De familie Sternidae omvat de sterns, sierlijke en elegante zeevogels die nauw verwant zijn aan meeuwen. Ze zijn slanker gebouwd dan meeuwen, met lange spitse vleugels, een gevorkte staart, scherpe snavel en een licht lichaam dat hen uiterst wendbaar maakt in de lucht.
Sterns komen wereldwijd voor, van arctische tot tropische gebieden, en broeden vaak in kolonies op kusten, zandplaten of eilanden. Ze foerageren boven water en duiken pijlsnel naar beneden om vis of schaaldieren te vangen. Veel soorten zijn langeafstandstrekkers — de noordse stern (Sterna paradisaea) maakt zelfs de langste migratie van alle dieren, van de Noordpool tot de Zuidpool.
Klik hier Genus Chlidonias
Chlidonias is een geslacht met vier soorten kleine sterns die vooral aan zoetwatermilieus zijn gebonden en daarom vaak als moerassterns worden aangeduid. Het voorkomen hangt meestal samen met meren, plassen, laagveenmoerassen, rivierarmen en andere waterrijke gebieden met veel oever- en watervegetatie, waar voedsel in de vorm van kleine vissen en ongewervelden ruim beschikbaar kan zijn. Buiten de broedtijd en vooral tijdens trekperioden kunnen moerassterns ook in kustwateren, estuaria en langs zeeoevers opduiken, meestal wanneer routes langs grotere watermassa’s worden gevolgd of wanneer weersomstandigheden tot uitwijking leiden.
Een gedeeld herkenningspunt binnen dit geslacht is de zwarte snavel, die bij alle soorten voorkomt en het slanke, sternachtige silhouet versterkt. De soorten verschillen onderling in details van verenkleed en ecologie, maar het algemene beeld is dat het wendbare vliegers zijn die vaak laag boven het water jagen en prooien van het oppervlak oppikken. De voorkeur voor zoetwater en moerasachtige landschappen maakt Chlidonias bovendien gevoelig voor veranderingen in waterpeil en habitatkwaliteit, omdat geschikte broed- en foerageerplekken sterk afhankelijk zijn van goed ontwikkelde natte natuur.
Een gedeeld herkenningspunt binnen dit geslacht is de zwarte snavel, die bij alle soorten voorkomt en het slanke, sternachtige silhouet versterkt. De soorten verschillen onderling in details van verenkleed en ecologie, maar het algemene beeld is dat het wendbare vliegers zijn die vaak laag boven het water jagen en prooien van het oppervlak oppikken. De voorkeur voor zoetwater en moerasachtige landschappen maakt Chlidonias bovendien gevoelig voor veranderingen in waterpeil en habitatkwaliteit, omdat geschikte broed- en foerageerplekken sterk afhankelijk zijn van goed ontwikkelde natte natuur.
Zwarte stern
Foto’s © Jan Dolphijn
[LAT] *Chlidonias niger* |
[UK] Black Tern |
[FR] Guifette noire |
[DE] Trauerseeschwalbe |
[ES] Fumarel común |
[NL] Zwarte stern



Klik hier Zwarte stern
De zwarte stern (Chlidonias niger) is een slanke, sierlijke stern die sterk is verbonden met zoetwatermoerassen, plassen en laagveengebieden met brede rietkragen en drijvende vegetatie. In het broedseizoen valt de soort op door het donkere, vrijwel zwartgrijze verenkleed met contrasterend lichtere ondervleugels, terwijl buiten het broedseizoen een duidelijk lichtere kop en borst ontstaan met een donkere vlek bij het oor en een meer grijswit totaalbeeld. De zwarte snavel en het alerte, wendbare vliegbeeld passen goed bij het typische jachtgedrag laag boven het water.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine visjes en waterinsecten, aangevuld met andere ongewervelden zoals libellen, kevers en soms kleine kreeftachtigen. Prooien worden vaak in een vloeiende vlucht van of net onder het wateroppervlak gepakt, waarbij korte duiken en snelle wendingen kenmerkend zijn. Tijdens trek en in de winter wordt ook gebruikgemaakt van kustwateren, estuaria en binnenlandse plassen, waar groepen foerageren boven open water of langs slikranden.
De voortplanting vindt meestal plaats in kolonies, vaak in moerasgebieden met drijvende plantenmatten, rietkragen of lage eilandjes, waar een nest als ondiep bouwsel van plantaardig materiaal wordt aangelegd. Doorgaans worden meerdere eieren gelegd en wordt het broeden gedeeld door beide oudervogels, met een sterke binding aan rustige, waterrijke plekken met voldoende voedsel in de directe omgeving. De soort is trekvogel; na de zomer volgt vertrek uit de broedgebieden en verplaatsing naar overwinteringsgebieden, waarbij doortrek ook in Nederland en omringende landen zichtbaar kan zijn, vooral boven grote wateren en natte natuurgebieden.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine visjes en waterinsecten, aangevuld met andere ongewervelden zoals libellen, kevers en soms kleine kreeftachtigen. Prooien worden vaak in een vloeiende vlucht van of net onder het wateroppervlak gepakt, waarbij korte duiken en snelle wendingen kenmerkend zijn. Tijdens trek en in de winter wordt ook gebruikgemaakt van kustwateren, estuaria en binnenlandse plassen, waar groepen foerageren boven open water of langs slikranden.
De voortplanting vindt meestal plaats in kolonies, vaak in moerasgebieden met drijvende plantenmatten, rietkragen of lage eilandjes, waar een nest als ondiep bouwsel van plantaardig materiaal wordt aangelegd. Doorgaans worden meerdere eieren gelegd en wordt het broeden gedeeld door beide oudervogels, met een sterke binding aan rustige, waterrijke plekken met voldoende voedsel in de directe omgeving. De soort is trekvogel; na de zomer volgt vertrek uit de broedgebieden en verplaatsing naar overwinteringsgebieden, waarbij doortrek ook in Nederland en omringende landen zichtbaar kan zijn, vooral boven grote wateren en natte natuurgebieden.
Witwangstern
[LAT] *Chlidonias hybrida* |
[UK] Whiskered Tern |
[FR] Guifette moustac |
[DE] Weißbart-Seeschwalbe |
[ES] Fumarel cariblanco |
[NL] Witwangstern

Klik hier witwangstern details
De witwangstern (Chlidonias hybrida) is een slanke, middelgrote moerasstern met relatief afgeronde vleugels en een minder diep gevorkte staart dan veel “klassieke” sterns. In broedkleed vallen de zwarte kopkap en nek op, met daartegen sterk contrasterende witte wangen. De bovendelen, romp en staart zijn midden- tot donkergrijs en de onderzijde is eveneens grijs, vaak duidelijk donkerder op buik en flanken, waardoor het geheel een vrij “donker” uiterlijk krijgt. Snavel en poten tonen een rood tot donkerrood tint, terwijl het oog donker oogt. Buiten het broedseizoen wordt het verenkleed lichter en grijzer, met een bleke kop waarin een donkere vlek achter het oog en een band over de nek herkenbaar blijven, en de snavel wordt dan meestal donkerder.
Het leefgebied ligt vooral bij uitgestrekte zoetwatergebieden in het binnenland, zoals ondiepe meren, moerassen, rietlanden, rivierarmen en grote plassen met drijvende of opkomende waterplanten. Ook rijstvelden en plas-drasgebieden worden veel gebruikt als foerageergebied, en tijdens trek kan de soort bovendien op brakwater en kustnabije plekken verschijnen, zoals lagunes, estuaria en slikken. Broeden gebeurt bij voorkeur in rustige laaglanden waar vegetatie boven het water voldoende draagkracht en beschutting biedt, omdat nestplaatsen vaak direct op drijvende planten of op emergente stengels worden aangelegd.
Voedsel bestaat hoofdzakelijk uit water- en landinsecten, aangevuld met kleine visjes, kreeftachtigen en soms amfibieën. Jagen gebeurt meestal met lage, zoekende vluchten boven water of nat land, waarbij prooien van het oppervlak worden opgepikt of met een korte neerwaartse beweging worden gegrepen. Boven velden en oevers wordt regelmatig “jagend” gevlogen om insecten uit de lucht te vangen, en het foerageren vindt vaak op korte afstand van de kolonie plaats. De soort broedt meestal in losse, soms soortzuivere kolonies, waarbij een vrij kwetsbaar nest van plantenmateriaal op drijvende of net boven het water uitstekende vegetatie wordt gebouwd. Een legsel bestaat doorgaans uit twee tot drie eieren, de broedduur ligt rond drie weken en de kuikens verlaten al snel het nestplatform om zich tussen de vegetatie te verbergen, terwijl ze door de oudervogels in de nabijheid van de kolonie worden verzorgd. Trekbewegingen zijn duidelijk aanwezig, met westelijke populaties die vooral naar West-Afrika uitwijken en oostelijke populaties die vaker in Oost-Afrika of het Midden-Oosten overwinteren, terwijl in Australië meer zwervend gedrag kan voorkomen afhankelijk van waterstanden.
Het leefgebied ligt vooral bij uitgestrekte zoetwatergebieden in het binnenland, zoals ondiepe meren, moerassen, rietlanden, rivierarmen en grote plassen met drijvende of opkomende waterplanten. Ook rijstvelden en plas-drasgebieden worden veel gebruikt als foerageergebied, en tijdens trek kan de soort bovendien op brakwater en kustnabije plekken verschijnen, zoals lagunes, estuaria en slikken. Broeden gebeurt bij voorkeur in rustige laaglanden waar vegetatie boven het water voldoende draagkracht en beschutting biedt, omdat nestplaatsen vaak direct op drijvende planten of op emergente stengels worden aangelegd.
Voedsel bestaat hoofdzakelijk uit water- en landinsecten, aangevuld met kleine visjes, kreeftachtigen en soms amfibieën. Jagen gebeurt meestal met lage, zoekende vluchten boven water of nat land, waarbij prooien van het oppervlak worden opgepikt of met een korte neerwaartse beweging worden gegrepen. Boven velden en oevers wordt regelmatig “jagend” gevlogen om insecten uit de lucht te vangen, en het foerageren vindt vaak op korte afstand van de kolonie plaats. De soort broedt meestal in losse, soms soortzuivere kolonies, waarbij een vrij kwetsbaar nest van plantenmateriaal op drijvende of net boven het water uitstekende vegetatie wordt gebouwd. Een legsel bestaat doorgaans uit twee tot drie eieren, de broedduur ligt rond drie weken en de kuikens verlaten al snel het nestplatform om zich tussen de vegetatie te verbergen, terwijl ze door de oudervogels in de nabijheid van de kolonie worden verzorgd. Trekbewegingen zijn duidelijk aanwezig, met westelijke populaties die vooral naar West-Afrika uitwijken en oostelijke populaties die vaker in Oost-Afrika of het Midden-Oosten overwinteren, terwijl in Australië meer zwervend gedrag kan voorkomen afhankelijk van waterstanden.
Klik hier Genus Sterna
Sterna is een omvangrijk geslacht van sterns met wereldwijd verspreide soorten, met in totaal ongeveer 32 soorten. Binnen dit geslacht komen zowel kosmopolitische soorten voor als soorten met een veel beperkter verspreidingsgebied, en bij meerdere soorten worden verschillende ondersoorten onderscheiden. Het algemene beeld is dat sterns uit dit geslacht slanke, gestroomlijnde vliegers zijn die sterk aan kust- en waterrijke habitats zijn gebonden, al kan het gebruik van leefgebied per soort sterk variëren.
Kenmerkend is de smalle, spitse snavel, die in kleur kan variëren van zwart tot fel rood of geel en soms een lichte of juist donkerder punt heeft. Ook de lichaamsbouw is typisch: een relatief slank lichaam, lange vleugels en vaak een sierlijke, wendbare vlucht. Binnen het geslacht bestaat bovendien duidelijke variatie in formaat, van zeer grote soorten zoals de reuzenstern met een opvallend forse snavel, tot kleine soorten zoals de dwergstern die nauwelijks groter is dan een spreeuw.
Veel Sterna-soorten zijn uitgesproken trekvogels en leggen grote afstanden af tussen broed- en overwinteringsgebieden. Een bekend voorbeeld is de noordse stern, die broedt in hoge noordelijke breedten en in het zuidelijke zomerseizoen tot dicht bij het Antarctische pakijs kan worden aangetroffen. Deze sterke migratiecapaciteit hangt samen met het leven in open waterrijke landschappen, waar voedsel beschikbaarheid vaak seizoensgebonden verschuift en lange-afstandstrek een belangrijk onderdeel van de levenscyclus vormt.
Kenmerkend is de smalle, spitse snavel, die in kleur kan variëren van zwart tot fel rood of geel en soms een lichte of juist donkerder punt heeft. Ook de lichaamsbouw is typisch: een relatief slank lichaam, lange vleugels en vaak een sierlijke, wendbare vlucht. Binnen het geslacht bestaat bovendien duidelijke variatie in formaat, van zeer grote soorten zoals de reuzenstern met een opvallend forse snavel, tot kleine soorten zoals de dwergstern die nauwelijks groter is dan een spreeuw.
Veel Sterna-soorten zijn uitgesproken trekvogels en leggen grote afstanden af tussen broed- en overwinteringsgebieden. Een bekend voorbeeld is de noordse stern, die broedt in hoge noordelijke breedten en in het zuidelijke zomerseizoen tot dicht bij het Antarctische pakijs kan worden aangetroffen. Deze sterke migratiecapaciteit hangt samen met het leven in open waterrijke landschappen, waar voedsel beschikbaarheid vaak seizoensgebonden verschuift en lange-afstandstrek een belangrijk onderdeel van de levenscyclus vormt.
Visdief
[LAT] *Sterna hirundo* |
[UK] Common Tern |
[FR] Sterne pierregarin |
[DE] Flussseeschwalbe |
[ES] Charrán común |
[NL] Visdief






Klik hier Visdief details
De visdief (Sterna hirundo) is een slanke, elegant gebouwde stern met lange, spitse vleugels en een diep gevorkte staart. In broedkleed vallen de zwarte kap, de zilvergrijze bovendelen en de helder rood-oranje snavel met zwarte punt op, samen met rood-oranje poten. Buiten het broedseizoen verdwijnen de felle kleuren grotendeels, wordt de snavel donkerder en ontstaat een lichtere kop met een duidelijke witte voorhoofdszone, waardoor het contrast met de donkere achterkruin minder uitgesproken is. In vlucht wordt vaak een licht, wendbaar silhouet gezien daAt laag boven water jaagt en regelmatig op palen, boeien of strandjes rust.
Het leefgebied ligt zowel aan de kust als in het binnenland, zolang open water in de buurt is en er geschikte, rustige broedplekken aanwezig zijn. Broeden gebeurt bij voorkeur op schaars begroeide eilandjes, schelpenbanken, zandige of stenige platen en soms op kunstmatige locaties waar verstoring en predatie beperkt blijven. Een nest bestaat meestal uit een ondiepe kuil in zand of grond, vaak spaarzaam bekleed met wat plantenresten of aangespoeld materiaal. Broeden vindt veelal in kolonies plaats, al komen ook losse paren voor, en de jongen blijven na het uitkomen meestal dicht bij het nest in de luwte van de kolonie.
Voedsel bestaat vooral uit kleine vis, aangevuld met kreeftachtigen en grotere insecten wanneer die beschikbaar zijn. Jagen gebeurt typisch door een gerichte duikvlucht waarbij prooi net onder het wateroppervlak wordt gegrepen, soms na kort zoeken boven visrijke plekken. In de broedtijd kan een foerageergebied actief worden verdedigd, terwijl het aanbieden van vis een belangrijk onderdeel vormt van de balts en de band tussen de partnerdieren. De soort is uitgesproken trekvogel; na het broedseizoen volgt een geleidelijke vertrekperiode richting overwinteringsgebieden langs de (west-)Afrikaanse kusten, waarna in het voorjaar terugkeer plaatsvindt en broedlocaties opnieuw worden bezet.
Het leefgebied ligt zowel aan de kust als in het binnenland, zolang open water in de buurt is en er geschikte, rustige broedplekken aanwezig zijn. Broeden gebeurt bij voorkeur op schaars begroeide eilandjes, schelpenbanken, zandige of stenige platen en soms op kunstmatige locaties waar verstoring en predatie beperkt blijven. Een nest bestaat meestal uit een ondiepe kuil in zand of grond, vaak spaarzaam bekleed met wat plantenresten of aangespoeld materiaal. Broeden vindt veelal in kolonies plaats, al komen ook losse paren voor, en de jongen blijven na het uitkomen meestal dicht bij het nest in de luwte van de kolonie.
Voedsel bestaat vooral uit kleine vis, aangevuld met kreeftachtigen en grotere insecten wanneer die beschikbaar zijn. Jagen gebeurt typisch door een gerichte duikvlucht waarbij prooi net onder het wateroppervlak wordt gegrepen, soms na kort zoeken boven visrijke plekken. In de broedtijd kan een foerageergebied actief worden verdedigd, terwijl het aanbieden van vis een belangrijk onderdeel vormt van de balts en de band tussen de partnerdieren. De soort is uitgesproken trekvogel; na het broedseizoen volgt een geleidelijke vertrekperiode richting overwinteringsgebieden langs de (west-)Afrikaanse kusten, waarna in het voorjaar terugkeer plaatsvindt en broedlocaties opnieuw worden bezet.
Forsters stern
[LAT] *Sterna forsteri* |
[UK] Forster’s Tern |
[FR] Sterne de Forster |
[DE] Forsters Seeschwalbe |
[ES] Charrán de Forster |
[NL] Forsters stern




Klik hier Forsters tern details
Forsters stern (Sterna forsteri) is een middelgrote stern met een opvallend lichte, “heldere” indruk. In broedkleed is de kop voorzien van een zwarte kap met donkere ogen, terwijl hals en onderzijde fris wit zijn. Rug en vleugels zijn bleek zilvergrijs en ook de slagpennen en de diep gevorkte staart ogen vaak lichtgrijs, waardoor de soort in vlucht lichter kan lijken dan de visdief. De snavel is in het broedseizoen oranje met een zwarte punt en de poten zijn fel oranje tot oranje-rood. In winterkleed verandert het gezicht duidelijk: de kruin wordt grotendeels wit en er verschijnt een groot, contrasterend donker “oorveld” rond en achter het oog. Tegelijk worden snavel en poten donkerder en krijgen de vleugels een meer grijzige, minder frisse toon.
Het verspreidingsgebied ligt vooral in Noord-Amerika en reikt tot delen van Midden-Amerika. In het noorden is sprake van duidelijke trek, terwijl populaties rond de Golf van Mexico vaker standvogelachtig of vooral zwervend zijn. Er bestaan grofweg twee broedgroepen: een binnenlandse populatie in de prairies van Canada en de Verenigde Staten die grotendeels over land trekt, en een kustpopulatie langs de oost- en zuidkust van de Verenigde Staten die migratie meer langs de kustlijnen vertoont. In de winterperiode worden gebieden gebruikt van onder meer centraal Californië tot Guatemala en langs de Atlantische kust van het zuidoosten, met een brede zone rond de Golf van Mexico tot in oostelijk Mexico. In West-Europa is de soort zeldzaam maar vrijwel jaarlijks als dwaalgast vastgesteld, met incidentele overwinteringen op onder meer de Britse Eilanden, wat voor een stern in Europa uitzonderlijk noordelijk is.
De soort is sterk gebonden aan waterrijke moerasgebieden. Tijdens het broedseizoen hebben grote moerassen met uitgebreide rietvelden de voorkeur, vooral waar stevige neststructuren aanwezig zijn, zoals muskusrattenburchten, drijvende vegetatie of andere verhogingen in het moeras. Ook worden randen van meren en stuwmeren gebruikt, mits rust en geschikt nestsubstraat aanwezig zijn. Broeden vindt vaak plaats in losse kolonies, waarbij meerdere nesten dicht bij elkaar kunnen liggen als geschikte “platforms” beschikbaar zijn. Bij gedeeld leefgebied met zwarte stern wordt vaker gekozen voor hogere en drogere plekken binnen hetzelfde moerascomplex.
Het voedsel bestaat uit een combinatie van insecten en vis. Insecten zoals libellen en kokerjuffers worden geregeld in de lucht gegrepen, terwijl kleine prooien ook van het wateroppervlak kunnen worden meegenomen tijdens het vliegen. Daarnaast wordt op vis gejaagd door een gerichte duik, waarbij vaak vooral snavel en kop onder water gaan, al kan bij een succesvolle aanval ook het hele lichaam kort onder het oppervlak verdwijnen. Foerageren gebeurt meestal in de buurt van de kolonie, zodat nestplaats en voedselgebied dicht bij elkaar liggen.
Het nest is een platform van riet en grassen met een komvormig middendeel, vaak afgewerkt met fijner materiaal en soms schelpresten. De eileg valt doorgaans van eind mei tot half juni. Meestal bestaat het legsel uit drie tot vier eieren en de broedduur ligt rond 23 tot 24 dagen, waarbij beide oudervogels broeden. De jongen worden door beide ouders verzorgd tot het uitvliegen, doorgaans na drie tot vier weken, en blijven vervolgens nog geruime tijd in de omgeving. Bij verlies van een nest kan een vervolglegsel plaatsvinden, vooral wanneer waterstanden of golfslag nestplaatsen aantasten.
Het verspreidingsgebied ligt vooral in Noord-Amerika en reikt tot delen van Midden-Amerika. In het noorden is sprake van duidelijke trek, terwijl populaties rond de Golf van Mexico vaker standvogelachtig of vooral zwervend zijn. Er bestaan grofweg twee broedgroepen: een binnenlandse populatie in de prairies van Canada en de Verenigde Staten die grotendeels over land trekt, en een kustpopulatie langs de oost- en zuidkust van de Verenigde Staten die migratie meer langs de kustlijnen vertoont. In de winterperiode worden gebieden gebruikt van onder meer centraal Californië tot Guatemala en langs de Atlantische kust van het zuidoosten, met een brede zone rond de Golf van Mexico tot in oostelijk Mexico. In West-Europa is de soort zeldzaam maar vrijwel jaarlijks als dwaalgast vastgesteld, met incidentele overwinteringen op onder meer de Britse Eilanden, wat voor een stern in Europa uitzonderlijk noordelijk is.
De soort is sterk gebonden aan waterrijke moerasgebieden. Tijdens het broedseizoen hebben grote moerassen met uitgebreide rietvelden de voorkeur, vooral waar stevige neststructuren aanwezig zijn, zoals muskusrattenburchten, drijvende vegetatie of andere verhogingen in het moeras. Ook worden randen van meren en stuwmeren gebruikt, mits rust en geschikt nestsubstraat aanwezig zijn. Broeden vindt vaak plaats in losse kolonies, waarbij meerdere nesten dicht bij elkaar kunnen liggen als geschikte “platforms” beschikbaar zijn. Bij gedeeld leefgebied met zwarte stern wordt vaker gekozen voor hogere en drogere plekken binnen hetzelfde moerascomplex.
Het voedsel bestaat uit een combinatie van insecten en vis. Insecten zoals libellen en kokerjuffers worden geregeld in de lucht gegrepen, terwijl kleine prooien ook van het wateroppervlak kunnen worden meegenomen tijdens het vliegen. Daarnaast wordt op vis gejaagd door een gerichte duik, waarbij vaak vooral snavel en kop onder water gaan, al kan bij een succesvolle aanval ook het hele lichaam kort onder het oppervlak verdwijnen. Foerageren gebeurt meestal in de buurt van de kolonie, zodat nestplaats en voedselgebied dicht bij elkaar liggen.
Het nest is een platform van riet en grassen met een komvormig middendeel, vaak afgewerkt met fijner materiaal en soms schelpresten. De eileg valt doorgaans van eind mei tot half juni. Meestal bestaat het legsel uit drie tot vier eieren en de broedduur ligt rond 23 tot 24 dagen, waarbij beide oudervogels broeden. De jongen worden door beide ouders verzorgd tot het uitvliegen, doorgaans na drie tot vier weken, en blijven vervolgens nog geruime tijd in de omgeving. Bij verlies van een nest kan een vervolglegsel plaatsvinden, vooral wanneer waterstanden of golfslag nestplaatsen aantasten.
Sierlijke stern
[LAT] *Sterna elegans* |
[UK] Elegant Tern |
[FR] Sterne élégante |
[DE] Elegante Seeschwalbe |
[ES] Charrán elegante |
[NL] Sierlijke stern



Klik hier Sierlijke stern details
De sierlijke stern (Sterna elegans) is een middelgrote stern met een opvallend slanke bouw, een ruige kuif en een helder oranje tot oranjegele snavel die relatief lang is en vaak licht omlaag buigt. Het silhouet oogt eleganter en fijner dan bij verwante soorten, met een matig gevorkte staart. In het broedkleed is de kop voorzien van een zwarte kap met een lange kuif die van de snavelbasis tot achter op het hoofd doorloopt. In het winterkleed verandert de koptekening: het voorhoofd wordt wit, de kruin grijzer en het donkere deel in de nek schuift meer naar voren tot bij de ogen, waardoor een heel ander “gezicht” ontstaat.
De soort heeft een beperkte broedverspreiding langs de Pacifische westkust van Noord-Amerika, met name van zuidelijk Californië tot Baja California en de Golf van Californië. Het grootste deel van de wereldpopulatie broedt geconcentreerd op één eiland in de Golf van Californië, waardoor de soort als bijna bedreigd wordt beschouwd. De aantallen kunnen bovendien sterk schommelen door klimaateffecten die de beschikbaarheid van prooivis beïnvloeden, terwijl verstoring door menselijke activiteiten en overbevissing extra druk kunnen geven. Buiten de broedtijd vindt vooral een noordwaartse verspreiding plaats tot noordelijk Californië en heel zelden tot British Columbia. In de winter ligt het zwaartepunt langs de Pacifische kust van Midden- en Zuid-Amerika, van Guatemala tot centraal Chili, met veel vogels voor de kusten van Peru en noordelijk Chili. In West-Europa bestaan slechts sporadische waarnemingen; bij een deel daarvan is herkomst onzeker, mede omdat verplaatsingen buiten het Pacifische gebied uitzonderlijk zijn.
De leefomgeving is sterk kustgebonden. Broedplaatsen liggen op vlakke, rotsige of zanderige zones op eilanden en langs kusten, meestal open en schaars begroeid. Buiten de broedtijd wordt gefoerageerd in ondiepe kustwateren en in estuaria, zoutpannen en lagunes, met daarnaast ook gebruik van nabijgelegen zeegebieden en soms wat verder buitengaats in de niet-broedperiode. De soort blijft daarmee nauw verbonden aan mariene en brakwatermilieus met voldoende kleine vis in het bereik van ondiepe duiken.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine vis. Jacht gebeurt typisch met een gerichte duik vanuit de lucht in zee, waarbij prooien vlak onder het wateroppervlak worden gegrepen. Succesvolle jacht hangt sterk samen met lokale visrijkdom en met omstandigheden die prooivis naar de oppervlakte drijven. In de balts en paarvorming speelt het aanbieden van een vis een rol, waarbij een partner met een gevangen prooi wordt benaderd en de prooi als onderdeel van de hofmakerij wordt overgedragen.
Het broeden vindt plaats in kolonies, vaak dicht opeen op geschikte open plekken. Het nest bestaat uit een eenvoudige ondiepe kuil in zand of fijn substraat, zonder noemenswaardige bekleding. Het legsel is doorgaans klein en kan uit één of twee eieren bestaan, met een broedduur van ongeveer twintig dagen. De kuikens groeien op in de kolonieomgeving, waar groepsbroeden bescherming kan bieden, maar waar tegelijkertijd kwetsbaarheid ontstaat bij verstoring of bij schaarste aan prooivis. Door de sterke concentratie van broedvogels op een beperkt aantal locaties kan een ongunstig jaar of een lokale verstoring direct grote invloed hebben op het broedsucces.
De soort heeft een beperkte broedverspreiding langs de Pacifische westkust van Noord-Amerika, met name van zuidelijk Californië tot Baja California en de Golf van Californië. Het grootste deel van de wereldpopulatie broedt geconcentreerd op één eiland in de Golf van Californië, waardoor de soort als bijna bedreigd wordt beschouwd. De aantallen kunnen bovendien sterk schommelen door klimaateffecten die de beschikbaarheid van prooivis beïnvloeden, terwijl verstoring door menselijke activiteiten en overbevissing extra druk kunnen geven. Buiten de broedtijd vindt vooral een noordwaartse verspreiding plaats tot noordelijk Californië en heel zelden tot British Columbia. In de winter ligt het zwaartepunt langs de Pacifische kust van Midden- en Zuid-Amerika, van Guatemala tot centraal Chili, met veel vogels voor de kusten van Peru en noordelijk Chili. In West-Europa bestaan slechts sporadische waarnemingen; bij een deel daarvan is herkomst onzeker, mede omdat verplaatsingen buiten het Pacifische gebied uitzonderlijk zijn.
De leefomgeving is sterk kustgebonden. Broedplaatsen liggen op vlakke, rotsige of zanderige zones op eilanden en langs kusten, meestal open en schaars begroeid. Buiten de broedtijd wordt gefoerageerd in ondiepe kustwateren en in estuaria, zoutpannen en lagunes, met daarnaast ook gebruik van nabijgelegen zeegebieden en soms wat verder buitengaats in de niet-broedperiode. De soort blijft daarmee nauw verbonden aan mariene en brakwatermilieus met voldoende kleine vis in het bereik van ondiepe duiken.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine vis. Jacht gebeurt typisch met een gerichte duik vanuit de lucht in zee, waarbij prooien vlak onder het wateroppervlak worden gegrepen. Succesvolle jacht hangt sterk samen met lokale visrijkdom en met omstandigheden die prooivis naar de oppervlakte drijven. In de balts en paarvorming speelt het aanbieden van een vis een rol, waarbij een partner met een gevangen prooi wordt benaderd en de prooi als onderdeel van de hofmakerij wordt overgedragen.
Het broeden vindt plaats in kolonies, vaak dicht opeen op geschikte open plekken. Het nest bestaat uit een eenvoudige ondiepe kuil in zand of fijn substraat, zonder noemenswaardige bekleding. Het legsel is doorgaans klein en kan uit één of twee eieren bestaan, met een broedduur van ongeveer twintig dagen. De kuikens groeien op in de kolonieomgeving, waar groepsbroeden bescherming kan bieden, maar waar tegelijkertijd kwetsbaarheid ontstaat bij verstoring of bij schaarste aan prooivis. Door de sterke concentratie van broedvogels op een beperkt aantal locaties kan een ongunstig jaar of een lokale verstoring direct grote invloed hebben op het broedsucces.
Klik hier Genus Thalasseus
Thalasseus (Boie, 1822) is een geslacht van sterns dat vooral bekendstaat om soorten die sterk aan kustmilieus zijn gebonden en vaak in kolonies broeden op open zandige of schelpachtige ondergrond. Binnen dit geslacht vallen meerdere grotere sterns die in uiterlijk vaak een slanke bouw combineren met lange, puntige vleugels, een duidelijk kuifje en een relatief lange, vaak gekleurde snavel. Het verenkleed toont doorgaans een lichtgrijze bovenzijde en een witte onderzijde, met in het broedseizoen een contrasterende zwarte kap die buiten het broedseizoen vaak deels verbleekt of onderbroken oogt.
Soorten binnen Thalasseus komen voor in uiteenlopende kustzones, van gematigde gebieden tot tropen, en benutten daarbij stranden, estuaria, lagunes, havengebieden en kustwateren waar kleine vis in scholen aanwezig is. Voedsel bestaat hoofdzakelijk uit kleine vis, soms aangevuld met andere mariene prooien. Foerageren gebeurt meestal via duikvluchten waarbij vanaf enige hoogte in het water wordt gestoken, regelmatig in de nabijheid van stromingsranden, ondiepten of plekken waar prooivis door roofvissen of menselijk visserij-activiteiten wordt samengedreven.
Binnen het geslacht komt trekgedrag veel voor, waarbij populaties uit gematigde gebieden vaak naar warmere kuststreken uitwijken buiten het broedseizoen. De precieze mate van trek, overwinteringsgebieden en broedfenologie verschillen per soort en regio, maar het algemene beeld is dat geschikte voedselrijke kustwateren en veilige, open broedplaatsen bepalend zijn voor de verspreiding en het succes van populaties.
Soorten binnen Thalasseus komen voor in uiteenlopende kustzones, van gematigde gebieden tot tropen, en benutten daarbij stranden, estuaria, lagunes, havengebieden en kustwateren waar kleine vis in scholen aanwezig is. Voedsel bestaat hoofdzakelijk uit kleine vis, soms aangevuld met andere mariene prooien. Foerageren gebeurt meestal via duikvluchten waarbij vanaf enige hoogte in het water wordt gestoken, regelmatig in de nabijheid van stromingsranden, ondiepten of plekken waar prooivis door roofvissen of menselijk visserij-activiteiten wordt samengedreven.
Binnen het geslacht komt trekgedrag veel voor, waarbij populaties uit gematigde gebieden vaak naar warmere kuststreken uitwijken buiten het broedseizoen. De precieze mate van trek, overwinteringsgebieden en broedfenologie verschillen per soort en regio, maar het algemene beeld is dat geschikte voedselrijke kustwateren en veilige, open broedplaatsen bepalend zijn voor de verspreiding en het succes van populaties.
Grote stern
[LAT] *Thalasseus sandvicensis* |
[UK] Sandwich Tern |
[FR] Sterne caugek |
[DE] Brandseeschwalbe |
[ES] Charrán patinegro |
[NL] Grote stern








Klik hier Grote stern details
Grote stern (Thalasseus sandvicensis, Latham, 1787) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is zeer groot, met een geschatte mondiale verspreidingsomvang van 100.000 tot 1.000.000 km², en de wereldpopulatie wordt geschat op circa 460.000 tot 500.000 individuen. De totale trend is niet exact gekwantificeerd, maar er zijn geen aanwijzingen dat de soort dicht bij de drempels komt voor sterke achteruitgang zoals gebruikt door de IUCN.
De soort broedt verspreid en vaak koloniegewijs langs kusten van noordelijk Europa tot rond de Middellandse Zee, en komt ook voor rond de Zwarte Zee en de Kaspische Zee. In Europa bevindt zich een belangrijk deel van de wereldpopulatie, met kerngebieden in onder meer Nederland, Oekraïne en Rusland. In de periode 1970–1990 trad in Europa een matige afname op, waarna herstel volgde, maar met duidelijke schommelingen. De soort kan lokaal sterk variëren, ondanks een overwegend stabiel beeld op grotere schaal.
Grote stern is een uitgesproken trekvogel in het westelijke Palearctisch gebied. Overwintering vindt voor veel West-Europese broedvogels vooral plaats langs de westkust van Afrika, van Mauritanië zuidwaarts tot aan Zuid-Afrika. Vogels uit het Zwarte Zeegebied overwinteren vooral in het oostelijke deel van de Zwarte Zee en in het centrale en zuidoostelijke Middellandse Zeegebied, en daarnaast langs de kusten van Spanje en Portugal; soms wordt West-Afrika bereikt. De populatie van de Kaspische Zee heeft vooral winterkwartieren rond de Perzische Golf en de Arabische Zee. Veel éénjarige vogels blijven in de wintergebieden gedurende de zomer, terwijl oudere vogels geleidelijk vaker naar Europese wateren en broedkolonies terugkeren; broeden vindt doorgaans plaats vanaf ongeveer vierjarige leeftijd.
Het uiterlijk wordt gekenmerkt door een middelgrote, vrij lichtgekleurde stern met zwarte kap en een duidelijke kuif. De vleugels zijn lang en puntig, de staart is matig lang en gevorkt. Bovenkant en vleugeldekveren zijn licht asgrijs, de stuit en staart zijn wit en de onderzijde is wit, soms met een lichte roze zweem. De handpennen tonen een opvallend patroon met witte binnenvlaggen en zilverachtige buitenvlaggen. De snavel is lang en slank en varieert van donker met een gele punt tot vrijwel geheel geel, afhankelijk van ondersoort en individu; de poten zijn meestal zwart en kunnen soms deels gelig tonen.
De soort is strikt kustgebonden en houdt vooral van warmere zeegebieden. Broedplaatsen liggen vaak laag en zijn gevoelig voor overstroming en verplaatsing van zand door wind. Voorkeur gaat uit naar open, schaars begroeide of onbegroeide ondergrond zoals zand, slik of kale koraalachtige substraten. Later in het seizoen worden nesten geregeld dichter bij de hoogwaterlijn geplaatst. Buiten de broedtijd worden ook stranden met zand of rotsen, mangrovegebieden, estuaria en havens gebruikt.
Het voedsel bestaat vrijwel volledig uit vis, met nadruk op kleine, schooling vissoorten zoals ansjovisachtigen en sardineachtige vissen; in sommige regio’s worden ook andere soorten benut. De jacht gebeurt vooral via duikvluchten waarbij vanuit de lucht in het water wordt gestoken, soms vanaf een hoogte tot ongeveer 10 meter. Daarnaast wordt regelmatig geprofiteerd van visserijactiviteiten, bijvoorbeeld door te foerageren bij netten of in zones waar prooivis geconcentreerd raakt. Af en toe worden ook andere prooien genomen, zoals mariene wormen vanaf slikplaten, en incidenteel worden kuikens van kustvogels buitgemaakt.
De start van het broedseizoen hangt sterk samen met de geografische ligging. In Europa ligt de piek meestal in mei en juni. Broeden gebeurt vaak in de nabijheid van andere sterns of meeuwen. Het nest is een ondiep kuiltje, vaak omrand door uitwerpselen en nestmateriaal. Meestal worden één tot twee eieren gelegd; de broedduur bedraagt ongeveer 21 tot 29 dagen. De kuikens zijn licht van kleur, van witachtig tot buff, grijs of bruin, en vertonen vaak zwarte spikkels die in hoeveelheid kunnen variëren.
De soort broedt verspreid en vaak koloniegewijs langs kusten van noordelijk Europa tot rond de Middellandse Zee, en komt ook voor rond de Zwarte Zee en de Kaspische Zee. In Europa bevindt zich een belangrijk deel van de wereldpopulatie, met kerngebieden in onder meer Nederland, Oekraïne en Rusland. In de periode 1970–1990 trad in Europa een matige afname op, waarna herstel volgde, maar met duidelijke schommelingen. De soort kan lokaal sterk variëren, ondanks een overwegend stabiel beeld op grotere schaal.
Grote stern is een uitgesproken trekvogel in het westelijke Palearctisch gebied. Overwintering vindt voor veel West-Europese broedvogels vooral plaats langs de westkust van Afrika, van Mauritanië zuidwaarts tot aan Zuid-Afrika. Vogels uit het Zwarte Zeegebied overwinteren vooral in het oostelijke deel van de Zwarte Zee en in het centrale en zuidoostelijke Middellandse Zeegebied, en daarnaast langs de kusten van Spanje en Portugal; soms wordt West-Afrika bereikt. De populatie van de Kaspische Zee heeft vooral winterkwartieren rond de Perzische Golf en de Arabische Zee. Veel éénjarige vogels blijven in de wintergebieden gedurende de zomer, terwijl oudere vogels geleidelijk vaker naar Europese wateren en broedkolonies terugkeren; broeden vindt doorgaans plaats vanaf ongeveer vierjarige leeftijd.
Het uiterlijk wordt gekenmerkt door een middelgrote, vrij lichtgekleurde stern met zwarte kap en een duidelijke kuif. De vleugels zijn lang en puntig, de staart is matig lang en gevorkt. Bovenkant en vleugeldekveren zijn licht asgrijs, de stuit en staart zijn wit en de onderzijde is wit, soms met een lichte roze zweem. De handpennen tonen een opvallend patroon met witte binnenvlaggen en zilverachtige buitenvlaggen. De snavel is lang en slank en varieert van donker met een gele punt tot vrijwel geheel geel, afhankelijk van ondersoort en individu; de poten zijn meestal zwart en kunnen soms deels gelig tonen.
De soort is strikt kustgebonden en houdt vooral van warmere zeegebieden. Broedplaatsen liggen vaak laag en zijn gevoelig voor overstroming en verplaatsing van zand door wind. Voorkeur gaat uit naar open, schaars begroeide of onbegroeide ondergrond zoals zand, slik of kale koraalachtige substraten. Later in het seizoen worden nesten geregeld dichter bij de hoogwaterlijn geplaatst. Buiten de broedtijd worden ook stranden met zand of rotsen, mangrovegebieden, estuaria en havens gebruikt.
Het voedsel bestaat vrijwel volledig uit vis, met nadruk op kleine, schooling vissoorten zoals ansjovisachtigen en sardineachtige vissen; in sommige regio’s worden ook andere soorten benut. De jacht gebeurt vooral via duikvluchten waarbij vanuit de lucht in het water wordt gestoken, soms vanaf een hoogte tot ongeveer 10 meter. Daarnaast wordt regelmatig geprofiteerd van visserijactiviteiten, bijvoorbeeld door te foerageren bij netten of in zones waar prooivis geconcentreerd raakt. Af en toe worden ook andere prooien genomen, zoals mariene wormen vanaf slikplaten, en incidenteel worden kuikens van kustvogels buitgemaakt.
De start van het broedseizoen hangt sterk samen met de geografische ligging. In Europa ligt de piek meestal in mei en juni. Broeden gebeurt vaak in de nabijheid van andere sterns of meeuwen. Het nest is een ondiep kuiltje, vaak omrand door uitwerpselen en nestmateriaal. Meestal worden één tot twee eieren gelegd; de broedduur bedraagt ongeveer 21 tot 29 dagen. De kuikens zijn licht van kleur, van witachtig tot buff, grijs of bruin, en vertonen vaak zwarte spikkels die in hoeveelheid kunnen variëren.
Grote Kuifstern
[LAT] *Thalasseus Bergii* |
[UK] Greater crested tern |
[FR] Sterne huppée |
[DE] Eilseeschwalbe |
[ES] charrán piquigualdo |
[NL] Grote kuifstern





Klik hier Grote Kuifstern details
Grote kuifstern (Thalasseus bergii, Lichtenstein, 1823) is een grote, krachtig gebouwde stern uit warme kustgebieden, herkenbaar aan de opvallende kuif en de stevige, vaak geel getinte snavel. Het verenkleed toont doorgaans een lichtgrijze bovenzijde met een witte onderzijde, waarbij in broedkleed een donkere kap sterk contrasteert met het lichte lichaam. De vleugels zijn lang en puntig en de staart is licht gevorkt, wat in vlucht een elegante maar robuuste indruk geeft.
De soort is vooral verbonden aan kustwateren en eilanden, met gebruik van stranden, zandplaten, riffen en lagunes waar ondiep water en voedselrijke zones dicht bij rustplaatsen liggen. Buiten het broedseizoen worden ook havengebieden en estuaria benut, vooral waar prooivis zich ophoopt. Voedsel bestaat hoofdzakelijk uit kleine tot middelgrote vis die met duikvluchten wordt buitgemaakt, vaak vlak boven het wateroppervlak en geregeld in de buurt van stromingsranden of scholen jagende roofvis.
Broeden vindt meestal in kolonies plaats op open, weinig begroeide ondergrond zoals zand, schelpgruis of rotsige platen. Nesten zijn vaak eenvoudige ondiepe kuiltjes, soms met beperkt materiaal. De timing van het broedseizoen verschilt per regio en hangt sterk samen met lokale omstandigheden en voedselbeschikbaarheid, waardoor kolonies tussen jaren zichtbaar kunnen verschuiven of fluctueren.
De soort is vooral verbonden aan kustwateren en eilanden, met gebruik van stranden, zandplaten, riffen en lagunes waar ondiep water en voedselrijke zones dicht bij rustplaatsen liggen. Buiten het broedseizoen worden ook havengebieden en estuaria benut, vooral waar prooivis zich ophoopt. Voedsel bestaat hoofdzakelijk uit kleine tot middelgrote vis die met duikvluchten wordt buitgemaakt, vaak vlak boven het wateroppervlak en geregeld in de buurt van stromingsranden of scholen jagende roofvis.
Broeden vindt meestal in kolonies plaats op open, weinig begroeide ondergrond zoals zand, schelpgruis of rotsige platen. Nesten zijn vaak eenvoudige ondiepe kuiltjes, soms met beperkt materiaal. De timing van het broedseizoen verschilt per regio en hangt sterk samen met lokale omstandigheden en voedselbeschikbaarheid, waardoor kolonies tussen jaren zichtbaar kunnen verschuiven of fluctueren.
Klik hier Genus Hydroprogne
Hydroprogne (Hydroprogne, Kaup, 1829) is een klein geslacht binnen de sterns dat vooral bekend is doordat het in de moderne indeling doorgaans als monotypisch wordt beschouwd, met als bekendste vertegenwoordiger de grote, robuuste reuzensternachtige die in veel bronnen onder Hydroprogne caspia wordt geplaatst. Het geslacht wordt gebruikt om een duidelijk afwijkend type stern te onderscheiden van meer “klassieke” Sterna-soorten, op basis van onder meer genetische inzichten en consistente verschillen in bouw en verenkleedpatroon die bij determinatie vaak direct opvallen.
Soorten die onder Hydroprogne worden geplaatst zijn overwegend gebonden aan open water en kustzones, maar benutten ook grote binnenwateren zoals meren en brede rivieren, zeker in het broedseizoen. Broeden vindt vaak plaats in kolonies op open, vlakke ondergrond, bijvoorbeeld zand, schelpstrandjes, opgespoten terreinen of eilanden met weinig vegetatie, waar verstoring en predatie beperkt blijven. Buiten de broedperiode worden kustwateren, estuaria en grote wateren gebruikt, met een duidelijke voorkeur voor plekken waar prooivis geconcentreerd aanwezig is.
Het foerageergedrag sluit aan bij een uitgesproken visdieet. Jagen gebeurt veelal via krachtige duikvluchten op vis vlak onder het wateroppervlak, geregeld langs oeverzones, ondiepten en stromingsranden. In sommige situaties wordt geprofiteerd van menselijke activiteit, bijvoorbeeld waar vis zich ophoopt door visserij of waar bijvangst en aasvis beschikbaar komt. Trekbewegingen komen veel voor en kunnen grootschalig zijn, met uitwisseling tussen broedgebieden in gematigde streken en overwinteringsgebieden in warmere kust- en zeegebieden.
Soorten die onder Hydroprogne worden geplaatst zijn overwegend gebonden aan open water en kustzones, maar benutten ook grote binnenwateren zoals meren en brede rivieren, zeker in het broedseizoen. Broeden vindt vaak plaats in kolonies op open, vlakke ondergrond, bijvoorbeeld zand, schelpstrandjes, opgespoten terreinen of eilanden met weinig vegetatie, waar verstoring en predatie beperkt blijven. Buiten de broedperiode worden kustwateren, estuaria en grote wateren gebruikt, met een duidelijke voorkeur voor plekken waar prooivis geconcentreerd aanwezig is.
Het foerageergedrag sluit aan bij een uitgesproken visdieet. Jagen gebeurt veelal via krachtige duikvluchten op vis vlak onder het wateroppervlak, geregeld langs oeverzones, ondiepten en stromingsranden. In sommige situaties wordt geprofiteerd van menselijke activiteit, bijvoorbeeld waar vis zich ophoopt door visserij of waar bijvangst en aasvis beschikbaar komt. Trekbewegingen komen veel voor en kunnen grootschalig zijn, met uitwisseling tussen broedgebieden in gematigde streken en overwinteringsgebieden in warmere kust- en zeegebieden.
Reuzenstern
[LAT] *Hydroprogne caspia* |
[UK] Caspian Tern |
[FR] Sterne caspienne |
[DE] Raubseeschwalbe |
[ES] Charrán caspio |
[NL] Reuzenstern


Klik hier Reuzenstern details
Reuzenstern (Hydroprogne caspia, Pallas, 1770)
Reuzenstern is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is zeer groot, met een geschatte mondiale verspreidingsomvang van 1.000.000 tot 10.000.000 km², en de wereldpopulatie wordt geschat op circa 180.000 tot 320.000 individuen. De wereldwijde trend is niet exact gekwantificeerd, maar er zijn geen aanwijzingen dat de soort dicht bij de IUCN-drempels komt voor sterke achteruitgang over een periode van tien jaar of drie generaties.
De soort is een van de wijdst verspreide sterns ter wereld en komt voor op vrijwel alle continenten, met uitzondering van Antarctica en Zuid-Amerika. Binnen Europa ligt het broedgebied versnipperd langs de kust van de Oostzee en in delen van Zuidoost-Europa, met aanwezigheid langs de noordelijke kusten rond de Zwarte Zee en de Kaspische Zee. De Europese broedpopulatie is relatief klein en kwetsbaar voor risico’s die kleine populaties treffen, mede doordat aantallen historisch sterk hebben geschommeld. Er was in Europa een sterke afname in de periode 1970–1990, gevolgd door herstel en toename in verschillende gebieden in 1990–2000, maar de totale omvang blijft gevoelig voor veranderingen in leefgebied en voedselaanbod.
Trek en dispersie zijn uitgesproken in grote delen van het westelijke Palearctisch gebied. Verspreiding vanaf broedgebieden rond de Oostzee start vaak kort na het uitvliegen, vanaf ongeveer half juli tot en met augustus, en zet door tot in oktober, soms tot in november. De hoofdrichting verloopt zuidwaarts over een brede frontzone van Portugal tot de Zwarte Zee, met een kleiner deel dat langs Noordzee- en Atlantische kusten trekt en soms afwijkt. Overwintering voor veel vogels uit Oostzee- en Zwarte Zee-gebieden ligt in tropisch West-Afrika. De voorjaarstrek loopt grofweg van maart tot mei en volgt in grote lijnen de omgekeerde route, waarbij de doortrek doorgaans minder langgerekt is dan in het najaar. In het Oostzeegebied valt de belangrijkste aankomst vaak tussen eind april en mei.
Reuzenstern is de grootste stern en valt op door de stevige bouw en de grote, zware snavel die helder rood-oranje kleurt. Het verenkleed is overwegend wit met een lichtgrijze mantel en witte onderzijde. Poten en ogen zijn donker, de staart is ondiep gevorkt en een subtiel kuifje geeft de kop een wat hoekige indruk. In broedkleed is een egale zwarte kap aanwezig; buiten de broedtijd trekt deze kap gedeeltelijk terug en ontstaat meer wit aan de voorzijde van de kop. Juvenielen lijken op adulte vogels in niet-broedkleed, maar tonen vaak een lichtere, gevlekte mantel met warmere, beige tinten.
Het leefgebied bestaat vooral uit zoet- en zoutwatermoerassen en andere wetlands, met een duidelijke voorkeur voor estuaria, beschutte kustbaaien en stranden. Open oceaan wordt meestal gemeden ten gunste van beschut water. Broedplaatsen liggen vaak op lage zand- of grindeilanden met weinig vegetatie. In sommige regio’s worden ook door mensen beïnvloede locaties benut, zoals eilanden of platen die zijn ontstaan uit opgespoten baggermateriaal, waarbij het broeden soms verschuift van kleine gemengde groepjes naar grotere, soortzuivere kolonies.
Het voedsel bestaat vrijwel volledig uit vis, met nadruk op soorten die dicht onder het wateroppervlak zwemmen. Foerageren gebeurt met krachtige, gerichte duikvluchten, waarbij geregeld kort wordt stilgehangen voordat in het water wordt gestoken; daarbij kan het lichaam soms vrijwel volledig onder water verdwijnen. De brede vleugels maken zweefvlucht mogelijk met een meeuwachtige indruk, afgewisseld met trage, krachtige vleugelslagen. In bepaalde gebieden kunnen ook jonge zalmachtigen een belangrijk aandeel van het dieet vormen, afhankelijk van lokale beschikbaarheid.
Broeden start meestal vanaf ongeveer driejarige leeftijd. Kolonies worden gevestigd op open grond zonder of met zeer spaarzame vegetatie, vaak op eilanden. Nestbouw gebeurt door beide ouders en varieert van een eenvoudige kuil in zand tot een uitgewerkte kom met een stevige rand van vegetatie en schelpresten. Meestal worden één tot drie eieren gelegd, die ongeveer drie weken worden bebroed. Na enkele dagen kunnen jongen het nest al verlaten maar blijven in de directe omgeving, of blijven langer op de nestplek tot het moment van uitvliegen. Beide ouders voeren de jongen gedurende een relatief lange opgroeifase; na het eerste vliegen, rond ongeveer een maand na uitkomst, kan de nazorg nog geruime tijd doorgaan.
Reuzenstern is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is zeer groot, met een geschatte mondiale verspreidingsomvang van 1.000.000 tot 10.000.000 km², en de wereldpopulatie wordt geschat op circa 180.000 tot 320.000 individuen. De wereldwijde trend is niet exact gekwantificeerd, maar er zijn geen aanwijzingen dat de soort dicht bij de IUCN-drempels komt voor sterke achteruitgang over een periode van tien jaar of drie generaties.
De soort is een van de wijdst verspreide sterns ter wereld en komt voor op vrijwel alle continenten, met uitzondering van Antarctica en Zuid-Amerika. Binnen Europa ligt het broedgebied versnipperd langs de kust van de Oostzee en in delen van Zuidoost-Europa, met aanwezigheid langs de noordelijke kusten rond de Zwarte Zee en de Kaspische Zee. De Europese broedpopulatie is relatief klein en kwetsbaar voor risico’s die kleine populaties treffen, mede doordat aantallen historisch sterk hebben geschommeld. Er was in Europa een sterke afname in de periode 1970–1990, gevolgd door herstel en toename in verschillende gebieden in 1990–2000, maar de totale omvang blijft gevoelig voor veranderingen in leefgebied en voedselaanbod.
Trek en dispersie zijn uitgesproken in grote delen van het westelijke Palearctisch gebied. Verspreiding vanaf broedgebieden rond de Oostzee start vaak kort na het uitvliegen, vanaf ongeveer half juli tot en met augustus, en zet door tot in oktober, soms tot in november. De hoofdrichting verloopt zuidwaarts over een brede frontzone van Portugal tot de Zwarte Zee, met een kleiner deel dat langs Noordzee- en Atlantische kusten trekt en soms afwijkt. Overwintering voor veel vogels uit Oostzee- en Zwarte Zee-gebieden ligt in tropisch West-Afrika. De voorjaarstrek loopt grofweg van maart tot mei en volgt in grote lijnen de omgekeerde route, waarbij de doortrek doorgaans minder langgerekt is dan in het najaar. In het Oostzeegebied valt de belangrijkste aankomst vaak tussen eind april en mei.
Reuzenstern is de grootste stern en valt op door de stevige bouw en de grote, zware snavel die helder rood-oranje kleurt. Het verenkleed is overwegend wit met een lichtgrijze mantel en witte onderzijde. Poten en ogen zijn donker, de staart is ondiep gevorkt en een subtiel kuifje geeft de kop een wat hoekige indruk. In broedkleed is een egale zwarte kap aanwezig; buiten de broedtijd trekt deze kap gedeeltelijk terug en ontstaat meer wit aan de voorzijde van de kop. Juvenielen lijken op adulte vogels in niet-broedkleed, maar tonen vaak een lichtere, gevlekte mantel met warmere, beige tinten.
Het leefgebied bestaat vooral uit zoet- en zoutwatermoerassen en andere wetlands, met een duidelijke voorkeur voor estuaria, beschutte kustbaaien en stranden. Open oceaan wordt meestal gemeden ten gunste van beschut water. Broedplaatsen liggen vaak op lage zand- of grindeilanden met weinig vegetatie. In sommige regio’s worden ook door mensen beïnvloede locaties benut, zoals eilanden of platen die zijn ontstaan uit opgespoten baggermateriaal, waarbij het broeden soms verschuift van kleine gemengde groepjes naar grotere, soortzuivere kolonies.
Het voedsel bestaat vrijwel volledig uit vis, met nadruk op soorten die dicht onder het wateroppervlak zwemmen. Foerageren gebeurt met krachtige, gerichte duikvluchten, waarbij geregeld kort wordt stilgehangen voordat in het water wordt gestoken; daarbij kan het lichaam soms vrijwel volledig onder water verdwijnen. De brede vleugels maken zweefvlucht mogelijk met een meeuwachtige indruk, afgewisseld met trage, krachtige vleugelslagen. In bepaalde gebieden kunnen ook jonge zalmachtigen een belangrijk aandeel van het dieet vormen, afhankelijk van lokale beschikbaarheid.
Broeden start meestal vanaf ongeveer driejarige leeftijd. Kolonies worden gevestigd op open grond zonder of met zeer spaarzame vegetatie, vaak op eilanden. Nestbouw gebeurt door beide ouders en varieert van een eenvoudige kuil in zand tot een uitgewerkte kom met een stevige rand van vegetatie en schelpresten. Meestal worden één tot drie eieren gelegd, die ongeveer drie weken worden bebroed. Na enkele dagen kunnen jongen het nest al verlaten maar blijven in de directe omgeving, of blijven langer op de nestplek tot het moment van uitvliegen. Beide ouders voeren de jongen gedurende een relatief lange opgroeifase; na het eerste vliegen, rond ongeveer een maand na uitkomst, kan de nazorg nog geruime tijd doorgaan.
Klik hier Genus Phaetusa
Phaetusa (Phaetusa, Wagler, 1832) is een klein geslacht binnen de sterns dat doorgaans als monotypisch wordt beschouwd, met als bekendste en vaak enige soort de grotebekstern (Phaetusa simplex). Dit geslacht valt op door een afwijkend, robuuster “sternprofiel” dan bij veel kuststerns, met een zeer zware snavel en een krachtigere bouw die goed past bij foerageren boven brede rivieren en grote binnenwateren.
Soorten binnen Phaetusa zijn sterk gebonden aan zoetwaterhabitats, zoals grote rivieren, rivierarmen, plassen en meren, en worden minder typisch geassocieerd met open zee. Voorkeursplekken zijn vaak open wateren met zandige oevers, rivierbanken of eilanden waar rust en overzicht aanwezig zijn. In zulke gebieden wordt gejaagd op vis die dicht onder het oppervlak zwemt, waarbij foerageren vaak gebeurt met gerichte duikvluchten en korte, krachtige aanvallen boven het water.
Binnen het leefgebied speelt seizoensgebonden dynamiek vaak een rol, bijvoorbeeld door waterstanden en beschikbare zandbanken. Daardoor kunnen aanwezigheid en dichtheden lokaal wisselen, terwijl de kernbehoefte gelijk blijft: helder of productief water met voldoende prooivis en geschikte open rust- en broedplaatsen.
Soorten binnen Phaetusa zijn sterk gebonden aan zoetwaterhabitats, zoals grote rivieren, rivierarmen, plassen en meren, en worden minder typisch geassocieerd met open zee. Voorkeursplekken zijn vaak open wateren met zandige oevers, rivierbanken of eilanden waar rust en overzicht aanwezig zijn. In zulke gebieden wordt gejaagd op vis die dicht onder het oppervlak zwemt, waarbij foerageren vaak gebeurt met gerichte duikvluchten en korte, krachtige aanvallen boven het water.
Binnen het leefgebied speelt seizoensgebonden dynamiek vaak een rol, bijvoorbeeld door waterstanden en beschikbare zandbanken. Daardoor kunnen aanwezigheid en dichtheden lokaal wisselen, terwijl de kernbehoefte gelijk blijft: helder of productief water met voldoende prooivis en geschikte open rust- en broedplaatsen.
Grootsnavelstern
[LAT] *Phaetusa simplex* |
[UK] Large-billed Tern |
[FR] Sterne à gros bec |
[DE] Großschnabelseeschwalbe |
[ES] Gaviotín picudo |
[NL] Grootsnavelstern


Klik hier Grootsnavelstern details
Grootsnavelstern (Phaetusa simplex, Gmelin, 1789) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is uitzonderlijk groot en de populatietrend lijkt stabiel, waardoor de soort niet in de buurt komt van de drempels voor een bedreigde categorie op basis van areaalgrootte, trend of populatieomvang. De totale populatie wordt doorgaans beschouwd als matig klein tot groot, zonder aanwijzingen voor een snelle, aanhoudende afname volgens de criteria die de IUCN hanteert.
De soort is wijdverspreid in Zuid-Amerika en wordt in verschillende regio’s zowel langs grote rivieren als aan de kust waargenomen. Buiten de broedperiode wordt regelmatig gebruikgemaakt van riviermondingen en kustzones. Aan de kust van de Guyana’s kan aanwezigheid het hele jaar door voorkomen, met lokaal lagere aantallen in de periode mei tot en met augustus wanneer broedactiviteiten plaatsvinden. Af en toe zijn er dwaalgasten gemeld buiten het kerngebied, onder meer in het Caribisch gebied en incidenteel verder noordwaarts.
Het uiterlijk is kenmerkend door een donkergrijze mantel en een relatief korte, donkergrijze staart, gecombineerd met een zwarte kap. Borst, buik, kin, wangen en keel zijn wit, wat een scherp contrast geeft met de donkere bovenzijde. In vlucht vallen de zwarte handpennen tot aan de vleugelbocht sterk op, terwijl de armpennen wit afsteken. De zeer grote, opvallend gele snavel is een van de meest herkenbare kenmerken en geeft de soort een robuuste uitstraling binnen de sterns.
Het leefgebied ligt vooral bij grote rivieren, estuaria en brede zoetwaterzones, met veel gebruik van rivier- en meerstranden in Zuid-Amerika. Soms worden ook binnenlandse locaties benut, plaatselijk tot op grotere hoogte. Buiten het broedseizoen worden eveneens estuaria en kustlijnen bezocht. In delen van het Amazonegebied kan de soort algemeen voorkomen, terwijl in andere noordelijke gebieden meer schaarste wordt gemeld. Lokaal kan beïnvloeding door menselijk gebruik voorkomen, bijvoorbeeld door het vangen voor de handel in gezelschapsdieren door sommige inheemse gemeenschappen.
Voedsel bestaat uit vis en watergebonden ongewervelden, aangevuld met insecten die in vlucht worden gegrepen. Jagen gebeurt onder meer via duikvluchten waarbij in het water wordt gestoken. Foerageren vindt plaats boven zoetwaterrivieren en grotere meren, maar ook langs zeekusten wanneer omstandigheden gunstig zijn en prooien goed beschikbaar zijn.
Broeden gebeurt doorgaans koloniegewijs en paren vormen een monogame band tijdens het broedseizoen. Kolonies worden vaak gedeeld met andere sterns en skimmers. Er wordt meestal geen echt nestmateriaal aangebracht; eieren worden gelegd op of nabij open ondergrond en kunnen deels beschut liggen tussen gras en riet. Meestal worden twee eieren gelegd, bleekgrijs tot olijfbruin met bruine vlekken. De broedduur bedraagt ongeveer 27 tot 30 dagen en de broedzorg wordt door beide ouders uitgevoerd. Ook het voeren van de jongen gebeurt door beide ouders. Kuikens verlaten de nestplek vaak al binnen een dag, terwijl het eerste vliegen meestal rond 55 tot 65 dagen na uitkomst plaatsvindt. Over het algemeen wordt één broedsel per jaar grootgebracht.
De soort is wijdverspreid in Zuid-Amerika en wordt in verschillende regio’s zowel langs grote rivieren als aan de kust waargenomen. Buiten de broedperiode wordt regelmatig gebruikgemaakt van riviermondingen en kustzones. Aan de kust van de Guyana’s kan aanwezigheid het hele jaar door voorkomen, met lokaal lagere aantallen in de periode mei tot en met augustus wanneer broedactiviteiten plaatsvinden. Af en toe zijn er dwaalgasten gemeld buiten het kerngebied, onder meer in het Caribisch gebied en incidenteel verder noordwaarts.
Het uiterlijk is kenmerkend door een donkergrijze mantel en een relatief korte, donkergrijze staart, gecombineerd met een zwarte kap. Borst, buik, kin, wangen en keel zijn wit, wat een scherp contrast geeft met de donkere bovenzijde. In vlucht vallen de zwarte handpennen tot aan de vleugelbocht sterk op, terwijl de armpennen wit afsteken. De zeer grote, opvallend gele snavel is een van de meest herkenbare kenmerken en geeft de soort een robuuste uitstraling binnen de sterns.
Het leefgebied ligt vooral bij grote rivieren, estuaria en brede zoetwaterzones, met veel gebruik van rivier- en meerstranden in Zuid-Amerika. Soms worden ook binnenlandse locaties benut, plaatselijk tot op grotere hoogte. Buiten het broedseizoen worden eveneens estuaria en kustlijnen bezocht. In delen van het Amazonegebied kan de soort algemeen voorkomen, terwijl in andere noordelijke gebieden meer schaarste wordt gemeld. Lokaal kan beïnvloeding door menselijk gebruik voorkomen, bijvoorbeeld door het vangen voor de handel in gezelschapsdieren door sommige inheemse gemeenschappen.
Voedsel bestaat uit vis en watergebonden ongewervelden, aangevuld met insecten die in vlucht worden gegrepen. Jagen gebeurt onder meer via duikvluchten waarbij in het water wordt gestoken. Foerageren vindt plaats boven zoetwaterrivieren en grotere meren, maar ook langs zeekusten wanneer omstandigheden gunstig zijn en prooien goed beschikbaar zijn.
Broeden gebeurt doorgaans koloniegewijs en paren vormen een monogame band tijdens het broedseizoen. Kolonies worden vaak gedeeld met andere sterns en skimmers. Er wordt meestal geen echt nestmateriaal aangebracht; eieren worden gelegd op of nabij open ondergrond en kunnen deels beschut liggen tussen gras en riet. Meestal worden twee eieren gelegd, bleekgrijs tot olijfbruin met bruine vlekken. De broedduur bedraagt ongeveer 27 tot 30 dagen en de broedzorg wordt door beide ouders uitgevoerd. Ook het voeren van de jongen gebeurt door beide ouders. Kuikens verlaten de nestplek vaak al binnen een dag, terwijl het eerste vliegen meestal rond 55 tot 65 dagen na uitkomst plaatsvindt. Over het algemeen wordt één broedsel per jaar grootgebracht.
Klik hier Genus Larosterna
Larosterna (Larosterna, Blyth, 1851) is een klein geslacht binnen de sterns dat doorgaans als monotypisch wordt gezien, met als bekendste en vaak enige soort de inkastern (Larosterna inca). Het geslacht valt op door een uitgesproken, contrastrijk uiterlijk en een duidelijke specialisatie op voedselrijke kustwateren, waarbij aanwezigheid sterk samenhangt met stromingen en opwelling die veel kleine vis beschikbaar maken. Door deze sterke binding aan bepaalde mariene systemen kan de verspreiding lokaal zeer geconcentreerd zijn, terwijl er buiten kerngebieden slechts beperkte aantallen worden gezien.
Soorten die onder Larosterna worden geplaatst zijn vooral kustgebonden en benutten klifkusten, rotsige oevers en eilanden waar geschikte rust- en broedplekken beschikbaar zijn. In plaats van open zandplaten ligt de nadruk vaak op rotsstructuren, richels en spleten, wat bescherming kan bieden tegen weer en predatie. In zulke omgevingen wordt vaak in groepen gerust en gefoerageerd in de nabijgelegen kustzone, regelmatig in de buurt van plekken waar prooivis door stroming of roofvis wordt samengedreven.
Voedsel bestaat hoofdzakelijk uit kleine, schooling vis, aangevuld met andere mariene prooien afhankelijk van aanbod. Foerageren gebeurt met gerichte duikvluchten of lage aanvallen boven het water, waarbij snel en efficiënt wordt gejaagd in ondiepe kustwateren. De seizoensdynamiek en regionale productiviteit van de zee spelen doorgaans een grote rol in aantallen en verspreiding, waardoor lokale fluctuaties in aanwezigheid kunnen optreden.
Soorten die onder Larosterna worden geplaatst zijn vooral kustgebonden en benutten klifkusten, rotsige oevers en eilanden waar geschikte rust- en broedplekken beschikbaar zijn. In plaats van open zandplaten ligt de nadruk vaak op rotsstructuren, richels en spleten, wat bescherming kan bieden tegen weer en predatie. In zulke omgevingen wordt vaak in groepen gerust en gefoerageerd in de nabijgelegen kustzone, regelmatig in de buurt van plekken waar prooivis door stroming of roofvis wordt samengedreven.
Voedsel bestaat hoofdzakelijk uit kleine, schooling vis, aangevuld met andere mariene prooien afhankelijk van aanbod. Foerageren gebeurt met gerichte duikvluchten of lage aanvallen boven het water, waarbij snel en efficiënt wordt gejaagd in ondiepe kustwateren. De seizoensdynamiek en regionale productiviteit van de zee spelen doorgaans een grote rol in aantallen en verspreiding, waardoor lokale fluctuaties in aanwezigheid kunnen optreden.
Incastern
[LAT] *Larosterna inca* |
[UK] Inca Tern |
[FR] Sterne inca |
[DE] Inkaseeschwalbe |
[ES] Zarcillo |
[NL] Incastern


Klik hier Inka-stern details
Inkastern (Larosterna inca, Lesson, 1827) is wereldwijd beoordeeld als Gevoelig (NT). Deze beoordeling is gebaseerd op het beeld dat de populatie de afgelopen periode een matig snelle afname heeft doorgemaakt, waardoor de soort net onder de drempel voor een bedreigde categorie blijft, maar wel extra aandacht vraagt.
De soort komt voor langs de westkust van Zuid-Amerika en is sterk gebonden aan productieve kustwateren. Verspreiding is daardoor vaak geconcentreerd in zones waar voedselrijk zeewater dicht bij de kust beschikbaar is, wat lokaal tot grote aantallen kan leiden terwijl andere kusttrajecten veel minder bezet zijn.
Over trekgedrag is in de aangeleverde gegevens geen specifieke informatie opgenomen. Binnen het bekende kerngebied worden aantallen en aanwezigheid doorgaans vooral gestuurd door voedselbeschikbaarheid en omstandigheden op zee, waardoor verplaatsingen langs de kust waarschijnlijk een belangrijke rol spelen.
De soort komt voor langs de westkust van Zuid-Amerika en is sterk gebonden aan productieve kustwateren. Verspreiding is daardoor vaak geconcentreerd in zones waar voedselrijk zeewater dicht bij de kust beschikbaar is, wat lokaal tot grote aantallen kan leiden terwijl andere kusttrajecten veel minder bezet zijn.
Over trekgedrag is in de aangeleverde gegevens geen specifieke informatie opgenomen. Binnen het bekende kerngebied worden aantallen en aanwezigheid doorgaans vooral gestuurd door voedselbeschikbaarheid en omstandigheden op zee, waardoor verplaatsingen langs de kust waarschijnlijk een belangrijke rol spelen.
Klik hier Genus Sternula
Sternula (Sternula, Boie, 1822) is een geslacht van kleine sterns dat bekendstaat om compacte, licht gebouwde soorten met snelle, wendbare vlucht en een uitgesproken voorkeur voor open, kale broedplaatsen. Veel soorten binnen Sternula tonen een contrastrijke koptekening met een donker kapje en een opvallend licht voorhoofd, gecombineerd met een grijze bovenzijde en witte onderzijde. De snavel is bij meerdere soorten relatief kort en vaak geel tot geelachtig met soms een donker puntje, terwijl poten regelmatig geel tot oranjegeel tonen, wat in het veld een herkenbare indruk geeft.
Het geslacht is in grote delen van de wereld vertegenwoordigd, met soorten in gematigde, subtropische en tropische zones. Leefgebieden liggen vaak langs kusten, estuaria en lagunes, maar ook langs grote rivieren en bij binnenwateren waar zand- of grindbanken beschikbaar zijn. Geschikte broedplaatsen zijn meestal vlak, open en schaars begroeid, zoals zandplaten, schelpstranden, kiezelbanken en spitsen, waarbij veiligheid tegen verstoring en predatie sterk bepalend is. Veel Sternula-soorten zijn daardoor gevoelig voor veranderingen in waterstanden, kustdynamiek en recreatiedruk, en broedlocaties kunnen van jaar tot jaar verschuiven.
Voedsel bestaat hoofdzakelijk uit kleine vis en kreeftachtigen, aangevuld met insecten en andere kleine watergebonden prooien. Foerageren gebeurt vaak in ondiep water door laag zoekend te vliegen, geregeld met kort stilhangen en vervolgens een duikvlucht. Buiten de broedtijd worden ook getijdekreken, zoutpannen en rustige kustwateren benut, waarbij voedselbeschikbaarheid en geschikte rustplaatsen de verspreiding sterk sturen. Trekgedrag komt bij verschillende soorten voor en varieert van regionale verplaatsingen tot langeafstandstrek, afhankelijk van soort en geografische ligging.
Het geslacht is in grote delen van de wereld vertegenwoordigd, met soorten in gematigde, subtropische en tropische zones. Leefgebieden liggen vaak langs kusten, estuaria en lagunes, maar ook langs grote rivieren en bij binnenwateren waar zand- of grindbanken beschikbaar zijn. Geschikte broedplaatsen zijn meestal vlak, open en schaars begroeid, zoals zandplaten, schelpstranden, kiezelbanken en spitsen, waarbij veiligheid tegen verstoring en predatie sterk bepalend is. Veel Sternula-soorten zijn daardoor gevoelig voor veranderingen in waterstanden, kustdynamiek en recreatiedruk, en broedlocaties kunnen van jaar tot jaar verschuiven.
Voedsel bestaat hoofdzakelijk uit kleine vis en kreeftachtigen, aangevuld met insecten en andere kleine watergebonden prooien. Foerageren gebeurt vaak in ondiep water door laag zoekend te vliegen, geregeld met kort stilhangen en vervolgens een duikvlucht. Buiten de broedtijd worden ook getijdekreken, zoutpannen en rustige kustwateren benut, waarbij voedselbeschikbaarheid en geschikte rustplaatsen de verspreiding sterk sturen. Trekgedrag komt bij verschillende soorten voor en varieert van regionale verplaatsingen tot langeafstandstrek, afhankelijk van soort en geografische ligging.
Dwergstern
[LAT] *Sternula albifrons* |
[UK] Little Tern |
[FR] Sterne naine |
[DE] Zwergseeschwalbe |
[ES] Charrancito común |
[NL] Dwergstern

Klik hier Dwergstern details
Dwergstern (Sternula albifrons, Pallas, 1764) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is groot, met een geschatte mondiale verspreidingsomvang van 1.000.000 tot 10.000.000 km², en de wereldpopulatie wordt geschat op circa 140.000 tot 410.000 individuen. De wereldwijde trend is niet exact gekwantificeerd, maar er zijn geen aanwijzingen dat de soort in de buurt komt van de IUCN-drempels voor sterke afname over tien jaar of drie generaties.
De soort is wijdverspreid in Afrika, Eurazië, de Oriëntalische regio en Australazië, maar broedt vaak plaatselijk en versnipperd. In Europa is dwergstern een wijdverspreide, maar fragmentarisch voorkomende zomergast, met een relatief kleine broedpopulatie. Tussen 1970 en 1990 trad in Europa een matige afname op. In 1990–2000 was het beeld gemengd: in veel gebieden stabilisatie of toename, maar met afnames in onder meer Rusland, Turkije en Italië, waardoor de soort in Europa als afnemend is beoordeeld. Broedplaatsen zijn vaak tijdelijk en kunnen van jaar tot jaar verschuiven, wat leidt tot duidelijke schommelingen in aantallen en verspreiding. Belangrijke drukfactoren zijn onder meer kanalisatie van rivieren, vervuiling en recreatieve ontwikkeling aan kusten en oevers.
Dwergstern is een uitgesproken kleine stern en oogt compact en licht. Het verenkleed toont een grijze rug en bovenvleugels, een witte stuit en een witte onderzijde, met een zwarte kap en donkere teugel. Het witte voorhoofd is opvallend en draagt bij aan de “frisse” koptekening. De snavel is felgeel met meestal een klein donker puntje, en poten en voeten zijn geel tot oranjegeel. In vlucht vallen de relatief smalle, puntige vleugels op en een licht gevorkte staart die bij snelle wendingen goed zichtbaar is.
Het leefgebied strekt zich uit van subtropische tot gematigde zones. Populaties op het continent zijn vaak vooral kustgebonden, maar er wordt ook veel gebruikgemaakt van zand- of grindbanken langs grote rivieren en van eilanden. Broeden vindt plaats op kale of schaars begroeide ondergrond zoals zand, schelpenstrandjes, kiezels, rotsige platen of koraalachtige substraten, maar ook op spitsen in estuaria, oevers van meren, zoutmoerassen en rivierbanken. Buiten de broedtijd worden getijdekreken, kustlagunes en zoutpannen regelmatig benut.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit kleine vis en kreeftachtigen, aangevuld met onder meer weekdieren, borstelwormen en insecten. Foerageren gebeurt vaak door laag boven het water heen en weer te zoeken, met langdurig stilhangen voordat met een duikvlucht in ondiep water wordt gestoken, vooral langs de rand van opkomend tij. Insecten worden ook uit de lucht of van het wateroppervlak genomen, en soms worden prooien vlak boven vegetatie of langs rustige oeverlijnen opgepikt.
Broeden vindt in Europa en India meestal plaats in mei en juni, met regionale verschillen elders. Kolonies zijn vaak klein tot middelgroot en kunnen bestaan uit synchroon broedende subgroepjes, meestal met soortgenoten. Het nest is vaak een eenvoudige kale kuil, maar in moerassige omstandigheden kan een kleine verhoging of platform van schelpjes of vegetatie worden gevormd. Meestal worden twee tot drie eieren gelegd, met een broedduur van ongeveer 21 tot 24 dagen. Kuikens zijn roomgrijs tot wit en vertonen zwarte spikkels die in dichtheid kunnen variëren. Eerste broeden vindt doorgaans rond driejarige leeftijd plaats.
De soort is wijdverspreid in Afrika, Eurazië, de Oriëntalische regio en Australazië, maar broedt vaak plaatselijk en versnipperd. In Europa is dwergstern een wijdverspreide, maar fragmentarisch voorkomende zomergast, met een relatief kleine broedpopulatie. Tussen 1970 en 1990 trad in Europa een matige afname op. In 1990–2000 was het beeld gemengd: in veel gebieden stabilisatie of toename, maar met afnames in onder meer Rusland, Turkije en Italië, waardoor de soort in Europa als afnemend is beoordeeld. Broedplaatsen zijn vaak tijdelijk en kunnen van jaar tot jaar verschuiven, wat leidt tot duidelijke schommelingen in aantallen en verspreiding. Belangrijke drukfactoren zijn onder meer kanalisatie van rivieren, vervuiling en recreatieve ontwikkeling aan kusten en oevers.
Dwergstern is een uitgesproken kleine stern en oogt compact en licht. Het verenkleed toont een grijze rug en bovenvleugels, een witte stuit en een witte onderzijde, met een zwarte kap en donkere teugel. Het witte voorhoofd is opvallend en draagt bij aan de “frisse” koptekening. De snavel is felgeel met meestal een klein donker puntje, en poten en voeten zijn geel tot oranjegeel. In vlucht vallen de relatief smalle, puntige vleugels op en een licht gevorkte staart die bij snelle wendingen goed zichtbaar is.
Het leefgebied strekt zich uit van subtropische tot gematigde zones. Populaties op het continent zijn vaak vooral kustgebonden, maar er wordt ook veel gebruikgemaakt van zand- of grindbanken langs grote rivieren en van eilanden. Broeden vindt plaats op kale of schaars begroeide ondergrond zoals zand, schelpenstrandjes, kiezels, rotsige platen of koraalachtige substraten, maar ook op spitsen in estuaria, oevers van meren, zoutmoerassen en rivierbanken. Buiten de broedtijd worden getijdekreken, kustlagunes en zoutpannen regelmatig benut.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit kleine vis en kreeftachtigen, aangevuld met onder meer weekdieren, borstelwormen en insecten. Foerageren gebeurt vaak door laag boven het water heen en weer te zoeken, met langdurig stilhangen voordat met een duikvlucht in ondiep water wordt gestoken, vooral langs de rand van opkomend tij. Insecten worden ook uit de lucht of van het wateroppervlak genomen, en soms worden prooien vlak boven vegetatie of langs rustige oeverlijnen opgepikt.
Broeden vindt in Europa en India meestal plaats in mei en juni, met regionale verschillen elders. Kolonies zijn vaak klein tot middelgroot en kunnen bestaan uit synchroon broedende subgroepjes, meestal met soortgenoten. Het nest is vaak een eenvoudige kale kuil, maar in moerassige omstandigheden kan een kleine verhoging of platform van schelpjes of vegetatie worden gevormd. Meestal worden twee tot drie eieren gelegd, met een broedduur van ongeveer 21 tot 24 dagen. Kuikens zijn roomgrijs tot wit en vertonen zwarte spikkels die in dichtheid kunnen variëren. Eerste broeden vindt doorgaans rond driejarige leeftijd plaats.
Klik hier Genus Gelochelidon
Gelochelidon (Gelochelidon, Brehm, 1830) is een geslacht van sterns dat vooral bekendstaat door de duidelijke, meeuwachtige indruk in bouw en foerageergedrag. Soorten binnen dit geslacht hebben vaak een stevigere kop en snavel dan veel andere sterns, met relatief brede vleugels en een krachtige vlucht die regelmatig aan een kleine meeuw doet denken. In het veld vallen vaak de robuuste snavelvorm en het minder “fragiele” sternsilhouet op, zeker bij langdurige observatie.
De verspreiding en leefwijze zijn in sterke mate gekoppeld aan waterrijke gebieden met ondiepe zones, zoals kustlagunes, estuaria, zoutmoerassen, meren en brede riviergebieden. Broeden gebeurt veelal op open, vlakke ondergrond met weinig vegetatie, bijvoorbeeld op zand- of slikplaten en op eilanden of opgeslibde delen, waar overzicht en relatieve rust belangrijk zijn. Buiten de broedtijd worden ook kustwateren en binnenlandse wetlands gebruikt, waarbij aanwezigheid vaak samenhangt met lokaal voedselaanbod en waterstanden.
Voedsel bestaat meestal uit vis, maar ook andere aquatische prooien worden benut, afhankelijk van het gebied. Foerageren kan variëren van gerichte duikvluchten tot het oppikken van prooien vanaf of net onder het wateroppervlak, soms ook boven natte graslanden of slikranden. Door deze flexibele manier van voedsel zoeken kan het geslacht verschillende watertypen benutten, zolang er voldoende prooien beschikbaar zijn en geschikte, open rust- en broedplekken in de buurt liggen.
De verspreiding en leefwijze zijn in sterke mate gekoppeld aan waterrijke gebieden met ondiepe zones, zoals kustlagunes, estuaria, zoutmoerassen, meren en brede riviergebieden. Broeden gebeurt veelal op open, vlakke ondergrond met weinig vegetatie, bijvoorbeeld op zand- of slikplaten en op eilanden of opgeslibde delen, waar overzicht en relatieve rust belangrijk zijn. Buiten de broedtijd worden ook kustwateren en binnenlandse wetlands gebruikt, waarbij aanwezigheid vaak samenhangt met lokaal voedselaanbod en waterstanden.
Voedsel bestaat meestal uit vis, maar ook andere aquatische prooien worden benut, afhankelijk van het gebied. Foerageren kan variëren van gerichte duikvluchten tot het oppikken van prooien vanaf of net onder het wateroppervlak, soms ook boven natte graslanden of slikranden. Door deze flexibele manier van voedsel zoeken kan het geslacht verschillende watertypen benutten, zolang er voldoende prooien beschikbaar zijn en geschikte, open rust- en broedplekken in de buurt liggen.
Australische lachstern
[LAT] *Gelochelidon macrotarsa* |
[UK] Australian Gull-billed Tern |
[FR] Sterne à longues pattes |
[DE] Australische Lachseeschwalbe |
[ES] pagaza australiana |
[NL] Australische lachstern


Klik hier Australische lachstern
Australische lachstern (Gelochelidon macrotarsa, Gould, 1837) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). De soort is endemisch als broedvogel in Australië en wordt buiten de broedtijd ook in de richting van Nieuw-Guinea gemeld, waarbij aanwezigheid vooral samenhangt met geschikte wetlands en voedselrijke kustzones.
Het uiterlijk is dat van een vrij grote en krachtige stern met brede vleugels, relatief lange poten en een opvallend stevige, meeuwachtige snavel. In broedkleed is de bovenzijde lichtgrijs en de onderzijde wit, met een zwarte kap. Snavel en poten zijn donker en geven samen met de robuuste bouw een duidelijke afwijking ten opzichte van veel andere sterns. In niet-broedkleed verdwijnt de zwarte kap grotendeels en blijft vaak een donkere vlek rond het oog zichtbaar. Jonge vogels lijken sterk op niet-broedkleed, met een wat lichtere, soms gevlekte bovenzijde.
Broeden gebeurt in kolonies op meren, moerassen en langs de kust. Het nest is meestal niet meer dan een ondiepe kuil op de grond, waarin doorgaans twee tot vijf eieren worden gelegd. De soort valt ook op door een wat “atypische” manier van foerageren binnen de sterns. In plaats van vooral vis met klassieke duikvluchten te nemen, bestaat het dieet in belangrijke mate uit insecten die in vlucht worden gegrepen, en worden ook andere prooien benut, zoals amfibieën en kleine zoogdieren. Foerageren kan daarbij plaatsvinden boven natte velden en zelfs boven meer begroeide zones, wat een bredere habitatbenutting oplevert dan bij veel kuststerns.
Het uiterlijk is dat van een vrij grote en krachtige stern met brede vleugels, relatief lange poten en een opvallend stevige, meeuwachtige snavel. In broedkleed is de bovenzijde lichtgrijs en de onderzijde wit, met een zwarte kap. Snavel en poten zijn donker en geven samen met de robuuste bouw een duidelijke afwijking ten opzichte van veel andere sterns. In niet-broedkleed verdwijnt de zwarte kap grotendeels en blijft vaak een donkere vlek rond het oog zichtbaar. Jonge vogels lijken sterk op niet-broedkleed, met een wat lichtere, soms gevlekte bovenzijde.
Broeden gebeurt in kolonies op meren, moerassen en langs de kust. Het nest is meestal niet meer dan een ondiepe kuil op de grond, waarin doorgaans twee tot vijf eieren worden gelegd. De soort valt ook op door een wat “atypische” manier van foerageren binnen de sterns. In plaats van vooral vis met klassieke duikvluchten te nemen, bestaat het dieet in belangrijke mate uit insecten die in vlucht worden gegrepen, en worden ook andere prooien benut, zoals amfibieën en kleine zoogdieren. Foerageren kan daarbij plaatsvinden boven natte velden en zelfs boven meer begroeide zones, wat een bredere habitatbenutting oplevert dan bij veel kuststerns.
Lachstern
[LAT] *Gelochelidon nilota* |
[UK] Gull-billed Tern |
[FR] Sterne hansl |
[DE] Lachseeschwalbe |
[ES] pagaza pagaza piconegra |
[NL] Lachstern

Klik hier Lachstern details
Lachstern (Gelochelidon nilotica, Gmelin, 1789) is wereldwijd beoordeeld als Niet bedreigd (LC). Het verspreidingsgebied is groot, met een geschatte mondiale verspreidingsomvang van 1.000.000 tot 10.000.000 km², en de wereldpopulatie wordt geschat op circa 79.000 tot 310.000 individuen. De wereldwijde trend is niet exact gekwantificeerd, maar er zijn geen aanwijzingen dat de soort in de buurt komt van de IUCN-drempels voor sterke afname over tien jaar of drie generaties.
De soort is wijdverspreid maar vaak zeer versnipperd in voorkomen. In Europa broedt lachstern plaatselijk in Zuid- en Oost-Europa, vooral in de Mediterrane regio en rond de Zwarte Zee, met daarnaast een kleine, kwetsbare populatie in het noorden, onder meer in Duitsland en Denemarken. De Europese broedpopulatie nam sterk af tussen 1970 en 1990. In 1990–2000 was het beeld gemengd, met stabiliteit in delen van Zuidwest-Europa en Rusland, maar verdere afname in Zuidoost-Europa. Daardoor wordt de soort in Europa in verschillende beoordelingen als (sterk) afnemend en lokaal zorgelijk gezien, ondanks de mondiale status.
Lachstern valt direct op door de zware, geheel zwarte snavel en de relatief lange poten. De bouw is stevig en meeuwachtig, met brede vleugels en een zeer licht ogend lichaam. De staart is slechts licht gevorkt. De kruin en nek zijn zwart, de rug en bovenvleugels zijn bleekgrijs, met handpennen die iets donkerder zijn maar met lichte tot bleekgrijze vleugeltoppen. Staart en onderzijde zijn wit. Ondersoorten verschillen vooral in formaat, met name in snavel- en pootafmetingen; de ondersoort macrotarsa is de grootste en heeft gemiddeld de meest opvallende snavel en voeten.
Trekgedrag is uitgesproken. Overwintering van vogels uit Noord- en West-Europa en vermoedelijk ook uit Tunesië ligt van Mauritanië oostwaarts tot Nigeria en Tsjaad. Populaties uit de Balkan en Oekraïne overwinteren waarschijnlijk van Soedan zuidwaarts tot Botswana. Doortrek kan de Sahara kruisen, vooral in het voorjaar, al bereiken veel westelijke trekkers West-Afrika ook via de Atlantische kustroute. In het noorden van het broedgebied start de zuidwaartse trek vaak in juli, terwijl terugkeer naar broedgebieden meestal in de tweede helft van april plaatsvindt.
Het leefgebied bestaat uit kust- en binnenlandse wetlands. Broeden gebeurt op barrièrestranden en duinen, in zoutmoerassen, langs rivieren en bij zoetwaterlagunes, maar ook op (hyper)zoute meren. Buiten de broedtijd worden estuaria, meren en zoutpannen veel gebruikt. Foerageren vindt geregeld plaats boven open terrein zoals velden en graslanden en kan ook boven drogere, halfwoestijnachtige gebieden plaatsvinden wanneer insecten beschikbaar zijn.
Het voedselpakket is opvallend insectrijk in vergelijking met veel andere sterns. Prooien bestaan onder meer uit sprinkhanen, libellen, motten en larven, aangevuld met spinnen, regenwormen, kleine reptielen en kikkers, en daarnaast in mindere mate kleine vis en aquatische ongewervelden. Jagen gebeurt vaak met langzame zoekvlucht gevolgd door een snelle duik of stoot naar een prooi op de bodem, het wateroppervlak of de vegetatie. Af en toe wordt ook voedsel van andere sterns afgenomen.
Broeden vindt in Europa meestal in mei en juni plaats, met regionale verschillen elders. Kolonies kunnen los tot dicht zijn. Nestplaatsen zijn zeer gevarieerd en kunnen bestaan uit kale stranden, zand- en schelpbanken, droge modder, dijken, aanspoelsel, drijvende vegetatie en zelfs daken. Meestal worden twee tot drie eieren gelegd, die ongeveer 23 dagen worden bebroed. Kuikens zijn wit en vaak ongevlekt. Nazorg duurt lang en kan tot ongeveer drie maanden doorlopen. Terugkeer naar de kolonie gebeurt vaak rond vierjarige leeftijd, terwijl eerste broeden meestal rond vijfjarige leeftijd plaatsvindt.
De soort is wijdverspreid maar vaak zeer versnipperd in voorkomen. In Europa broedt lachstern plaatselijk in Zuid- en Oost-Europa, vooral in de Mediterrane regio en rond de Zwarte Zee, met daarnaast een kleine, kwetsbare populatie in het noorden, onder meer in Duitsland en Denemarken. De Europese broedpopulatie nam sterk af tussen 1970 en 1990. In 1990–2000 was het beeld gemengd, met stabiliteit in delen van Zuidwest-Europa en Rusland, maar verdere afname in Zuidoost-Europa. Daardoor wordt de soort in Europa in verschillende beoordelingen als (sterk) afnemend en lokaal zorgelijk gezien, ondanks de mondiale status.
Lachstern valt direct op door de zware, geheel zwarte snavel en de relatief lange poten. De bouw is stevig en meeuwachtig, met brede vleugels en een zeer licht ogend lichaam. De staart is slechts licht gevorkt. De kruin en nek zijn zwart, de rug en bovenvleugels zijn bleekgrijs, met handpennen die iets donkerder zijn maar met lichte tot bleekgrijze vleugeltoppen. Staart en onderzijde zijn wit. Ondersoorten verschillen vooral in formaat, met name in snavel- en pootafmetingen; de ondersoort macrotarsa is de grootste en heeft gemiddeld de meest opvallende snavel en voeten.
Trekgedrag is uitgesproken. Overwintering van vogels uit Noord- en West-Europa en vermoedelijk ook uit Tunesië ligt van Mauritanië oostwaarts tot Nigeria en Tsjaad. Populaties uit de Balkan en Oekraïne overwinteren waarschijnlijk van Soedan zuidwaarts tot Botswana. Doortrek kan de Sahara kruisen, vooral in het voorjaar, al bereiken veel westelijke trekkers West-Afrika ook via de Atlantische kustroute. In het noorden van het broedgebied start de zuidwaartse trek vaak in juli, terwijl terugkeer naar broedgebieden meestal in de tweede helft van april plaatsvindt.
Het leefgebied bestaat uit kust- en binnenlandse wetlands. Broeden gebeurt op barrièrestranden en duinen, in zoutmoerassen, langs rivieren en bij zoetwaterlagunes, maar ook op (hyper)zoute meren. Buiten de broedtijd worden estuaria, meren en zoutpannen veel gebruikt. Foerageren vindt geregeld plaats boven open terrein zoals velden en graslanden en kan ook boven drogere, halfwoestijnachtige gebieden plaatsvinden wanneer insecten beschikbaar zijn.
Het voedselpakket is opvallend insectrijk in vergelijking met veel andere sterns. Prooien bestaan onder meer uit sprinkhanen, libellen, motten en larven, aangevuld met spinnen, regenwormen, kleine reptielen en kikkers, en daarnaast in mindere mate kleine vis en aquatische ongewervelden. Jagen gebeurt vaak met langzame zoekvlucht gevolgd door een snelle duik of stoot naar een prooi op de bodem, het wateroppervlak of de vegetatie. Af en toe wordt ook voedsel van andere sterns afgenomen.
Broeden vindt in Europa meestal in mei en juni plaats, met regionale verschillen elders. Kolonies kunnen los tot dicht zijn. Nestplaatsen zijn zeer gevarieerd en kunnen bestaan uit kale stranden, zand- en schelpbanken, droge modder, dijken, aanspoelsel, drijvende vegetatie en zelfs daken. Meestal worden twee tot drie eieren gelegd, die ongeveer 23 dagen worden bebroed. Kuikens zijn wit en vaak ongevlekt. Nazorg duurt lang en kan tot ongeveer drie maanden doorlopen. Terugkeer naar de kolonie gebeurt vaak rond vierjarige leeftijd, terwijl eerste broeden meestal rond vijfjarige leeftijd plaatsvindt.