De Accipitridae vormen een grote en diverse familie van roofvogels die wereldwijd voorkomt, met uitzondering van Antarctica. Tot deze familie behoren onder andere arenden, buizerds, wouwen, haviken, gieren van de Oude Wereld en sperwers. Ze zijn nauw verwant aan de Pandionidae (visarend) en Falconidae (valken), maar onderscheiden zich door hun krachtige bouw, brede vleugels en sterk gekromde snavel.
Accipitriden zijn over het algemeen middelgrote tot grote vogels, uitgerust met scherpe klauwen (snavel en tenen) die hen in staat stellen om actief prooi te grijpen, te doden en te verscheuren. De meeste soorten zijn carnivoor en jagen op vogels, zoogdieren, reptielen of aas. Hun gezichtsvermogen is uitzonderlijk goed ontwikkeld, wat cruciaal is voor het opsporen van prooien op grote afstand. De familie omvat zowel dagactieve jagers (zoals de havik en buizerd) als aaseters (zoals gieren), met ecologische aanpassingen die uiteenlopen van bosgebieden tot open vlaktes, gebergten en woestijnen. Veel soorten spelen een belangrijke rol als toppredator in hun ecosysteem.
Accipitridae is ook bekend om zijn culturele betekenis: arenden en haviken gelden in veel culturen als symbolen van kracht, vrijheid en scherpzinnigheid.
Foto’s © Jan Dolphijn
Klik hier - Familie Buteo
Het geslacht omvat ongeveer 25 soorten die vrijwel wereldwijd voorkomen, met uitzondering van Australazië en grote delen van het Indiase subcontinent. Dit zijn vooral “klassieke” buizerds en hawks in brede zin, vaak soorten die jagen vanuit een uitkijkpost of zwevend boven open terrein. In Europa is de bekendste vertegenwoordiger de gewone buizerd (Buteo buteo); in Noord-Amerika onder meer de roodstaartbuizerd (Buteo jamaicensis).
Arendbuizerd

Klik voor Arendbuizerd details
Herkenning: de soort is variabel van kleur, maar oogt vaak warm roest- of oranjeachtig. Veel vogels hebben een rossige tot oranjerode staart, een relatief lichte kop en opvallend lichte (vaak grotendeels witte) ondervleugels. Kenmerkend zijn meestal een donkere carpale vlek (bij de “pols”) en een donkere achterrand van de vleugel. De “broek” (bevedering op de poten) en de stuit kunnen donker of diep roestkleurig zijn. Door de lange vleugels en het krachtige silhouet kan hij in sommige kleedvarianten lijken op steppebuizerd, maar langpootbuizerd toont doorgaans langere vleugels en een meer ‘ruigpootbuizerd-achtig’ profiel, soms zelfs wat arendachtig.
Leefgebied: open, weinig of onbewerkt terrein zoals steppe, halfwoestijn en open heuvel- en rotsland. Voor nestplaatsen zijn hogere structuren belangrijk: rotswanden, kliffen, heuvels, boomgroepen of hoge struiken. Jonge vogels zwerven geregeld en kunnen noordelijker dan het broedgebied opduiken.
Voedsel en jacht: vooral kleine zoogdieren, reptielen en grote insecten. Hij zoekt prooi in cirkelende vlucht of vanuit een uitkijkpost op rots, aardhoop of soms een boom, maar jaagt ook geregeld vanaf de grond. Hij kan grasbranden volgen om vluchtende dieren te grijpen, wacht bij knaagdierholen en besluipt insecten.
Broeden: broedt meestal van maart tot mei. Legsel doorgaans 2–3 eieren. Status: niet bedreigd (LC), maar lokaal kan de soort achteruitgaan door verlies en versnippering van open steppe- en halfsteppehabitat door landbouwuitbreiding.
Breedvleugelbuizerd


Klik hier voor Breedvleugelbuizerd Details
Herkenning: volwassen vogels hebben een duidelijk gebandeerde staart met afwisselend zwarte en witte banden, waarbij de witte banden ongeveer even breed zijn als de zwarte. De ondervleugels tonen vaak opvallend witte “wing linings”. Er bestaat een zeldzame donkere kleurvorm (vooral in Alberta) met donkerdere ondervleugels, maar ook die houdt het typische staartpatroon. In trek vallen de grote aantallen cirkelende vogels extra op.
Leefgebied: bosrijke gebieden, loofbos of gemengd naald-loofbos, vaak bij water en in de buurt van open plekken of bosranden. Tijdens trek kan hij boven allerlei open landschappen verschijnen, maar rust meestal in bos of grotere boomgroepen.
Voedsel: gevarieerd. Hij pakt kleine zoogdieren (muizen, woelmuizen, eekhoorns), amfibieën, reptielen (slangen, hagedissen, jonge schildpadden), kleine vogels en grote insecten. Soms ook kreeftachtigen, vis, regenwormen of duizendpoten. Jachtwijze: meestal vanuit een zitpost langs bosrand of water; bij het zien van prooi volgt een snelle duik om die met de klauwen te grijpen. Af en toe jaagt hij ook actief vliegend door bosranden en langs waterlopen.
Broeden: vroeg in het seizoen maken paren hoge cirkels met roep en soms steile duikvluchten. Het nest ligt meestal laag tot middelhoog in een grote boom (ongeveer 8–12 m) en is een vrij klein platform van takken, bekleed met schors, mos en bladeren; groene twijgen worden vaak tijdens het broeden toegevoegd. Legsel meestal 2–3 eieren (variabel 1–4). Het vrouwtje broedt vrijwel alles (ongeveer 28–31 dagen); het mannetje brengt voedsel en kan kort op de eieren zitten terwijl het vrouwtje eet. De jongen zitten de eerste 1–2 weken vrijwel voortdurend onder toezicht van het vrouwtje, klimmen na 4–5 weken op takken rond het nest en vliegen na ongeveer 5–6 weken uit. Status: niet bedreigd (LC).
Buizerd






Klik hier voor Buizerd Details
Buizerds zijn extreem variabel van kleur. Veel vogels zijn donkerbruin, maar er bestaan ook heel lichte en juist bijna zwarte exemplaren. Kenmerkend in vlucht zijn de brede, afgeronde vleugels, de relatief korte waaierstaart (meestal licht gebandeerd) en vaak een lichtere zone in de buitenste handpennen. De ondervleugels tonen meestal een combinatie van lichte en donkere vlakken met gebandeerde slagpennen.
Het leefgebied is altijd gekoppeld aan een afwisseling van bomen en open terrein. Buizerds zitten graag aan bosranden, houtwallen en boomgroepen in een landschap met weilanden, akkers, heide of ruigere graslanden. In de winter worden ook open velden, natte gebieden en steppe-achtige landschappen gebruikt, meestal in vlak tot licht heuvelachtig terrein.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine zoogdieren, met woelmuizen als belangrijkste prooi in veel gebieden. Daarnaast eten ze muizen, ratten, spitsmuizen en soms jonge konijnen of hazen. Als er weinig muizen zijn kunnen ook regenwormen en grote insecten (sprinkhanen, krekels) belangrijk worden, en lokaal ook reptielen en vogels. Ze jagen meestal vanaf een uitkijkpost of zwevend boven open terrein en pakken de prooi vrijwel altijd op de grond.
Broeden gebeurt van maart tot mei. Het nest is een grote takkenburcht in een flinke boom, vaak dicht bij de bosrand, bekleed met groen blad of takjes. Het legsel telt meestal 2–4 eieren. Het vrouwtje broedt ongeveer 35–38 dagen, terwijl het mannetje het grootste deel van de prooiaanvoer verzorgt. Jonge buizerds zijn pas rond hun derde jaar broedrijp. Status: Niet bedreigd (LC).
Grijze buizerd


Klik hier voor Grijze Buizerd Details
Kenmerken: volwassen vogels zijn opvallend egaal lichtgrijs, met oranje poten en een zwarte staart met drie witte banden. Onvolwassen vogels zijn bruiner: donkerbruine bovendelen, een bruin geringde staart en een wittige onderzijde met bruine vlekken; kop en hals zijn buffkleurig met bruine strepen. De soort heeft relatief korte vleugels en kan daardoor snel en wendbaar vliegen voor een buizerdachtige.
Habitat: open bosland, bosranden en halfopen landschap met verspreide bomen, vaak in droge (tropische en subtropische) gebieden. In de VS vooral in riviergebonden bosschages (riparian woodlands) nabij open terrein. In Mexico in de winter ook veel in houtwallen en heggen tussen landbouwpercelen.
Voedsel en jacht: eet vooral hagedissen en slangen, maar pakt ook kleine zoogdieren, vogels en kikkers. Jaagt meestal vanuit een hoge, open uitkijkpost door met een snelle duik toe te slaan, maar kan ook jagen vanuit een lage glijvlucht. Roep is een schelle, fluitende “kleee-ooo”.
Broeden: nest van takken hoog in een boom. Legsel 1–3 eieren (meestal 2), wit tot licht blauwachtig met roodachtige markeringen. De jongen vliegen na ongeveer 6 weken uit. Status: niet bedreigd (LC).
Roodstaartbuizerd



Klik hier voor Roodstaartbuizerd Details
Volwassen vogels zijn vaak te herkennen aan de roestrode bovenzijde van de staart die zichtbaar wordt wanneer de vogel in een bocht zweeft; van onderen oogt de staart meestal licht, soms met een roodzweem. Een heel kenmerkend veldkenmerk bij vrijwel alle kleurvormen is de donkere “patagiale” streep langs de voorrand van de vleugel. Jonge vogels hebben een grijzige staart, soms met fijne bandering, en tonen eveneens die patagiale streep. De onderzijde is vaak “gezoned”: een relatief lichte borst met een brede, donker gestreepte buikband, al bestaan er regionale varianten en veel kleurvormen (van zeer bleek tot donker en zelfs bijna zwart). De soort zit graag opvallend op hoge uitkijkposten.
Het leefgebied is zeer veelzijdig: open land met bomen of bosranden, prairie en landbouwgebied, heuvels en bergen, vlaktes en bermen; belangrijk is de combinatie van open jachtterrein en hoge zitplaatsen (bomen, rotsen, palen of masten). Het dieet is gevarieerd en bestaat vooral uit kleine zoogdieren (woelmuizen, ratten, konijnen, grondeekhoorns), maar ook vogels (tot fazantgrootte), reptielen (vooral slangen) en verder amfibieën, insecten en soms aas. Jagen gebeurt meestal door vanaf een hoge uitkijkpost te speuren en vervolgens snel neer te stoten; daarnaast jaagt de soort ook zwevend boven velden. Kleine prooien worden vaak naar een zitplaats gedragen, grotere prooien deels ter plekke gegeten.
In de balts cirkelen partners hoog in de lucht met schelle roepen; het mannetje kan spectaculaire duikvluchten uitvoeren en soms prooi in de lucht aan het vrouwtje overgeven. Het nest is een groot, stevig takkenplatform, meestal hoog in een boom maar soms op rotsrichels, in grote cactussen of op bouwwerken; beide ouders bouwen en voegen geregeld verse groene twijgen toe. Het legsel bestaat meestal uit 2–3 eieren (variabel 1–5) en beide ouders broeden, ongeveer 28–35 dagen. De jongen verlaten het nest na circa 6–7 weken, maar worden daarna nog een tijd door de ouders begeleid. Wereldwijd staat de soort als Niet bedreigd (LC) te boek en de populatietrend wordt als toenemend aangegeven.
Wegbuizerd






Klik hier voor Wegbuizerd Details
Verspreiding: van Mexico tot noordoost Argentinië; in het grootste deel van het areaal standvogel. Hij is zeer flexibel in habitatkeuze en komt voor in laagland tropen tot subtropen, in mozaïeklandschappen met open terrein en bomen, bosranden, struweel en cultuurland; meestal afwezig in uitgestrekte, dichte oerbossen.
Voedsel: jaagt vooral vanaf een uitkijkpost (stilzitten op een tak/paal en omlaag duiken), en in mindere mate lopend op de grond of met korte lucht-aanvallen op vogels. Reptielen vormen vaak een groot deel van het menu; verder ook amfibieën, insecten, kleine zoogdieren en vogels.
Broeden: bouwt een stevig, volumineus takkennest, meestal hoog in (vaak vrijstaande) bomen, bekleed met bladeren. Rond het nest zijn de volwassen vogels vaak opvallend luidruchtig. Legsel meestal 1–2 eieren; broeden circa 37 dagen. Bij mislukking kan een vervolglegsel plaatsvinden.
Klik hier - Familie Kaupifalco
Hagedisbuizerd


Klik hier voor Hagedisbuizerd Details
Herkenning: bovenkant leigrijs, met zwarte onderrug en stuit die sterk afsteken tegen de witte bovendekveren van de staart. De staart is zwart met een brede witte band en witte top. De keel is wit met een duidelijke smalle zwarte middenstreep; borst en hals zijn egaal donkergrijs en de buik is fijn dwars gebandeerd licht en donker. Oog donker roodbruin, washuid en oogring oranje-rood, poten oranje. In vlucht oogt hij gedrongen met een golvende, lijsterachtige vlucht. Verwarring kan optreden met kleine Afrikaanse sperwerachtigen, maar de witte stuit/staartband en de zwarte keelstreep helpen goed.
Leefgebied: goed beboste savanne en doornstruikland, vooral de wat nattere savannes, maar niet in dicht regenwoud en meestal ook niet in open steppe. Hij zit vaak langdurig op een uitkijkpost en maakt korte, snelle uitvallen naar gras of struiken.
Voedsel: vooral hagedissen en slangen; daarnaast soms kleine zoogdieren en (jonge) vogels. Prooien worden meestal op de grond gegrepen na een korte sprint vanuit de zitpost, of van muren en takken geplukt. Vaak wordt de prooi terug naar de zitpost gedragen om daar te worden opgegeten.
Broeden: begint met veel roepen vanaf zitposten, zonder spectaculaire baltsvluchten. Het nest is een klein, vrij plat platform van takjes in een boom; beide partners bouwen mee. Er worden meestal 1–3 eieren gelegd (vaak tussen september en november, afhankelijk van regio en seizoen). Het vrouwtje broedt en wordt door het mannetje gevoerd; rond het nest kan het mannetje opvallend fel verdedigen. Status: niet bedreigd (LC).
Klik hier - Familie Buteogallus
Het geslacht komt voor van het zuidwesten van de Verenigde Staten tot aan Argentinië, inclusief de eilanden Cuba en St. Vincent. Er zijn vijf soorten.
Krabbenbuizerd

Klik hier voor Krabbenbuizerd Details
Kenmerken: donkere kop, keel en achterhals, met een bruinige rug. De onderzijde is roestkleurig met smalle zwarte dwarsbandjes. In vlucht vallen de roodachtige vleugelbaan en de brede, wat “wollig” ogende witte staartband op. Lange gele poten en een zwarte snavel.
Biotoop: kustlaagland met mangroven, savannes en moerassen, meestal dicht bij getijdewater.
Voedsel: gespecialiseerd op krabben. Hij pakt ze met een korte, snelle duik vanaf een lage uitkijkpost en eet vaak weer op een vaste zitplek.
Broeden: nest van takken, van binnen bekleed met gras. Legsel meestal 1–2 eieren, aan het begin van het regenseizoen in Suriname. Status: niet bedreigd (LC).
Savannebuizerd



Klik hier voor Savannebuizerd Details
De soort is overwegend standvogel met sterke plaatstrouw, maar in het zuiden zijn (deels) migrerende populaties gemeld; in de australische winter kunnen grotere aantallen noordelijker opduiken, waarschijnlijk mee bewegend met waterstanden en prooiaanbod. Volwassen vogels zijn overwegend roestbruin tot roodbruin, met zwarte vleugelpunten, een zwarte staart met een duidelijke witte band en witte top, en fijn zwart gebandeerde onderdelen (behalve de keel). De snavel is zwart, de washuid geel, de ogen dof oranjegeel en de poten geel tot oranje; de soort valt op door lange poten en brede vleugels. Onvolwassen vogels zijn donkerder bruin met lichtere, gestreepte onderzijde en een staart met een grijzige, gemottelde middenzone.
In Suriname is het een algemene broedvogel van savannes en andere open gebieden. Het leefgebied bestaat vooral uit lage vegetatie (gras en struiken), open terrein, bosranden en ook mangrovebos, tot circa 1200 meter hoogte. Jagen gebeurt vaak vanuit een lage uitkijkpost (hekpaal, stronk, lage tak of zelfs vanaf de grond), waarna de vogel omlaag duikt om prooi te grijpen. Het dieet is opportunistisch: vooral slangen, vissen, hagedissen en kikkers, maar ook kleine zoogdieren, insecten (kevers, rupsen, sprinkhanen), mieren, spinnen en soms vogels; de soort profiteert regelmatig van grasbranden door prooien te vangen die wegvluchten. De broedtijd is lang (ongeveer van februari in Venezuela tot november in Argentinië).
Het nest is een platform van takken in de kroon van een vaak solitair staande boom. Het legsel is meestal 1 ei (soms 2), er is doorgaans één broedsel per seizoen; de incubatie duurt ongeveer 39 dagen. De jongen vliegen uit na circa 45–50 dagen maar blijven daarna nog 4–7 maanden afhankelijk. Wereldwijd staat de soort als Niet bedreigd (LC) te boek, met een (plaatselijk) toenemende populatietrend.
Zwarte Buizerd

Klik voor Zwarte Buizerd details
De Zwarte Buizerdkomt voor van het zuidwesten van de Verenigde Staten tot in het noordwesten van Zuid-Amerika, met een verspreiding die doorloopt tot Ecuador.
De Zwarte Buizerd is een zwarte buizerdachtige met opvallend brede vleugels en lange, kipachtig ogende gele poten, en het silhouet oogt gedrongen en fors. Een belangrijk kenmerk is een brede witte band die over het midden van de staart loopt. De bovenzijde oogt donker en kop en onderzijde kunnen een warm buffkleurige indruk geven met duidelijke streping, terwijl de staart daarnaast smal gebandeerd is met meerdere donkere banden.
Het leefgebied bestaat vooral uit bosrijke waterlopen en de soort wordt vrijwel altijd in de nabijheid van water aangetroffen. In de tropen wordt een bredere reeks habitats benut, waaronder laaglandregenwoud, rivierlopen in berggebieden en kustgebonden mangrovemoerassen.
Het voedsel bestaat uit uiteenlopende kleine dieren, met nadruk op soorten die rond of in water voorkomen, zoals vissen, kikkers, larven van amfibieën en hagedissen. Jachtgedrag bestaat meestal uit posten vanaf een lage uitkijkplek, gevolgd door een korte glijvlucht om de prooi met de klauwen te grijpen, maar foerageren kan ook door wadend in ondiep water prooien op te schrikken.
Tijdens de balts maken paren zweef- en duikvluchten onder luid roepen, waarbij de lange poten opvallend kunnen bungelen, en nabij de nestplaats kan het mannetje voedsel aan het vrouwtje aanbieden. Het nest bestaat uit een forse platformconstructie van takken en wordt bekleed met groene bladeren, waarbij het mannetje veel nestmateriaal aandraagt en het vrouwtje het nest verder opbouwt en afwerkt.
Het legsel bestaat meestal uit één tot twee eieren en soms drie, met witte tot groenig witte eieren die gevlekt kunnen zijn met bruin en lavendelkleurige tinten. Het broeden wordt door beide ouders verzorgd, waarbij het vrouwtje vooral ’s nachts en een groot deel van de dag broedt. Na het uitkomen blijft het vrouwtje de eerste twee weken vrijwel voortdurend bij het nest en daarna nog vaak aanwezig, terwijl het mannetje jaagt en voedsel aanvoert dat vervolgens aan de jongen wordt gevoerd. De jongen verlaten het nest na ongeveer zes tot zeven weken en verplaatsen zich dan naar nabije bomen, kunnen rond tien weken goed vliegen en blijven daarna nog enkele weken afhankelijk van voedsel dat door de oudervogels wordt gebracht.