Dwergarend
[LAT] *Hieraaetus pennatus* |
[UK] Booted Eagle |
[FR] Aigle botté |
[DE] Zwergadler |
[ES] Águila calzada |
[NL] Dwergarend





Status: LC (Least Concern).
De dwergarend is een kleine, wendbare arend (ongeveer zo groot als een buizerd) met een groot verspreidingsgebied in Zuidwest- en Zuid-centraal Eurazië. Het merendeel van de West-Palearctische broedvogels trekt in het najaar naar Afrika ten zuiden van de Sahara, waar hij overwintert van (beboste) savannes in o.a. Ethiopië en Soedan zuidwaarts tot Zuid-Afrika en westwaarts tot in landen als Mali, Senegal en Ivoorkust; slechts uitzonderlijk overwinteren er exemplaren in Zuid-Spanje, Frankrijk, Griekenland/Creta of Israël, en soms ook in Noordwest-Afrika of Egypte. De trek begint meestal eind augustus; Europese broedgebieden zijn doorgaans tegen half oktober verlaten (enkele vogels houden het langer uit tot november). In het voorjaar keren de eerste vogels al in februari terug naar Noordwest-Afrika (meest in maart) en verschijnen ze later in Europa, grofweg van eind maart tot april, met een uitlopende terugkeer tot in mei. Doorgang verloopt vaak via “smalle” oversteekplaatsen zoals de Straat van Gibraltar en de Bosporus, al komt ook passage via o.a. de Siciliaanse kanaalroute voor.
Qua uiterlijk is de soort polymorf: in de lichte fase hebben adulten donkere handpennen die sterk afsteken tegen een lichte onderzijde (soms wat gierachtig van indruk), terwijl donkere vogels juist meer egaal bruin zijn en in Afrika kunnen lijken op andere arenden; jonge vogels zijn vaak warmer, roestiger getint aan de onderzijde. In vlucht valt de snelle, “dashing” jachtstijl op: hij kan bliksemsnel duiken en door boomtoppen heen manoeuvreren.
De dwergarend is vooral een bosvogel van loof- en naaldbos, vaak in heuvels en bergen (maar ook lokaal in laagland), bij voorkeur met open plekken, randen en mozaïeklandschap met verspreide bomen. Hij jaagt veel vanuit de lucht, zwevend boven bosranden en open terrein, en slaat prooi vaak met een snelle stoop; soms verrast hij vogels in het gebladerte met een korte duik en een behendige achtervolging tussen takken. Het menu bestaat uit kleine tot middelgrote vogels, hagedissen (in sommige gebieden belangrijk) en kleine zoogdieren; af en toe ook insecten.
In de broedtijd vertoont het paar spectaculaire baltsvluchten met snelle duiken en opwaartse “swoops”, vaak luid roepend. Het nest ligt meestal in bomen (grofweg 6–15 m hoog), een stevig platform van takken, gevoerd met groen (dennentakken of bladeren), en wordt vaak jarenlang hergebruikt; bij schaarste aan bomen kan ook op rotsrichels worden gebroed. Meestal worden 2 eieren gelegd (soms 1), waarbij het vrouwtje broedt; door verschil in uitkomst en grootte overleeft vaak maar één jong. Het mannetje brengt voedsel aan tijdens broeden en jongenfase; de jongen zijn doorgaans rond begin augustus uitgevlogen en blijven daarna nog een tijd in het territorium bij de ouders.
De dwergarend is een kleine, wendbare arend (ongeveer zo groot als een buizerd) met een groot verspreidingsgebied in Zuidwest- en Zuid-centraal Eurazië. Het merendeel van de West-Palearctische broedvogels trekt in het najaar naar Afrika ten zuiden van de Sahara, waar hij overwintert van (beboste) savannes in o.a. Ethiopië en Soedan zuidwaarts tot Zuid-Afrika en westwaarts tot in landen als Mali, Senegal en Ivoorkust; slechts uitzonderlijk overwinteren er exemplaren in Zuid-Spanje, Frankrijk, Griekenland/Creta of Israël, en soms ook in Noordwest-Afrika of Egypte. De trek begint meestal eind augustus; Europese broedgebieden zijn doorgaans tegen half oktober verlaten (enkele vogels houden het langer uit tot november). In het voorjaar keren de eerste vogels al in februari terug naar Noordwest-Afrika (meest in maart) en verschijnen ze later in Europa, grofweg van eind maart tot april, met een uitlopende terugkeer tot in mei. Doorgang verloopt vaak via “smalle” oversteekplaatsen zoals de Straat van Gibraltar en de Bosporus, al komt ook passage via o.a. de Siciliaanse kanaalroute voor.
Qua uiterlijk is de soort polymorf: in de lichte fase hebben adulten donkere handpennen die sterk afsteken tegen een lichte onderzijde (soms wat gierachtig van indruk), terwijl donkere vogels juist meer egaal bruin zijn en in Afrika kunnen lijken op andere arenden; jonge vogels zijn vaak warmer, roestiger getint aan de onderzijde. In vlucht valt de snelle, “dashing” jachtstijl op: hij kan bliksemsnel duiken en door boomtoppen heen manoeuvreren.
De dwergarend is vooral een bosvogel van loof- en naaldbos, vaak in heuvels en bergen (maar ook lokaal in laagland), bij voorkeur met open plekken, randen en mozaïeklandschap met verspreide bomen. Hij jaagt veel vanuit de lucht, zwevend boven bosranden en open terrein, en slaat prooi vaak met een snelle stoop; soms verrast hij vogels in het gebladerte met een korte duik en een behendige achtervolging tussen takken. Het menu bestaat uit kleine tot middelgrote vogels, hagedissen (in sommige gebieden belangrijk) en kleine zoogdieren; af en toe ook insecten.
In de broedtijd vertoont het paar spectaculaire baltsvluchten met snelle duiken en opwaartse “swoops”, vaak luid roepend. Het nest ligt meestal in bomen (grofweg 6–15 m hoog), een stevig platform van takken, gevoerd met groen (dennentakken of bladeren), en wordt vaak jarenlang hergebruikt; bij schaarste aan bomen kan ook op rotsrichels worden gebroed. Meestal worden 2 eieren gelegd (soms 1), waarbij het vrouwtje broedt; door verschil in uitkomst en grootte overleeft vaak maar één jong. Het mannetje brengt voedsel aan tijdens broeden en jongenfase; de jongen zijn doorgaans rond begin augustus uitgevlogen en blijven daarna nog een tijd in het territorium bij de ouders.
Wigstaartarend
[LAT] *Aquila audax* |
[UK] Wedge-tailed Eagle |
[FR] Aigle d’Australie |
[DE] Keilschwanzadler |
[ES] Águila audaz |
[NL] Wigstaartarend



De wigstaartarend heeft status LC (Least Concern). Door het zeer grote verspreidingsgebied en de zeer grote populatie worden de drempels voor een bedreigingscategorie niet benaderd; de trend wordt bovendien als toenemend beschreven, waardoor wereldwijd geen sprake is van een bedreigde status.
De soort hoort in hoofdzaak bij Australië; incidentele waarnemingen in Zuid-Nieuw-Guinea betreffen doorgaans dwaalgasten en vallen buiten het normale verspreidingsgebied. Overwegend betreft het een standvogel, terwijl jonge vogels na het eerste jaar juist sterk kunnen zwerven en zich tot circa 800 km van de broedplaats kunnen verspreiden.
Een wigstaartarend is een grote, bruine arend met volledig bevederde poten en een opvallende, ruit- tot wigvormige staart die vooral tijdens het zweven goed opvalt. In vlucht zijn langzame, krachtige vleugelslagen kenmerkend, afgewisseld met hoog cirkelen en zweven. De lange staart fungeert als roer bij scherpe, soms wat “hoekige” bochten. Jachtvluchten bestaan vaak uit hoog zoeken, vervolgens hoogte verliezen op afstand en daarna een snelle, lage nadering waarbij de staart helpt om vlak boven de grond snel te manoeuvreren rond obstakels.
Voorkomen loopt van zeeniveau tot in alpiene berggebieden, met voorkeur voor bosrijke of beboste landschappen en open terrein; regenwoud en kustheiden worden doorgaans gemeden. Zitplaatsen op bomen en palen zijn gebruikelijk, terwijl zweefvluchten hoogtes tot circa 2000 meter kunnen bereiken. Nestplaatsen liggen vaak opvallend en overzichtelijk, meestal in de hoogste boom van het territorium (levend of dood). In gebieden zonder hoge bomen kunnen ook kleine bomen, struiken, rotswanden of zelfs de grond als nestlocatie dienen. De afstand tussen actieve nesten varieert met voedselaanbod en omstandigheden, vaak grofweg 2,5–4 km, maar in zeer gunstige jaren kan dit minder dan 1 km zijn.
Het menu bestaat uit zowel levende prooi als aas. Konijnen en hazen vormen vaak de belangrijkste levende prooien (regelmatig circa 30–70% van het dieet, lokaal hoger), aangevuld met hagedissen, vogels (veelal zwaarder dan ongeveer 100 g) en zoogdieren (vaak zwaarder dan ongeveer 500 g). Kadavers zijn een belangrijke voedselbron, onder meer verkeersslachtoffers en andere karkassen. Meldingen van “lammerenjacht” hangen regelmatig samen met aaseten; daadwerkelijke predatie op lammeren vormt doorgaans een klein deel van het totale dieet. Jacht kan solitair of in paarverband plaatsvinden, en soms ook in groepen; groepsjacht kan voldoende zijn om zeer grote prooien aan te vallen, tot en met volwassen kangoeroes. Onder ideale omstandigheden kan ongeveer de helft van het eigen lichaamsgewicht worden gedragen. Voedsel wordt ook wel tijdelijk opgeslagen op een tak in de buurt van de nestplek.
Paarsvorming is monogaam en langdurig; bij verlies van een partner kan herparing optreden. In de broedtijd vinden opvallende baltsvluchten en langdurig onderling poetsen plaats. Nestbouw, broeden en het verzorgen van jongen worden gedeeld. Nesten zijn groot en meerjarig in gebruik, met afmetingen die kunnen oplopen tot circa 1,8 meter breed en circa 3 meter diep en een zeer hoog gewicht, terwijl het gebruikte broedgedeelte een relatief ondiepe kom is, bekleed met twijgen en bladeren. Broeden vindt doorgaans plaats tussen april en september. Meestal worden 1–3 eieren gelegd met tussenpozen; na circa 42–45 dagen broeden volgt het uitkomen. Jongen blijven ongeveer 5 weken in het nest en blijven daarna nog circa 11 weken afhankelijk van oudervogels; verspreiding kan in 7–8 maanden tot ongeveer 850 km reiken. Vaak overleeft uiteindelijk één jong, meestal het oudste. Een leeftijd van circa 19–20 jaar is beschreven.
De soort hoort in hoofdzaak bij Australië; incidentele waarnemingen in Zuid-Nieuw-Guinea betreffen doorgaans dwaalgasten en vallen buiten het normale verspreidingsgebied. Overwegend betreft het een standvogel, terwijl jonge vogels na het eerste jaar juist sterk kunnen zwerven en zich tot circa 800 km van de broedplaats kunnen verspreiden.
Een wigstaartarend is een grote, bruine arend met volledig bevederde poten en een opvallende, ruit- tot wigvormige staart die vooral tijdens het zweven goed opvalt. In vlucht zijn langzame, krachtige vleugelslagen kenmerkend, afgewisseld met hoog cirkelen en zweven. De lange staart fungeert als roer bij scherpe, soms wat “hoekige” bochten. Jachtvluchten bestaan vaak uit hoog zoeken, vervolgens hoogte verliezen op afstand en daarna een snelle, lage nadering waarbij de staart helpt om vlak boven de grond snel te manoeuvreren rond obstakels.
Voorkomen loopt van zeeniveau tot in alpiene berggebieden, met voorkeur voor bosrijke of beboste landschappen en open terrein; regenwoud en kustheiden worden doorgaans gemeden. Zitplaatsen op bomen en palen zijn gebruikelijk, terwijl zweefvluchten hoogtes tot circa 2000 meter kunnen bereiken. Nestplaatsen liggen vaak opvallend en overzichtelijk, meestal in de hoogste boom van het territorium (levend of dood). In gebieden zonder hoge bomen kunnen ook kleine bomen, struiken, rotswanden of zelfs de grond als nestlocatie dienen. De afstand tussen actieve nesten varieert met voedselaanbod en omstandigheden, vaak grofweg 2,5–4 km, maar in zeer gunstige jaren kan dit minder dan 1 km zijn.
Het menu bestaat uit zowel levende prooi als aas. Konijnen en hazen vormen vaak de belangrijkste levende prooien (regelmatig circa 30–70% van het dieet, lokaal hoger), aangevuld met hagedissen, vogels (veelal zwaarder dan ongeveer 100 g) en zoogdieren (vaak zwaarder dan ongeveer 500 g). Kadavers zijn een belangrijke voedselbron, onder meer verkeersslachtoffers en andere karkassen. Meldingen van “lammerenjacht” hangen regelmatig samen met aaseten; daadwerkelijke predatie op lammeren vormt doorgaans een klein deel van het totale dieet. Jacht kan solitair of in paarverband plaatsvinden, en soms ook in groepen; groepsjacht kan voldoende zijn om zeer grote prooien aan te vallen, tot en met volwassen kangoeroes. Onder ideale omstandigheden kan ongeveer de helft van het eigen lichaamsgewicht worden gedragen. Voedsel wordt ook wel tijdelijk opgeslagen op een tak in de buurt van de nestplek.
Paarsvorming is monogaam en langdurig; bij verlies van een partner kan herparing optreden. In de broedtijd vinden opvallende baltsvluchten en langdurig onderling poetsen plaats. Nestbouw, broeden en het verzorgen van jongen worden gedeeld. Nesten zijn groot en meerjarig in gebruik, met afmetingen die kunnen oplopen tot circa 1,8 meter breed en circa 3 meter diep en een zeer hoog gewicht, terwijl het gebruikte broedgedeelte een relatief ondiepe kom is, bekleed met twijgen en bladeren. Broeden vindt doorgaans plaats tussen april en september. Meestal worden 1–3 eieren gelegd met tussenpozen; na circa 42–45 dagen broeden volgt het uitkomen. Jongen blijven ongeveer 5 weken in het nest en blijven daarna nog circa 11 weken afhankelijk van oudervogels; verspreiding kan in 7–8 maanden tot ongeveer 850 km reiken. Vaak overleeft uiteindelijk één jong, meestal het oudste. Een leeftijd van circa 19–20 jaar is beschreven.
Afrikaanse zwarte kuifarend
[LAT] *Lophaetus occipitalis* |
[UK] Long-crested Eagle |
[FR] Aigle huppard |
[DE] Haubenadler |
[ES] Águila crestada |
[NL] Afrikaanse zwarte kuifarend


De naam
Afrikaanse Zwarte Kuifarend heeft status LC (Least Concern). De soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en benadert daardoor niet de drempels voor “Kwetsbaar” op basis van verspreidingsomvang. De trend lijkt toe te nemen en ook de populatieomvang wordt niet geacht zo klein te zijn dat de soort in een hogere risicocategorie valt; daarom geldt de soort wereldwijd als niet bedreigd.
De soort komt wijdverspreid voor in Sub-Sahara Afrika, van Senegal tot Ethiopië. Meestal betreft het een standvogel, maar opportunistische verplaatsingen naar gebieden met tijdelijk veel voedsel komen voor. In streken met uitgesproken natte en droge seizoenen (zoals delen van West-Afrika) kan een enigszins nomadisch patroon optreden.
Een volwassen Afrikaanse Zwarte Kuifarend is overwegend zeer donkerbruin tot zwart. Opvallend zijn witte vlekken bij de vleugelknik (boven én onder), witte ondervleugeldekveren met zwarte spikkels en een witte basis van de staart; de loopveren zijn grijsbruin. De ogen zijn goud- tot roodbruin en de washuid en poten zijn geel. Juvenielen tonen wittere punten aan de halsveren, een minder uitgesproken kuif en een meer gemarmerd uiterlijk; de ogen zijn donker olijfbruin en de poten en washuid licht okergeel.
Waarnemingen betreffen vaak vluchtbeelden (regelmatig met roep) of zittende vogels op bomen en telefoon-/telegraafpalen; jacht vindt vooral plaats vanaf zulke uitkijkposten. Voorkeur bestaat voor landschappen waar grote bomen en open terrein elkaar afwisselen, met frequente aanwezigheid in cultuurlandschap en nabij menselijke bewoning. Een groot deel van de dag wordt zittend doorgebracht en langdurig zweven is minder uitgesproken dan bij sommige andere arenden. Parners verblijven doorgaans dicht bij elkaar en gebruiken vaste gebieden die dag na dag terug te vinden zijn; tijdens de heetste uren wordt vaak gerust in dichtbebladerde bomen. In het broedseizoen blijft de actieradius meestal beperkt tot grofweg een paar kilometer rondom de nestplaats, met herhaald gebruik van dezelfde reeks zitposten.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine zoogdieren die op de grond worden gepakt. Daarnaast worden ook hagedissen, kleine slangen en grote insecten zoals sprinkhanen gegeten. Incidenteel worden jonge kippen gepakt, maar in het algemeen draagt predatie op knaagdieren bij aan natuurlijke plaagdrukverlaging in landbouwgebieden.
Tijdens de balts vindt vaak zweefvlucht plaats op ongeveer 90–150 meter hoogte met herhaald roepen; opvallende acrobatische manoeuvres blijven meestal beperkt. Ook vanaf zitposten, vooral nabij de nestplaats, worden baltsroepen gegeven. Het nest wordt gebouwd in grote bladrijke bomen, zoals wilde vijgen of aangeplante eucalyptus, meestal op 6–18 meter of hoger en vaak in rivierdalzones waar grote bomen beschikbaar zijn. Voor een arend is de nestconstructie relatief klein (ongeveer 60 cm breed en 30 cm diep), opgebouwd uit kleine takken met een diepe kom en bekleed met verse groene bladeren; plaatsing vindt doorgaans beschaduwd plaats, vaak in een vork van de stam. Nestbouw en reparatie vinden door beide partners plaats en dezelfde nestplek kan meerdere jaren in gebruik blijven. Er worden één of twee eieren gelegd (dofwit met wolkige bruine, grijze en lila tekening en soms duidelijke bruine vlekjes), meestal in de tweede helft van het droge seizoen, soms doorlopend in natte perioden. Incubatie wordt door het vrouwtje uitgevoerd, terwijl het mannetje voedsel aanvoert en vaak in de nabijheid verblijft, soms rustend in dezelfde boom. In de eerste weken na het uitkomen blijft het vrouwtje dicht bij het nest en wordt prooi vooral door het mannetje aangebracht; na ongeveer drie weken neemt het aandeel van het vrouwtje in het aanbrengen van prooi vaak toe en kan dit zelfs groter worden dan dat van het mannetje. Het jong is rond 28 dagen volledig bevederd, klimt rond 45–50 dagen in de nestboom en maakt de eerste vlucht rond 55 dagen; daarna volgt doorgaans snelle verplaatsing weg van de nestplek, terwijl oudervogels nog ongeveer twee weken blijven bijvoeren. Vaak vindt broeden jaarlijks plaats en meestal vliegt één jong per nest uit; een tweede ei kan onbevrucht zijn of het oudere jong verdringt het jongere.
De soort komt wijdverspreid voor in Sub-Sahara Afrika, van Senegal tot Ethiopië. Meestal betreft het een standvogel, maar opportunistische verplaatsingen naar gebieden met tijdelijk veel voedsel komen voor. In streken met uitgesproken natte en droge seizoenen (zoals delen van West-Afrika) kan een enigszins nomadisch patroon optreden.
Een volwassen Afrikaanse Zwarte Kuifarend is overwegend zeer donkerbruin tot zwart. Opvallend zijn witte vlekken bij de vleugelknik (boven én onder), witte ondervleugeldekveren met zwarte spikkels en een witte basis van de staart; de loopveren zijn grijsbruin. De ogen zijn goud- tot roodbruin en de washuid en poten zijn geel. Juvenielen tonen wittere punten aan de halsveren, een minder uitgesproken kuif en een meer gemarmerd uiterlijk; de ogen zijn donker olijfbruin en de poten en washuid licht okergeel.
Waarnemingen betreffen vaak vluchtbeelden (regelmatig met roep) of zittende vogels op bomen en telefoon-/telegraafpalen; jacht vindt vooral plaats vanaf zulke uitkijkposten. Voorkeur bestaat voor landschappen waar grote bomen en open terrein elkaar afwisselen, met frequente aanwezigheid in cultuurlandschap en nabij menselijke bewoning. Een groot deel van de dag wordt zittend doorgebracht en langdurig zweven is minder uitgesproken dan bij sommige andere arenden. Parners verblijven doorgaans dicht bij elkaar en gebruiken vaste gebieden die dag na dag terug te vinden zijn; tijdens de heetste uren wordt vaak gerust in dichtbebladerde bomen. In het broedseizoen blijft de actieradius meestal beperkt tot grofweg een paar kilometer rondom de nestplaats, met herhaald gebruik van dezelfde reeks zitposten.
Het voedsel bestaat vooral uit kleine zoogdieren die op de grond worden gepakt. Daarnaast worden ook hagedissen, kleine slangen en grote insecten zoals sprinkhanen gegeten. Incidenteel worden jonge kippen gepakt, maar in het algemeen draagt predatie op knaagdieren bij aan natuurlijke plaagdrukverlaging in landbouwgebieden.
Tijdens de balts vindt vaak zweefvlucht plaats op ongeveer 90–150 meter hoogte met herhaald roepen; opvallende acrobatische manoeuvres blijven meestal beperkt. Ook vanaf zitposten, vooral nabij de nestplaats, worden baltsroepen gegeven. Het nest wordt gebouwd in grote bladrijke bomen, zoals wilde vijgen of aangeplante eucalyptus, meestal op 6–18 meter of hoger en vaak in rivierdalzones waar grote bomen beschikbaar zijn. Voor een arend is de nestconstructie relatief klein (ongeveer 60 cm breed en 30 cm diep), opgebouwd uit kleine takken met een diepe kom en bekleed met verse groene bladeren; plaatsing vindt doorgaans beschaduwd plaats, vaak in een vork van de stam. Nestbouw en reparatie vinden door beide partners plaats en dezelfde nestplek kan meerdere jaren in gebruik blijven. Er worden één of twee eieren gelegd (dofwit met wolkige bruine, grijze en lila tekening en soms duidelijke bruine vlekjes), meestal in de tweede helft van het droge seizoen, soms doorlopend in natte perioden. Incubatie wordt door het vrouwtje uitgevoerd, terwijl het mannetje voedsel aanvoert en vaak in de nabijheid verblijft, soms rustend in dezelfde boom. In de eerste weken na het uitkomen blijft het vrouwtje dicht bij het nest en wordt prooi vooral door het mannetje aangebracht; na ongeveer drie weken neemt het aandeel van het vrouwtje in het aanbrengen van prooi vaak toe en kan dit zelfs groter worden dan dat van het mannetje. Het jong is rond 28 dagen volledig bevederd, klimt rond 45–50 dagen in de nestboom en maakt de eerste vlucht rond 55 dagen; daarna volgt doorgaans snelle verplaatsing weg van de nestplek, terwijl oudervogels nog ongeveer twee weken blijven bijvoeren. Vaak vindt broeden jaarlijks plaats en meestal vliegt één jong per nest uit; een tweede ei kan onbevrucht zijn of het oudere jong verdringt het jongere.
Bruine slangenarend
[LAT] *Circaetus cinereus* |
[UK] Brown Snake Eagle |
[FR] Circaète brun |
[DE] Brauner Schlangenadler |
[ES] Águila culebrera parda |
[NL] Bruine slangenarend


De bruine slangenarend heeft status LC (Least Concern). Door het zeer grote verspreidingsgebied en een populatie die niet klein genoeg is om de drempels voor een bedreigingscategorie te benaderen, wordt de soort wereldwijd niet als bedreigd beschouwd; de trend wordt als stabiel beschreven.
Het verspreidingsgebied ligt in Sub-Sahara Afrika en omvat vooral licht tot matig beboste gebieden, met een duidelijke voorkeur voor dichte savanne en doornstruik-vegetatie. Open grasvlaktes worden veel minder gebruikt en echt bosgebied wordt doorgaans gemeden, behalve waar bos is gekapt voor landbouw en zitplaatsen op dode bomen beschikbaar zijn. In Oost- en noordoostelijk Afrika komt de soort lokaal juist talrijk voor in doornstruikland, terwijl voorkomen op open vlaktes eerder schaars is.
Over het algemeen betreft het een standvogel. Alleen in Senegal is sprake van een seizoenspatroon waarbij vroeg in het jaar wordt gebroed en het gebied na het broedseizoen weer wordt verlaten.
Het verenkleed van volwassen vogels is vrijwel egaal donkerbruin; bij sommige exemplaren is een smalle zwarte lijn boven en onder het oog zichtbaar. De staart is donkerbruin met drie smalle grijze dwarsbanden en een bleek uiteinde. Bovenzijde van de slagpennen oogt donkerbruin, met naar de basis toe een lichtere, gemarmerde indruk; aan de onderzijde is de vogel in totaalbeeld bruin, met een opvallend bleker grijs aan de onderzijde van de slagpennen. Ogen zijn felgeel; washuid, poten en voeten zijn licht grijswit; snavel en klauwen zijn zwart. Onvolwassen vogels lijken sterk op volwassen vogels maar ogen doorgaans wat bleker, met variabele lichte veerbases op nek en buik en lichtere veerranden op de rug; kop en wangen tonen vaker een grijzere toon. Net uit het ei ontstaat eerst een wit donskleed; ogen beginnen grijs en verkleuren geleidelijk naar (licht)geel, terwijl washuid en poten zeer bleek ogen in de vroege fase.
Het voedsel bestaat voor het grootste deel uit slangen (ongeveer 70%), inclusief giftige soorten zoals grote cobra’s. Het resterende deel bestaat vooral uit (jacht)vogels en soms pluimvee; zoogdieren worden zelden genoemd. Prooi wordt vrijwel altijd op de grond gegrepen, vaak door vanaf een zitpost neer te vallen op de prooi.
In de baltsperiode vindt hoog cirkelen boven het broedgebied plaats met frequente, luide roep; opvallende acrobatiek ontbreekt meestal en de baltsvlucht wordt vaak door één vogel uitgevoerd. Nesten zijn relatief klein en worden meestal gebouwd bovenin doornige acacia’s of in boomvormige euphorbia’s, doorgaans goed verborgen tussen klimplanten. Het nest bestaat uit kleine takjes, met een beperkte bekleding van groene bladeren. Hergebruik van exact hetzelfde nest in opeenvolgende jaren is niet gebruikelijk, al kan na enkele jaren wel opnieuw in dezelfde nestboom worden gebouwd.
Het legsel bestaat doorgaans uit één ei: groot, rond, wit en meestal ongetekend. Broeden gebeurt door het vrouwtje; voedsel wordt op of bij het nest aangeleverd door het mannetje, dat meestal weinig zichtbaar is rond de nestplaats en niet dicht bij het nest pleegt te overnachten. De broedduur wordt rond 45 dagen genoemd, met regionale variatie in legperiode. Uitkomen kan meerdere dagen in beslag nemen, waarna het kuiken aanvankelijk ongeveer 100 gram weegt. Tijdens de opgroeifase veranderen oog-, poot- en snavelkleur geleidelijk; rond drie tot vier weken ontstaat de gele oogkleur, maar vaak nog bleker dan bij adulten. Bevedering ontwikkelt zich geleidelijk, met eerst doorbrekende rugveren rond drie weken en een grotendeels bevederd voorlichaam en vleugels rond vijf weken, terwijl staartontwikkeling relatief traag verloopt.
Grote slangen, tot ongeveer anderhalve meter, kunnen als prooi worden aangevoerd, inclusief giftige soorten. Voedseloverdracht kan bestaan uit het uittrekken van de slang uit de krop door de oudervogel (met behulp van een poot), waarna het jong het uiteinde kan grijpen en mee kan trekken. De nestperiode is lang en kan vaak meer dan 100 dagen bedragen; vleugeloefeningen beginnen pas kort voor het uitvliegen. Bij de eerste vlucht is het verenkleed vaak al vrij “volwassen” van indruk, met een gewicht rond 2,1 kg. Na het uitvliegen blijft langdurig rond het nest verblijven niet typisch; aanwezigheid nabij de nestplek kan nog wel sporadisch voorkomen.
Het verspreidingsgebied ligt in Sub-Sahara Afrika en omvat vooral licht tot matig beboste gebieden, met een duidelijke voorkeur voor dichte savanne en doornstruik-vegetatie. Open grasvlaktes worden veel minder gebruikt en echt bosgebied wordt doorgaans gemeden, behalve waar bos is gekapt voor landbouw en zitplaatsen op dode bomen beschikbaar zijn. In Oost- en noordoostelijk Afrika komt de soort lokaal juist talrijk voor in doornstruikland, terwijl voorkomen op open vlaktes eerder schaars is.
Over het algemeen betreft het een standvogel. Alleen in Senegal is sprake van een seizoenspatroon waarbij vroeg in het jaar wordt gebroed en het gebied na het broedseizoen weer wordt verlaten.
Het verenkleed van volwassen vogels is vrijwel egaal donkerbruin; bij sommige exemplaren is een smalle zwarte lijn boven en onder het oog zichtbaar. De staart is donkerbruin met drie smalle grijze dwarsbanden en een bleek uiteinde. Bovenzijde van de slagpennen oogt donkerbruin, met naar de basis toe een lichtere, gemarmerde indruk; aan de onderzijde is de vogel in totaalbeeld bruin, met een opvallend bleker grijs aan de onderzijde van de slagpennen. Ogen zijn felgeel; washuid, poten en voeten zijn licht grijswit; snavel en klauwen zijn zwart. Onvolwassen vogels lijken sterk op volwassen vogels maar ogen doorgaans wat bleker, met variabele lichte veerbases op nek en buik en lichtere veerranden op de rug; kop en wangen tonen vaker een grijzere toon. Net uit het ei ontstaat eerst een wit donskleed; ogen beginnen grijs en verkleuren geleidelijk naar (licht)geel, terwijl washuid en poten zeer bleek ogen in de vroege fase.
Het voedsel bestaat voor het grootste deel uit slangen (ongeveer 70%), inclusief giftige soorten zoals grote cobra’s. Het resterende deel bestaat vooral uit (jacht)vogels en soms pluimvee; zoogdieren worden zelden genoemd. Prooi wordt vrijwel altijd op de grond gegrepen, vaak door vanaf een zitpost neer te vallen op de prooi.
In de baltsperiode vindt hoog cirkelen boven het broedgebied plaats met frequente, luide roep; opvallende acrobatiek ontbreekt meestal en de baltsvlucht wordt vaak door één vogel uitgevoerd. Nesten zijn relatief klein en worden meestal gebouwd bovenin doornige acacia’s of in boomvormige euphorbia’s, doorgaans goed verborgen tussen klimplanten. Het nest bestaat uit kleine takjes, met een beperkte bekleding van groene bladeren. Hergebruik van exact hetzelfde nest in opeenvolgende jaren is niet gebruikelijk, al kan na enkele jaren wel opnieuw in dezelfde nestboom worden gebouwd.
Het legsel bestaat doorgaans uit één ei: groot, rond, wit en meestal ongetekend. Broeden gebeurt door het vrouwtje; voedsel wordt op of bij het nest aangeleverd door het mannetje, dat meestal weinig zichtbaar is rond de nestplaats en niet dicht bij het nest pleegt te overnachten. De broedduur wordt rond 45 dagen genoemd, met regionale variatie in legperiode. Uitkomen kan meerdere dagen in beslag nemen, waarna het kuiken aanvankelijk ongeveer 100 gram weegt. Tijdens de opgroeifase veranderen oog-, poot- en snavelkleur geleidelijk; rond drie tot vier weken ontstaat de gele oogkleur, maar vaak nog bleker dan bij adulten. Bevedering ontwikkelt zich geleidelijk, met eerst doorbrekende rugveren rond drie weken en een grotendeels bevederd voorlichaam en vleugels rond vijf weken, terwijl staartontwikkeling relatief traag verloopt.
Grote slangen, tot ongeveer anderhalve meter, kunnen als prooi worden aangevoerd, inclusief giftige soorten. Voedseloverdracht kan bestaan uit het uittrekken van de slang uit de krop door de oudervogel (met behulp van een poot), waarna het jong het uiteinde kan grijpen en mee kan trekken. De nestperiode is lang en kan vaak meer dan 100 dagen bedragen; vleugeloefeningen beginnen pas kort voor het uitvliegen. Bij de eerste vlucht is het verenkleed vaak al vrij “volwassen” van indruk, met een gewicht rond 2,1 kg. Na het uitvliegen blijft langdurig rond het nest verblijven niet typisch; aanwezigheid nabij de nestplek kan nog wel sporadisch voorkomen.
Zwart-witte kuifarend
[LAT] *Spizaetus melanoleucus* |
[UK] Black-and-white Hawk-Eagle |
[FR] Aigle noir et blanc |
[DE] Schwarzweißer Haubenadler |
[ES] Águila blanquinegra |
[NL] Zwart-witte kuifarend



De zwart-witte kuifarend heeft status LC (Least Concern). Het verspreidingsgebied is zeer groot en hoewel een afnemende trend wordt genoemd, is die afname niet snel genoeg om de soort wereldwijd in een bedreigingscategorie te plaatsen.
Het verspreidingsgebied loopt van zuidelijk Mexico door Midden-Amerika tot in noordoost Argentinië. In Suriname betreft het een zeldzame bosvogel, die soms ook in het kustgebied wordt gezien. Over seizoensverplaatsingen is weinig met zekerheid bekend; trekgedrag is niet goed gedocumenteerd.
Het verenkleed is opvallend contrastrijk zwart-wit. Kop, hals en lichaam zijn wit, met een kleine kuif die als een donkere vlek op de witte kop kan ogen. Vleugels zijn zwart en de staart is bruinachtig met donkere grijs-zwarte dwarsbanden en een witte punt. De iris is oranje en de poten zijn helder geel. Beide seksen lijken op elkaar, waarbij het vrouwtje gemiddeld groter is.
Leefgebied bestaat vooral uit beboste gebieden in tropische en subtropische zones, vaak in de nabijheid van open terrein of rivieren; in Brazilië komt de soort ook voor in savanne-achtige landschappen. Jacht bestaat uit een snelle duik vanuit hoog cirkelen richting boomkruinen, waarbij prooien vooral zoogdieren, padden, reptielen en diverse vogelsoorten omvatten, met name zangvogels.
Broeden vindt plaats hoog in het bos, met een nest in of nabij het bladerdak op grote hoogte (circa 40 meter). Het nest wordt uit takken opgebouwd en ligt doorgaans op een plek met overzicht over zowel bos als nabijgelegen open delen van het landschap.
Het verspreidingsgebied loopt van zuidelijk Mexico door Midden-Amerika tot in noordoost Argentinië. In Suriname betreft het een zeldzame bosvogel, die soms ook in het kustgebied wordt gezien. Over seizoensverplaatsingen is weinig met zekerheid bekend; trekgedrag is niet goed gedocumenteerd.
Het verenkleed is opvallend contrastrijk zwart-wit. Kop, hals en lichaam zijn wit, met een kleine kuif die als een donkere vlek op de witte kop kan ogen. Vleugels zijn zwart en de staart is bruinachtig met donkere grijs-zwarte dwarsbanden en een witte punt. De iris is oranje en de poten zijn helder geel. Beide seksen lijken op elkaar, waarbij het vrouwtje gemiddeld groter is.
Leefgebied bestaat vooral uit beboste gebieden in tropische en subtropische zones, vaak in de nabijheid van open terrein of rivieren; in Brazilië komt de soort ook voor in savanne-achtige landschappen. Jacht bestaat uit een snelle duik vanuit hoog cirkelen richting boomkruinen, waarbij prooien vooral zoogdieren, padden, reptielen en diverse vogelsoorten omvatten, met name zangvogels.
Broeden vindt plaats hoog in het bos, met een nest in of nabij het bladerdak op grote hoogte (circa 40 meter). Het nest wordt uit takken opgebouwd en ligt doorgaans op een plek met overzicht over zowel bos als nabijgelegen open delen van het landschap.
Havik
[LAT] *Accipiter gentilis* |
[UK] Northern Goshawk |
[FR] Autour des palombes |
[DE] Habicht |
[ES] Azor común |
[NL] Havik



Status: LC (Least Concern). Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en een grote populatie, waardoor de drempels voor “Kwetsbaar” niet worden benaderd. De wereldwijde trend wordt als stabiel beschreven.
Het verspreidingsgebied is wijd en omvat grote delen van Noord-Amerika, Midden-Amerika en Eurazië. Het grootste deel van de populaties is standvogel, maar in de meest noordelijke broedgebieden (o.a. noordelijk Noord-Amerika, Fenno-Scandinavië en Rusland) komt gedeeltelijke trek voor. Verplaatsingen hangen sterk samen met schommelingen in prooiaanbod in arctische gebieden. In Noord-Amerika treden ongeveer eens per tien jaar “invasies” op, waarbij vogels zuidwaarts kunnen uitwaaieren tot in het zuiden van de VS en noordelijk Mexico. In Fenno-Scandinavië blijven zulke bewegingen doorgaans beperkt tot enkele honderden kilometers. Wegtrek uit noordelijke gebieden vindt vooral plaats in oktober–november, met terugkeer naar broedgebieden in maart–april.
De havik is een vrij grote accipiter met een lange staart, afgeronde vleugeltoppen en een opvallend lichte wenkbrauwstreep. Adulten tonen een donkere kruin, blauwgrijze bovendelen en een witte onderzijde met dichte grijze dwarstreping, plus opvallend “wollige” witte onderstaartdekveren. Juvenielen zijn bruin van boven en buffkleurig van onder met vage, dichte streping; de onderstaartdekveren zijn donker gestreept en de staart vertoont golvende donkere banden met lichte randen en een smalle witte eindtip. Totale lengte circa 53–66 cm, waarbij vrouwtjes gemiddeld groter zijn dan mannetjes.
In de winter wordt vooral een gefragmenteerd landschap gebruikt met bos, kapvlakten, moerassen en landbouwgebieden; open terrein wordt vooral benut wanneer grote boscomplexen ontbreken. Tijdens de broedtijd bestaat voorkeur voor bosrijke gebieden met veel grote bomen en een hoge kroonlaag, maar ook relatief open habitats in zowel laagland als upland kunnen worden benut, mits er voldoende structuur en dekking aanwezig is.
Jacht vindt plaats via korte, snelle vluchten met korte speurtochten vanaf zitposten, en via snelle vluchten langs bosranden, over open plekken en door dichte vegetatie. Prooien bestaan uit een breed spectrum aan gewervelden en soms insecten. Belangrijke prooien zijn eekhoorns en andere knaagdieren, konijnen/ hazen, en uiteenlopende vogels zoals hoenders, kraaiachtigen, spechten en zangvogels; tijdens het broedseizoen kan het aandeel jonge zangvogels toenemen naarmate die beschikbaar komen. Prooi wordt op de grond, in vegetatie of in de lucht gegrepen.
Broeden gebeurt doorgaans met één legsel per jaar, meestal eind april tot begin mei. Legselgrootte is vaak 2–4 eieren (soms 1–5), gelegd om de 2–3 dagen; broeden start vaak na het tweede ei, waardoor uitkomen niet synchroon verloopt. De broedduur bedraagt circa 28–38 dagen en wordt hoofdzakelijk door het vrouwtje uitgevoerd. Verzorging en voeren van de jongen liggen vooral bij het vrouwtje, terwijl het mannetje prooi aanbrengt. Eerste vluchten volgen na ongeveer 35–42 dagen; zelfstandigheid wordt rond circa 70 dagen na uitkomen bereikt. Binnen een broedterritorium worden vaak meerdere (1–8) wisselnesten gebruikt; naburige broedparen liggen gemiddeld rond enkele kilometers uit elkaar.
Het verspreidingsgebied is wijd en omvat grote delen van Noord-Amerika, Midden-Amerika en Eurazië. Het grootste deel van de populaties is standvogel, maar in de meest noordelijke broedgebieden (o.a. noordelijk Noord-Amerika, Fenno-Scandinavië en Rusland) komt gedeeltelijke trek voor. Verplaatsingen hangen sterk samen met schommelingen in prooiaanbod in arctische gebieden. In Noord-Amerika treden ongeveer eens per tien jaar “invasies” op, waarbij vogels zuidwaarts kunnen uitwaaieren tot in het zuiden van de VS en noordelijk Mexico. In Fenno-Scandinavië blijven zulke bewegingen doorgaans beperkt tot enkele honderden kilometers. Wegtrek uit noordelijke gebieden vindt vooral plaats in oktober–november, met terugkeer naar broedgebieden in maart–april.
De havik is een vrij grote accipiter met een lange staart, afgeronde vleugeltoppen en een opvallend lichte wenkbrauwstreep. Adulten tonen een donkere kruin, blauwgrijze bovendelen en een witte onderzijde met dichte grijze dwarstreping, plus opvallend “wollige” witte onderstaartdekveren. Juvenielen zijn bruin van boven en buffkleurig van onder met vage, dichte streping; de onderstaartdekveren zijn donker gestreept en de staart vertoont golvende donkere banden met lichte randen en een smalle witte eindtip. Totale lengte circa 53–66 cm, waarbij vrouwtjes gemiddeld groter zijn dan mannetjes.
In de winter wordt vooral een gefragmenteerd landschap gebruikt met bos, kapvlakten, moerassen en landbouwgebieden; open terrein wordt vooral benut wanneer grote boscomplexen ontbreken. Tijdens de broedtijd bestaat voorkeur voor bosrijke gebieden met veel grote bomen en een hoge kroonlaag, maar ook relatief open habitats in zowel laagland als upland kunnen worden benut, mits er voldoende structuur en dekking aanwezig is.
Jacht vindt plaats via korte, snelle vluchten met korte speurtochten vanaf zitposten, en via snelle vluchten langs bosranden, over open plekken en door dichte vegetatie. Prooien bestaan uit een breed spectrum aan gewervelden en soms insecten. Belangrijke prooien zijn eekhoorns en andere knaagdieren, konijnen/ hazen, en uiteenlopende vogels zoals hoenders, kraaiachtigen, spechten en zangvogels; tijdens het broedseizoen kan het aandeel jonge zangvogels toenemen naarmate die beschikbaar komen. Prooi wordt op de grond, in vegetatie of in de lucht gegrepen.
Broeden gebeurt doorgaans met één legsel per jaar, meestal eind april tot begin mei. Legselgrootte is vaak 2–4 eieren (soms 1–5), gelegd om de 2–3 dagen; broeden start vaak na het tweede ei, waardoor uitkomen niet synchroon verloopt. De broedduur bedraagt circa 28–38 dagen en wordt hoofdzakelijk door het vrouwtje uitgevoerd. Verzorging en voeren van de jongen liggen vooral bij het vrouwtje, terwijl het mannetje prooi aanbrengt. Eerste vluchten volgen na ongeveer 35–42 dagen; zelfstandigheid wordt rond circa 70 dagen na uitkomen bereikt. Binnen een broedterritorium worden vaak meerdere (1–8) wisselnesten gebruikt; naburige broedparen liggen gemiddeld rond enkele kilometers uit elkaar.
Grijze havik
[LAT] *Tachyspiza novaehollandiae* |
[UK] Grey Goshawk |
[FR] Autour à dos gris |
[DE] Graurückensperber |
[ES] Azor gris |
[NL] Grijze havik

Status: LC (Least Concern). Het verspreidingsgebied is zeer groot en de soort voldoet daardoor niet aan de criteria voor “Kwetsbaar”; ondanks een vermoedelijke afname wordt de daling niet als snel genoeg gezien om de drempelwaarden te halen.
Het verspreidingsgebied omvat Australazië, met voorkomen in Australië en Tasmanië en daarnaast in Nieuw-Guinea en op eilanden westwaarts tot Sumbawa en Ceram en oostwaarts tot de Salomonseilanden. Eenmaal gevestigd in een territorium blijft de soort doorgaans standvogel en plaatsgebonden; na het uitvliegen kan bij jonge vogels wel uitzwerving optreden.
Het uiterlijk is opvallend variabel. In Australië en Tasmanië komen twee hoofdvormen voor. De witte fase is volledig wit en toont roodoranje ogen, met gele washuid (cere) en gele poten; in Tasmanië zijn alle vogels wit en in delen van Australië overheerst deze fase. De grijze fase toont een lichtgrijze bovenzijde met subtiele tekening op stuit en staart, en een onderzijde met wit en grijs (borst vaak grijs-wit gebandeerd, verder veel wit met soms lichte grijze bandering op dijen); ogen rood en cere en poten geel. Vrouwtjes zijn duidelijk groter dan mannetjes en in de grijze fase gemiddeld donkerder en sterker gebandeerd. Juvenielen lijken op adulten van dezelfde kleurvorm, maar ogen bruiner in het begin en tonen vaak een wat grijzere en sterker gebandeerde indruk; kuikens zijn doorgaans wit (soms grijzig) en ogen zijn aanvankelijk donkerbruin. Over het totale verspreidingsgebied bestaat bovendien veel variatie tussen ondersoorten in grootte en kleurtinten, met op veel eilanden donkerdere bovendelen en rijker roodbruine onderzijde.
Een vermoedelijke achteruitgang wordt in verband gebracht met voortgaande habitatvernietiging en vervolging door mensen.
Het leefgebied bestaat vooral uit bos en open bosland. In Australië en Tasmanië wordt overwegend bebost landschap gebruikt en worden de droge woestijngebieden van het binnenland gemeden. In Nieuw-Guinea en op eilanden worden ook dichte tropische bossen benut, zowel in bergen als nabij de kust; in zwaar beboste streken bestaat vaak voorkeur voor secundaire groei en meer open plekken, randen, dorpen en tuinen.
Het voedselpakket varieert met de grootte van de lokale vorm. Grote Australische vogels nemen regelmatig vogels tot ongeveer duifgrootte, kleine zoogdieren tot ongeveer konijnformaat, reptielen (ook slangen) en daarnaast insecten. Kleinere eilandvormen eten vooral kleinere vogels, kleine (grond)zoogdieren, hagedissen en relatief veel grote insecten. Vogels worden in vlucht of op de grond gegrepen; zoogdieren, reptielen en insecten worden vooral op de grond of vanuit takken genomen. Jachtgedrag bestaat uit verscholen wachten in dekking en verrassingsaanvallen in open terrein of binnen het bos, met soms achtervolging door dichte vegetatie; af en toe worden ook zweefvluchten gezien. Sterk formaatverschil tussen seksen leidt vaak tot een taakverdeling in prooikeuze: mannetjes nemen relatief vaker vogels, terwijl vrouwtjes relatief vaker zoogdieren en reptielen op de grond slaan.
Broeden in Australië vindt meestal plaats in grote eucalyptusbomen, vaak op een horizontale tak op aanzienlijke hoogte. Het nest is een vrij vlak platform van fijne twijgen, gevoerd met groene bladeren; bouw en reparatie kunnen zes weken tot twee maanden duren. Het broedseizoen loopt grofweg van augustus tot december, met meestal legsels van drie eieren in september–oktober. Incubatie kan door beide seksen worden uitgevoerd, maar vaak ligt het zwaartepunt bij het vrouwtje; prooiaanvoer naar het nest gebeurt vooral door het mannetje, waarna voeren van de jongen vooral door het vrouwtje plaatsvindt. Van eileg tot uitvliegen duurt iets meer dan twee maanden.
Het verspreidingsgebied omvat Australazië, met voorkomen in Australië en Tasmanië en daarnaast in Nieuw-Guinea en op eilanden westwaarts tot Sumbawa en Ceram en oostwaarts tot de Salomonseilanden. Eenmaal gevestigd in een territorium blijft de soort doorgaans standvogel en plaatsgebonden; na het uitvliegen kan bij jonge vogels wel uitzwerving optreden.
Het uiterlijk is opvallend variabel. In Australië en Tasmanië komen twee hoofdvormen voor. De witte fase is volledig wit en toont roodoranje ogen, met gele washuid (cere) en gele poten; in Tasmanië zijn alle vogels wit en in delen van Australië overheerst deze fase. De grijze fase toont een lichtgrijze bovenzijde met subtiele tekening op stuit en staart, en een onderzijde met wit en grijs (borst vaak grijs-wit gebandeerd, verder veel wit met soms lichte grijze bandering op dijen); ogen rood en cere en poten geel. Vrouwtjes zijn duidelijk groter dan mannetjes en in de grijze fase gemiddeld donkerder en sterker gebandeerd. Juvenielen lijken op adulten van dezelfde kleurvorm, maar ogen bruiner in het begin en tonen vaak een wat grijzere en sterker gebandeerde indruk; kuikens zijn doorgaans wit (soms grijzig) en ogen zijn aanvankelijk donkerbruin. Over het totale verspreidingsgebied bestaat bovendien veel variatie tussen ondersoorten in grootte en kleurtinten, met op veel eilanden donkerdere bovendelen en rijker roodbruine onderzijde.
Een vermoedelijke achteruitgang wordt in verband gebracht met voortgaande habitatvernietiging en vervolging door mensen.
Het leefgebied bestaat vooral uit bos en open bosland. In Australië en Tasmanië wordt overwegend bebost landschap gebruikt en worden de droge woestijngebieden van het binnenland gemeden. In Nieuw-Guinea en op eilanden worden ook dichte tropische bossen benut, zowel in bergen als nabij de kust; in zwaar beboste streken bestaat vaak voorkeur voor secundaire groei en meer open plekken, randen, dorpen en tuinen.
Het voedselpakket varieert met de grootte van de lokale vorm. Grote Australische vogels nemen regelmatig vogels tot ongeveer duifgrootte, kleine zoogdieren tot ongeveer konijnformaat, reptielen (ook slangen) en daarnaast insecten. Kleinere eilandvormen eten vooral kleinere vogels, kleine (grond)zoogdieren, hagedissen en relatief veel grote insecten. Vogels worden in vlucht of op de grond gegrepen; zoogdieren, reptielen en insecten worden vooral op de grond of vanuit takken genomen. Jachtgedrag bestaat uit verscholen wachten in dekking en verrassingsaanvallen in open terrein of binnen het bos, met soms achtervolging door dichte vegetatie; af en toe worden ook zweefvluchten gezien. Sterk formaatverschil tussen seksen leidt vaak tot een taakverdeling in prooikeuze: mannetjes nemen relatief vaker vogels, terwijl vrouwtjes relatief vaker zoogdieren en reptielen op de grond slaan.
Broeden in Australië vindt meestal plaats in grote eucalyptusbomen, vaak op een horizontale tak op aanzienlijke hoogte. Het nest is een vrij vlak platform van fijne twijgen, gevoerd met groene bladeren; bouw en reparatie kunnen zes weken tot twee maanden duren. Het broedseizoen loopt grofweg van augustus tot december, met meestal legsels van drie eieren in september–oktober. Incubatie kan door beide seksen worden uitgevoerd, maar vaak ligt het zwaartepunt bij het vrouwtje; prooiaanvoer naar het nest gebeurt vooral door het mannetje, waarna voeren van de jongen vooral door het vrouwtje plaatsvindt. Van eileg tot uitvliegen duurt iets meer dan twee maanden.
Donkere zanghavik
[LAT] *Melierax metabates* |
[UK] Dark Chanting Goshawk |
[FR] Autour sombre chantant |
[DE] Dunkler Singhabicht |
[ES] Azor cantor oscuro |
[NL] Donkere zanghavik



Status: LC (Least Concern). Een zeer groot verspreidingsgebied en een zeer grote populatie zorgen ervoor dat de soort niet in de buurt komt van de drempels voor “Kwetsbaar”; de populatietrend wordt als stabiel beschouwd.
Verspreiding: wijdverspreid in Afrika ten zuiden van de Sahara. Overwegend standvogel in tropische gebieden, met gedeeltelijke trek; in drogere streken meer zwervend en nomadisch, met in bijzonder droge jaren gemelde oost-westverplaatsingen (o.a. in Zimbabwe).
Kenmerken: een grote, langstaartige en breedvleugelige havik met een spanwijdte rond 105 cm. Bovenzijde leigrijs, onderzijde wit met fijne dwarsbandering; staart zwart-wit gebandeerd. In vlucht tonen de vleugels grijs met zwarte toppen; de vlucht oogt stijf en “mechanisch”.
Leefgebied: vooral vochtige, boomrijke savanne in sub-Sahara Afrika. Minder aride en minder open habitats dan de andere soorten binnen hetzelfde geslacht, waardoor overlap in verspreiding beperkt is. Perchgedrag vaker binnen de boomkronen van hoge bomen en minder vaak op telefoonpalen dan bij de Bleke zanghavik.
Voedsel: een breed prooipakket met o.a. dwergmangoesten, eekhoorns, muizen, vogels tot parelhoengrootte, slangen, hagedissen en insecten; aas wordt ook genomen. Jacht bestaat vaak uit langdurig posten op een opvallende zitplek gevolgd door een duik naar prooi op de grond of een korte achtervolging in de lucht. Waarnemingen tonen ook “meeliften” bij foeragerende aardhoornravens en honingdassen, waarbij opgejaagde prooien worden gegrepen, en regelmatig profiteren van grasbranden om vluchtende dieren te vangen.
Broeden: start meestal in de vroege zomer. Nestbouw door beide partners; een klein stokkig nest wordt geplaatst in een vork van een grote bosboom en gevoerd met materiaal zoals oude nesten, spinrag en modder. Legsel meestal 1–2 eieren; broedduur ongeveer een maand. Jongen vliegen na circa 7 weken uit en blijven daarna vaak nog 4–5 maanden luidruchtig in de omgeving van het nest.
Verspreiding: wijdverspreid in Afrika ten zuiden van de Sahara. Overwegend standvogel in tropische gebieden, met gedeeltelijke trek; in drogere streken meer zwervend en nomadisch, met in bijzonder droge jaren gemelde oost-westverplaatsingen (o.a. in Zimbabwe).
Kenmerken: een grote, langstaartige en breedvleugelige havik met een spanwijdte rond 105 cm. Bovenzijde leigrijs, onderzijde wit met fijne dwarsbandering; staart zwart-wit gebandeerd. In vlucht tonen de vleugels grijs met zwarte toppen; de vlucht oogt stijf en “mechanisch”.
Leefgebied: vooral vochtige, boomrijke savanne in sub-Sahara Afrika. Minder aride en minder open habitats dan de andere soorten binnen hetzelfde geslacht, waardoor overlap in verspreiding beperkt is. Perchgedrag vaker binnen de boomkronen van hoge bomen en minder vaak op telefoonpalen dan bij de Bleke zanghavik.
Voedsel: een breed prooipakket met o.a. dwergmangoesten, eekhoorns, muizen, vogels tot parelhoengrootte, slangen, hagedissen en insecten; aas wordt ook genomen. Jacht bestaat vaak uit langdurig posten op een opvallende zitplek gevolgd door een duik naar prooi op de grond of een korte achtervolging in de lucht. Waarnemingen tonen ook “meeliften” bij foeragerende aardhoornravens en honingdassen, waarbij opgejaagde prooien worden gegrepen, en regelmatig profiteren van grasbranden om vluchtende dieren te vangen.
Broeden: start meestal in de vroege zomer. Nestbouw door beide partners; een klein stokkig nest wordt geplaatst in een vork van een grote bosboom en gevoerd met materiaal zoals oude nesten, spinrag en modder. Legsel meestal 1–2 eieren; broedduur ongeveer een maand. Jongen vliegen na circa 7 weken uit en blijven daarna vaak nog 4–5 maanden luidruchtig in de omgeving van het nest.
Rode Wouw
[LAT] *Milvus milvus* |
[UK] Red Kite |
[FR] Milan royal |
[DE] Roter Milan |
[ES] Milano real |
[NL] Rode wouw

Status: NT (Near Threatened). Een matig snelle afname in aantallen ligt ten grondslag aan deze classificatie, vooral door vergiftiging met pesticiden, vervolging en veranderingen in landgebruik. Als recente toenames in noordelijke kerngebieden aanhouden, kan in de toekomst een lagere risicocategorie mogelijk worden.
Verspreiding: in hoofdzaak een Europese soort, met broedgebieden van het Iberisch Schiereiland tot het zuiden van de Oostzee en van Wales tot de Kaukasus; daarnaast ook bekend uit noordwestelijk Afrika en de Kaapverdische eilanden, met recente verdwijning van de Canarische eilanden. Binnen de Europese Unie gaat het om circa 21.000 broedparen (wereldwijd maximaal rond 32.000 paren), met regionaal duidelijke verschillen in trend.
Trek en zwerfg gedrag: in Noord- en Midden-Europa vooral trekvogel, met een toenemende neiging om in sommige gebieden te overwinteren; zuidelijker vaker standvogel en zwerver. Populaties uit het noordoosten trekken in de winter hoofdzakelijk naar het noordelijke Middellandse Zeegebied en naar Zuidwest-Europa. Trek start meestal in augustus; veel vogels uit Midden-Europa passeren Frankrijk in september en bereiken Iberische wintergebieden eind september en oktober, met een beperkte doortrek richting Afrika via de Straat van Gibraltar vooral in oktober–november. Voorjaarstrek begint vaak eind februari; aankomst in de noordelijkste broedgebieden kan al eind maart zijn, met doortrek tot in april. In verschillende delen van Midden- en Noord-Europa komen winterwaarnemingen vaker voor sinds de tweede helft van de 20e eeuw, mede door benutting van betere voedselbronnen en gemiddeld zachtere winters.
Kenmerken: middelgrote roofvogel met warm kastanjebruin verenkleed, een mix van lichtere oranje/buff tinten en donkerdere strepen. Onder de vleugels vallen contrasterende witte “vensters” op tegen donkere handpennen. Kop lichtgrijs met donkere streping; poten en voeten felgeel en vaak zichtbaar in vlucht. Kenmerkend geluid is een hoge, miauwende roep.
Leefgebied: brede habitatkeuze, met als belangrijkste vereiste een geschikte grotere boom met vrije aanvliegroute voor nestbouw, vaak op circa 10–15 meter hoogte. Overname van een oud nest van kraai of buizerd komt geregeld voor. Nestbescherming richt zich vooral op de directe nestomgeving en minder op een groot “territorium” in de klassieke zin.
Voedsel: zeer gevarieerd, afhankelijk van lokale beschikbaarheid, met o.a. vogels, zoogdieren, reptielen, vissen, amfibieën, ongewervelden en aas. In sommige gebieden wordt relatief veel aas benut, wat extra kwetsbaarheid kan geven voor vergiftigd lokaas. Gemiddelde dagelijkse voedselbehoefte ligt rond 130 gram per volwassen vogel.
Broeden: meestal monogaam. Broedparen gebruiken vaak 1–5 alternatieve nestplaatsen binnen het nestgebied. Nestbouw vindt plaats hoog in een boom (circa 12–20 m), opgebouwd uit dode twijgen en gevoerd met gras en andere plantendelen; toevoeging van wol vlak voor eileg komt vaak voor. Legsel meestal 1–3 eieren (soms 4), doorgaans in april, met enkele dagen tussen de eieren. Broeden start met het eerste ei, waardoor uitkomen gespreid verloopt. Broedduur ligt rond 31–32 dagen per ei (bij een legsel van drie in totaal ongeveer 38 dagen). In de eerste fase na uitkomen komt voedsel vooral via prooiaanvoer naar het nest; na ongeveer twee weken wordt jacht/voedselvoorziening vaker gedeeld. Uitvliegen gebeurt vaak na circa 48–60 dagen (soms later), waarna nog circa 15–20 dagen nazorg in de nestomgeving volgt. Eerste broedpogingen beginnen meestal vanaf tweejarige leeftijd.
Verspreiding: in hoofdzaak een Europese soort, met broedgebieden van het Iberisch Schiereiland tot het zuiden van de Oostzee en van Wales tot de Kaukasus; daarnaast ook bekend uit noordwestelijk Afrika en de Kaapverdische eilanden, met recente verdwijning van de Canarische eilanden. Binnen de Europese Unie gaat het om circa 21.000 broedparen (wereldwijd maximaal rond 32.000 paren), met regionaal duidelijke verschillen in trend.
Trek en zwerfg gedrag: in Noord- en Midden-Europa vooral trekvogel, met een toenemende neiging om in sommige gebieden te overwinteren; zuidelijker vaker standvogel en zwerver. Populaties uit het noordoosten trekken in de winter hoofdzakelijk naar het noordelijke Middellandse Zeegebied en naar Zuidwest-Europa. Trek start meestal in augustus; veel vogels uit Midden-Europa passeren Frankrijk in september en bereiken Iberische wintergebieden eind september en oktober, met een beperkte doortrek richting Afrika via de Straat van Gibraltar vooral in oktober–november. Voorjaarstrek begint vaak eind februari; aankomst in de noordelijkste broedgebieden kan al eind maart zijn, met doortrek tot in april. In verschillende delen van Midden- en Noord-Europa komen winterwaarnemingen vaker voor sinds de tweede helft van de 20e eeuw, mede door benutting van betere voedselbronnen en gemiddeld zachtere winters.
Kenmerken: middelgrote roofvogel met warm kastanjebruin verenkleed, een mix van lichtere oranje/buff tinten en donkerdere strepen. Onder de vleugels vallen contrasterende witte “vensters” op tegen donkere handpennen. Kop lichtgrijs met donkere streping; poten en voeten felgeel en vaak zichtbaar in vlucht. Kenmerkend geluid is een hoge, miauwende roep.
Leefgebied: brede habitatkeuze, met als belangrijkste vereiste een geschikte grotere boom met vrije aanvliegroute voor nestbouw, vaak op circa 10–15 meter hoogte. Overname van een oud nest van kraai of buizerd komt geregeld voor. Nestbescherming richt zich vooral op de directe nestomgeving en minder op een groot “territorium” in de klassieke zin.
Voedsel: zeer gevarieerd, afhankelijk van lokale beschikbaarheid, met o.a. vogels, zoogdieren, reptielen, vissen, amfibieën, ongewervelden en aas. In sommige gebieden wordt relatief veel aas benut, wat extra kwetsbaarheid kan geven voor vergiftigd lokaas. Gemiddelde dagelijkse voedselbehoefte ligt rond 130 gram per volwassen vogel.
Broeden: meestal monogaam. Broedparen gebruiken vaak 1–5 alternatieve nestplaatsen binnen het nestgebied. Nestbouw vindt plaats hoog in een boom (circa 12–20 m), opgebouwd uit dode twijgen en gevoerd met gras en andere plantendelen; toevoeging van wol vlak voor eileg komt vaak voor. Legsel meestal 1–3 eieren (soms 4), doorgaans in april, met enkele dagen tussen de eieren. Broeden start met het eerste ei, waardoor uitkomen gespreid verloopt. Broedduur ligt rond 31–32 dagen per ei (bij een legsel van drie in totaal ongeveer 38 dagen). In de eerste fase na uitkomen komt voedsel vooral via prooiaanvoer naar het nest; na ongeveer twee weken wordt jacht/voedselvoorziening vaker gedeeld. Uitvliegen gebeurt vaak na circa 48–60 dagen (soms later), waarna nog circa 15–20 dagen nazorg in de nestomgeving volgt. Eerste broedpogingen beginnen meestal vanaf tweejarige leeftijd.
Zwarte wouw
[LAT] *Milvus migrans* |
[UK] Black Kite |
[FR] Milan noir |
[DE] Schwarzmilan |
[ES] Milano negro |
[NL] Zwarte wouw

Status: LC (Least Concern). Door het zeer grote verspreidingsgebied en de zeer grote populatie wordt de soort wereldwijd niet als bedreigd beschouwd; hoewel in delen van het areaal een afname optreedt, wordt die niet snel genoeg geacht om de drempels voor een hogere risicocategorie te halen.
Zwarte wouw (Black Kite) komt wijdverspreid voor in Eurazië, Afrika, delen van de Oriëntaalse regio en tot in Australazië. In Europa broeden veel populaties en vindt overwintering vooral plaats ten zuiden van de Sahara, van Senegal oostwaarts tot Soedan en zuidwaarts tot Zuid-Afrika; in zuidelijkere delen van Eurazië komen ook meer standvogels voor. Najaarstrek vanuit Europa verloopt vaak met een duidelijke zuidwestelijke component richting de Straat van Gibraltar, terwijl een deel zuidelijk of zuidoostelijk trekt via de Bosporus en langs de oostkant van de Zwarte Zee. In Centraal-Europa begint jeugddispersie al eind juni/begin juli, gevolgd door een grote uittocht in augustus; terugkeer vanuit Afrika start doorgaans in februari, met eerste aankomsten in Midden-Europa vanaf eind februari/maart en de hoofdmoot in april (soms doorlopend tot begin/half mei).
Uiterlijk: compacter en gemiddeld kleiner ogend dan rode wouw, met bredere vleugels en een minder diep gevorkte, eerder ingesneden staart. Het verenkleed is overwegend donker(duister)bruin, met als opvallendste kenmerken vage lichtere velden aan de basis van de handpennen en op de bovenvleugeldekveren. Juvenielen ogen lichter en warmer bruin, met wittigere bases van de handpennen en duidelijker bandering op de onderstaart.
Leefgebied: zeer algemeen en flexibel, van halfwoestijn, graslanden en savannes tot (open) bosranden, met vermijding van echt dicht, gesloten bos. Veel aanwezigheid bij water zoals rivieren, meren, wetlands en kusten, vaak ook in aangrenzende weilanden en langs randen van moerassen. Regelmatig verbonden aan menselijke omgeving, bijvoorbeeld bij dorpen, havens, vuilstorten, slachterijen en langs wegen.
Voedsel: vooral aas en daarnaast kleine tot middelgrote zoogdieren en vogels; lokaal of seizoensmatig ook vissen, hagedissen, amfibieën en ongewervelden. Tijdens de broedtijd wordt relatief vaker actief gejaagd. Bijzonder is het gebruik van plantaardig materiaal, waaronder (waar beschikbaar) vruchten van oliepalm. Prooi wordt van de grond of van het wateroppervlak gegrepen; grotere insecten kunnen in de lucht worden gevangen en soms “op de vleugel” worden gegeten. Foerageren vindt vaak plaats langs waterkanten en op plekken met gemakkelijk voedsel zoals afval en verkeersslachtoffers.
Broeden: in gematigde zones van Eurazië meestal maart–juni, in tropisch Afrika vaak in de droge tijd, in Zuid-Afrika veelal augustus–december en in Australië vooral juli–november. Broeden gebeurt solitair of los koloniaal, meestal in bomen met een platformnest in een vork of op een stevige zijtak; soms ook op klifrichels, plaatselijk aan de kust. Het nest bestaat uit takken en kan opvallend vaak “menselijk” materiaal bevatten zoals lappen, plastic, papier, mest of huidresten. Legsel doorgaans 2–3 eieren; broedduur circa 26–38 dagen, waarbij broeden meestal vrijwel geheel door het vrouwtje gebeurt wanneer voldoende voedsel wordt aangevoerd.
Zwarte wouw (Black Kite) komt wijdverspreid voor in Eurazië, Afrika, delen van de Oriëntaalse regio en tot in Australazië. In Europa broeden veel populaties en vindt overwintering vooral plaats ten zuiden van de Sahara, van Senegal oostwaarts tot Soedan en zuidwaarts tot Zuid-Afrika; in zuidelijkere delen van Eurazië komen ook meer standvogels voor. Najaarstrek vanuit Europa verloopt vaak met een duidelijke zuidwestelijke component richting de Straat van Gibraltar, terwijl een deel zuidelijk of zuidoostelijk trekt via de Bosporus en langs de oostkant van de Zwarte Zee. In Centraal-Europa begint jeugddispersie al eind juni/begin juli, gevolgd door een grote uittocht in augustus; terugkeer vanuit Afrika start doorgaans in februari, met eerste aankomsten in Midden-Europa vanaf eind februari/maart en de hoofdmoot in april (soms doorlopend tot begin/half mei).
Uiterlijk: compacter en gemiddeld kleiner ogend dan rode wouw, met bredere vleugels en een minder diep gevorkte, eerder ingesneden staart. Het verenkleed is overwegend donker(duister)bruin, met als opvallendste kenmerken vage lichtere velden aan de basis van de handpennen en op de bovenvleugeldekveren. Juvenielen ogen lichter en warmer bruin, met wittigere bases van de handpennen en duidelijker bandering op de onderstaart.
Leefgebied: zeer algemeen en flexibel, van halfwoestijn, graslanden en savannes tot (open) bosranden, met vermijding van echt dicht, gesloten bos. Veel aanwezigheid bij water zoals rivieren, meren, wetlands en kusten, vaak ook in aangrenzende weilanden en langs randen van moerassen. Regelmatig verbonden aan menselijke omgeving, bijvoorbeeld bij dorpen, havens, vuilstorten, slachterijen en langs wegen.
Voedsel: vooral aas en daarnaast kleine tot middelgrote zoogdieren en vogels; lokaal of seizoensmatig ook vissen, hagedissen, amfibieën en ongewervelden. Tijdens de broedtijd wordt relatief vaker actief gejaagd. Bijzonder is het gebruik van plantaardig materiaal, waaronder (waar beschikbaar) vruchten van oliepalm. Prooi wordt van de grond of van het wateroppervlak gegrepen; grotere insecten kunnen in de lucht worden gevangen en soms “op de vleugel” worden gegeten. Foerageren vindt vaak plaats langs waterkanten en op plekken met gemakkelijk voedsel zoals afval en verkeersslachtoffers.
Broeden: in gematigde zones van Eurazië meestal maart–juni, in tropisch Afrika vaak in de droge tijd, in Zuid-Afrika veelal augustus–december en in Australië vooral juli–november. Broeden gebeurt solitair of los koloniaal, meestal in bomen met een platformnest in een vork of op een stevige zijtak; soms ook op klifrichels, plaatselijk aan de kust. Het nest bestaat uit takken en kan opvallend vaak “menselijk” materiaal bevatten zoals lappen, plastic, papier, mest of huidresten. Legsel doorgaans 2–3 eieren; broedduur circa 26–38 dagen, waarbij broeden meestal vrijwel geheel door het vrouwtje gebeurt wanneer voldoende voedsel wordt aangevoerd.