De Threskiornithidae vormen een familie van middelgrote tot grote waadvogels die wereldwijd voorkomt in waterrijke gebieden. Tot deze familie behoren zowel de ibissen (onderfamilie Threskiornithinae) als de lepelaars (Plataleinae). Ze worden gekenmerkt door hun lange poten, lange hals en een karakteristieke snavel: bij ibissen is die gebogen naar beneden, terwijl lepelaars een platte, lepelvormige snavel hebben.
Threskiornithidae leven doorgaans in moerassen, rivierdelta’s, kustgebieden en overstroomde graslanden. Ze foerageren in ondiep water op een dieet van kleine waterdieren zoals insectenlarven, weekdieren, kreeftachtigen en kleine vissen. Deze vogels nestelen vaak in kolonies, soms samen met andere watervogels, en zijn sociaal van aard.
Hoewel sommige soorten zich weten aan te passen aan menselijke invloeden, worden andere bedreigd door habitatverlies, drooglegging van wetlands en vervuiling. Hun opvallende uiterlijk en sociale gedrag maken hen tot een herkenbare en ecologisch belangrijke vogelgroep in waterrijke ecosystemen.
Foto’s © Jan Dolphijn
Genus Threskiornis details
Soorten uit dit geslacht broeden kolonievormend en bouwen meestal een eenvoudig takkennest in een boom of struik. Het legsel bestaat doorgaans uit twee tot vier eieren. Het voedsel bestaat uit vissen, kikkers, kreeftachtigen en insecten, die met de stevige, naar beneden gebogen snavel uit ondiep water of zachte modder worden gehaald.
Volwassen Threskiornis-ibissen zijn meestal vrij groot en overwegend wit van kleur, met een kale zwarte kop, hals en poten. De snavel is dik en duidelijk gebogen. Mannetjes en vrouwtjes lijken sterk op elkaar. Jonge vogels hebben doorgaans een lichtere hals en een matter verenkleed. Een uitzondering binnen het geslacht is de stoppelhalsibis, die donkerdere bovendelen heeft en in sommige indelingen ook wel in een apart geslacht is geplaatst.
Heilige ibis





Heilige Ibis details
Deze ibis leeft wijdverspreid in Afrika ten zuiden van de Sahara en kwam van nature ook voor in delen van Egypte en in Zuidoost-Irak. De soort is nomadisch of trekachtig en kan over afstanden van vele honderden kilometers bewegen om geschikte broedgebieden te bereiken tijdens regentijden. Vogels ten noorden van de evenaar trekken daarbij doorgaans noordwaarts en vogels ten zuiden van de evenaar zuidwaarts, waarna terugkeer volgt aan het einde van het regenseizoen of aan het begin van de droge tijd.
Een volwassen heilige ibis is ongeveer 68 centimeter lang. Het lichaam is grotendeels wit, met donkere sierveren op de stuit. De kale kop en hals, de stevige naar beneden gebogen snavel en de poten zijn zwart. In vlucht valt de zwarte achterrand van de vleugels goed op. Jonge vogels zijn wat valer vuilwit, hebben een kleinere snavel en nog enige bevedering op de hals.
De soort leeft in zowel subtropische als tropische gebieden en is opmerkelijk flexibel in habitatkeuze. Het leefgebied bestaat vooral uit binnenlandse wetlands, oevers van meren en rivieren, moerassen en ook landbouwgebieden. Broedplaatsen kunnen sterk verschillen en variëren van hoge bomen tot lage struiken, rotsige eilanden en soms zelfs de kale grond.
Het voedsel bestaat vooral uit ongewervelden zoals insecten, vooral sprinkhanen en andere rechtvleugeligen, maar ook spinnen, wormen, kreeftachtigen en weekdieren. Daarnaast worden ook kikkers, reptielen, vis, jonge vogels, eieren, aas en slachtafval gegeten. Foerageren gebeurt meestal overdag, vaak in groepen, al wadend in ondiep water of soms op drogere grond dicht bij water.
Het nest wordt meestal gebouwd in bomen, vooral in platgekroonde doornbomen, maar op eilanden ook in lage struiken, tussen riet of op de grond tussen rotsen. De soort broedt in kolonies, waarbij de nesten dicht bij elkaar liggen maar elkaar meestal niet raken. Het nest is een groot platform van takken en twijgen, bekleed met gras, riet, bladeren en soms opvallende materialen zoals schelpen. Een legsel bestaat gewoonlijk uit twee tot vier eieren. De broedduur bedraagt ongeveer 28 tot 29 dagen en de jongen vliegen na ongeveer 35 tot 40 dagen uit.
Buiten het natuurlijke verspreidingsgebied zijn verwilderde populaties ontstaan in delen van Europa. Dat gebeurde doordat vogels uit gevangenschap ontsnapten of bewust vrij rondvlogen in dierentuinen. Inmiddels hebben zich broedpopulaties gevestigd in onder meer Spanje, Italië, Frankrijk en op de Canarische Eilanden.
Australische witte ibis





Australische witte ibis details
Deze ibis komt algemeen voor in het noorden en oosten van Australië. In West-Australië breidt de soort zich uit, hoewel daar vóór de jaren vijftig geen vaste aanwezigheid bekend was. Op Tasmanië ontbreekt de soort als broedvogel, al verschijnen er soms onregelmatige bezoekers. Ook in Nieuw-Zeeland wordt de soort af en toe als dwaalgast waargenomen. De meeste volwassen vogels zijn standvogel, maar binnen het hele verspreidingsgebied vinden ook onregelmatige, nomadische verplaatsingen plaats, vaak samenhangend met de beschikbaarheid van water. Jonge vogels zwerven vaak over grote afstanden uit.
De soort is goed te herkennen aan het bijna volledig witte lichaam, de zwarte kale kop en hals en de lange, zwartgekleurde naar beneden gebogen snavel. In de broedtijd verkleurt een klein huidveld aan de onderzijde van de vleugel van dof roze naar donker scharlakenrood. Volwassen vogels hebben bovendien een toef roomkleurige sierveren aan de basis van de hals. Vrouwtjes zijn gemiddeld iets kleiner dan mannetjes en hebben doorgaans een kortere snavel. Jonge vogels lijken al sterk op volwassen exemplaren, maar hebben nog zwarte veren op de hals. In vlucht vormen groepen vaak duidelijke V-formaties.
De Australische witte ibis leeft in vrijwel alle habitats behalve de droogste delen van het continent. De voorkeur gaat uit naar moerassen, lagunes, overstromingsvlakten en graslanden. Daarnaast heeft de soort zich uitstekend aangepast aan door mensen beïnvloede omgevingen en is deze tegenwoordig ook veel te zien in stedelijke parken, tuinen en andere groene zones in en rond steden.
Het voedsel bestaat uit zowel land- als watergebonden ongewervelden en daarnaast ook uit voedselresten van menselijke oorsprong. Vooral rivierkreeften en mosselen worden graag gegeten. Met de lange snavel wordt in modderige bodems gegraven naar prooien. Mosselen worden soms op een harde ondergrond kapotgeslagen om het zachte binnenste te kunnen bereiken.
In de broedtijd bezet het mannetje een territorium op een tak in een hoge boom om een partner aan te trekken. De balts gaat gepaard met luidruchtig gedrag en agressie tegenover andere mannetjes. Wanneer een vrouwtje nadert, volgt een buigende houding en wordt vaak een takje aangeboden, waarna onderlinge poetsbewegingen de paarband versterken. Daarna wordt elders een nest gebouwd. De soort broedt in grote kolonies, vaak samen met de strodhalsibis. De jongen komen naakt en hulpeloos uit het ei. Er kunnen één of soms twee broedsels per jaar worden grootgebracht. Een legsel bestaat uit één tot vier eieren. De broedduur bedraagt ongeveer drie weken en na nog eens zes tot zeven weken vliegen de jongen uit.
Strohalsibis




Strohalsibis details
De strohalsibis komt wijdverspreid voor in continentaal Australië. Buiten het kerngebied verschijnt de soort soms als dwaalgast op Tasmanië, in het zuiden van Nieuw-Guinea, in Indonesië en op Norfolk en Lord Howe. Een deel van de populatie is standvogel, terwijl andere vogels seizoensgebonden of onregelmatige verplaatsingen maken afhankelijk van de wateromstandigheden. Tijdens langere trekbewegingen vliegen groepen vaak in lijn of in V-formatie, soms op grote hoogte.
De soort dankt de Nederlandse naam aan de opvallende stroachtige sierveren op hals en borst. De kale kop is zwart, net als de lange snavel waarmee in zachte bodem wordt geprikt op zoek naar voedsel. Een deel van de hals en de volledige onderzijde zijn wit, terwijl de rest van het lichaam donker en metaalglanzend is. De lange poten maken het mogelijk zich gemakkelijk door graslanden en drassige gebieden te bewegen. De tenen zijn aan de basis gedeeltelijk met zwemvliezen verbonden.
Deze ibis wordt vaak gezien in gemengde groepen met de Australische witte ibis, maar de voorkeur gaat vaker uit naar graslanden en weidegebieden dan naar uitgesproken wetlands. Grote groepen zijn heel gebruikelijk en op geschikte plaatsen kunnen indrukwekkende aantallen bijeenkomen.
Het voedsel wordt gezocht door met de snavel in zachte modder, ondiepe kuilen en tussen plantenwortels te sonderen. Daarbij worden onder meer kreeftachtigen, slakken, wormen en andere kleine ongewervelden buitgemaakt. Het dieet is gevarieerd en hangt samen met wat tijdens het zoeken in de bodem wordt aangetroffen.
De soort broedt in grote, dichte en vaak traditionele kolonies, dikwijls samen met heilige ibissen en andere watervogels. Het broedsucces hangt sterk samen met lokale overstromingen, die voor gunstige voedselomstandigheden zorgen. De grootste kolonies kunnen uit tienduizenden of zelfs honderdduizenden vogels bestaan. Nesten liggen vaak zo dicht bij elkaar dat de broedplaats in de loop van het seizoen verandert in één groot vertrapt platform. Soms worden twee broedsels achter elkaar grootgebracht. Een legsel bestaat meestal uit twee of drie eieren. De eieren komen na ongeveer 20 tot 25 dagen uit en de jongen vliegen na circa 35 dagen uit.
Genus Platalea details
Lepelaars leven doorgaans in paarsystemen en vormen meestal een monogame band voor één broedseizoen. De meeste soorten broeden in bomen of in rietvelden, vaak in kolonies samen met ibissen, reigers of andere watervogels. Bij de nestbouw verzamelt het mannetje meestal het materiaal, vooral takken en rietstengels, soms ook afkomstig van oude nesten. Het vrouwtje verwerkt dit tot een groot en ondiep komvormig nest of platform. De precieze vorm en stevigheid van het nest verschillen per soort.
Een legsel bestaat meestal uit ongeveer drie gladde, ovale, witte eieren. Beide oudervogels nemen het broeden voor hun rekening. De jongen komen niet allemaal tegelijk uit, maar één voor één. Pas uitgekomen jongen zijn blind en volledig afhankelijk van ouderzorg. Het voedsel wordt door beide ouders deels opgebraakt en aan de jongen gevoerd. De snavel van jonge lepelaars is in het begin nog kort en recht en krijgt pas later de kenmerkende lepelvorm. Ook nadat de jongen het nest verlaten, worden ze nog enige tijd gevoerd.
De belangrijkste oorzaak van mislukte broedsels lijkt niet zozeer predatie te zijn, maar eerder voedselgebrek. Dat past bij de voedselstrategie van lepelaars, die dagelijks vele uren moeten foerageren om voldoende voedsel op te nemen.
Alle lepelaars hebben een grote, platte en spatelvormige snavel en zoeken voedsel door wadend door ondiep water te lopen terwijl de half geopende snavel van links naar rechts wordt gezwaaid. Zodra een klein waterdier, zoals een insect, kreeftachtige of klein visje, de binnenzijde van de snavel raakt, klapt deze snel dicht. Lepelaars geven meestal de voorkeur aan zoetwatergebieden, maar komen ook voor in zoute milieus. Moerassen, ondiepe plassen, lagunes en getijdengebieden vormen belangrijke leefgebieden voor deze opvallende vogels.
Koningslepelaar





Koningslepelaar details
De koningslepelaar komt voor in grote delen van oostelijk en noordelijk Australië, van de Kimberley via het Top End en Queensland tot in New South Wales, Victoria en het zuidoosten van Zuid-Australië. Daarnaast leeft de soort ook in Nieuw-Zeeland, Indonesië, Papoea-Nieuw-Guinea en op enkele eilanden in het zuidwestelijke deel van de Grote Oceaan. In Australië zijn kustpopulaties meestal vrij plaatsgebonden, terwijl landinwaartse verplaatsingen vaak samenhangen met veranderende wateromstandigheden. Ook zijn regelmatige bewegingen vastgesteld tussen Australië en het zuiden van Nieuw-Guinea. De aanwezigheid in Nieuw-Zeeland en op eilanden in de Stille Oceaan laat zien dat ook grotere trekbewegingen mogelijk zijn.
In broedkleed is de soort bijzonder opvallend. Volwassen vogels ontwikkelen dan een sierlijke kuif in de nek, die bij mannetjes tot ongeveer twintig centimeter lang kan worden en meestal korter is bij vrouwtjes. Tijdens balts of opwinding kan deze kuif worden opgericht, waarbij felroze huid zichtbaar wordt. Verder hebben broedvogels een roomgeel waas over de onderhals en bovenborst, een opvallende roze strook langs de ondervleugels en een zwarte gezichtshuid met boven het oog een gele vlek en midden op het voorhoofd een rode vlek. Buiten de broedtijd zijn de kleuren minder uitgesproken, is de kuif kleiner en oogt het verenkleed vaak wat doffer. Jonge vogels lijken op volwassen vogels buiten de broedtijd, maar missen de kuif en de gekleurde gezichtstekening en hebben een iets kortere, gladdere snavel.
De koningslepelaar leeft in ondiepe zoet- en zoutwatergebieden, op getijdenmoddervlakten en in natte graslanden. Zowel permanente als tijdelijke binnenwateren worden benut wanneer omstandigheden gunstig zijn, ook in drogere delen van het binnenland. Daarnaast maakt de soort gebruik van kunstmatige wetlands zoals rioolbassins, zoutvelden, dammen en waterreservoirs.
Het voedsel bestaat in zoet water vooral uit vis en op getijdenvlakten vooral uit garnalen. Daarnaast worden ook andere kreeftachtigen en waterinsecten gegeten. Door de bouw van de snavel is de soort aangewezen op water dat meestal minder dan veertig centimeter diep is, boven een bodem van zand, modder of klei. Tijdens het foerageren wordt de open snavel in brede bogen zijwaarts door het water gezwaaid. Soms gebeurt dat langzaam, soms juist snel lopend of zelfs rennend door ondiep water. Ook slepen, prikken en grijpen worden toegepast. De binnenzijde van de lepel bevat veel tastgevoelige structuren, waardoor prooien ook in troebel water kunnen worden opgespoord en zowel overdag als ’s nachts voedsel kan worden gezocht. Gevangen garnalen worden soms tegen een hard oppervlak geslagen om de schaal te verwijderen.
De soort vormt monogame paren voor de duur van het broedseizoen en broedt in kolonies samen met andere watervogels, waaronder geelsnavellepelaars, ibissen, reigers en aalscholvers. Het nest is een stevig komvormig bouwwerk van takken en twijgen, bekleed met bladeren en waterplanten. Meestal wordt het geplaatst in de kroon van een boom boven water of tussen hoog riet en biezen. Broedplaatsen kunnen meerdere jaren achtereen worden gebruikt. Beide oudervogels broeden op de eieren en verzorgen de jongen. Bij verstoring op het nest wordt het verenkleed opgezet zodat de vogel groter lijkt, terwijl laag over het nest wordt gebogen. Ook na het uitvliegen worden jonge vogels nog enige tijd gevoerd en blijven zij vaak samen met de ouders foerageren voordat de familiegroep uiteenvalt.
Lepelaar






Lepelaar details
De lepelaar komt voor in grote delen van Afrika, Europa en Azië. Het is een wijdverspreide maar plaatselijk vaak onregelmatig voorkomende broedvogel, vooral in warmere klimaatzones, al dringt de soort lokaal ook ver door in gematigde streken door. Europese broedvogels overwinteren vooral in het Middellandse Zeegebied en in noordelijk tropisch Afrika. Na het uitvliegen blijven jonge vogels in juli en augustus meestal nog binnen betrekkelijk korte afstand van de broedgebieden. Vanuit Europese kolonies vindt de najaarstrek vooral plaats in augustus en september. De terugkeer naar de broedgebieden begint soms al in de tweede helft van februari, maar de meeste vogels keren in maart en april terug. Tijdens de trek vliegen lepelaars vaak overdag, in kleine groepen of grotere troepen, meestal in lijnformatie of zwevend en cirkelend op aanzienlijke hoogte.
Volwassen vogels zijn geheel wit en in broedkleed voorzien van een gelige sierpluim in de nek en een goudgele vlek op de borst. De snavel is lang, breed en duidelijk lepelvormig. In vlucht blijft de hals gestrekt, wat samen met het witte verenkleed en de kenmerkende snavel een onmiskenbaar silhouet oplevert. Jonge vogels hebben zwarte punten aan de handpennen en een roze snavel, die in de eerste winter donkerder wordt. De vleugelslag is rustiger en gelijkmatiger dan bij ibissen en minder traag dan bij grote reigers. Groepen vliegen vaak in een enkele rij.
De soort leeft vooral in uitgestrekte ondiepe wateren met een vrij gelijkmatige diepte en een bodem van modder, klei of fijn zand. Zowel zoete, brakke als zoute milieus worden gebruikt. Kustvlakten, rivierdelta’s, overstromingsgebieden en ondiepe meren vormen belangrijk leefgebied. Bij het foerageren is de soort sterk gebonden aan ondiep water, vaak met langzame stroming, lichte getijdenwerking of recent overstroomde zones. Voor het broeden gaat de voorkeur uit naar dichte rietvelden en andere opgaande moerasvegetatie, vaak met verspreide struiken of bomen zoals wilgen en populieren die als nestplaats kunnen dienen.
Het voedsel bestaat uit waterinsecten zoals libellen, kevers, sprinkhanen en schietmotten, maar ook uit kikkers en kleine vissen. Soms worden ook algen en andere waterplanten of plantaardig materiaal opgenomen. Foerageren gebeurt meestal in kleine groepen, waarbij de snavel kenmerkend van links naar rechts door het water wordt gezwaaid. Soms worden prooien actief achtervolgd en een deel van de voedselzoekende activiteit vindt in de schemering of ’s nachts plaats.
De lepelaar broedt in het noorden van het verspreidingsgebied vooral in het voorjaar, terwijl de timing in andere gebieden samenhangt met regenval en waterstanden. Het nest wordt gebouwd op de grond of op een mat van oud riet in dichte rietvelden, maar ook in wilgenstruwelen dicht boven het water of tot enkele meters boven de grond. Soms wordt genesteld op graspollen wanneer andere vegetatie ontbreekt. De soort broedt in kolonies, waarbij nesten meestal op één tot twee meter van elkaar liggen, maar soms vrijwel tegen elkaar aan staan. Het nest bestaat uit een grote hoop riet, twijgen en grashalmen, bekleed met gras en bladeren. Meestal gaat het om kolonies met alleen lepelaars, al komen gemengde kolonies met andere watervogels ook voor. Een legsel bestaat gewoonlijk uit drie tot vier eieren. De broedduur bedraagt ongeveer 24 tot 25 dagen. De jongen hebben een dun wit dons en bereiken de geslachtsrijpheid meestal op een leeftijd van drie tot vier jaar.
Geelsnavellepelaar

Geelsnavellepelaar details
Deze lepelaar komt in geschikte leefgebieden voor in grote delen van Australië, vooral in het noorden en in goed doorwaterde binnenlandse gebieden. In kuststreken is de soort doorgaans minder algemeen. Buiten het normale verspreidingsgebied verschijnt de geelsnavellepelaar soms als dwaalgast op Lord Howe Island, Norfolk Island, Tasmanië en in Nieuw-Zeeland. In het zuiden van Australië lijkt de soort grotendeels standvogel te zijn, terwijl in het noorden en in delen van het binnenland regelmatige verplaatsingen worden waargenomen.
In broedkleed krijgt de huid van het gezicht een zwarte omranding, vertonen de fijne sierveren van de vleugels zwarte punten en zijn op de bovenborst langere sierveren zichtbaar. Buiten de broedtijd ontbreekt de zwarte aftekening rond het gezicht en zijn de sierveren minder ontwikkeld of afwezig. Jonge vogels lijken op volwassen exemplaren, maar tonen zwarte aftekeningen op de binnenste slagpennen.
De soort leeft vooral in ondiepe zoetwatergebieden zoals wetlands, stuwmeren, lagunes en moerassen. Soms wordt ook gebruikgemaakt van droge graslanden, maar zoute wetlands worden zelden benut. De geelsnavellepelaar kan in kleinere waterpartijen foerageren dan de koningslepelaar en is daardoor ook geschikt voor kleinschaligere natte gebieden.
Het voedsel bestaat vooral uit waterinsecten en hun larven. Bij het zoeken naar prooi wordt de lepelvormige snavel zijwaarts door ondiep water gezwaaid. Aan de binnenzijde van de snavel bevinden zich gevoelige taststructuren, waardoor prooien ook in troebel water kunnen worden opgespoord. Daardoor kan zowel overdag als ’s nachts worden gefoerageerd. Zodra een prooi is gevangen, wordt de snavel iets opgetild zodat het voedsel naar de keel glijdt. In vergelijking met de koningslepelaar heeft deze soort minder van deze taststructuren en een kleinere lepel, waardoor vooral tragere prooidieren worden buitgemaakt.
De geelsnavellepelaar broedt vaak solitair of in losse kolonies samen met andere watervogels, zoals ibissen en koningslepelaars. Het nest wordt geplaatst in hoge vorken van bomen boven water of tussen rietvelden. Het bestaat uit een ondiep platform van takken, biezen en riet en is niet of nauwelijks bekleed. Het mannetje verzamelt meestal het nestmateriaal, terwijl het vrouwtje het nest opbouwt. Daarna nemen beide vogels het broeden en de zorg voor de jongen op zich. Een legsel bestaat gewoonlijk uit twee tot vier eieren, die ongeveer vier weken worden bebroed.
Hadadaibis

Hadada-Ibis details
Deze ibis komt voor in open graslanden, savannes en regenwouden van Sub-Sahara-Afrika en is in veel delen van tropisch en zuidelijk Afrika de meest algemene ibis. Het verspreidingsgebied loopt van Senegal tot oostelijk Centraal-Afrika en van Soedan tot de Oost-Kaap. In de lagere Congostreek en in de droge zuidwestelijke gebieden ontbreekt de soort grotendeels. De hadada ibis is meestal standvogel, maar kan tijdens droge perioden lokaal rondzwerven als reactie op regenval en veranderende voedselomstandigheden.
Het verenkleed is overwegend donker olijfbruin tot grijzebruin, met een opvallende groenachtige metaalglans op de vleugeldekveren. De ogen vallen extra op door een lichte streep onder het oog. Slagpennen en staart tonen een blauwzwarte glans. De snavel is lang, zwart en gebogen, met aan de basis van de bovensnavel een rood deel dat ongeveer tot halverwege doorloopt. De poten zijn zwartbruin en de voeten licht oranjebruin. Beide geslachten lijken sterk op elkaar, al is het vrouwtje gemiddeld iets kleiner en kortsnaveliger.
De Nederlandse naam sluit aan bij de bekende roep, een rauw en ver dragend geluid dat vaak als “ha-ha-a-a-a-a” wordt weergegeven. Vooral rond zonsopkomst en zonsondergang is deze soort zeer luidruchtig wanneer vogels naar slaapplaatsen terugkeren of deze juist verlaten. Vaak begint één vogel met roepen, waarna direct andere exemplaren invallen. Op grote slaapplaatsen kunnen meerdere groepen tegelijk te horen zijn. Langdurige droogte vormt een risico, omdat harde, uitgedroogde bodems het moeilijker maken om met de snavel naar voedsel te zoeken.
De soort leeft vooral langs beboste beken en rivieren in open, vochtige graslanden en savannebos. Daarnaast wordt ook graag gebruikgemaakt van door mensen beïnvloede, geïrrigeerde gebieden zoals landbouwgrond, grote tuinen en sportvelden. Minder vaak wordt de soort aangetroffen in moerassen, overstroomde graslanden, langs oevers van meren en stuwmeren, in mangroven, aan kuststranden, in open bos en aan bosranden.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit dierlijk materiaal. Vooral insecten worden veel gegeten, waaronder snuitkevers, vliegen, poppen van vlinders en larven van kevers. Daarnaast worden ook kreeftachtigen, miljoenpoten, duizendpoten, spinnen, regenwormen, slakken en kleine reptielen buitgemaakt.
Het broedseizoen is lang en bereikt in veel gebieden een hoogtepunt tijdens en na de belangrijkste regens. Het nest is een platform van twijgen en takken, bekleed met droog gras, en wordt meestal in bomen gebouwd op een hoogte van minder dan negen meter, vaak dicht bij of boven water of langs een beboste beek. Soms worden ook bomen op rotswanden gebruikt of oude nesten van andere vogels. Een legsel bestaat meestal uit twee of drie eieren, grijsgroen of geelbruin van kleur, met bleke olijfbruine of kastanjebruine vlekken. De eieren worden niet altijd gelijktijdig gelegd, waardoor jongen van verschillende leeftijden in één nest kunnen voorkomen. De broedduur bedraagt ongeveer 25 tot 28 dagen en beide oudervogels nemen het broeden voor hun rekening. De jongen zijn bedekt met roodbruin dons en worden na ongeveer 49 dagen zelfstandig.
Genus Geronticus details
De heremietibis (Geronticus eremita) heeft een kuif van verlengde veren in de nek en komt van nature voor rond het Middellandse Zeegebied. Deze soort is kritiek bedreigd. In een verder verleden strekte het verspreidingsgebied zich na de laatste ijstijd veel verder uit, tot in de Alpen van Duitsland en zelfs nog iets noordelijker. Uiteindelijk verdween de soort daar, vooral door habitatverlies en overmatige jacht.
De zuidelijke kale ibis (Geronticus calvus) heeft geen nekkuif, maar wel een rode kale kruin. Deze soort komt voor in subtropisch zuidelijk Afrika en wordt als kwetsbaar beschouwd. Binnen het genus laat deze soort zien dat de kale ibissen zich in verschillende richtingen hebben ontwikkeld, waarbij uiterlijk, verspreiding en ecologie enigszins uiteen zijn gaan lopen.
Van fossiele vormen is bekend dat Geronticus al een lange evolutionaire geschiedenis heeft. Een vermoedelijke voorouderlijke vorm, Geronticus balcanicus, is gevonden in afzettingen uit het late Plioceen bij Slivnitsa in Bulgarije. Deze fossielen lijken sterk op de huidige kale ibissen. Ongeveer twee miljoen jaar geleden kwamen vogels voor die nauwelijks te onderscheiden waren van de moderne heremietibis en die ten minste Spanje, en mogelijk een groot deel van het westelijke Middellandse Zeegebied, bewoonden. Daarom wordt wel verondersteld dat Geronticus balcanicus de directe voorouder van de heremietibis kan zijn geweest, ontstaan aan de westelijke rand van het verspreidingsgebied. Andere onderzoekers zijn voorzichtiger en zien deze fossiele vorm liever als een verwante maar niet rechtstreeks voorouderlijke lijn.
Een nog veel oudere soort is Geronticus perplexus, die alleen bekend is van een deel van een rechteropperarmbeen uit afzettingen van Sansan in Frankrijk uit het Midden-Mioceen. Deze soort werd aanvankelijk voor een reiger gehouden en ondergebracht in andere genera. Door het meer oorspronkelijke bouwplan lijkt deze fossiele vorm een oud lid van de Geronticus-lijn te vertegenwoordigen. Dat past bij het beeld dat veel moderne ibisgenera al meer dan vijftien miljoen jaar geleden hun oorsprong hadden.
Geronticus apelex wordt beschouwd als een vermoedelijke directe voorouder van de zuidelijke kale ibis. De resten van deze soort zijn gevonden in vroege Plioceenafzettingen bij Langebaanweg in Zuid-Afrika en zijn ongeveer vijf miljoen jaar oud. Samen laten deze fossiele soorten zien dat het genus Geronticus een oude en geografisch brede ontwikkelingsgeschiedenis heeft gehad, met lijnen die zowel Europa als Afrika omvatten.
Heremietibis




Heremietibis details
Het huidige verspreidingsgebied is sterk beperkt en ligt vooral in Noordwest-Afrika. In Marokko verblijven de broedvogels het hele jaar door in of nabij de kolonies en zwerven langs de kust. In het oostelijke deel van het vroegere verspreidingsgebied was de soort trekvogel. Vogels uit Turkije overwinterden in noordoostelijk Afrika en bereikten Ethiopië in december, waarna terugkeer naar de kolonies plaatsvond in februari en maart. In Syrië lijkt de populatie in de afgelopen dertig jaar sterk te zijn afgenomen. De soort kwam vroeger veel ruimer voor, maar is in grote delen van het historische areaal verdwenen.
De heremietibis foerageert in groepen en geeft de voorkeur aan halfdroge kuststeppe met zeer schaarse vegetatie. Ook graslanden, weiden en akkers worden benut. In Souss-Massa in Marokko verblijven de vogels jaarrond, in tegenstelling tot verdwenen populaties in Turkije en elders in Marokko die wel trekgedrag vertoonden. De soort lijkt gevoelig voor verliezen tijdens trekbewegingen, wat vooral bij de Syrische vogels een belangrijke factor is geweest. De broedprestaties kunnen sterk van jaar tot jaar verschillen. Kustmist in Marokko lijkt mogelijk een gunstig effect te hebben doordat droge omstandigheden minder hard doorwerken dan in andere gebieden.
Het voedsel bestaat uit allerlei kleine dieren. Vooral insecten zoals sprinkhanen, krekels, kevers en treksprinkhanen worden gegeten. Daarnaast worden ook kleine reptielen, kikkers en vis buitgemaakt. Het voedsel wordt meestal gezocht in kleine, losse groepen.
De soort broedt in kolonies, soms met veertig of meer paren, op richels van steile rotswanden en tussen grote stenen op hellingen tot ongeveer honderd meter boven de grond. De overgebleven kolonies bevinden zich op zeekliffen, maar ook kliffen landinwaarts worden gebruikt, meestal in de buurt van een rivier. In delen van Marokko zijn zelfs oude gebouwen als nestplaats benut. Ook kunstmatige richels die door natuurbeschermers zijn aangebracht, zijn gebruikt. Het nest is een los platform van kleine takken, bekleed met zachter materiaal zoals gras en stro. Soms worden ook plukjes vegetatie of stukjes papier verwerkt. In Marokko worden de eieren meestal eind maart gelegd, terwijl dit in Turkije begin april gebeurde. Er is gewoonlijk één broedsel per jaar. Een legsel bestaat meestal uit twee tot vier eieren. De broedduur bedraagt ongeveer 24 tot 25 dagen en de jongen vliegen na ongeveer 40 tot 50 dagen uit.
De heremietibis heeft een lange geschiedenis van achteruitgang doorgemaakt. Juist doordat vrijwel de gehele wilde populatie in één beperkt gebied leeft, is de soort extra gevoelig voor verstoring, habitatverandering, ziekte en ongunstige weersomstandigheden. De recente toename in Marokko geeft wel hoop op herstel, maar het aantal kolonies is nog niet duidelijk toegenomen en de soort blijft daarom een van de zeldzaamste en meest bedreigde ibissen ter wereld.
Genus Plegadis details
Ook uit fossiel materiaal is bekend dat dit genus al lange tijd bestaat. In afzettingen uit het Boven-Plioceen van Meade County in Kansas zijn resten gevonden van verschillende ibissen, waaronder de uitgestorven soort Plegadis gracilis. In dezelfde fauna werden ook andere ibisgenera vastgesteld. Op basis van deze vondsten en ecologische interpretaties wordt aangenomen dat dit gebied in die tijd een warm, vochtig en waarschijnlijk vorstvrij klimaat had, vergelijkbaar met tropische omstandigheden die tegenwoordig in delen van noordelijk Zuid-Amerika voorkomen, waar verschillende ibisgenera naast elkaar leven.
Het genus Plegadis laat daarmee niet alleen een brede huidige verspreiding zien, maar ook een lange evolutionaire geschiedenis waarin deze ibissen verbonden waren met uitgestrekte natte en warme leefgebieden.
Zwarte ibis




Zwarte Ibis details
De zwarte ibis is een trekvogel met daarnaast een sterk zwervend karakter. Na het broedseizoen vormen zich groepen, waarbij volwassen vogels en jonge vogels zich vaak afzonderlijk ophouden. Jonge vogels kunnen daarna in allerlei richtingen uitzwerven. Deze verspreiding gaat geleidelijk over in de najaarstrek, die vanaf september duidelijk op gang komt wanneer vogels zich terugtrekken naar zuidelijker gelegen gebieden. Europese broedvogels overwinteren deels in het Middellandse Zeegebied en tot in Marokko, maar veel vogels trekken waarschijnlijk verder zuidwaarts over de Sahara. In het voorjaar vindt de terugtrek plaats vanaf eind maart en in april, terwijl sommige doortrekkers nog tot begin mei worden gezien. Af en toe trekken vogels in het voorjaar te ver door, waardoor zeldzame waarnemingen ook noordelijker in Europa voorkomen.
De soort is sterk gebonden aan wetlands en leeft bij meren, moerassen, lagunes, rivieroevers, natte graslanden, irrigatiegebieden en zelfs bij waterzuiveringsbassins. Broedkolonies bevinden zich meestal in zoetwater- of brakke moerasgebieden. Als slaapplaats worden vaak grote bomen gebruikt, soms op aanzienlijke afstand van het water. Nesten worden gewoonlijk gebouwd in dichte hoge bomen, lage struiken boven of nabij water, of in dichte riet- en biezenvelden.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit waterdieren en andere kleine prooien. Veel gegeten worden insecten zoals sprinkhanen, krekels, kevers en treksprinkhanen. Daarnaast worden ook kleine reptielen, kikkers en vissen buitgemaakt. Zwarte ibissen zoeken meestal in kleine groepen naar voedsel. Daarbij wordt langzaam gelopen terwijl de snavel in modder en ondiep water wordt gestoken. Soms worden prooien van het oppervlak gepakt en af en toe wordt een prooi actief achtervolgd. Voedselgebieden kunnen op tientallen kilometers van de broedkolonie liggen.
De soort broedt in verschillende perioden afhankelijk van de regio. In delen van het verspreidingsgebied valt de broedtijd in het voorjaar, terwijl in Afrika vaak tijdens of kort na de regentijd wordt gebroed. Er wordt in kolonies genesteld, variërend van enkele paren tot vele duizenden, meestal samen met andere moeras- en watervogels. Het nest is een compact platform van takken of riet, bekleed met bladeren. De nesten worden gebouwd in bomen of struiken in het water, tot ongeveer vijf à zeven meter hoog, of in dicht riet en biezen. Een legsel bestaat meestal uit drie tot vier eieren. De broedduur bedraagt ongeveer 20 tot 23 dagen. De jongen zijn bedekt met roetzwart dons.
Genus Eudocimus details
De witte ibis is overwegend wit en heeft opvallend roodachtige poten, naakte gezichtshuid en snavel. De rode ibis is juist bijna geheel scharlakenrood, met alleen enkele zwarte delen aan vleugelpunten, ogen en snavel. Door dit sterke kleurcontrast behoren beide soorten tot de meest herkenbare ibissen van het Amerikaanse continent.
De witte ibis komt voor van het zuidoosten van de Verenigde Staten zuidwaarts tot in delen van noordelijk Zuid-Amerika. De rode ibis leeft in het noorden van Zuid-Amerika en in aangrenzende kust- en wetlandgebieden van het Caribisch gebied. Waar de verspreidingsgebieden elkaar raken, vooral in het noorden van Zuid-Amerika, kunnen beide soorten met elkaar kruisen. Daardoor worden zij vaak gezien als zeer nauw verwante zustersoorten binnen hetzelfde genus.
Soorten van Eudocimus bewonen vooral waterrijke gebieden zoals moerassen, lagunes, mangroven, moddervlakten en andere ondiepe kust- en binnenlandse wetlands. Daarmee vormt dit genus een typisch Amerikaans ibisgenus dat nauw verbonden is met warme, voedselrijke waterlandschappen.
Witte Ibis



Witte Ibis details
De soort komt voor in het zuiden van de Verenigde Staten, het Caribisch gebied en het noorden van Zuid-Amerika. In een groot deel van het broedgebied is de witte ibis het hele jaar aanwezig, maar in de noordelijkste delen zijn in de winter duidelijk minder vogels aanwezig. Ringgegevens laten zien dat vogels uit de Verenigde Staten ook worden teruggevonden in Mexico, Cuba en noordelijk Zuid-Amerika. Na het broedseizoen kunnen vogels bovendien verder naar het noorden en het binnenland uitzwerven.
Volwassen vogels zijn gemakkelijk te herkennen aan het witte verenkleed, het rode kale gezicht en de lange gebogen rode snavel. Jonge vogels zien er heel anders uit en zijn overwegend donkerbruin, maar tonen al een witte buik en witte stuit. Ook bij jonge exemplaren valt de gebogen roodachtige snavel op. In vlucht wordt de hals gestrekt gehouden en vliegen groepen vaak in lijnen, met afwisselend vleugelslagen en glijvluchten. Soms wordt ook cirkelend gezweefd.
De witte ibis leeft in zoute, brakke en zoete moerasgebieden en maakt daarnaast gebruik van rijstvelden, mangroven, slikvlakten, overstroomde graslanden, oevers van meren en ondiepe lagunes. Ook in kustgebieden wordt vaak naar voedsel gezocht in zoetwatermilieus. Broedplaatsen liggen in mangroven, bomen in moerassen, dichte struwelen en soms op de grond op eilanden of in moerasgebieden.
Het voedsel is gevarieerd en bestaat voor een belangrijk deel uit kreeftachtigen. Vooral rivierkreeften en krabben vormen belangrijke prooien. Daarnaast worden ook insecten, slakken, kikkers, zeewormen, slangen en kleine vissen gegeten. Tijdens het foerageren wordt meestal langzaam door ondiep water gelopen, terwijl de snavel van links naar rechts wordt bewogen en in de bodem wordt gestoken. Ook op land wordt voedsel gezocht, vooral op modderige plekken of in kort gras. Prooien worden soms op de tast en soms met behulp van het zicht gevonden. Binnen groepen komt het geregeld voor dat voedsel van elkaar wordt afgepakt.
De soort broedt in kolonies, soms samen met andere stelt- en moerasvogels. Tijdens de balts vertonen mannetjes onder meer ritueel poetsgedrag, een voorovergebogen houding, het vasthouden van een takje in de snavel en een houding waarbij de snavel omhoog wordt gericht en de kop op de rug wordt gelegd. Het nest wordt door beide vogels gebouwd, waarbij het mannetje meestal het materiaal aanbrengt en het vrouwtje het meeste bouwwerk verricht. Daarbij wordt soms materiaal uit nesten van andere paren gestolen. Het nest is meestal een platform van takken, soms ook van moerasplanten zoals riet of gras. De nestplaats bevindt zich meestal twee tot vijftien voet boven de grond of het water, maar kan ook hoger liggen of op de grond worden aangelegd.
Een legsel bestaat meestal uit twee of drie eieren, soms tot vijf. De eieren zijn bleek blauwgroen tot wit met bruine vlekken. Beide oudervogels broeden, met een broedduur van gemiddeld ongeveer 21 dagen. De jongen worden door beide ouders gevoerd met opgebraakt voedsel. Na ongeveer drie weken bewegen de jongen zich al rond in de buurt van het nest. Na vier tot vijf weken zijn korte vluchten mogelijk en na ongeveer zes weken kunnen langere vluchten worden gemaakt. Rond zeven weken kunnen jonge vogels de kolonie verlaten om samen met volwassen vogels voedsel te zoeken.
Rode ibis




Rode Ibis details
De rode ibis komt voor in het noorden van Zuid-Amerika, van Venezuela tot oostelijk Brazilië. Kustvogels lijken vaak vrij plaatsgebonden, maar lokale verplaatsingen over grotere afstanden komen veel voor. In zeer droge perioden trekken vogels in Suriname landinwaarts langs rivieren. In delen van de Venezolaanse llanos vinden seizoensgebonden verplaatsingen plaats tijdens de droge tijd, mogelijk richting de kust. Groepen vliegen daarbij vaak hoog en meestal in V-formatie. Vanuit nest- of slaapplaatsen worden soms dagelijks afstanden van meerdere kilometers afgelegd naar voedselgebieden. Buiten het normale verspreidingsgebied verschijnt de soort soms als dwaalgast.
Volwassen vogels zijn schitterend rood gekleurd, wat deze soort direct herkenbaar maakt. Jonge vogels wijken hier sterk van af en hebben een doffer grijzebruin verenkleed met een wittige onderzijde. Mannetjes en vrouwtjes zijn gelijk van kleur, maar mannetjes zijn gemiddeld groter en hebben een langere snavel. De intens rode kleur hangt samen met het voedsel en kan bij vogels in gevangenschap verbleken wanneer het dieet afwijkt van dat in de natuur.
De soort leeft vooral in moerassige kustgebieden zoals slikvlakten, ondiepe baaien, riviermondingen en mangroven. Voor het broeden worden vaak dichtbegroeide eilanden en mangrovegebieden bij riviermondingen gebruikt. Dit zijn beschutte en voedselrijke leefgebieden die goed geschikt zijn voor kolonievorming.
Het voedsel wordt gezocht door met de lange snavel in ondiep water of modder te sonderen, of door prooien van het bodemoppervlak op te pikken. Het dieet bestaat hoofdzakelijk uit kreeftachtigen en andere watergebonden ongewervelden. Vooral rivierkreeften en kleine krabben vormen een belangrijk deel van het voedsel. Daarnaast worden ook waterinsecten, kikkers, weekdieren, kleine slangen en kleine vissen gegeten.
De rode ibis is een uitgesproken koloniebroeder met een sociaal broedsysteem. Nesten worden dicht bij elkaar gebouwd, soms meerdere in één boom, wat waarschijnlijk helpt om het risico op predatie te verkleinen. Tijdens de balts vertonen mannetjes onder meer poetsbewegingen, baltsvluchten, kopwrijvende bewegingen en een schommelende houding. De soort is polygyn, waardoor een mannetje vaak met meer dan één vrouwtje paart.
De koloniale broedplaatsen worden vaak vanaf half september bezocht. Het leggen van de eieren vindt meestal plaats van begin november tot in december. Gewoonlijk bestaat een legsel uit drie tot vijf eieren. De broedduur bedraagt ongeveer 19 tot 23 dagen. Pas uitgekomen jongen zijn hulpeloos en volledig afhankelijk van ouderzorg. Beide oudervogels broeden, bewaken het nest en voeren de jongen met opgebraakt voedsel. De jongen vliegen na ongeveer 35 dagen uit en worden rond 75 dagen zelfstandig.
Genus Mesembrinibis details
De kenmerken van dit genus sluiten aan bij een leven in vochtige, beboste en waterrijke leefgebieden van het Neotropische gebied. Het genus is daardoor nauw verbonden met tropische laaglandbossen, moerassen en oeverzones in Midden- en Zuid-Amerika. Binnen de ibisfamilie neemt Mesembrinibis daarmee een vrij aparte plaats in als een overwegend bosgebonden ibisgenus.
Groene ibis


Groene ibis details
Deze ibis komt wijdverspreid voor in Zuid-Amerika en is overwegend standvogel. Plaatselijke verplaatsingen komen wel voor, waarschijnlijk vooral naar gebieden waar het voedselaanbod gunstiger is. In Suriname is het een algemene soort die vaak in bossen of aan bosranden wordt gezien, meestal in paren of in kleine groepjes.
De groene ibis is ongeveer 48 tot 56 centimeter lang. Het vrouwtje is gemiddeld wat kleiner dan het mannetje. Volwassen vogels in broedkleed hebben een glanzend groenachtig zwart lichaam, lichtgroene poten en snavel en grijze kale huidplekken in het gezicht. Jonge vogels zijn duidelijk doffer van kleur. Vergeleken met de zwarte ibis oogt de groene ibis steviger gebouwd, met kortere poten en bredere vleugels. Net als andere ibissen vliegt de soort met gestrekte hals. De vlucht oogt vrij zwaar, met minder glijvluchten en wat schokkeriger vleugelslagen dan bij sommige verwante soorten.
De soort leeft vooral langs natte en modderige ondiepe oevers van bosmoerassen en rivieren in het Neotropische gebied. Daarnaast wordt ook gefoerageerd in open moerassen en natte savannes. De voorkeur gaat sterk uit naar zones direct langs het water, vooral in ondiep water dicht bij de oever.
Het voedsel wordt meestal vrij verspreid gezocht, vaak aan de randen van gemengde groepen watervogels, waarbij andere groene ibissen meestal de dichtstbijzijnde buren zijn. De soort is sterk gespecialiseerd in voedsel zoeken langs de waterlijn en wordt bijna altijd in ondiep water en meestal op minder dan twee meter van de oever aangetroffen. Het dieet bestaat vooral uit insecten, aangevuld met kleine aantallen kikkers, kreeftachtigen, slakken en wormachtigen.
De groene ibis broedt solitair. Het nest wordt hoog in een boom gebouwd, meestal boven water. Het is een losse constructie van twijgen. Een legsel bestaat uit twee tot vier eieren. Over de precieze broedduur is weinig bekend. De jongen vliegen na ongeveer 25 dagen uit.