengels, wortels, zaden en bessen. Er worden grote hoeveelheden voedsel opgenomen om voldoende voedingsstoffen te verkrijgen en langdurig foerageren gedurende de dag is gebruikelijk. In de winter worden akkers met gemorste maïs, haver, soja en andere gewassen vaak benut, waarbij ’s ochtends en laat in de middag intensief wordt gegeten en de rest van de dag regelmatig rustend op een meer of brede rivier wordt doorgebracht; ook gazons in parken en op golfbanen worden begraasd. Voor broedende vrouwtjes is de periode vóór vertrek naar noordelijke broedgebieden energetisch zwaar, doordat vet- en eiwitreserves nodig zijn voor de trek, de eileg en het volhouden van de broedperiode.
De voortplanting start relatief vroeg in het seizoen, zodat de eieren uitkomen wanneer de planten die voor de jongen belangrijk zijn hun hoogste voedingswaarde hebben en er voldoende tijd overblijft om voor de winter naar het zuiden te trekken. In gematigde streken kan nestbouw al vanaf half maart plaatsvinden wanneer omstandigheden gunstig zijn, terwijl noordelijke broedvogels doorgaans later arriveren, vaak eind april of begin mei en nog later in het Arctisch gebied. Het eerste broeden vindt meestal pas plaats op twee- of driejarige leeftijd, hoewel incidenteel al op éénjarige leeftijd wordt gebroed. Een legsel bestaat vaak uit vijf tot zeven eieren, met grotere legsels bij oudere, ervaren vogels, en de broedduur bedraagt ongeveer 25 tot 28 dagen, waarbij het vrouwtje het grootste deel van de incubatie verzorgt en het mannetje waakzaam in de omgeving blijft en bij dreiging actief mee verdedigt.
Nestplaatsen liggen meestal dicht bij water en vaak op eilanden, waarbij locaties worden gekozen die enige beschutting tegen wind bieden en tegelijk een goed zicht geven op naderende predatoren. Broedtrouw is sterk ontwikkeld, waarbij vrouwtjes vaak terugkeren naar het gebied waar ook de oudervogels broedden en nestplaatsen regelmatig jaar op jaar opnieuw worden gebruikt. Kort na het uitkomen verlaten families het nest en leggen soms meerdere kilometers af naar opgroeigebieden, waarna jonge ganzen vanaf het begin vooral grassen en zeggen eten in graslanden en langs oevers. Familiegroepen blijven hecht bij elkaar met een vaste rolverdeling, waarbij de groep als eenheid optreedt en bij ontmoetingen met andere families dreighoudingen en luidruchtig gedrag kunnen ontstaan, terwijl de uitkomst van conflicten vaak samenhangt met het aantal jongen binnen de familie. Na ongeveer zes tot negen weken, afhankelijk van ondersoort, kunnen de jongen vliegen en trekken families later samen in grotere groepen, soms in kustgebieden, waarbij in noordelijke gebieden bessen en vetopbouw voorafgaand aan de najaarstrek belangrijk kunnen zijn en de laatste vogels in sommige regio’s tot begin oktober aanwezig blijven.
Kleine Canadese Gans

Klik hier voor Kleine Canadese gans details
De kleine Canadese gans is een Noord-Amerikaanse soort die vooral in arctische en subarctische gebieden broedt en in de winter naar zuidelijkere gebieden trekt. Het is een uitgesproken langeafstandstrekker die doorgaans vrij directe, traditionele vliegroutes gebruikt tussen broedgebieden in het noorden en wintergebieden in onder meer de Pacifische Noordwestkust, Californië en de Golfkust van Texas. De voorjaarstrek kan al eind januari op gang komen en verloopt vaak met tussenstops op vaste pleisterplaatsen om reserves aan te vullen voordat de vogels het broedgebied bereiken. De najaarstrek start vaak eind augustus. Vluchten kunnen in één lange etappe plaatsvinden of in meerdere sprongen. Bij slecht weer kunnen groepen zelfs tijdelijk “terugtrekken” naar een eerder gebruikt tussenstation, wat laat zien hoe flexibel ze onderweg inspelen op omstandigheden.
Tijdens de trek bestaan groepen uit familiegroepjes en losse individuen. De groepsgrootte varieert en hangt ook samen met welke ondersoort het betreft. In vlucht zie je vaak de typische V-formatie. Trekvluchten beginnen geregeld in de schemering, maar kunnen op elk moment van de dag plaatsvinden. Meestal vliegen ze op relatief lage hoogte, grofweg enkele honderden tot circa duizend meter, en ze kunnen lange tijd een stevige kruissnelheid aanhouden. In de winter trekken verschillende ondersoorten vaak samen op en mengen ze zich bovendien regelmatig met (gewone) Canadese ganzen, wat het herkennen in gemengde groepen extra uitdagend kan maken.
Uiterlijk lijken kleine Canadese ganzen sterk op Canadese ganzen: een gemarmerd grijsbruin lichaam, zwarte poten, een zwarte staart, en een zwarte hals en kop met de kenmerkende witte “kinband” die van oor tot oor loopt. Vaak is er ook een witte band bij de stuit zichtbaar. Sommige vogels tonen daarnaast een lichte witte kraag aan de basis van de hals, en soms zie je ook een donkere streep die de witte wangvlekken deels kan “doorsnijden”. Het betrouwbaarste onderscheid met de Canadese gans zit meestal in de combinatie van formaat, snavelvorm en stem. Kleine Canadese ganzen zijn gemiddeld duidelijk kleiner en compacter gebouwd, met een relatief kortere, stomper ogende snavel en een hoger klinkende, scherpere roep. Alleen op grootte letten kan lastig zijn, omdat de grootste ondersoorten van de kleine Canadese gans kunnen overlappen met de kleinste ondersoorten van de Canadese gans.
In vlucht kan de halslengte helpen, omdat kleine Canadese ganzen vaak een kortere, “ingetrokken” hals indruk geven dan Canadese ganzen. Dat blijft wel een lastig kenmerk, omdat ganzen hun hals kunnen strekken of juist intrekken afhankelijk van gedrag en situatie. Door het kleinere formaat valt bij sommige kleine Canadese ganzen ook een relatief snellere vleugelslag op en lijken de vleugels in verhouding wat langer ten opzichte van het lichaam, wat vooral bij compacte, kleine vogels een bruikbaar veldbeeld kan geven.
Qua leefgebied zijn ze in de broedtijd in de toendra bijna altijd in de buurt van water te vinden. In de winter en tijdens de trek gebruiken ze een breed scala aan natte en halfnatte gebieden, zoals meren, rivieren en moerassen in het binnenland, maar ook kustgebonden zoutmoerassen, baaien en getijdenplaten. Daarnaast foerageren ze graag op brakke plassen, graslanden, weilanden en akkers, en ook in stedelijke en suburbane parken met grote grasvelden dicht bij water kunnen ze zich langdurig ophouden, zeker waar rust, gras en open water samenkomen.
Het voedsel is overwegend plantaardig. In het broedgebied eten ze vooral grassen, zeggen en bessen. In de periode vóór de najaarstrek verschuift het dieet vaak naar voedsel dat helpt om vetreserves op te bouwen, zoals zaden van zeggen en bessen. In wintergebieden foerageren ze veel op gras en landbouwgewassen, bijvoorbeeld wintertarwe, luzerne en gerst. Ze grazen vaak lopend op land, maar kunnen ook waterplanten benutten door te “kantelen” in ondiep water, waarbij de lange hals en het vermogen om voorover te duiken helpen om ondergedoken vegetatie te bereiken.
De kleine Canadese gans is in de trek- en winterperiode sterk groepsgericht en kan in grote concentraties foerageren, vaak gemengd met Canadese ganzen. Naarmate het broedseizoen nadert, valt dat groepsgedrag deels uiteen en verlaten paren de grotere groepen om nestplaatsen te zoeken. In de broedtijd verdedigen ze hun territorium met dreighoudingen en gevechten, zeker wanneer andere ganzen te dicht bij nest of kuikens komen.
De soort vormt meestal monogame, langdurige paarbanden, vaak vanaf het tweede levensjaar. De verschillende ondersoorten keren doorgaans jaar na jaar terug naar dezelfde broedgebieden. Het vrouwtje kiest de nestplek, vaak een iets verhoogde locatie met goed overzicht, dicht bij de rand van een poel of stroompje, op een klein eilandje of langs de arctische kustvlakte. Een bepaalde ondersoort broedt zelfs op steile hellingen en klifranden op vosvrije eilanden, wat laat zien hoe belangrijk predatievrijheid kan zijn. Hergebruik van oude nestplekken komt regelmatig voor. Het nest wordt gebouwd met lokaal beschikbaar materiaal zoals zeggen, mossen, korstmossen en veren. Het vrouwtje broedt meestal vier tot vijf eieren uit, terwijl het mannetje waakt.
De kuikens zijn nestvlieders en verlaten het nest binnen 24 uur. Ze kunnen dan al lopen, zwemmen, duiken en zelfstandig voedsel zoeken, terwijl de ouders vooral leiden en beschermen. Het uitvliegen volgt meestal na ongeveer zes tot zeven weken. Daarna verlaten de jongen het broedgebied met hun ouders en kunnen ze vaak de hele eerste winter bij de ouders blijven, wat je in wintergroepen soms terugziet als hechte familiegroepjes binnen grotere zwermen.
Hawaii-gans

Klik hier voor Hawaii-gans details
De hawaiigans is endemisch op de Hawaiiaanse eilanden en komt van nature nergens anders ter wereld voor. Het is in hoofdzaak een standvogel, waardoor lokale omstandigheden op de eilanden extra zwaar wegen. Als leefgebied en broedsucces in één regio teruglopen, is er niet vanzelf een “uitwijkpopulatie” die dat kan compenseren zoals bij veel trekvogels wel het geval is.
Uiterlijk is het een kleine, aantrekkelijke gans met een grijsbruine basis en een fijn geschubd patroon van grijs, bruin en wit op het lichaam. De kop heeft een zwarte gezichtsmasker en een donkere kruin die doorloopt tot in de nek. De hals is opvallend goud- tot buffkleurig en laat vaak donkere groeven zien doordat de veren zo liggen. De wangen kunnen een warme, okerachtige tint hebben. Jonge vogels lijken op volwassenen, maar ogen meestal wat bruiner en minder contrastrijk.
De belangrijkste problemen voor de soort zijn historisch en actueel sterk verbonden met habitatverlies en predatie. Ontwikkeling van landbouwsystemen en latere veranderingen door vestiging en landgebruik hebben tot grootschalig verlies en aantasting van geschikt leefgebied geleid. Een gebrek aan goed habitat, vooral voor het grootbrengen van jongen, wordt gezien als een van de meest beperkende factoren. Daar bovenop komt predatie door geïntroduceerde zoogdieren. Op veel plekken zijn de belangrijkste predatoren onder meer mangoesten, honden, katten, varkens en ratten. Op Kaua‘i ontbreekt de kleine Indische mangoest, wat mede helpt verklaren waarom het broedsucces daar gunstiger kan zijn dan op andere eilanden. .
Wat leefgebied betreft is het beeld veranderd door menselijk landgebruik. In het verleden kwamen de laatste restpopulaties vooral voor op rotsige, schaars begroeide, hooggelegen vulkanische hellingen. Dat is waarschijnlijk niet per se het optimale habitat, maar eerder een gebied waar de soort kon overleven toen andere gebieden verloren gingen of gevaarlijk werden. Tegenwoordig lijkt grasland met een rijk voedselaanbod, vooral eiwitrijk groen, gunstig te zijn, mits er vlakbij natuurlijke struikvegetatie of ruiger terrein is waar veilig genesteld kan worden. Broedsucces en productiviteit zijn in meerdere gebieden echter laag, behalve waar de omstandigheden gunstiger zijn, zoals op Kaua‘i.
De hawaiigans is vegetarisch. Het menu bestaat uit zaden van grassen en kruiden, maar ook uit bladeren, knoppen, bloemen en vruchten van diverse planten. Opvallend is dat de soort niet strikt afhankelijk lijkt van zoet water, al wordt het wel gebruikt wanneer het beschikbaar is. Dat past bij een leven in gebieden waar open zoet water niet overal vanzelfsprekend is. .
In de voortplanting vormen paren doorgaans een levenslange band. De balts is relatief eenvoudig en draait vaak om territoriaal gedrag van het mannetje, dat mogelijke rivalen verjaagt of bedreigt, daarna terugkeert naar het vrouwtje en luid roept. De broedperiode is lang en eieren kunnen in veel maanden gevonden worden, al ontbreken ze meestal in mei, juni en juli. De meeste nesten worden gemaakt tussen oktober en maart, met een piek in eileg vaak tussen oktober en december. Het nest is een ondiepe nestkuil, matig bekleed met plantaardig materiaal en dons. Paren keren vaak terug naar dezelfde nestplek van eerdere jaren, doorgaans in dichte vegetatie. Waar beschikbaar kunnen kleine “vegetatie-eilandjes” in lavavelden, omsloten door lava, aantrekkelijk zijn als nestplek omdat ze beschutting en overzicht kunnen combineren.
Het legsel bestaat meestal uit drie tot vijf eieren. Na ongeveer dertig dagen komen de jongen uit. De kuikens zijn nestvlieders en worden niet gevoerd door de ouders, maar ze blijven wel onder bescherming van de ouders en trekken vaak tot ongeveer een jaar met hen mee. Zodra de jongen kunnen vliegen, vormen familiegroepen al vrij snel grotere groepjes en blijven ze nog enige tijd in de broedgebieden voordat ze meer gaan rondzwerven op zoek naar voedsel. Die sterke familiebanden helpen bij bescherming, maar betekenen ook dat een laag broedsucces direct doorwerkt in de opbouw van de populatie.
Klik hier – Familie Anser
Anser heeft een holarctische verspreiding. Dat betekent dat soorten van dit genus in de zomer vooral broeden in open, natte habitats in de subarctische en koel-gematigde zones van het noordelijk halfrond. Denk aan toendra-achtige moerassen, natte laagten, merenranden, rivierdelta’s en open veengebieden waar voedselrijk groen en veilig water dicht bij elkaar liggen. Sommige soorten broeden ook zuidelijker en kunnen tot in warm-gematigde streken reiken, zolang er maar geschikte wetlands en open foerageergebieden aanwezig zijn.
In de winter trekken veel Anser-soorten naar zuidelijker gebieden, meestal naar gematigde zones waar het klimaat milder is en waar gras en landbouwgewassen beschikbaar blijven. Daardoor kunnen er in de winter grote concentraties ontstaan op akkers, uiterwaarden en kustvlakten, vaak in gemengde groepen met andere ganzen. Die trek is niet alleen een reactie op kou, maar vooral op het verdwijnen van toegankelijk voedsel en open water in het broedgebied.
Ook vanuit fossielen is Anser interessant, omdat er in de loop van de tijd veel fossiele vormen aan dit genus zijn toegeschreven. Daarbij is voorzichtigheid belangrijk. Bij “echte ganzen” lijken skeletkenmerken tussen genera vaak sterk op elkaar, waardoor het op basis van losse botten moeilijk is om met zekerheid te zeggen of een fossiel echt bij Anser hoort of beter bij een ander genus. Europese fossielen uit goed begrepen, inlandse vindplaatsen passen vaak redelijk bij Anser, maar ook daar blijft enige onzekerheid bestaan als het materiaal fragmentarisch is.
In Noord-Amerika wordt het nog ingewikkelder, omdat daar al vanaf het Laat-Mioceen vormen zijn beschreven die verwant lijken aan de Canadese gans en dus richting Branta wijzen, soms zelfs uit dezelfde vindplaatsen waar ook “grijze ganzen” zijn gemeld. Als in één en dezelfde afzetting meerdere ganzenlijnen naast elkaar voorkwamen, kan dat betekenen dat sommige fossielen die ooit als Anser zijn benoemd, in werkelijkheid tot Branta of een andere lijn behoren. Daardoor zijn er bij bepaalde fossiele namen en combinaties twijfels geuit over de juiste toewijzing, en dat geldt in het bijzonder voor enkele taxa die historisch een etiket hebben gekregen maar later op basis van nieuw inzicht “niet lekker” meer passen.
Sommige fossiele vormen wijken bovendien zó sterk af dat ze mogelijk een eigen genus verdienen. Er is bijvoorbeeld een vorm beschreven die duidelijk anders lijkt te zijn dan de meeste bekende Anser-soorten, wat de gedachte oproept dat er in het verleden ook ecologische experimenten zijn geweest binnen de ganzen, zoals aanpassingen aan een meer boomgebonden of zit-gedrag. Het kan ook zijn dat zulke interpretaties juist ontstaan doordat het fossiele materiaal onvolledig is en we gedrag en bouw niet perfect kunnen reconstrueren. Hoe dan ook laat het zien dat de grenzen tussen ganzen-genera in het fossielenbestand minder strak zijn dan bij levende soorten, en dat herzieningen en nieuwe vondsten regelmatig tot andere conclusies kunnen leiden.
Samengevat is Anser het kern-genus van de “grijze ganzen” in het noordelijk halfrond, met een sterke koppeling aan open wetlands en grasrijke foerageergebieden, grote seizoensverplaatsingen en een fossiele geschiedenis die rijk is maar ook vol taxonomische onzekerheden zit.
Grauwe gans








Klik hier voor Grauwe gans details
De grauwe gans komt voor in Eurazië, vooral in West- en Centraal-Europa en verder oostwaarts in geschikte gebieden. Een klein deel van de populaties is standvogel, maar de meeste vogels trekken in de winter zuidwaarts naar traditionele overwinteringsgebieden op lagere breedten. Veel Europese vogels volgen daarbij routes langs kusten en grote riviersystemen. In zachte winters kunnen ze noordelijker blijven, terwijl strenge vorst en ijsvorming vaak zorgen voor een duidelijke verschuiving naar zuidelijkere gebieden. In sommige winters concentreren grote aantallen zich in bekende overwinteringsgebieden, waarbij op bepaalde plekken in Zuidwest-Spanje zeer hoge aantallen kunnen worden bereikt.
Uiterlijk is de grauwe gans een vrij forse gans met een overwegend gelijkmatige, grijsbruine lichaamskleur. In vergelijking met sommige andere ganzen oogt het geheel “rustiger” en minder contrastrijk. De snavel past bij dat beeld en is vaak vrij egaal van kleur, met doorgaans minder opvallende zwarte tekening dan je bij sommige verwante soorten ziet. Bij veel vogels kunnen wel donkere vlekken of blotches op de buik aanwezig zijn, wat vooral bij oudere of individuele vogels kan variëren. Jonge vogels zijn meestal minder strak getekend en ogen bovenop minder duidelijk geschubd, met een wat meer gemarmerd of vlekkerig verenkleed. Er bestaat ook een ondersoort met een duidelijk roze snavel en een wat blekere algemene indruk, wat in het veld soms opvalt wanneer je groepen vergelijkt.
De grauwe gans is sterk gebonden aan water in open landschap. Je ziet hem vaak bij meren, plassen, brede sloten, moerassen en riviergebieden, vooral waar er rietkragen of oevervegetatie aanwezig is en waar in de buurt graslanden of akkers liggen om te foerageren. In de winter verblijft hij in moerassen, meren en kustlagunes, maar ook veel op landbouwgrond in open terrein, waar hij grote delen van de dag kan grazen en ’s avonds naar water trekt om veilig te rusten.
Binnen Europa worden vaak meerdere grote populaties onderscheiden die elk hun eigen broed- en wintergebieden hebben. Er zijn standvogels in delen van noordwestelijk Schotland. Daarnaast is er een populatie die in IJsland broedt en vooral in Schotland, Noord-Engeland en Ierland overwintert. Een andere grote groep broedt in Scandinavië en grote delen van Noordwest- en Midden-Europa en overwintert van Nederland tot Spanje en Marokko. Verder is er een populatie die in het noordoosten van Europa en delen van Centraal-Europa broedt en via Italië trekt om in Noord-Afrika te overwinteren. Ten slotte zijn er vogels die rond het Zwarte Zeegebied en Turkije broeden en tot in onder meer Noord-Griekenland kunnen doortrekken, waarbij de trends van die laatste groep minder goed bekend zijn en mogelijk ongunstiger kunnen zijn dan elders.
Het voedsel bestaat uit allerlei plantaardig materiaal. De grauwe gans eet wortels, bladeren, stengels, zaden en ook vruchten, en maakt in agrarisch gebied graag gebruik van granen, aardappelen en kiemende wintergewassen. Hij foerageert meestal grazend op het land, vaak in groepen die een grasland of akker systematisch “afweiden”. Daarnaast kan hij ook in het water eten, waarbij hij soms kantelt en met de kop onder water plantendelen pakt, vooral in ondiepe zones waar waterplanten toegankelijk zijn.
Het broedseizoen start meestal in maart en april. De soort broedt vaak in losse kolonies, maar ook solitaire paren komen voor. Het nest is een ondiepe kom van rietstengels en gras, rijk bekleed met dons, en kan in rietvelden staan, op de grond in beschutte vegetatie en soms ook in bomen als daar geschikte platforms of oude nesten beschikbaar zijn. Het legsel bestaat meestal uit vier tot zes eieren. De broedduur ligt rond 27 tot 28 dagen. De kuikens hebben een bruin-olijfkleurig dons met een gelige onderzijde en zijn kort na uitkomen al mobiel. De soort wordt doorgaans rond het derde levensjaar geslachtsrijp. Grauwe ganzen vormen vaak langdurige paarbanden, maar het komt ook voor dat paren uiteengaan en in het voorjaar nieuwe koppels ontstaan.
Tijdens het broeden blijft het mannetje meestal dicht bij het nest en bewaakt het vrouwtje en de nestplek. Wanneer de jongen een paar dagen oud zijn en het nest verlaten, zorgen beide ouders intensief voor de kuikens. Dan ontstaan vaak herkenbare familiegroepjes. Het mannetje kan zeer fel verdedigen en reageert op indringers met sissen, dreighoudingen en soms zelfs aanvallen, zeker wanneer kuikens of nest direct in gevaar lijken.
De wetenschappelijke naam is Anser anser (Linnaeus, 1758). De Engelstalige naam is Greylag Goose.
Kolgans






Klik hier voor Kolgans details
De kolgans komt wijd verspreid voor in Noord-Amerika en Eurazië en is een uitgesproken trekvogel. In de winter verblijft hij meestal in vaste gebieden op lagere breedten, vooral in gematigde delen van Europa, Azië en Noord-Amerika. Tijdens koude winters kunnen groepen verder zuidelijk uitwijken. In Europa broedt de soort in Groenland en in arctisch Rusland, waarbij het Europese deel van het broedareaal relatief beperkt is in verhouding tot de totale wereldverspreiding. Binnen dat geheel zijn er verschillende populaties met eigen routes en wintergebieden. Een bekende Atlantische populatie broedt langs de westkust van Groenland en overwintert vooral in de Britse eilanden, terwijl grote aantallen uit Rusland en aangrenzende gebieden in de winter juist in (onder meer) West- en Centraal-Europa kunnen opduiken.
Uiterlijk is de kolgans een vrij compacte gans met een overwegend gemarmerd bruingrijs verenkleed. De staart is zwart, de stuit is wit en aan de staartpunt zit een duidelijke witte band, wat in vlucht goed kan opvallen. De poten zijn opvallend oranje. Op de buik is vaak een variabel patroon van grote zwarte vlekken te zien, vooral bij oudere vogels. De naam kolgans verwijst naar de witte veren rond de basis van de snavel, waardoor het voorhoofd en de “snavelbasis” wit aandoen. De snavel zelf is rozegeel. Jonge vogels lijken op volwassen dieren, maar missen meestal de witte “kol” bij de snavelbasis en hebben nog geen of nauwelijks zwarte buikvlekken, waardoor ze een egalere indruk maken.
De kolgans graast vaak lopend op het land en kan in het water ook “dabbelend” foerageren. Buiten de broedtijd is het een uitgesproken sociale soort die vaak in grote groepen optrekt en gezamenlijk rust en foerageert. In de broedtijd verandert dat gedrag duidelijk en wordt hij territoriaal rond de nestplek. De soort is dan alerter en minder tolerant tegenover soortgenoten in de directe omgeving van het nest.
Het leefgebied in de broedtijd ligt vooral in de arctische en subarctische zones, waar kolganzen nestelen bij drassige poelen en ondiepe wateren in toendra of taiga. In de winter kiezen ze juist open landschap in mildere klimaten, bij voorkeur met ondiep zoet of brak water in de buurt van akkers en graslanden. Die combinatie is belangrijk omdat ze veilig willen kunnen slapen op water of in natte zones, terwijl ze overdag op landbouwgronden of graslanden veel voedsel kunnen vinden.
Het voedsel verschuift door het jaar. In de winter bestaan veel maaltijden uit zaden en gemorst graan op akkers en stoppelvelden. In het broedseizoen worden stengels en wortels belangrijker, omdat het aanbod van zaden in de toendra beperkt is en vers groen dan de belangrijkste energiebron vormt. Daarnaast eten kolganzen ook geregeld kleine ongewervelden, vooral in de broedtijd, wanneer extra eiwitten nuttig zijn voor herstel, eileg en groei van de jongen.
Kolgansen beginnen meestal pas te broeden rond hun derde levensjaar. Het vrouwtje maakt een ondiepe nestkuil op een beschutte plek dicht bij water en bekleedt die met plantaardig materiaal en dons. Ze legt meestal drie tot zes eieren en broedt die ongeveer 22 tot 27 dagen uit. De kuikens kunnen vrijwel direct na uitkomen lopen en zwemmen en worden door beide ouders begeleid en beschermd, terwijl ze zelf al snel zelfstandig hun voedsel zoeken. De eerste echte vlucht volgt meestal tussen 38 en 45 dagen. Daarna blijven jonge vogels nog lang met de ouders optrekken; vaak minimaal het eerste jaar, en bij sommige families blijft die band zelfs meerdere jaren zichtbaar, waardoor je in wintergroepen geregeld herkenbare familielijnen terugziet.
Rietgans


Klik hier voor Rietgans details
De rietgans is een broedvogel van noordelijk Eurazië, met broedgebieden in zowel taiga als toendra. In de winter is het een uitgesproken trekvogel die vooral overwintert op kustvlakten en open landbouwgebieden in Noordwest- en Centraal-Europa en in Oost-Azië. Tijdens strenge winters kunnen groepen verder zuidelijk opduiken dan normaal, omdat vorst en sneeuw de voedseltoegang in de gebruikelijke wintergebieden beperken.
Uiterlijk is de rietgans gemiddeld maar weinig kleiner dan de grauwe gans, maar hij oogt minder “log” en wat slanker, met relatief minder massa achterin het lichaam. Het is een grote, hoge, vrij langhalzige en langgesnavelde gans met een overwegend bruin verenkleed. Vooral de zeer donkere kop en hals vallen op, ook in vlucht. Op grote afstand en bij slecht licht kan verwarring ontstaan met andere grijze ganzen, maar de combinatie van de lange donkere kop-hals, een vrij rechtopstaande houding en een vrij uniform ogende bovenvleugel zonder sterk contrast is typisch. Van dichtbij helpen de lange, diepe snavel met opvallend oranje tekening en de oranje poten vaak goed. Verwarring met grote, donkere exemplaren van de kolgansachtige groep kan voorkomen, maar rietganzen missen doorgaans het “grijze” karakter van sommige andere soorten en de kleuren van snavel en poten geven in veel gevallen de doorslag.
In Europa worden doorgaans twee duidelijk te onderscheiden groepen genoemd, die soms zelfs als (mogelijk) aparte soorten of zeer duidelijke ondersoorten worden gezien. Een groep broedt vooral in de taiga, van Scandinavië richting de Oeral, en overwintert vooral in Denemarken en Nederland, met kleinere aantallen die soms tot Engeland doordringen. Een tweede groep broedt meer in de toendra van noordelijk Europa en westelijk Siberië en overwintert vooral in Midden-Europa, Duitsland en Nederland, met in koude winters uitwijk naar onder meer Frankrijk, Noord-Italië en Spanje. De omvang en trends verschillen per groep en zijn niet overal even goed vastgesteld, wat deels verklaart waarom de soort als geheel “veilig” lijkt, terwijl bepaalde deelpopulaties toch aandacht vragen.
Het broedhabitat ligt in de taiga- en toendrazone, met een duidelijke voorkeur voor overgangszones waar struikvegetatie en open terrein elkaar raken. In Scandinavië kan de soort ook meer landinwaarts en op hogere hoogtes broeden, tot rond 700 meter, zolang er maar geschikte natte zones en open voedselplekken beschikbaar zijn. In de winter zie je rietganzen vooral in open landschap op akker- en grasland, waar ze goed kunnen grazen. Historisch werden ze ook gekoppeld aan steppe- en halfdroge zones, maar in West- en Centraal-Europa zijn graslanden en landbouwgewassen de belangrijkste voedselbasis geworden.
Het voedsel bestaat uit grassen, granen en andere landbouwgewassen, vooral in de winter wanneer ze veel grazend op akkers en weilanden foerageren. In het broedgebied verschuift het dieet naar vers groen, bloemen en vruchten, zaden en wortelstokken, afhankelijk van wat de korte arctische zomer beschikbaar maakt. De soort is daarbij vooral een efficiënte grazer die in groepen rustig kan “doorwerken”, afgewisseld met waakzaam opkijken en korte verplaatsingen tussen voedsel- en rustplekken.
Voor het broeden wordt vaak een nestplek gekozen op een lage, iets verhoogde bult of oeverrand die na de dooi niet snel overstroomt en waar ook geen sneeuwresten blijven liggen. Het nest ligt geregeld aan de voet van een boom of tussen struiken, meestal dicht bij water maar soms ook tot ongeveer een kilometer ervandaan. Nesten liggen vaak goed verspreid, al kunnen er losse, wijd uit elkaar liggende groepjes ontstaan. Eerdere nesten kunnen opnieuw worden gebruikt, met een nieuwe bekleding. Het nest bestaat uit een lage hoop van grassen, dode bladeren, mos en ander plantaardig materiaal, met een ondiepe kom die vooral na het leggen rijker met dons wordt bekleed. Het vrouwtje bouwt het grootste deel, maar het mannetje kan helpen met materiaal dat binnen bereik ligt.
Het legsel bestaat meestal uit vier tot zes eieren, maar drie of zelfs tot acht kan voorkomen. Eieren worden vermoedelijk met intervallen van ongeveer 24 uur gelegd. De incubatie duurt ongeveer 27 tot 29 dagen en begint meestal nadat het laatste ei is gelegd. Het vrouwtje broedt en bedekt de eieren met dons wanneer ze het nest verlaat. De jongen komen vaak redelijk gelijktijdig uit en zijn al snel in staat om zelf voedsel te zoeken. Beide ouders begeleiden en verdedigen de jongen actief tegen predatoren. Wanneer de kuikens nog klein zijn, worden ze vooral ’s nachts door het vrouwtje warm gehouden.
Na ongeveer veertig dagen kunnen de jongen meestal vliegen. De jongen blijven vaak nog gedurende de eerste herfst en winter bij de ouders en trekken ook met hen mee, waarna ze gaandeweg zelfstandiger worden voordat ze uiteindelijk weer naar het broedgebied terugkeren. De eerste broedpoging volgt meestal rond het derde levensjaar.
Sneeuwgans

De sneeuwgans is een Noord-Amerikaanse soort die vooral in het hoge noorden broedt. Door de enorme omvang van het broedgebied en de verschillende herkomstgebieden volgen groepen sneeuwganzen meerdere trekcorridors tussen broed- en wintergebieden. Vogelgroepen uit het westelijke deel van het Arctisch gebied vormen vóór de trek vaak verzamelingen in deltagebieden en langs noordelijke kusten. Tijdens de trek trekken ze dan vaak via grote riviervalleien en door de prairiezones zuidwaarts richting wintergebieden in onder meer Californië en delen van Mexico. Vogels uit het oostelijke Arctische gebied kunnen juist in zeer grote aantallen pleisteren rond grote baaien en langs de westkust van uitgestrekte binnenzeeën voordat ze verder zuidwaarts trekken richting de Golf van Mexico. In de loop van de tijd zijn daarbij ook verschuivingen in routegebruik waargenomen, waarbij delen van de populatie andere corridors zijn gaan benutten, vermoedelijk omdat omstandigheden, voedselbeschikbaarheid en verstoring onderweg veranderen.
Uiterlijk is de sneeuwgans bekend om het voorkomen in twee kleurvormen. De witte vorm is vrijwel geheel wit, met opvallend zwarte vleugeltoppen. De donkere of “blauwe” vorm heeft een witte kop, maar een lichaam dat van heel licht tot behoorlijk donker kan zijn, met blauwgrijze tinten op rug en flanken. Bij beide vormen zie je vaak een roestig oranje verkleuring in het gezicht, doordat veren kunnen worden “gekleurd” door ijzer in de bodem waar ze foerageren. Jonge vogels verschillen eveneens per kleurvorm: kuikens van de witte vorm zijn gelig, terwijl kuikens van de donkere vorm veel donkerder kunnen zijn. Naarmate ze opgroeien, krijgen jonge vogels van beide vormen een meer grijze tint met zwarte vleugeltoppen, en pas later ontwikkelen ze het volwassen kleed. De snavel van volwassen vogels is roze en relatief smal. Een opvallend detail is de gekartelde snijrand die aan de zijkant een soort “glimlachvlek” kan geven, een kenmerk dat helpt bij het eten van voedzame wortels en ondergrondse plantendelen. In Noord-Amerika leven daarnaast nog verwante witte ganzen, waaronder een grotere vorm die in noordelijkere en oostelijkere gebieden broedt en een kleinere soort die duidelijk compacter is en die die typische “glimlachvlek” mist. Doordat verspreiding en aantallen van deze soorten zijn toegenomen, komen kruisingen in sommige gebieden regelmatiger voor, wat in gemengde groepen voor interessante tussenvormen kan zorgen.
De soort broedt op lage, grasrijke toendravlakten en langs brede, ondiepe rivierarmen dicht bij de kust, maar ook op eilanden in ondiepe binnenlandse meren. In de winter wordt niet alleen kustgebonden moeras gebruikt, maar ook steeds vaker agrarisch gebied in het binnenland, waar maïs, rijst en graslanden een zeer rijk voedselaanbod leveren. Daardoor kunnen winterconcentraties ontstaan op plekken waar landbouw een constante, voorspelbare voedselbron biedt, en dat is een van de redenen waarom sommige populaties zo sterk zijn gegroeid.
Het voedsel bestaat in het broedgebied vooral uit grassen en zeggen. Tijdens de trek en in de winter spelen graslanden en landbouwgewassen een steeds grotere rol, zoals maïs en tarwe, maar groepen die langs bepaalde kustroutes trekken kunnen nog sterk leunen op traditionele estuariene planten. In sommige wintergebieden bestaat het dieet van oudsher uit knollen, wortels en grassen in kustmoerassen, maar een deel van de populatie is al decennia geleden begonnen om verder landinwaarts op graan te foerageren, zowel op ingezaaide gewassen als op gemorst graan na de oogst. In het voorjaar bouwen sneeuwganzen veel vetreserves op door zeer intensief te eten, waarbij ook kruiden, onkruiden en andere planten worden benut. Jonge vogels beginnen na uitkomen vaak met een relatief eiwitrijk dieet met veel insecten, omdat die in de arctische zomer talrijk zijn, maar binnen ongeveer twee weken schakelen ze grotendeels over op plantenvoedsel zoals grassen en zeggen.
Sneeuwganzen broeden vaak dicht bij elkaar in grote kolonies, soms met zeer hoge nestdichtheden. Wanneer ze in het voorjaar terugkeren, ligt er in het broedgebied vaak nog sneeuw. De soort is daarop aangepast door met grote vet- en eiwitreserves te arriveren, waardoor ze een periode kunnen overbruggen terwijl de dooi op gang komt. Zodra de sneeuw smelt, valt de groep uiteen in kleinere eenheden en uiteindelijk in paren. Het moment van starten met broeden hangt sterk af van lokale omstandigheden; eileg kan variëren van eind mei tot half juni. Als het seizoen te laat op gang komt, kan het voorkomen dat vogels dat jaar niet tot broeden komen en wachten op een volgend seizoen met betere timing.
Het nest is meestal een uitgekrabd kuiltje in mos of grind dat door hergebruik en toevoeging van materiaal in de loop der jaren kan uitgroeien tot een kleine bult. Tijdens de eileg wordt het nest geleidelijk met dons bekleed. Het legsel varieert van twee tot zes eieren, met gemiddeld rond vier. Het broeden begint meestal nadat het laatste ei is gelegd en duurt ongeveer 23 dagen. Alleen het vrouwtje broedt, terwijl het mannetje in de buurt blijft om te waken tegen predatoren en ook om conflicten met andere ganzen rond nestplaatsen te beperken. Het vrouwtje verlaat het nest doorgaans maar kort en kan tijdens het broeden sterk vermageren, waarna ze na het uitkomen snel weer op gewicht komt zodra ze met de kuikens intensief kan foerageren.
Na het uitkomen kunnen de kuikens nog kort bij elkaar in het nest blijven, maar zodra ze opgedroogd zijn verlaten ze het nest met beide ouders en gaan ze direct mee naar voedselrijke plekken. De groei moet snel verlopen omdat het arctische seizoen kort is. In de weken na het uitkomen ruien ook de volwassen vogels, waardoor ze tijdelijk niet kunnen vliegen. In die periode kunnen gezinnen grote afstanden lopend en zwemmend afleggen om geschikte voedselplekken te bereiken. Rond half augustus moeten zowel de jongen als de ouders klaar zijn voor vertrek, met voldoende lichaamsmassa en herstelde vliegveren. De familiebond is bij sneeuwganzen opvallend sterk: ouders en jongen blijven vaak samen door de winter en tijdens de trek, en de familie valt meestal pas uiteen wanneer de ouders in een volgend seizoen opnieuw aan een nest beginnen, al kunnen jongen van een eerder jaar soms later nog weer bij de familie aansluiten.