Brahmaanse wouw
[LAT] *Haliastur indus* |
[UK] Brahminy Kite |
[FR] Milan sacré |
[DE] Brahminenweihe |
[ES] Milano Brahmínico |
[NL] Brahmaanse wouw


Status: LC (Least Concern). Door het zeer grote verspreidingsgebied en de grote populatie wordt de soort wereldwijd niet als bedreigd beschouwd; eventuele afnames worden niet snel genoeg geacht om de drempels voor een hogere risicocategorie te halen.
De brahmaanse wouw (Brahminy Kite) komt voor van Pakistan en India tot Zuid-China en verder via de eilanden van Zuidoost-Azië tot Nieuw-Guinea, de Salomonseilanden en langs de kust van Noord-Australië. In Azië en Australië is de soort overwegend standvogel met lokale verplaatsingen, vooral waar tijdelijk veel voedsel beschikbaar is; broedparen blijven doorgaans in hetzelfde gebied en vormen soms concentraties rond rijke voedselbronnen.
Het verenkleed is opvallend contrastrijk: kastanjebruin met een witte kop en borst en zwarte vleugeltoppen. Juvenielen zijn overall bruiner en vallen, vergeleken met zwarte wouw in Azië, vaak op door een blekere indruk, kortere vleugels en een afgeronde (niet gevorkte) staart. De vlucht is typisch “wouw-achtig” met licht geknikte vleugels, maar de afgeronde staart is kenmerkend en onderscheidt de soort van Milvus-wouwen met gevorkte staart.
De soort is sterk aan water gebonden en wordt vaak gezien langs kusten, riviermondingen, mangroves, meren en grote rijstgebieden. In rijstvelden wordt laag en rustig “gekwartierd”, vergelijkbaar met een kiekendief, met regelmatige duiken om voedsel op te pikken. Foerageren gebeurt ook vanaf uitkijkposten in bomen, met korte voedselvluchten tussendoor; in havens komen ook rustplaatsen op scheepsconstructies voor. In Australië is de houding ten opzichte van mensen regionaal: in sommige kust- en havengebieden sterk aan menselijke omgeving gebonden, meer landinwaarts vaak schuwer en minder uitgesproken aaseter.
Het dieet is zeer gevarieerd en omvat onder meer kikkers, kleine slangen, krabben, insecten en vis, plus aas en allerlei resten. Insecten worden geregeld in de lucht gegrepen; veel ander voedsel wordt van de grond gepakt of vlak van/uit het wateroppervlak meegenomen, soms in een vloeiende “scheerbeweging” zonder te landen. Voorkeur gaat meestal uit naar natte gebieden; in het binnenland van Azië komt broeden ook voor tot circa 2.400 meter, vrijwel altijd in de nabijheid van waterwegen of meren, terwijl op eilanden en in Australië vooral kust- en rivierhabitats domineren.
Broeden valt in Zuid-Azië grofweg in december–april; in zuidelijk en oostelijk Australië vaak augustus–oktober en in het noorden en nattere delen eerder april–juni. Het nest bestaat uit takken en twijgen met een kom, bekleed met bladeren, en wordt vaak in bomen gebouwd, met name in mangroves; nestplaatsen worden doorgaans jarenlang in hetzelfde gebied gebruikt. Soms is uitzonderlijk broeden op de grond onder bomen gemeld. Het legsel bestaat meestal uit twee dof witte tot blauwachtig-witte eieren; nestbouw en voedselvoorziening gebeuren door beide ouders, terwijl broeden vooral door het vrouwtje wordt uitgevoerd. De broedduur bedraagt ongeveer 26–27 dagen.
De brahmaanse wouw (Brahminy Kite) komt voor van Pakistan en India tot Zuid-China en verder via de eilanden van Zuidoost-Azië tot Nieuw-Guinea, de Salomonseilanden en langs de kust van Noord-Australië. In Azië en Australië is de soort overwegend standvogel met lokale verplaatsingen, vooral waar tijdelijk veel voedsel beschikbaar is; broedparen blijven doorgaans in hetzelfde gebied en vormen soms concentraties rond rijke voedselbronnen.
Het verenkleed is opvallend contrastrijk: kastanjebruin met een witte kop en borst en zwarte vleugeltoppen. Juvenielen zijn overall bruiner en vallen, vergeleken met zwarte wouw in Azië, vaak op door een blekere indruk, kortere vleugels en een afgeronde (niet gevorkte) staart. De vlucht is typisch “wouw-achtig” met licht geknikte vleugels, maar de afgeronde staart is kenmerkend en onderscheidt de soort van Milvus-wouwen met gevorkte staart.
De soort is sterk aan water gebonden en wordt vaak gezien langs kusten, riviermondingen, mangroves, meren en grote rijstgebieden. In rijstvelden wordt laag en rustig “gekwartierd”, vergelijkbaar met een kiekendief, met regelmatige duiken om voedsel op te pikken. Foerageren gebeurt ook vanaf uitkijkposten in bomen, met korte voedselvluchten tussendoor; in havens komen ook rustplaatsen op scheepsconstructies voor. In Australië is de houding ten opzichte van mensen regionaal: in sommige kust- en havengebieden sterk aan menselijke omgeving gebonden, meer landinwaarts vaak schuwer en minder uitgesproken aaseter.
Het dieet is zeer gevarieerd en omvat onder meer kikkers, kleine slangen, krabben, insecten en vis, plus aas en allerlei resten. Insecten worden geregeld in de lucht gegrepen; veel ander voedsel wordt van de grond gepakt of vlak van/uit het wateroppervlak meegenomen, soms in een vloeiende “scheerbeweging” zonder te landen. Voorkeur gaat meestal uit naar natte gebieden; in het binnenland van Azië komt broeden ook voor tot circa 2.400 meter, vrijwel altijd in de nabijheid van waterwegen of meren, terwijl op eilanden en in Australië vooral kust- en rivierhabitats domineren.
Broeden valt in Zuid-Azië grofweg in december–april; in zuidelijk en oostelijk Australië vaak augustus–oktober en in het noorden en nattere delen eerder april–juni. Het nest bestaat uit takken en twijgen met een kom, bekleed met bladeren, en wordt vaak in bomen gebouwd, met name in mangroves; nestplaatsen worden doorgaans jarenlang in hetzelfde gebied gebruikt. Soms is uitzonderlijk broeden op de grond onder bomen gemeld. Het legsel bestaat meestal uit twee dof witte tot blauwachtig-witte eieren; nestbouw en voedselvoorziening gebeuren door beide ouders, terwijl broeden vooral door het vrouwtje wordt uitgevoerd. De broedduur bedraagt ongeveer 26–27 dagen.
Australische grijze wouw
[LAT] *Elanus axillaris* |
[UK] Black-shouldered Kite |
[FR] Élanion à épaules noires |
[DE] Schwarzschulterweih |
[ES] Milano de hombros negros |
[NL] Australische grijze wouw


Status: LC (Least Concern). Door het zeer grote verspreidingsgebied en de grote populatie wordt de Australische grijze wouw wereldwijd niet als bedreigd beschouwd; de trend wordt als toenemend beschreven en de soort haalt geen drempels voor een hogere risicocategorie.
De Australische grijze wouw (Black-shouldered Kite) komt verspreid voor over vrijwel het hele Australische vasteland. De hoogste dichtheden liggen meestal in het zuiden en oosten, in de zuidwesthoek van West-Australië en in het verre noordwesten. In de diepe woestijn is de soort schaars en op noordelijk Tasmanië en de Torres Strait-eilanden betreft het vooral incidentele waarnemingen. In gematigde kustlaaglanden zijn populaties veelal standvogel, terwijl in andere regio’s zwervende, deels trekkende en soms invasieve bewegingen optreden, vaak gekoppeld aan pieken in prooiaanbod. In de semi-aride zone is aanwezigheid onregelmatig en langs de kust komt regelmatige overwintering voor.
Volwassen vogels zijn zeer licht grijs met een witte kop en witte onderzijde. Een opvallend kenmerk is de zwarte voorrand aan de binnenvleugel; zittend vormt dit de karakteristieke “zwarte schouders”. De lichaamslengte ligt rond 35–38 cm en de spanwijdte rond 80–95 cm.
De soort is vooral een vogel van open graslanden, al komt aanwezigheid ook voor in meer beboste landschappen. Grootschalige ontbossing ten behoeve van landbouw heeft in veel gebieden juist gunstige omstandigheden gecreëerd, mede door het ontstaan van uitgestrekte open jachtgebieden en grotere aantallen muizen.
Het voedsel bestaat vrijwel volledig uit muizen: muizen en vergelijkbare kleine zoogdieren vormen doorgaans meer dan 90% van het dieet. Aanvullend worden, wanneer beschikbaar, ook sprinkhanen, ratten, kleine reptielen, kleine vogels en zelden jonge konijnen genomen. De invloed op muizenpopulaties kan aanzienlijk zijn; meerdere muizen per dag per volwassen vogel is normaal bij voldoende aanbod, en er zijn waarnemingen van zeer hoge aanvoer naar nesten bij overvloed. Jagen gebeurt door laag boven graslanden te zoeken, soms vanaf een uitkijkpost (vaak een dode boom), maar vooral door opvallend vaardig “bidden” (stil hangen in de lucht) op ongeveer 10–30 meter hoogte. Na intensief speuren volgt een snelle verplaatsing naar een nieuwe plek of een vrijwel geruisloze duik met de poten eerst en de vleugels hoog opgeheven. Een groot deel van de aanvallen is succesvol; prooien worden in vlucht gegeten of naar een vaste zitplek gebracht.
De soort vormt doorgaans monogame paren en broedt meestal tussen augustus en januari. Balts omvat hoge cirkelvluchten en rituele voedseloverdracht in de lucht. Het legsel bestaat vaak uit drie tot vier eieren, met een broedduur van circa 30 dagen. Jongen vliegen na ongeveer vijf weken uit en kunnen kort daarna zelfstandig op muizen jagen. Jonge vogels zwerven na het uitvliegen vaak over grote afstanden.
De Australische grijze wouw (Black-shouldered Kite) komt verspreid voor over vrijwel het hele Australische vasteland. De hoogste dichtheden liggen meestal in het zuiden en oosten, in de zuidwesthoek van West-Australië en in het verre noordwesten. In de diepe woestijn is de soort schaars en op noordelijk Tasmanië en de Torres Strait-eilanden betreft het vooral incidentele waarnemingen. In gematigde kustlaaglanden zijn populaties veelal standvogel, terwijl in andere regio’s zwervende, deels trekkende en soms invasieve bewegingen optreden, vaak gekoppeld aan pieken in prooiaanbod. In de semi-aride zone is aanwezigheid onregelmatig en langs de kust komt regelmatige overwintering voor.
Volwassen vogels zijn zeer licht grijs met een witte kop en witte onderzijde. Een opvallend kenmerk is de zwarte voorrand aan de binnenvleugel; zittend vormt dit de karakteristieke “zwarte schouders”. De lichaamslengte ligt rond 35–38 cm en de spanwijdte rond 80–95 cm.
De soort is vooral een vogel van open graslanden, al komt aanwezigheid ook voor in meer beboste landschappen. Grootschalige ontbossing ten behoeve van landbouw heeft in veel gebieden juist gunstige omstandigheden gecreëerd, mede door het ontstaan van uitgestrekte open jachtgebieden en grotere aantallen muizen.
Het voedsel bestaat vrijwel volledig uit muizen: muizen en vergelijkbare kleine zoogdieren vormen doorgaans meer dan 90% van het dieet. Aanvullend worden, wanneer beschikbaar, ook sprinkhanen, ratten, kleine reptielen, kleine vogels en zelden jonge konijnen genomen. De invloed op muizenpopulaties kan aanzienlijk zijn; meerdere muizen per dag per volwassen vogel is normaal bij voldoende aanbod, en er zijn waarnemingen van zeer hoge aanvoer naar nesten bij overvloed. Jagen gebeurt door laag boven graslanden te zoeken, soms vanaf een uitkijkpost (vaak een dode boom), maar vooral door opvallend vaardig “bidden” (stil hangen in de lucht) op ongeveer 10–30 meter hoogte. Na intensief speuren volgt een snelle verplaatsing naar een nieuwe plek of een vrijwel geruisloze duik met de poten eerst en de vleugels hoog opgeheven. Een groot deel van de aanvallen is succesvol; prooien worden in vlucht gegeten of naar een vaste zitplek gebracht.
De soort vormt doorgaans monogame paren en broedt meestal tussen augustus en januari. Balts omvat hoge cirkelvluchten en rituele voedseloverdracht in de lucht. Het legsel bestaat vaak uit drie tot vier eieren, met een broedduur van circa 30 dagen. Jongen vliegen na ongeveer vijf weken uit en kunnen kort daarna zelfstandig op muizen jagen. Jonge vogels zwerven na het uitvliegen vaak over grote afstanden.
Slakkenwouw
[LAT] *Rostrhamus sociabilis* |
[UK] Snail Kite |
[FR] Milan des marais |
[DE] Schneckenweih |
[ES] Milano caracolero |
[NL] Slakkenwouw






Status: LC (Least Concern). Door het zeer grote verspreidingsgebied, de zeer grote populatie en een beschreven toenemende trend wordt de soort wereldwijd niet als bedreigd beschouwd.
De slakkenwouw komt voor van Zuid-Florida en het Caribisch gebied via Midden- en noordelijk Zuid-Amerika tot in noordoostelijk Argentinië. In het uiterste zuiden zijn populaties meer uitgesproken trekkend, terwijl elders vooral zwervende bewegingen voorkomen, vaak als reactie op droogte of het tijdelijk ongeschikt worden van foerageergebieden. Vanuit Zuid-Brazilië vindt verplaatsing doorgaans plaats rond april met terugkeer rond september; in sommige jaren verplaatsen groepen zich naar bijvoorbeeld de Pantanal en treden vervolgens weer zuidwaartse bewegingen op in losse zwermen. Grote afstanden tussen foerageer- en broedgebieden komen voor.
Een middelgrote roofvogel met een lichaamslengte van ongeveer 36–40 cm en een spanwijdte van circa 109–116 cm. Opvallend zijn de brede, “peddelvormige” vleugels en een recht afgesneden (vierkante) staart met een kenmerkende witte basis. Volwassen vogels hebben rode ogen; juvenielen hebben bruine ogen. De slanke, naar beneden gebogen snavel is sterk aangepast aan het uit slakkenhuizen trekken van prooien en is een belangrijk veldkenmerk. Er is duidelijk verschil tussen de seksen: volwassen mannetjes zijn egaal leigrijs, volwassen vrouwtjes bruin met roomkleurige strepen aan gezicht, keel en borst; een lichte wenkbrauwstreep en lichte kin/keel komen vaak voor. Vrouwtjes zijn gemiddeld iets groter. Onvolwassen vogels lijken op vrouwtjes maar zijn doorgaans warmer kaneelbruin met buffkleurige strepen. Poten en washuid variëren van geel tot oranje; bij volwassen mannetjes kan dit oranjerood worden in de broedtijd.
Het leefgebied bestaat uit zoetwatermoerassen en ondiepe, begroeide oevers van meren en plassen (natuurlijk en kunstmatig) waar appelslakken voorkomen. Geschikte foerageerplekken combineren lage moerasvegetatie (meestal <3 m) met ondiep open water (ongeveer 0,2–1,3 m), bij voorkeur relatief helder en rustig.
Het voedsel bestaat vrijwel geheel uit slakken, met name appelslakken. Jacht gebeurt op twee manieren: langzaam zoekvliegen laag boven het water (ongeveer 1,5–10 m) of vanaf een uitkijkpost. Tijdens het zoekvliegen wisselen trage vleugelslagen en glijvluchten elkaar af, vaak tegen de wind in met de kop omlaag gericht. Slakken worden met de poten gegrepen aan of net onder het wateroppervlak, tot ruwweg 16 cm diepte; duiken of “plonzen” in het water hoort daar niet bij en de snavel wordt niet gebruikt om de prooi te pakken. Prooien worden vaak in vlucht van poten naar snavel overgegeven en vervolgens op een zitplaats verwerkt, zoals rietstengels, lisdodde, takken of paaltjes. In sommige gebieden worden ook geïntroduceerde slakkensoorten benut; heel zelden worden kleine schildpadden, rivierkreeftjes of kleine vissen genomen.
Buiten de broedtijd worden vaak gezamenlijke slaapplaatsen gebruikt, geregeld samen met andere watervogels en aaseters. Broeden kan solitair, maar gebeurt vaak in losse, ongelijkmatige groepjes; jachtgebieden overlappen meestal en worden vaak niet streng verdedigd, al kan buiten de broedtijd soms wel enige verdediging van foerageerplekken optreden.
De broedcyclus start vaak met nestbouw door een mannetje, nog vóór het aantrekken van een partner. Het nest is een volumineuze, los geweven constructie van droge takjes en plantmateriaal, meestal met vers groen materiaal in de binnenkom als isolerende “cup”. Balts omvat opvallende vlucht- en zitplaatsdisplays, soms met een tak in de snavel en roepjes; ook voedseloverdracht (een slak) of het aanbieden van nestmateriaal komt voor. In Florida worden paarbanden meestal gevormd van eind november tot begin juni. Het legsel bestaat doorgaans uit drie eieren (variatie 1–5), vaak met een interval van ongeveer twee dagen tussen opeenvolgende eieren. De incubatie duurt ongeveer 24–30 dagen en wordt door beide ouders gedeeld, met variatie per nest. Het broedseizoen kan sterk verschuiven per jaar door regenval en waterstanden; de meeste broedpogingen starten tussen december en juli. Herleg na mislukking komt vaak voor en in jaren met veel voedsel kan opeenvolgende polygamie optreden (partnerverlating), waarbij de achterblijvende ouder het nesttraject kan afronden. Jongen worden gevoerd tijdens de nestperiode en na uitvliegen totdat zelfstandigheid rond 9–11 weken wordt bereikt; bij schaarste kunnen oudere jongen domineren in voedselopname. Tijdens het grootbrengen wordt meestal niet verder dan circa 6 km van het nest gefoerageerd en vaak veel dichterbij.
De slakkenwouw komt voor van Zuid-Florida en het Caribisch gebied via Midden- en noordelijk Zuid-Amerika tot in noordoostelijk Argentinië. In het uiterste zuiden zijn populaties meer uitgesproken trekkend, terwijl elders vooral zwervende bewegingen voorkomen, vaak als reactie op droogte of het tijdelijk ongeschikt worden van foerageergebieden. Vanuit Zuid-Brazilië vindt verplaatsing doorgaans plaats rond april met terugkeer rond september; in sommige jaren verplaatsen groepen zich naar bijvoorbeeld de Pantanal en treden vervolgens weer zuidwaartse bewegingen op in losse zwermen. Grote afstanden tussen foerageer- en broedgebieden komen voor.
Een middelgrote roofvogel met een lichaamslengte van ongeveer 36–40 cm en een spanwijdte van circa 109–116 cm. Opvallend zijn de brede, “peddelvormige” vleugels en een recht afgesneden (vierkante) staart met een kenmerkende witte basis. Volwassen vogels hebben rode ogen; juvenielen hebben bruine ogen. De slanke, naar beneden gebogen snavel is sterk aangepast aan het uit slakkenhuizen trekken van prooien en is een belangrijk veldkenmerk. Er is duidelijk verschil tussen de seksen: volwassen mannetjes zijn egaal leigrijs, volwassen vrouwtjes bruin met roomkleurige strepen aan gezicht, keel en borst; een lichte wenkbrauwstreep en lichte kin/keel komen vaak voor. Vrouwtjes zijn gemiddeld iets groter. Onvolwassen vogels lijken op vrouwtjes maar zijn doorgaans warmer kaneelbruin met buffkleurige strepen. Poten en washuid variëren van geel tot oranje; bij volwassen mannetjes kan dit oranjerood worden in de broedtijd.
Het leefgebied bestaat uit zoetwatermoerassen en ondiepe, begroeide oevers van meren en plassen (natuurlijk en kunstmatig) waar appelslakken voorkomen. Geschikte foerageerplekken combineren lage moerasvegetatie (meestal <3 m) met ondiep open water (ongeveer 0,2–1,3 m), bij voorkeur relatief helder en rustig.
Het voedsel bestaat vrijwel geheel uit slakken, met name appelslakken. Jacht gebeurt op twee manieren: langzaam zoekvliegen laag boven het water (ongeveer 1,5–10 m) of vanaf een uitkijkpost. Tijdens het zoekvliegen wisselen trage vleugelslagen en glijvluchten elkaar af, vaak tegen de wind in met de kop omlaag gericht. Slakken worden met de poten gegrepen aan of net onder het wateroppervlak, tot ruwweg 16 cm diepte; duiken of “plonzen” in het water hoort daar niet bij en de snavel wordt niet gebruikt om de prooi te pakken. Prooien worden vaak in vlucht van poten naar snavel overgegeven en vervolgens op een zitplaats verwerkt, zoals rietstengels, lisdodde, takken of paaltjes. In sommige gebieden worden ook geïntroduceerde slakkensoorten benut; heel zelden worden kleine schildpadden, rivierkreeftjes of kleine vissen genomen.
Buiten de broedtijd worden vaak gezamenlijke slaapplaatsen gebruikt, geregeld samen met andere watervogels en aaseters. Broeden kan solitair, maar gebeurt vaak in losse, ongelijkmatige groepjes; jachtgebieden overlappen meestal en worden vaak niet streng verdedigd, al kan buiten de broedtijd soms wel enige verdediging van foerageerplekken optreden.
De broedcyclus start vaak met nestbouw door een mannetje, nog vóór het aantrekken van een partner. Het nest is een volumineuze, los geweven constructie van droge takjes en plantmateriaal, meestal met vers groen materiaal in de binnenkom als isolerende “cup”. Balts omvat opvallende vlucht- en zitplaatsdisplays, soms met een tak in de snavel en roepjes; ook voedseloverdracht (een slak) of het aanbieden van nestmateriaal komt voor. In Florida worden paarbanden meestal gevormd van eind november tot begin juni. Het legsel bestaat doorgaans uit drie eieren (variatie 1–5), vaak met een interval van ongeveer twee dagen tussen opeenvolgende eieren. De incubatie duurt ongeveer 24–30 dagen en wordt door beide ouders gedeeld, met variatie per nest. Het broedseizoen kan sterk verschuiven per jaar door regenval en waterstanden; de meeste broedpogingen starten tussen december en juli. Herleg na mislukking komt vaak voor en in jaren met veel voedsel kan opeenvolgende polygamie optreden (partnerverlating), waarbij de achterblijvende ouder het nesttraject kan afronden. Jongen worden gevoerd tijdens de nestperiode en na uitvliegen totdat zelfstandigheid rond 9–11 weken wordt bereikt; bij schaarste kunnen oudere jongen domineren in voedselopname. Tijdens het grootbrengen wordt meestal niet verder dan circa 6 km van het nest gefoerageerd en vaak veel dichterbij.
Sperwer
[LAT] *Accipiter nisus* |
[UK] Eurasian Sparrowhawk |
[FR] Épervier d’Europe |
[DE] Sperber |
[ES] Gavilán común |
[NL] Sperwer


Status: LC (Least Concern). Door het zeer grote verspreidingsgebied en de zeer grote populatiegrootte, zonder aanwijzingen voor een daling die richting de IUCN-drempels gaat, wordt de soort wereldwijd niet als bedreigd beschouwd.
De sperwer komt wijdverspreid voor in Eurazië en Noord-Afrika en broedt in een brede gordel van warm-gematigde tot subtropische gebieden, van Ierland tot Japan en zuidwaarts tot het Middellandse-Zeegebied. In de noordelijkste delen van Europa en in het grootste deel van Azië is de soort trekvogel; in Centraal-Europa is sprake van gedeeltelijke trek, terwijl in het zuiden vooral stand- en zwerfgedrag overheerst. Het merendeel van de trek verloopt grofweg van noordoost naar zuidwest. Slechts een beperkt deel bereikt Afrika, al overwinteren sommige vogels in Noord-Afrika en sporadisch verder zuidelijk tot in oostelijk Afrika; de Siberische populatie overwintert in Zuid- en Zuidoost-Azië.
Qua formaat is de sperwer ongeveer te vergelijken met een torenvalk, met een relatief lange staart. De vleugels zijn korter en afgerond, waardoor in vlucht geen spitse punten zichtbaar zijn. Een kenmerkend vluchtbeeld is een ritme van enkele snelle vleugelslagen gevolgd door een korte glijvlucht (“flap-flap-glide”), zowel bij verplaatsen als bij jagen.
Het leefgebied bestaat in de broedtijd en winter vooral uit bos, met een duidelijke voorkeur voor naaldbos waar beschikbaar. In de winter komt de soort daarnaast geregeld voor in een kleinschalig landschap met landbouw, erven en zelfs tuinen, zolang dekking en geschikte jachtmogelijkheden aanwezig blijven.
Het voedsel bestaat vrijwel volledig uit vogels. Prooien variëren van kleine zangvogels zoals mussen en vinken tot grotere soorten ter grootte van (hout)duiven. Kleine zoogdieren worden soms genomen, maar vormen doorgaans een klein deel; vogels maken veruit het grootste aandeel van het menu uit (ruim >90%).
Het broedseizoen start doorgaans met eileg vanaf eind april of begin mei in noordwestelijk Europa, eerder in zuidelijk Europa en later in noordelijke gebieden. Een nest wordt meestal elk jaar opnieuw gebouwd, vaak laag tot midden in de kroon, in een vork dicht bij de stam of op een horizontale tak; naaldbomen worden vaak gekozen. Het nest is een losse takkenbouw met een diepe kom, tijdens de eileg verder afgewerkt met fijne twijgjes of schorssnippers. Het legsel telt meestal 4–6 eieren (variatie 3–7). De broedduur loopt grofweg op tot rond 39–42 dagen voor een compleet legsel, waarna de jongen na ongeveer 24–30 dagen uitvliegen; mannetjes vliegen gemiddeld iets eerder uit dan vrouwtjes.
De sperwer komt wijdverspreid voor in Eurazië en Noord-Afrika en broedt in een brede gordel van warm-gematigde tot subtropische gebieden, van Ierland tot Japan en zuidwaarts tot het Middellandse-Zeegebied. In de noordelijkste delen van Europa en in het grootste deel van Azië is de soort trekvogel; in Centraal-Europa is sprake van gedeeltelijke trek, terwijl in het zuiden vooral stand- en zwerfgedrag overheerst. Het merendeel van de trek verloopt grofweg van noordoost naar zuidwest. Slechts een beperkt deel bereikt Afrika, al overwinteren sommige vogels in Noord-Afrika en sporadisch verder zuidelijk tot in oostelijk Afrika; de Siberische populatie overwintert in Zuid- en Zuidoost-Azië.
Qua formaat is de sperwer ongeveer te vergelijken met een torenvalk, met een relatief lange staart. De vleugels zijn korter en afgerond, waardoor in vlucht geen spitse punten zichtbaar zijn. Een kenmerkend vluchtbeeld is een ritme van enkele snelle vleugelslagen gevolgd door een korte glijvlucht (“flap-flap-glide”), zowel bij verplaatsen als bij jagen.
Het leefgebied bestaat in de broedtijd en winter vooral uit bos, met een duidelijke voorkeur voor naaldbos waar beschikbaar. In de winter komt de soort daarnaast geregeld voor in een kleinschalig landschap met landbouw, erven en zelfs tuinen, zolang dekking en geschikte jachtmogelijkheden aanwezig blijven.
Het voedsel bestaat vrijwel volledig uit vogels. Prooien variëren van kleine zangvogels zoals mussen en vinken tot grotere soorten ter grootte van (hout)duiven. Kleine zoogdieren worden soms genomen, maar vormen doorgaans een klein deel; vogels maken veruit het grootste aandeel van het menu uit (ruim >90%).
Het broedseizoen start doorgaans met eileg vanaf eind april of begin mei in noordwestelijk Europa, eerder in zuidelijk Europa en later in noordelijke gebieden. Een nest wordt meestal elk jaar opnieuw gebouwd, vaak laag tot midden in de kroon, in een vork dicht bij de stam of op een horizontale tak; naaldbomen worden vaak gekozen. Het nest is een losse takkenbouw met een diepe kom, tijdens de eileg verder afgewerkt met fijne twijgjes of schorssnippers. Het legsel telt meestal 4–6 eieren (variatie 3–7). De broedduur loopt grofweg op tot rond 39–42 dagen voor een compleet legsel, waarna de jongen na ongeveer 24–30 dagen uitvliegen; mannetjes vliegen gemiddeld iets eerder uit dan vrouwtjes.
Grijskopsperwer
[LAT] *Accipiter novaehollandiae* |
[UK] Grey Goshawk |
[FR] Autour à dos gris |
[DE] Graurückensperber |
[ES] Azor gris |
[NL] Grijskopsperwer



Status: LC (Least Concern). Door het zeer grote verspreidingsgebied en een populatie die niet snel genoeg afneemt om de IUCN-drempels te benaderen, wordt de soort wereldwijd niet als bedreigd beschouwd.
De Grijskopsperwer komt voor in Australazië, vooral in Australië en Nieuw-Guinea. Overwegend standvogel, maar deels ook (lokaal) trekkend of invasief; verplaatsingen zijn beperkt bekend, met in ieder geval duidelijke dispersie van juvenielen uit broedgebieden.
Kenmerkend is een middelgrote, fijn gebouwde roofvogel met opvallend gele ogen. Bovenzijde en zijkant van de kop zijn leigrijs, met een duidelijke kastanjebruine halfkraag. Onderzijde toont fijne, licht roestkleurige bandering op een witte basis. De vleugels zijn kort en afgerond, de staart is lang en meestal recht afgesneden. Snavel is zwart met een lichtgele washuid; poten zijn lang en geel met zeer lange tenen, vooral de middelste teen. Beide geslachten lijken op elkaar, maar mannetjes zijn kleiner dan vrouwtjes.
Het leefgebied bestaat uit savanne, open bos en woodland, verstoord (half)open bos, secundaire begroeiing en bosranden. Rustplaatsen liggen vaak onopvallend binnen het bos. Ook in parken en tuinen met volwassen bomen in suburbane gebieden kan de soort onopgemerkt aanwezig zijn, met snelle verplaatsingen van boom naar boom en soms hoog cirkelend. Waarschijnlijk relatief algemener in drogere gebieden dan de bruine havik (Brown Goshawk), maar vaak gemakkelijk over het hoofd te zien. Meestal solitair, soms in paren.
Het voedsel bestaat in Australië vooral uit kleine vogels (met name zangvogels), aangevuld met hagedissen en insecten en zelden kleine zoogdieren. In Nieuw-Guinea worden naast kleine vogels ook vaker kleine zoogdieren en insecten genomen. Jacht gebeurt vanuit dekking (perch-hunting) met korte uitvallen, via korte vluchten van boom naar boom, of met laag, snel “kwarteren” en plotselinge achtervolgingen in een snelle, schietende vlucht.
Broeden gebeurt solitair. Het nest is een platform van takken, bekleed met groene bladeren, geplaatst in een vork van een levende boom op circa 4–39 meter hoogte. Het legsel telt meestal 3–4 eieren (variatie 2–5), wit en vaak ongevlekt of met enkele bruine vlekjes. De broedduur bedraagt ongeveer 35 dagen; de jongen verblijven circa 28–33 dagen op het nest en blijven na het uitvliegen nog ongeveer zes weken afhankelijk.
De Grijskopsperwer komt voor in Australazië, vooral in Australië en Nieuw-Guinea. Overwegend standvogel, maar deels ook (lokaal) trekkend of invasief; verplaatsingen zijn beperkt bekend, met in ieder geval duidelijke dispersie van juvenielen uit broedgebieden.
Kenmerkend is een middelgrote, fijn gebouwde roofvogel met opvallend gele ogen. Bovenzijde en zijkant van de kop zijn leigrijs, met een duidelijke kastanjebruine halfkraag. Onderzijde toont fijne, licht roestkleurige bandering op een witte basis. De vleugels zijn kort en afgerond, de staart is lang en meestal recht afgesneden. Snavel is zwart met een lichtgele washuid; poten zijn lang en geel met zeer lange tenen, vooral de middelste teen. Beide geslachten lijken op elkaar, maar mannetjes zijn kleiner dan vrouwtjes.
Het leefgebied bestaat uit savanne, open bos en woodland, verstoord (half)open bos, secundaire begroeiing en bosranden. Rustplaatsen liggen vaak onopvallend binnen het bos. Ook in parken en tuinen met volwassen bomen in suburbane gebieden kan de soort onopgemerkt aanwezig zijn, met snelle verplaatsingen van boom naar boom en soms hoog cirkelend. Waarschijnlijk relatief algemener in drogere gebieden dan de bruine havik (Brown Goshawk), maar vaak gemakkelijk over het hoofd te zien. Meestal solitair, soms in paren.
Het voedsel bestaat in Australië vooral uit kleine vogels (met name zangvogels), aangevuld met hagedissen en insecten en zelden kleine zoogdieren. In Nieuw-Guinea worden naast kleine vogels ook vaker kleine zoogdieren en insecten genomen. Jacht gebeurt vanuit dekking (perch-hunting) met korte uitvallen, via korte vluchten van boom naar boom, of met laag, snel “kwarteren” en plotselinge achtervolgingen in een snelle, schietende vlucht.
Broeden gebeurt solitair. Het nest is een platform van takken, bekleed met groene bladeren, geplaatst in een vork van een levende boom op circa 4–39 meter hoogte. Het legsel telt meestal 3–4 eieren (variatie 2–5), wit en vaak ongevlekt of met enkele bruine vlekjes. De broedduur bedraagt ongeveer 35 dagen; de jongen verblijven circa 28–33 dagen op het nest en blijven na het uitvliegen nog ongeveer zes weken afhankelijk.
Cooper’s sperwer
[LAT] *Accipiter cooperii* |
[UK] Cooper’s Hawk |
[FR] Épervier de Cooper |
[DE] Coopers Habicht |
[ES] Gavilán de Cooper |
[NL] Coopers sperwer



Status: LC (Least Concern). Door het zeer grote verspreidingsgebied en een populatie die niet snel genoeg afneemt om de IUCN-drempels te benaderen, wordt de Coopers Speerwer wereldwijd niet als bedreigd beschouwd.
Deze soort werd beschreven door Bonaparte in 1828 en komt voor in Noord- en Midden-Amerika, van zuidelijk Canada tot Honduras.
In het noordelijke deel van het verspreidingsgebied vindt doorgaans trek plaats, al blijven ook daar sommige vogels overwinteren. Elders overheerst standvogelgedrag, terwijl populaties in berggebieden soms naar lagere delen uitwijken. Najaarstrek loopt grofweg van eind augustus tot begin november, met een piek van half september tot half oktober; jonge vogels trekken vaak eerder dan oudere, en vrouwtjes meestal vóór mannetjes. Voorjaarstrek valt meestal tussen maart en mei, waarbij mannetjes gemiddeld eerder terugkeren dan vrouwtjes. Overwintering vindt vooral plaats in Mexico, maar reikt soms tot Costa Rica en zelden tot Colombia.
Het uiterlijk past bij een kortvleugelige, langstaartige havik die sterk lijkt op de Sharp-shinned Hawk, maar groter is. Bij glijvlucht steekt de kop duidelijk voorbij de “pols” van de vleugel. De staart is bij vrouwtjes opvallend rond aan de top, zelfs wanneer de staart gesloten is; bij mannetjes is dit minder uitgesproken. Juvenielen zijn bruin, met gestreepte borst en een lichtere buik, zonder de sterke witte wenkbrauwstreep die kenmerkend is voor de havik (Northern Goshawk).
Het leefgebied bestaat uit ouder bos, open bos, bosranden en rivierbossen. Broedplaatsen liggen in naald-, loof- en gemengde bossen, meestal met hoge bomen en open plekken of randhabitat in de buurt. Ook bomenrijen langs rivieren in open landschap worden benut, en steeds vaker ook suburbane en stedelijke gebieden met geschikte hoge bomen. In de winter kan de soort ook in opener terrein voorkomen, vooral in het westen.
Het voedsel bestaat vooral uit vogels en kleine zoogdieren. De jacht richt zich vaak op middelgrote vogels (zoals lijster-, gaai- en spechtachtige soorten), maar ook op kleinere en grotere vogels. Daarnaast worden onder meer chipmunks, (boom)eekhoorns, grondeekhoorns, muizen en vleermuizen gegeten; reptielen en insecten komen soms ook voor. De jachtstrategie is meestal “stealth hunting”: verplaatsen van zitpost naar zitpost in dekking, met luisteren en speuren, gevolgd door een korte explosieve achtervolging. Ook komt laag over de grond vliegen voor om prooi te verrassen. Achtervolgingen worden doorgaans snel afgebroken wanneer binnen ongeveer honderd meter geen vangst volgt; bij vleermuizen kan juist een zeer wendbare achtervolging plaatsvinden met hoge succespercentages.
Bij het broeden wordt de nestplaats vaak door het mannetje gekozen en wordt het grootste deel van de nestbouw uitgevoerd, terwijl een bestaand nest van het voorgaande jaar vaker door het vrouwtje wordt geselecteerd en hersteld. Het nest bestaat uit takken en wordt later bekleed met schors en soms groen materiaal; de bouw duurt vaak ongeveer twee weken, maar na verlies kan snel een nieuw nest worden opgebouwd. Nesten van paren liggen doorgaans ruim uit elkaar. Het legsel telt meestal vier tot vijf eieren (soms drie of zes), gelegd met tussenpozen van ongeveer één dag. Het broeden gebeurt hoofdzakelijk door het vrouwtje; het mannetje levert prooi aan. De uitkomst is asynchroon. Na het uitkomen blijft het vrouwtje in de eerste weken zeer intensief bij de jongen om te beschutten en te voeren, terwijl het mannetje vooral jaagt en prooi aanbrengt; later worden jongen geleidelijk zelfstandiger en verlaten ze het nest na ongeveer 30 dagen (mannetjes) tot circa 34 dagen (vrouwtjes). Ook na het uitvliegen blijft nog een periode voedseloverdracht en afhankelijkheid bestaan, waarna jachtvaardigheden zich in de daaropvolgende weken verder ontwikkelen.
Deze soort werd beschreven door Bonaparte in 1828 en komt voor in Noord- en Midden-Amerika, van zuidelijk Canada tot Honduras.
In het noordelijke deel van het verspreidingsgebied vindt doorgaans trek plaats, al blijven ook daar sommige vogels overwinteren. Elders overheerst standvogelgedrag, terwijl populaties in berggebieden soms naar lagere delen uitwijken. Najaarstrek loopt grofweg van eind augustus tot begin november, met een piek van half september tot half oktober; jonge vogels trekken vaak eerder dan oudere, en vrouwtjes meestal vóór mannetjes. Voorjaarstrek valt meestal tussen maart en mei, waarbij mannetjes gemiddeld eerder terugkeren dan vrouwtjes. Overwintering vindt vooral plaats in Mexico, maar reikt soms tot Costa Rica en zelden tot Colombia.
Het uiterlijk past bij een kortvleugelige, langstaartige havik die sterk lijkt op de Sharp-shinned Hawk, maar groter is. Bij glijvlucht steekt de kop duidelijk voorbij de “pols” van de vleugel. De staart is bij vrouwtjes opvallend rond aan de top, zelfs wanneer de staart gesloten is; bij mannetjes is dit minder uitgesproken. Juvenielen zijn bruin, met gestreepte borst en een lichtere buik, zonder de sterke witte wenkbrauwstreep die kenmerkend is voor de havik (Northern Goshawk).
Het leefgebied bestaat uit ouder bos, open bos, bosranden en rivierbossen. Broedplaatsen liggen in naald-, loof- en gemengde bossen, meestal met hoge bomen en open plekken of randhabitat in de buurt. Ook bomenrijen langs rivieren in open landschap worden benut, en steeds vaker ook suburbane en stedelijke gebieden met geschikte hoge bomen. In de winter kan de soort ook in opener terrein voorkomen, vooral in het westen.
Het voedsel bestaat vooral uit vogels en kleine zoogdieren. De jacht richt zich vaak op middelgrote vogels (zoals lijster-, gaai- en spechtachtige soorten), maar ook op kleinere en grotere vogels. Daarnaast worden onder meer chipmunks, (boom)eekhoorns, grondeekhoorns, muizen en vleermuizen gegeten; reptielen en insecten komen soms ook voor. De jachtstrategie is meestal “stealth hunting”: verplaatsen van zitpost naar zitpost in dekking, met luisteren en speuren, gevolgd door een korte explosieve achtervolging. Ook komt laag over de grond vliegen voor om prooi te verrassen. Achtervolgingen worden doorgaans snel afgebroken wanneer binnen ongeveer honderd meter geen vangst volgt; bij vleermuizen kan juist een zeer wendbare achtervolging plaatsvinden met hoge succespercentages.
Bij het broeden wordt de nestplaats vaak door het mannetje gekozen en wordt het grootste deel van de nestbouw uitgevoerd, terwijl een bestaand nest van het voorgaande jaar vaker door het vrouwtje wordt geselecteerd en hersteld. Het nest bestaat uit takken en wordt later bekleed met schors en soms groen materiaal; de bouw duurt vaak ongeveer twee weken, maar na verlies kan snel een nieuw nest worden opgebouwd. Nesten van paren liggen doorgaans ruim uit elkaar. Het legsel telt meestal vier tot vijf eieren (soms drie of zes), gelegd met tussenpozen van ongeveer één dag. Het broeden gebeurt hoofdzakelijk door het vrouwtje; het mannetje levert prooi aan. De uitkomst is asynchroon. Na het uitkomen blijft het vrouwtje in de eerste weken zeer intensief bij de jongen om te beschutten en te voeren, terwijl het mannetje vooral jaagt en prooi aanbrengt; later worden jongen geleidelijk zelfstandiger en verlaten ze het nest na ongeveer 30 dagen (mannetjes) tot circa 34 dagen (vrouwtjes). Ook na het uitvliegen blijft nog een periode voedseloverdracht en afhankelijkheid bestaan, waarna jachtvaardigheden zich in de daaropvolgende weken verder ontwikkelen.
Shikra
[LAT] *Accipiter badius* |
[UK] Shikra |
[FR] Épervier shikra |
[DE] Shikrasperber |
[ES] Gavilán shikra |
[NL] Shikra


Status: LC (Least Concern). Door het zeer grote verspreidingsgebied en een zeer grote populatie benadert de soort de IUCN-drempels voor Kwetsbaar niet; de populatietrend lijkt stabiel, waardoor de soort wereldwijd als niet bedreigd wordt beoordeeld.
De soort werd beschreven door Gmelin in 1788 en komt wijdverspreid voor in Afrika ten zuiden van de Sahara en in grote delen van Azië, met een broedgebied dat reikt van het zuiden van Rusland via Zuid-China tot Sri Lanka; daarnaast komt de soort ook in delen van Zuid-Europa voor.
Langs de Palearctische rand van het verspreidingsgebied treedt regelmatige wintertrek zuidwaarts op, met een deel van de vogels dat zuidwestwaarts naar Arabië trekt en veel vogels dat overwintert in Pakistan, India en Zuidoost-Azië. In grote delen van India en in Afrika overheerst standvogelgedrag, maar in meer loofverliezende of seizoensgebonden landschappen vinden verplaatsingen plaats tussen drogere en nattere savannes. In West-Afrika verplaatst de soort zich in het droge seizoen (ongeveer oktober–maart) zuidwaarts richting Guinea-bosland om te broeden, met een terugkeer noordwaarts in het regenseizoen; in Senegambia is aanwezigheid het hele jaar mogelijk, maar met hogere aantallen in de regentijd. In zeer droge gebieden, zoals delen van de Taru-woestijn en het aride Tsavo-gebied in Kenia, worden noordwaartse verplaatsingen in januari–maart gemeld. Zwervende exemplaren worden soms tot in Maleisië en Sumatra gezien.
Het uiterlijk varieert regionaal, met meerdere ondersoorten die vooral verschillen in tint, formaat en mate van rosse of kastanjebruine dwarsbandering. Kenmerkend is een compacte, stevig gebouwde kleine havik, kleiner dan de Europese sperwer maar groter dan de besra. Bij adulte vogels vallen een vrijwel egaal grijze staart in rust en een vrij regelmatige lichte kastanjebruine bandering van keel tot (onder)buik op; de relatief weinig opvallend getekende staart en de minder contrastrijke onderzijde helpen bij onderscheid van vergelijkbare sperwerachtigen. In Afrika kan verwarring optreden met andere kleine Accipiter-soorten en met Gabar-havik, maar ontbreken van een witte stuit en de bijna effen ogende staart zijn bruikbare aanwijzingen.
Voorkeur gaat uit naar savanne en cultuurlandschap met verspreide bomen; dichte bossen en zeer droge gebieden worden gemeden. In delen van Zuid- en Centraal-Azië, India, Myanmar en Zuid-China worden zowel natuurlijke savannes als landbouwgebieden en bebouwing benut, met lokaal hoge dichtheden; in Afrikaanse savannes kunnen territoria op korte afstand van elkaar liggen.
Het dieet bestaat vooral uit hagedissen, aangevuld met kleine vogels tot duifgrootte, kleine zoogdieren en grote insecten. Prooi wordt meestal op of nabij de grond gegrepen, maar soms ook in de lucht. Jachtgedrag bestaat vaak uit loeren vanuit dekking, bij voorkeur vanuit een bladerrijke boom, gevolgd door een korte, snelle uitval; daarbij kunnen ook muren, erven en zelfs gebouwen worden benut, en worden nestjongen van kleine vogels soms systematisch opgespoord. In struikgewas wordt geregeld een serie korte vluchten van boom naar boom gemaakt, laag boven de grond en met een golvende vlucht (enkele snelle vleugelslagen gevolgd door korte glijmomenten). Gebieden nabij water worden vaak gebruikt, zonder dat afhankelijkheid van water strikt is; in het oosten is de soort ook in de valkerij ingezet.
De balts bestaat uit een fladderende vlucht boven boomtoppen met veel roepen, soms met deelname van beide partners. Paring vindt plaats op een zitplaats en gaat gepaard met opvallend vocaal gedrag, dat na start van de nestbouw en na eileg afneemt. Het nest is klein en wordt jaarlijks opnieuw gebouwd, vaak in dezelfde omgeving, meestal 6–12 meter hoog op een zijtak en bekleed met groene bladeren; de bouw duurt ongeveer tien dagen en vindt vooral ’s ochtends plaats. Het legsel bestaat doorgaans uit 2–4 eieren, vaak groenwit tot licht blauwgroen en meestal ongetekend, al komen lichte vlekjes en vegen voor (in Afrika vaker dan in Azië). Broedtijd en legperiode variëren per regio; in het noorden vooral laat in het voorjaar, elders vaker in het droge seizoen. Het broeden gebeurt door het vrouwtje alleen en duurt circa 30–35 dagen; voedsel wordt door het mannetje aangevoerd en snel doorgegeven. In de nestfase brengen beide ouders prooi, maar in de vroege periode blijft het vrouwtje het meest bij de jongen en neemt het merendeel van de prooioverdrachten aan; uitvliegen volgt na iets meer dan 30 dagen.
De soort werd beschreven door Gmelin in 1788 en komt wijdverspreid voor in Afrika ten zuiden van de Sahara en in grote delen van Azië, met een broedgebied dat reikt van het zuiden van Rusland via Zuid-China tot Sri Lanka; daarnaast komt de soort ook in delen van Zuid-Europa voor.
Langs de Palearctische rand van het verspreidingsgebied treedt regelmatige wintertrek zuidwaarts op, met een deel van de vogels dat zuidwestwaarts naar Arabië trekt en veel vogels dat overwintert in Pakistan, India en Zuidoost-Azië. In grote delen van India en in Afrika overheerst standvogelgedrag, maar in meer loofverliezende of seizoensgebonden landschappen vinden verplaatsingen plaats tussen drogere en nattere savannes. In West-Afrika verplaatst de soort zich in het droge seizoen (ongeveer oktober–maart) zuidwaarts richting Guinea-bosland om te broeden, met een terugkeer noordwaarts in het regenseizoen; in Senegambia is aanwezigheid het hele jaar mogelijk, maar met hogere aantallen in de regentijd. In zeer droge gebieden, zoals delen van de Taru-woestijn en het aride Tsavo-gebied in Kenia, worden noordwaartse verplaatsingen in januari–maart gemeld. Zwervende exemplaren worden soms tot in Maleisië en Sumatra gezien.
Het uiterlijk varieert regionaal, met meerdere ondersoorten die vooral verschillen in tint, formaat en mate van rosse of kastanjebruine dwarsbandering. Kenmerkend is een compacte, stevig gebouwde kleine havik, kleiner dan de Europese sperwer maar groter dan de besra. Bij adulte vogels vallen een vrijwel egaal grijze staart in rust en een vrij regelmatige lichte kastanjebruine bandering van keel tot (onder)buik op; de relatief weinig opvallend getekende staart en de minder contrastrijke onderzijde helpen bij onderscheid van vergelijkbare sperwerachtigen. In Afrika kan verwarring optreden met andere kleine Accipiter-soorten en met Gabar-havik, maar ontbreken van een witte stuit en de bijna effen ogende staart zijn bruikbare aanwijzingen.
Voorkeur gaat uit naar savanne en cultuurlandschap met verspreide bomen; dichte bossen en zeer droge gebieden worden gemeden. In delen van Zuid- en Centraal-Azië, India, Myanmar en Zuid-China worden zowel natuurlijke savannes als landbouwgebieden en bebouwing benut, met lokaal hoge dichtheden; in Afrikaanse savannes kunnen territoria op korte afstand van elkaar liggen.
Het dieet bestaat vooral uit hagedissen, aangevuld met kleine vogels tot duifgrootte, kleine zoogdieren en grote insecten. Prooi wordt meestal op of nabij de grond gegrepen, maar soms ook in de lucht. Jachtgedrag bestaat vaak uit loeren vanuit dekking, bij voorkeur vanuit een bladerrijke boom, gevolgd door een korte, snelle uitval; daarbij kunnen ook muren, erven en zelfs gebouwen worden benut, en worden nestjongen van kleine vogels soms systematisch opgespoord. In struikgewas wordt geregeld een serie korte vluchten van boom naar boom gemaakt, laag boven de grond en met een golvende vlucht (enkele snelle vleugelslagen gevolgd door korte glijmomenten). Gebieden nabij water worden vaak gebruikt, zonder dat afhankelijkheid van water strikt is; in het oosten is de soort ook in de valkerij ingezet.
De balts bestaat uit een fladderende vlucht boven boomtoppen met veel roepen, soms met deelname van beide partners. Paring vindt plaats op een zitplaats en gaat gepaard met opvallend vocaal gedrag, dat na start van de nestbouw en na eileg afneemt. Het nest is klein en wordt jaarlijks opnieuw gebouwd, vaak in dezelfde omgeving, meestal 6–12 meter hoog op een zijtak en bekleed met groene bladeren; de bouw duurt ongeveer tien dagen en vindt vooral ’s ochtends plaats. Het legsel bestaat doorgaans uit 2–4 eieren, vaak groenwit tot licht blauwgroen en meestal ongetekend, al komen lichte vlekjes en vegen voor (in Afrika vaker dan in Azië). Broedtijd en legperiode variëren per regio; in het noorden vooral laat in het voorjaar, elders vaker in het droge seizoen. Het broeden gebeurt door het vrouwtje alleen en duurt circa 30–35 dagen; voedsel wordt door het mannetje aangevoerd en snel doorgegeven. In de nestfase brengen beide ouders prooi, maar in de vroege periode blijft het vrouwtje het meest bij de jongen en neemt het merendeel van de prooioverdrachten aan; uitvliegen volgt na iets meer dan 30 dagen.
Wespendief
[LAT] *Pernis apivorus* |
[UK] European Honey Buzzard |
[FR] Bondrée apivore |
[DE] Wespenbussard |
[ES] Abejero europeo |
[NL] Wespendief


Status: LC (Least Concern). Door het zeer grote verspreidingsgebied en de grote populatie benadert de Wespendief de IUCN-drempels voor Kwetsbaar niet; de populatietrend lijkt stabiel, waardoor de soort wereldwijd als niet bedreigd wordt beoordeeld.
De soort werd beschreven door Linnaeus in 1758 en broedt in West-Eurazië, van Zuidwest-Europa tot westelijk Siberië. Broeden vindt plaats in de meeste Europese landen, maar niet op IJsland en in Ierland; afwezig als broedvogel in Noord-Scandinavië en in het zuiden van Spanje.
Het jaarverloop wordt gedomineerd door trekgedrag: vrijwel een volledige zomergast in Europa, met overwintering vooral in bosrijk gebied in westelijk en centraal equatoriaal Afrika (van Guinea en Liberia oostwaarts tot onder meer de Centraal-Afrikaanse Republiek en Congo), met daarnaast kleinere aantallen in oostelijk en zuidelijk Afrika tot in Natal en Angola. Vertrek uit de broedgebieden valt vooral in half augustus tot begin september, met een groot deel van de adulte vogels doorgaans al tegen eind augustus onderweg; in Midden-Europa verdwijnen de meeste vogels uiterlijk eind september/begin oktober, terwijl enkele (waarschijnlijk juveniele) exemplaren tot eind oktober of zelfs november kunnen blijven. Terugkeer richting Midden-Europa begint vanaf half april, maar het merendeel arriveert pas in de tweede helft van mei; in Noord-Europa vaak eind mei tot begin juni.
Tijdens de trek wordt vooral gebruikgemaakt van zweefvlucht, maar langdurig vleugelslaan over grotere wateroppervlakken is mogelijk, waardoor de soort minder strikt aan smalle zee-oversteken gebonden is dan veel andere grote roofvogels. Toch ontstaan duidelijke concentraties op bekende knelpunten: veel West-Europese populaties (ook uit gebieden tot Zweden en Midden-Europa) passeren via de Straat van Gibraltar, met in het najaar een piek van eind augustus tot half september en in het voorjaar vooral eind april tot eind mei. Daarnaast trekken aanzienlijke aantallen via de centrale Middellandse Zee, onder meer over het Kanaal van Sicilië, met opvallende passage rond Malta, Sicilië en Kaap Bon (Tunesië). In het oosten wordt passage geconcentreerd waargenomen bij Bosporus en Zee van Marmara (hoofdzakelijk half augustus tot half september), terwijl vogels uit westelijke delen van het voormalige Sovjetgebied die deze route niet volgen vaak langs de oostrand van de Zwarte Zee trekken. Het grootste deel van de doortrek via het Midden-Oosten bereikt Afrika vermoedelijk via Sinaï en de Golf van Suez; in het voorjaar is de soort talrijk bij Eilat in zuidelijk Israël.
Het uiterlijk doet denken aan de buizerd, maar herkenning wordt ondersteund door een donkere, dubbele band nabij de basis van de staart, langere en smallere vleugels en een relatief langere hals, waardoor de kop wat duifachtig oogt. Op voorhoofd en lores bevinden zich kleine, dichte, schubachtige veertjes die bescherming geven bij het foerageren in wespennesten. Neusgaten zijn spleetvormig, wat helpt om verstopping met grond of was te beperken. De kop is klein, de ogen relatief kleiner dan bij actieve jagers, en de slanke snavel met licht gebogen bovensnavel en spitse punt is geschikt voor het hanteren van insectenprooi.
Het leefgebied bestaat vooral uit bosgebieden, zowel loof- als naaldbos, bij voorkeur met open plekken zoals kapvlakten, weilanden, ruigte en struweel. Deze structuur biedt zowel nestgelegenheid als foerageerplekken voor de belangrijkste prooien.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit wespen en daarnaast hommels; ondanks de naam wordt geen honing gegeten. In het begin van het broedseizoen worden ook kleine vogels, kleine zoogdieren en regenwormen benut als aanvulling, onder meer om een groeiend broed van voldoende voeding te voorzien.
Broeden start vermoedelijk vaak pas vanaf ongeveer driejarige leeftijd; jongere vogels kunnen zomers in Afrika blijven. Nesten zijn relatief klein en worden geregeld gebouwd op een basis van een oud kraaiennest. Legselgrootte ligt doorgaans rond 3–5 eieren in juni–juli; broeden duurt circa 30–35 dagen en vindt door beide ouders plaats. Het grootbrengen wordt eveneens door beide ouders verzorgd; uitvliegen volgt na ongeveer 40–44 dagen. Na het uitvliegen wordt nog korte tijd bijgevoerd, waarbij al kan voorkomen dat één ouder het broedgebied verlaat en richting Afrika trekt terwijl de jongen nog niet volledig zelfstandig zijn.
De soort werd beschreven door Linnaeus in 1758 en broedt in West-Eurazië, van Zuidwest-Europa tot westelijk Siberië. Broeden vindt plaats in de meeste Europese landen, maar niet op IJsland en in Ierland; afwezig als broedvogel in Noord-Scandinavië en in het zuiden van Spanje.
Het jaarverloop wordt gedomineerd door trekgedrag: vrijwel een volledige zomergast in Europa, met overwintering vooral in bosrijk gebied in westelijk en centraal equatoriaal Afrika (van Guinea en Liberia oostwaarts tot onder meer de Centraal-Afrikaanse Republiek en Congo), met daarnaast kleinere aantallen in oostelijk en zuidelijk Afrika tot in Natal en Angola. Vertrek uit de broedgebieden valt vooral in half augustus tot begin september, met een groot deel van de adulte vogels doorgaans al tegen eind augustus onderweg; in Midden-Europa verdwijnen de meeste vogels uiterlijk eind september/begin oktober, terwijl enkele (waarschijnlijk juveniele) exemplaren tot eind oktober of zelfs november kunnen blijven. Terugkeer richting Midden-Europa begint vanaf half april, maar het merendeel arriveert pas in de tweede helft van mei; in Noord-Europa vaak eind mei tot begin juni.
Tijdens de trek wordt vooral gebruikgemaakt van zweefvlucht, maar langdurig vleugelslaan over grotere wateroppervlakken is mogelijk, waardoor de soort minder strikt aan smalle zee-oversteken gebonden is dan veel andere grote roofvogels. Toch ontstaan duidelijke concentraties op bekende knelpunten: veel West-Europese populaties (ook uit gebieden tot Zweden en Midden-Europa) passeren via de Straat van Gibraltar, met in het najaar een piek van eind augustus tot half september en in het voorjaar vooral eind april tot eind mei. Daarnaast trekken aanzienlijke aantallen via de centrale Middellandse Zee, onder meer over het Kanaal van Sicilië, met opvallende passage rond Malta, Sicilië en Kaap Bon (Tunesië). In het oosten wordt passage geconcentreerd waargenomen bij Bosporus en Zee van Marmara (hoofdzakelijk half augustus tot half september), terwijl vogels uit westelijke delen van het voormalige Sovjetgebied die deze route niet volgen vaak langs de oostrand van de Zwarte Zee trekken. Het grootste deel van de doortrek via het Midden-Oosten bereikt Afrika vermoedelijk via Sinaï en de Golf van Suez; in het voorjaar is de soort talrijk bij Eilat in zuidelijk Israël.
Het uiterlijk doet denken aan de buizerd, maar herkenning wordt ondersteund door een donkere, dubbele band nabij de basis van de staart, langere en smallere vleugels en een relatief langere hals, waardoor de kop wat duifachtig oogt. Op voorhoofd en lores bevinden zich kleine, dichte, schubachtige veertjes die bescherming geven bij het foerageren in wespennesten. Neusgaten zijn spleetvormig, wat helpt om verstopping met grond of was te beperken. De kop is klein, de ogen relatief kleiner dan bij actieve jagers, en de slanke snavel met licht gebogen bovensnavel en spitse punt is geschikt voor het hanteren van insectenprooi.
Het leefgebied bestaat vooral uit bosgebieden, zowel loof- als naaldbos, bij voorkeur met open plekken zoals kapvlakten, weilanden, ruigte en struweel. Deze structuur biedt zowel nestgelegenheid als foerageerplekken voor de belangrijkste prooien.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit wespen en daarnaast hommels; ondanks de naam wordt geen honing gegeten. In het begin van het broedseizoen worden ook kleine vogels, kleine zoogdieren en regenwormen benut als aanvulling, onder meer om een groeiend broed van voldoende voeding te voorzien.
Broeden start vermoedelijk vaak pas vanaf ongeveer driejarige leeftijd; jongere vogels kunnen zomers in Afrika blijven. Nesten zijn relatief klein en worden geregeld gebouwd op een basis van een oud kraaiennest. Legselgrootte ligt doorgaans rond 3–5 eieren in juni–juli; broeden duurt circa 30–35 dagen en vindt door beide ouders plaats. Het grootbrengen wordt eveneens door beide ouders verzorgd; uitvliegen volgt na ongeveer 40–44 dagen. Na het uitvliegen wordt nog korte tijd bijgevoerd, waarbij al kan voorkomen dat één ouder het broedgebied verlaat en richting Afrika trekt terwijl de jongen nog niet volledig zelfstandig zijn.
Zeearend
[LAT] *Haliaeetus albicilla* |
[UK] White-tailed Eagle |
[FR] Pygargue à queue blanche |
[DE] Seeadler |
[ES] Pigargo europeo |
[NL] Zeearend









Status: LC (Least Concern). Door het zeer grote verspreidingsgebied en een populatie die als matig groot tot groot wordt beschouwd, benadert de Zeearend de IUCN-drempels voor Kwetsbaar niet; de trend wordt als toenemend beschreven, waardoor de soort wereldwijd als niet bedreigd wordt beoordeeld.
De soort werd beschreven door Linnaeus in 1758 en komt wijdverspreid voor in Eurazië. Het voorkomen en trekgedrag variëren sterk met breedtegraad en leeftijd: in Rusland ten noorden van circa 60° NB is sprake van vrijwel volledige trek, omdat zoetwater in de winter dichtvriest en watervogelprooi dan ontbreekt. In de rest van het westelijk Palearctisch gebied blijven de meeste adulte broedparen doorgaans het hele jaar in hetzelfde gebied, terwijl juveniele en onvolwassen vogels juist veel zwerven, vaak in zuidelijke tot zuidwestelijke richting. In winters met veel jonge vogels kan groepsvorming optreden; kleine aantallen bereiken onder meer Irak en Israël en delen van het noordelijk Middellandse-Zeegebied tot in Spanje, met incidentele dwaalgasten in Noord-Afrika.
Herkenning wordt bepaald door een grote, robuuste arend met een opvallende wigvormige staart. Een lichte kop en nek met een bleek buffe tint contrasteren minder scherp met de rest van het verenkleed dan bij de Amerikaanse zeearend; de snavel is geel en de staart is bij volwassen vogels wit. Vrouwtjes zijn gemiddeld groter. Juvenielen zijn donkerbruin tot zwartbruin met een donkere staart, donkere kop en donkere snavel en iris, vaak met witachtige markeringen bij de okselveren; het volwassen kleed ontstaat geleidelijk in 5–6 jaar, terwijl een volledig witte staart vaak pas rond het achtste kalenderjaar aanwezig is en een gele snavel meestal na 4–5 jaar verschijnt.
Historisch vond in de vorige eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw een sterke achteruitgang plaats met verdwijnen uit diverse regio’s; sinds circa 1970 namen westelijke populaties weer toe en konden herkolonisaties optreden, terwijl in delen van Midden-Europa en Griekenland afnames langer aanhielden. Bedreigingen die regionaal een rol speelden of spelen zijn vervolging, (acute) vergiftiging, nestvernieling en het verlies of de aantasting van wetlands, terwijl langdurige vervuiling met schadelijke stoffen in het verleden de voortplanting ernstig kon drukken. Het betreft een langlevende, traag reproducerende soort met hoge overleving van volwassen vogels; daardoor weegt een afname in adult-overleving doorgaans zwaarder door dan variatie in juvenielenoverleving, al kan jarenlang lage productiviteit uiteindelijk eveneens tot problemen leiden. Een levensduur van meer dan 35 jaar wordt genoemd.
De ecologie is sterk aan water gebonden, met voorkeur voor grote meren, brede rivieren en kustwateren, van laagland tot hoog in berggebieden (tot circa 5.000 m). Nesten liggen meestal in bomen nabij water, en in bergachtige streken ook op kliffen; binnen het enorme areaal varieert het broedbiotoop van boomloze mariene fjorden tot brakke, bosrijke kusten, taigameren en -rivieren en uiterwaarden met ooibos. Ondiep water met hoge productie en een voldoende prooibasis zijn cruciaal. In bosrijke gebieden zijn grote, volwassen bomen nodig om de zeer zware nesten te dragen; gevoeligheid voor verstoring rond het nest maakt rustige broedlocaties met weinig menselijke activiteit belangrijk, al is in sommige regio’s recent een zekere gewenning aan verstoring waargenomen. Grote trouw aan broedplaatsen is kenmerkend, waarbij territoria generaties lang bezet kunnen blijven; nestbouw in bomen levert enorme nesten op die jaar na jaar worden uitgebouwd en daarom robuuste nestbomen vereisen.
Het dieet bestaat vooral uit vis en watervogels (zoals eenden, meerkoeten, futen en meeuwen). Vis wordt meestal vlak onder of aan het wateroppervlak gegrepen, vooral in ondiep water; in het vroege zomerhalfjaar overheerst vis vaak, terwijl later in het seizoen en in herfst en winter het aandeel vogels kan toenemen afhankelijk van beschikbaarheid. Visvijvers kunnen lokaal belangrijke foerageerplekken zijn. Waar beschikbaar worden ook zoogdieren benut (bijvoorbeeld muskusrat). Prooien worden meestal op het water of op de grond gegrepen en zelden in de lucht. Aas speelt in de winter vaak een grote rol en kan in noordelijke populaties ook tijdens het broedseizoen belangrijk zijn. Kleptoparasitisme (voedseldiefstal) komt geregeld voor, onder meer richting visarend, meeuwen en aalscholvers; ondanks een wat minder wendbare bouw dan gespecialiseerde jagers blijft het een krachtige jager en viseter.
De eerste voortplanting start meestal rond de leeftijd van vijf jaar, met variatie naar vroeger of later. Territoriale paren blijven doorgaans levenslang aan hetzelfde territorium gebonden en leeggevallen, historische territoria worden bij herstel van populaties vaak als eerste weer bezet. Nestplaatsen bevinden zich in bomen, op klifrichels of lokaal op de grond (onder meer in Groenland, IJsland en Noorwegen), met zeldzame nestbouw op pylonen of torens. In taiga en subboreale bossen worden veel nesten in grove den gevonden, terwijl in Midden- en Zuid-Europa ook loofbomen veel worden gebruikt; nestlocaties liggen vaak hoog in de boomtop en binnen een territorium komen meestal twee of meer wisselnesten voor. Eileg varieert met breedtegraad en klimaat van eind januari in Zuid-Europa via midden februari rond de Oostzee tot eind maart/begin april in noordelijker, meer continentale gebieden; de meeste paren leggen binnen een periode van 3–4 weken. Een legsel telt meestal 1–3 eieren (zeer zelden 4), met een gemiddelde rond 2,1 dat in sommige noordelijke populaties lager kan liggen. De broedduur bedraagt circa 35–38 dagen en de nestperiode ongeveer 70–86 dagen; jongen groeien van circa 80–95 g bij uitkomen tot 4–6 kg bij uitvliegen, met de snelste gewichtstoename in de eerste vijf levensweken. Na het uitvliegen volgt doorgaans nog 1–2 maanden afhankelijkheid van voedsel, waarna uitzwerven meestal 2–3 maanden na uitvliegen plaatsvindt; in gezonde populaties ligt het aandeel paren dat jongen grootbrengt vaak rond 60–80%, met een gemiddelde broedgrootte van circa 1,6–1,8.
De soort werd beschreven door Linnaeus in 1758 en komt wijdverspreid voor in Eurazië. Het voorkomen en trekgedrag variëren sterk met breedtegraad en leeftijd: in Rusland ten noorden van circa 60° NB is sprake van vrijwel volledige trek, omdat zoetwater in de winter dichtvriest en watervogelprooi dan ontbreekt. In de rest van het westelijk Palearctisch gebied blijven de meeste adulte broedparen doorgaans het hele jaar in hetzelfde gebied, terwijl juveniele en onvolwassen vogels juist veel zwerven, vaak in zuidelijke tot zuidwestelijke richting. In winters met veel jonge vogels kan groepsvorming optreden; kleine aantallen bereiken onder meer Irak en Israël en delen van het noordelijk Middellandse-Zeegebied tot in Spanje, met incidentele dwaalgasten in Noord-Afrika.
Herkenning wordt bepaald door een grote, robuuste arend met een opvallende wigvormige staart. Een lichte kop en nek met een bleek buffe tint contrasteren minder scherp met de rest van het verenkleed dan bij de Amerikaanse zeearend; de snavel is geel en de staart is bij volwassen vogels wit. Vrouwtjes zijn gemiddeld groter. Juvenielen zijn donkerbruin tot zwartbruin met een donkere staart, donkere kop en donkere snavel en iris, vaak met witachtige markeringen bij de okselveren; het volwassen kleed ontstaat geleidelijk in 5–6 jaar, terwijl een volledig witte staart vaak pas rond het achtste kalenderjaar aanwezig is en een gele snavel meestal na 4–5 jaar verschijnt.
Historisch vond in de vorige eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw een sterke achteruitgang plaats met verdwijnen uit diverse regio’s; sinds circa 1970 namen westelijke populaties weer toe en konden herkolonisaties optreden, terwijl in delen van Midden-Europa en Griekenland afnames langer aanhielden. Bedreigingen die regionaal een rol speelden of spelen zijn vervolging, (acute) vergiftiging, nestvernieling en het verlies of de aantasting van wetlands, terwijl langdurige vervuiling met schadelijke stoffen in het verleden de voortplanting ernstig kon drukken. Het betreft een langlevende, traag reproducerende soort met hoge overleving van volwassen vogels; daardoor weegt een afname in adult-overleving doorgaans zwaarder door dan variatie in juvenielenoverleving, al kan jarenlang lage productiviteit uiteindelijk eveneens tot problemen leiden. Een levensduur van meer dan 35 jaar wordt genoemd.
De ecologie is sterk aan water gebonden, met voorkeur voor grote meren, brede rivieren en kustwateren, van laagland tot hoog in berggebieden (tot circa 5.000 m). Nesten liggen meestal in bomen nabij water, en in bergachtige streken ook op kliffen; binnen het enorme areaal varieert het broedbiotoop van boomloze mariene fjorden tot brakke, bosrijke kusten, taigameren en -rivieren en uiterwaarden met ooibos. Ondiep water met hoge productie en een voldoende prooibasis zijn cruciaal. In bosrijke gebieden zijn grote, volwassen bomen nodig om de zeer zware nesten te dragen; gevoeligheid voor verstoring rond het nest maakt rustige broedlocaties met weinig menselijke activiteit belangrijk, al is in sommige regio’s recent een zekere gewenning aan verstoring waargenomen. Grote trouw aan broedplaatsen is kenmerkend, waarbij territoria generaties lang bezet kunnen blijven; nestbouw in bomen levert enorme nesten op die jaar na jaar worden uitgebouwd en daarom robuuste nestbomen vereisen.
Het dieet bestaat vooral uit vis en watervogels (zoals eenden, meerkoeten, futen en meeuwen). Vis wordt meestal vlak onder of aan het wateroppervlak gegrepen, vooral in ondiep water; in het vroege zomerhalfjaar overheerst vis vaak, terwijl later in het seizoen en in herfst en winter het aandeel vogels kan toenemen afhankelijk van beschikbaarheid. Visvijvers kunnen lokaal belangrijke foerageerplekken zijn. Waar beschikbaar worden ook zoogdieren benut (bijvoorbeeld muskusrat). Prooien worden meestal op het water of op de grond gegrepen en zelden in de lucht. Aas speelt in de winter vaak een grote rol en kan in noordelijke populaties ook tijdens het broedseizoen belangrijk zijn. Kleptoparasitisme (voedseldiefstal) komt geregeld voor, onder meer richting visarend, meeuwen en aalscholvers; ondanks een wat minder wendbare bouw dan gespecialiseerde jagers blijft het een krachtige jager en viseter.
De eerste voortplanting start meestal rond de leeftijd van vijf jaar, met variatie naar vroeger of later. Territoriale paren blijven doorgaans levenslang aan hetzelfde territorium gebonden en leeggevallen, historische territoria worden bij herstel van populaties vaak als eerste weer bezet. Nestplaatsen bevinden zich in bomen, op klifrichels of lokaal op de grond (onder meer in Groenland, IJsland en Noorwegen), met zeldzame nestbouw op pylonen of torens. In taiga en subboreale bossen worden veel nesten in grove den gevonden, terwijl in Midden- en Zuid-Europa ook loofbomen veel worden gebruikt; nestlocaties liggen vaak hoog in de boomtop en binnen een territorium komen meestal twee of meer wisselnesten voor. Eileg varieert met breedtegraad en klimaat van eind januari in Zuid-Europa via midden februari rond de Oostzee tot eind maart/begin april in noordelijker, meer continentale gebieden; de meeste paren leggen binnen een periode van 3–4 weken. Een legsel telt meestal 1–3 eieren (zeer zelden 4), met een gemiddelde rond 2,1 dat in sommige noordelijke populaties lager kan liggen. De broedduur bedraagt circa 35–38 dagen en de nestperiode ongeveer 70–86 dagen; jongen groeien van circa 80–95 g bij uitkomen tot 4–6 kg bij uitvliegen, met de snelste gewichtstoename in de eerste vijf levensweken. Na het uitvliegen volgt doorgaans nog 1–2 maanden afhankelijkheid van voedsel, waarna uitzwerven meestal 2–3 maanden na uitvliegen plaatsvindt; in gezonde populaties ligt het aandeel paren dat jongen grootbrengt vaak rond 60–80%, met een gemiddelde broedgrootte van circa 1,6–1,8.
Witbuikzeearend
[LAT] *Icthyophaga leucogaster* |
[UK] White-bellied Sea Eagle |
[FR] Pygargue blagre |
[DE] Weißbauchseeadler |
[ES] Pigargo de vientre blanco |
[NL] Witbuikzeearend





Status: LC (Least Concern). Door het zeer grote verspreidingsgebied benadert de soort de IUCN-drempels voor Kwetsbaar niet; hoewel een afnemende trend wordt genoemd, is die afname volgens de beoordeling niet snel genoeg om als bedreigd te gelden. De populatie kan lokaal klein zijn, maar blijft buiten de drempelwaarden voor een wereldwijde bedreigingscategorie.
De soort werd beschreven door Gmelin in 1788 en komt voor van de kusten van India en Sri Lanka oostwaarts tot Zuid-China en zuidwaarts tot Australië en Tasmanië, inclusief Nieuw-Guinea en de Bismarck-archipel. Het gaat overwegend om een standvogel; jonge vogels zwerven doorgaans uit na het broedseizoen.
Het verenkleed is vooral contrastrijk wit en zwart (donkergrijs): kop en onderzijde zijn wit, evenals de voorrand van de vleugels, terwijl rug en het achterste deel van de vleugels donker zijn. De staart is wigvormig en overwegend donkergrijs met een lichte punt. Vrouwtjes zijn gemiddeld iets groter dan mannetjes. De haaksnavel is donker en de poten zijn roomkleurig; lange zwarte klauwen met fijne “grip” aan de voetzolen helpen bij het vasthouden van gladde prooien zoals vis. De roep wordt vaak als luid en diep, gans-achtig getoeter beschreven. Juvenielen zijn gevlekt bruin.
Waarnemingen zijn het meest typisch langs zeekusten van Zuid-Azië en op eilanden, en langs de kust van Australië, maar het voorkomen reikt ook stroomopwaarts langs grote rivieren en waterwegen. In open landschap wordt vaak verder landinwaarts langs rivieren gegaan dan in dicht bos; op Borneo wordt bijvoorbeeld circa 15 km genoemd.
Als opportunistische vleeseter wordt een breed spectrum aan prooi benut, inclusief aas. Vissen worden vaak gegrepen door laag over het water te vliegen en de prooi met de poten te pakken; bij de “slag” worden de poten ver naar voren gebracht en volgt een achterwaartse grijpbeweging terwijl vleugelslagen helpen om direct weer hoogte te winnen. Meestal grijpt één poot de prooi. Jacht op aquatische dieren domineert (vis, schildpadden, zeeslangen), maar ook vogels (onder meer pinguïns, meerkoeten en pijlstormvogels) en zoogdieren kunnen worden genomen; uit de Bismarck-archipel zijn ook meldingen van predatie op twee koeskoes-soorten. Prooien tot het formaat van een zwaan kunnen worden aangevallen. Aas langs de waterlijn wordt benut en voedsel wordt soms uit netten of bij landbouwactiviteiten meegenomen. Kleptoparasitisme komt geregeld voor: kleinere roofvogels zoals moeraskiekendieven, fluitwouwen, brahmaanse wouwen en visarenden worden lastiggevallen totdat buit wordt losgelaten; ook meeuwen, aalscholvers en jan-van-genten kunnen doelwit zijn. Voedselroof kan zelfs binnen de eigen soort voorkomen. Jacht en voedselopname vinden plaats alleen, in paren of in familiegroepen; samenwerking bij de jacht kan voorkomen. Prooi wordt in de vlucht gegeten of op een verhoogde rustplek, waaronder het nest. Bij voedselverwerking worden huid en zachte delen efficiënt benut, waarna slechts kleine braakballen met bot-, vacht- en veerresten worden uitgebraakt.
Nesten liggen hoog in bomen of soms op rotsen en vormen grote, stevige constructies die door beide partners worden opgebouwd. Er worden meestal twee eieren gelegd, soms drie. Het broeden gebeurt hoofdzakelijk door het vrouwtje, met aflossing door het mannetje, gedurende ongeveer 50 dagen. De nestperiode tot uitvliegen duurt grofweg 65–70 dagen; twee jongen kunnen geregeld succesvol groot worden. Volledige zelfstandigheid volgt vaak pas maanden later, rond circa een half jaar na het uitvliegen.
De soort werd beschreven door Gmelin in 1788 en komt voor van de kusten van India en Sri Lanka oostwaarts tot Zuid-China en zuidwaarts tot Australië en Tasmanië, inclusief Nieuw-Guinea en de Bismarck-archipel. Het gaat overwegend om een standvogel; jonge vogels zwerven doorgaans uit na het broedseizoen.
Het verenkleed is vooral contrastrijk wit en zwart (donkergrijs): kop en onderzijde zijn wit, evenals de voorrand van de vleugels, terwijl rug en het achterste deel van de vleugels donker zijn. De staart is wigvormig en overwegend donkergrijs met een lichte punt. Vrouwtjes zijn gemiddeld iets groter dan mannetjes. De haaksnavel is donker en de poten zijn roomkleurig; lange zwarte klauwen met fijne “grip” aan de voetzolen helpen bij het vasthouden van gladde prooien zoals vis. De roep wordt vaak als luid en diep, gans-achtig getoeter beschreven. Juvenielen zijn gevlekt bruin.
Waarnemingen zijn het meest typisch langs zeekusten van Zuid-Azië en op eilanden, en langs de kust van Australië, maar het voorkomen reikt ook stroomopwaarts langs grote rivieren en waterwegen. In open landschap wordt vaak verder landinwaarts langs rivieren gegaan dan in dicht bos; op Borneo wordt bijvoorbeeld circa 15 km genoemd.
Als opportunistische vleeseter wordt een breed spectrum aan prooi benut, inclusief aas. Vissen worden vaak gegrepen door laag over het water te vliegen en de prooi met de poten te pakken; bij de “slag” worden de poten ver naar voren gebracht en volgt een achterwaartse grijpbeweging terwijl vleugelslagen helpen om direct weer hoogte te winnen. Meestal grijpt één poot de prooi. Jacht op aquatische dieren domineert (vis, schildpadden, zeeslangen), maar ook vogels (onder meer pinguïns, meerkoeten en pijlstormvogels) en zoogdieren kunnen worden genomen; uit de Bismarck-archipel zijn ook meldingen van predatie op twee koeskoes-soorten. Prooien tot het formaat van een zwaan kunnen worden aangevallen. Aas langs de waterlijn wordt benut en voedsel wordt soms uit netten of bij landbouwactiviteiten meegenomen. Kleptoparasitisme komt geregeld voor: kleinere roofvogels zoals moeraskiekendieven, fluitwouwen, brahmaanse wouwen en visarenden worden lastiggevallen totdat buit wordt losgelaten; ook meeuwen, aalscholvers en jan-van-genten kunnen doelwit zijn. Voedselroof kan zelfs binnen de eigen soort voorkomen. Jacht en voedselopname vinden plaats alleen, in paren of in familiegroepen; samenwerking bij de jacht kan voorkomen. Prooi wordt in de vlucht gegeten of op een verhoogde rustplek, waaronder het nest. Bij voedselverwerking worden huid en zachte delen efficiënt benut, waarna slechts kleine braakballen met bot-, vacht- en veerresten worden uitgebraakt.
Nesten liggen hoog in bomen of soms op rotsen en vormen grote, stevige constructies die door beide partners worden opgebouwd. Er worden meestal twee eieren gelegd, soms drie. Het broeden gebeurt hoofdzakelijk door het vrouwtje, met aflossing door het mannetje, gedurende ongeveer 50 dagen. De nestperiode tot uitvliegen duurt grofweg 65–70 dagen; twee jongen kunnen geregeld succesvol groot worden. Volledige zelfstandigheid volgt vaak pas maanden later, rond circa een half jaar na het uitvliegen.
Stellers zeearend
[LAT] *Haliaeetus pelagicus* |
[UK] Steller’s Sea Eagle |
[FR] Pygargue de Steller |
[DE] Riesenseeadler |
[ES] Pigargo de Steller |
[NL] Stellers zeearend


Status: VU (Kwetsbaar). Een kleine en afnemende populatie, vooral door achteruitgang van leefgebied, vervuiling, loodvergiftiging door hagel/munitie en overbevissing, leidt tot de classificatie Kwetsbaar.
Stellers zeearend (Pallas, 1811) broedt in het noordoosten van Eurazië, met kerngebieden op het schiereiland Kamtsjatka, langs de kust rond de Zee van Ochotsk, in de benedenloop van de Amoer (zuidwaarts tot de Gorin) en op noordelijk Sachalin en de Sjantar-eilanden (Rusland). In de winter verblijft een deel in Kamtsjatka en aan de Ochotskkust, maar een groot deel overwintert zuidelijker op de Koerilen en op Hokkaido (Japan); daarnaast zijn er kleinere aantallen in noordoostelijk China, Noord-Korea en Zuid-Korea. De totale populatie wordt vaak rond circa 5.000 vogels geschat en neemt af.
Een deel van de Kamtsjatka-populatie blijft op het schiereiland en verplaatst vooral naar zuidelijkere delen. Buiten het broedgebied liggen belangrijke overwinteringsgebieden in zuidelijk Primorje, op Sachalin en de Koerilen, en vooral op Hokkaido (met nadruk op de oostkust). Trekbewegingen kunnen groot zijn; satellietvolging liet bij een jonge vogel zien dat na het uitvliegen nog weken nabij het nestgebied werd verbleven, gevolgd door een verplaatsing van ruim 1.300 km via de Koerilen naar het gebied noordoostelijk van Hokkaido.
Het betreft een van de grote zee- en viseenden van het geslacht Haliaeetus: zeer grote arenden met krachtige snavel en poten, relatief korte onbebroede tarsi en bij volwassen vogels vaak contrastrijke kleuren. Volwassen Stellers zeearenden vallen op door enorme afmetingen, donkerbruin tot zwart verenkleed met opvallend wit op staart, schouders, dijen, voorhoofd en vaak ook de kruin, plus wit op stuit, boven- en onderstaartdekveren en ondervleugeldekveren. De snavel is zeer diep, sterk gekromd en geel; ogen, washuid en poten zijn eveneens geel. De staart is wigvormig. Geslachten lijken op elkaar, met duidelijk grotere vrouwtjes (tot ca. 9 kg) dan mannetjes (tot ca. 6 kg). Jonge vogels zijn eerst zijdeachtig wit, later rookbruin-grijs en daarna in juveniel kleed overwegend donkerbruin met lichte vlekken en witte veerbases; iris donkerbruin, poten lichter, snavel donker. Naarmate het kleed veroudert neemt staartmotteling af en worden oog en snavel geleidelijk lichter; volledig adult kleed wordt vermoedelijk rond het vijfde kalenderjaar bereikt. Jonge en onvolwassen kleden kunnen sterk lijken op die van zeearend (Haliaeetus albicilla), waarmee het broedgebied overlapt.
Belangrijke bedreigingen in Rusland hangen samen met aantasting en versnippering van leefgebied (onder meer door hydro-elektrische projecten), grote kust- en offshore-ontwikkelingen voor petrochemie en houtkap. Industriële riviervervuiling en hoge niveaus van persistente pesticiden en industriële stoffen (zoals DDT/DDE en PCB’s) worden eveneens genoemd. Overbevissing vermindert visbestanden in Rusland en Japan; op Hokkaido leidt dit tot meer landinwaartse aasconsumptie op karkassen van sikaherten, waarbij risico op loodvergiftiging ontstaat door inslikken van loodhagel of -fragmenten.
Leefgebied bestaat uit zeekusten en grotere binnenwateren langs rivieren en meren met volwassen boomopstanden voor nestgelegenheid. In de herfst wordt vaak langs rivieren gefoerageerd waar dode zalm massaal beschikbaar is. In hartje winter blijven overwinteraars in Rusland vaker kustgebonden, terwijl op Hokkaido veel vogels bij water blijven, maar een aanzienlijk deel uitwijkt naar berggebieden om van karkassen te profiteren.
Het menu bestaat vooral uit zalmachtigen (Salmonidae), levend én dood; verspreiding en seizoenspatroon volgen in sterke mate de beschikbaarheid van zalmtrek en -sterfte. In zomer en vroege herfst liggen foerageergebieden bij rivieren, meren en kustzones met zalmruns; groepsgewijs eten kan dan zeer uitgesproken zijn, met lokale concentraties die in uitzonderlijke gevallen tot honderden vogels kunnen oplopen. Naast zalm worden ook vogels en zoogdieren genomen (regionaal bijvoorbeeld eenden, meeuwen en kleinere zoogdieren), en langs kusten ook ongewervelden en aas (bijvoorbeeld aangespoelde zeeorganismen en karkassen). Drie hoofdjachtwijzen worden beschreven: vanaf een uitkijkpost duikend toeslaan, al cirkelend boven water duiken, of staand in ondiep water passerende vis grijpen. Voedselroof (kleptoparasitisme) komt vaak voor in groepen, vooral bij overvloed. In gebieden met intensieve visserij kan “bijvangst” of losschietende vis in het water extra voedsel beschikbaar maken, waardoor in sommige winters grote aantallen arenden samenkomen.
De broedtijd varieert per regio en hangt samen met klimaat en voedsel. Op Kamtsjatka begint verplaatsing richting broedgebied al eind februari, met nestbouw in late februari en maart; eileg start vaak midden april en kan tot eind mei doorlopen. Legsels bestaan uit 1–3 eieren, meestal 2; broeden begint waarschijnlijk bij het eerste ei, waardoor kuikens ongelijk uitkomen (uitkomst grofweg van midden mei tot midden juni). Uitvliegen vindt meestal plaats in augustus of begin september.
Nesten liggen dicht bij riviermondingen, in rivierdalzones, langs zeekusten of bij meren; in kustgebieden krijgen rotsige kusten, beboste rivierdalzones, baaien en inhammen vaak de voorkeur. In het binnenland komen nestplaatsen vooral in rivierdalzones en bij meren voor. Nesten staan meestal in grote, volwassen bomen (regionaal vaak populier, berk of lariks) en soms op kliffen, doorgaans hoog in de topzone van een stevige boom; omvangrijke nesten kunnen tot circa 2 meter diameter bereiken en worden vaak meerdere jaren gebruikt, met soms alternatieve nesten binnen ongeveer 900 meter. Broedsucces wordt als laag beschreven, met een groot aandeel eieren dat niet tot uitgevlogen jongen leidt en extra verliezen door predatie (zoals marterachtigen) en instortende nesten.
Stellers zeearend (Pallas, 1811) broedt in het noordoosten van Eurazië, met kerngebieden op het schiereiland Kamtsjatka, langs de kust rond de Zee van Ochotsk, in de benedenloop van de Amoer (zuidwaarts tot de Gorin) en op noordelijk Sachalin en de Sjantar-eilanden (Rusland). In de winter verblijft een deel in Kamtsjatka en aan de Ochotskkust, maar een groot deel overwintert zuidelijker op de Koerilen en op Hokkaido (Japan); daarnaast zijn er kleinere aantallen in noordoostelijk China, Noord-Korea en Zuid-Korea. De totale populatie wordt vaak rond circa 5.000 vogels geschat en neemt af.
Een deel van de Kamtsjatka-populatie blijft op het schiereiland en verplaatst vooral naar zuidelijkere delen. Buiten het broedgebied liggen belangrijke overwinteringsgebieden in zuidelijk Primorje, op Sachalin en de Koerilen, en vooral op Hokkaido (met nadruk op de oostkust). Trekbewegingen kunnen groot zijn; satellietvolging liet bij een jonge vogel zien dat na het uitvliegen nog weken nabij het nestgebied werd verbleven, gevolgd door een verplaatsing van ruim 1.300 km via de Koerilen naar het gebied noordoostelijk van Hokkaido.
Het betreft een van de grote zee- en viseenden van het geslacht Haliaeetus: zeer grote arenden met krachtige snavel en poten, relatief korte onbebroede tarsi en bij volwassen vogels vaak contrastrijke kleuren. Volwassen Stellers zeearenden vallen op door enorme afmetingen, donkerbruin tot zwart verenkleed met opvallend wit op staart, schouders, dijen, voorhoofd en vaak ook de kruin, plus wit op stuit, boven- en onderstaartdekveren en ondervleugeldekveren. De snavel is zeer diep, sterk gekromd en geel; ogen, washuid en poten zijn eveneens geel. De staart is wigvormig. Geslachten lijken op elkaar, met duidelijk grotere vrouwtjes (tot ca. 9 kg) dan mannetjes (tot ca. 6 kg). Jonge vogels zijn eerst zijdeachtig wit, later rookbruin-grijs en daarna in juveniel kleed overwegend donkerbruin met lichte vlekken en witte veerbases; iris donkerbruin, poten lichter, snavel donker. Naarmate het kleed veroudert neemt staartmotteling af en worden oog en snavel geleidelijk lichter; volledig adult kleed wordt vermoedelijk rond het vijfde kalenderjaar bereikt. Jonge en onvolwassen kleden kunnen sterk lijken op die van zeearend (Haliaeetus albicilla), waarmee het broedgebied overlapt.
Belangrijke bedreigingen in Rusland hangen samen met aantasting en versnippering van leefgebied (onder meer door hydro-elektrische projecten), grote kust- en offshore-ontwikkelingen voor petrochemie en houtkap. Industriële riviervervuiling en hoge niveaus van persistente pesticiden en industriële stoffen (zoals DDT/DDE en PCB’s) worden eveneens genoemd. Overbevissing vermindert visbestanden in Rusland en Japan; op Hokkaido leidt dit tot meer landinwaartse aasconsumptie op karkassen van sikaherten, waarbij risico op loodvergiftiging ontstaat door inslikken van loodhagel of -fragmenten.
Leefgebied bestaat uit zeekusten en grotere binnenwateren langs rivieren en meren met volwassen boomopstanden voor nestgelegenheid. In de herfst wordt vaak langs rivieren gefoerageerd waar dode zalm massaal beschikbaar is. In hartje winter blijven overwinteraars in Rusland vaker kustgebonden, terwijl op Hokkaido veel vogels bij water blijven, maar een aanzienlijk deel uitwijkt naar berggebieden om van karkassen te profiteren.
Het menu bestaat vooral uit zalmachtigen (Salmonidae), levend én dood; verspreiding en seizoenspatroon volgen in sterke mate de beschikbaarheid van zalmtrek en -sterfte. In zomer en vroege herfst liggen foerageergebieden bij rivieren, meren en kustzones met zalmruns; groepsgewijs eten kan dan zeer uitgesproken zijn, met lokale concentraties die in uitzonderlijke gevallen tot honderden vogels kunnen oplopen. Naast zalm worden ook vogels en zoogdieren genomen (regionaal bijvoorbeeld eenden, meeuwen en kleinere zoogdieren), en langs kusten ook ongewervelden en aas (bijvoorbeeld aangespoelde zeeorganismen en karkassen). Drie hoofdjachtwijzen worden beschreven: vanaf een uitkijkpost duikend toeslaan, al cirkelend boven water duiken, of staand in ondiep water passerende vis grijpen. Voedselroof (kleptoparasitisme) komt vaak voor in groepen, vooral bij overvloed. In gebieden met intensieve visserij kan “bijvangst” of losschietende vis in het water extra voedsel beschikbaar maken, waardoor in sommige winters grote aantallen arenden samenkomen.
De broedtijd varieert per regio en hangt samen met klimaat en voedsel. Op Kamtsjatka begint verplaatsing richting broedgebied al eind februari, met nestbouw in late februari en maart; eileg start vaak midden april en kan tot eind mei doorlopen. Legsels bestaan uit 1–3 eieren, meestal 2; broeden begint waarschijnlijk bij het eerste ei, waardoor kuikens ongelijk uitkomen (uitkomst grofweg van midden mei tot midden juni). Uitvliegen vindt meestal plaats in augustus of begin september.
Nesten liggen dicht bij riviermondingen, in rivierdalzones, langs zeekusten of bij meren; in kustgebieden krijgen rotsige kusten, beboste rivierdalzones, baaien en inhammen vaak de voorkeur. In het binnenland komen nestplaatsen vooral in rivierdalzones en bij meren voor. Nesten staan meestal in grote, volwassen bomen (regionaal vaak populier, berk of lariks) en soms op kliffen, doorgaans hoog in de topzone van een stevige boom; omvangrijke nesten kunnen tot circa 2 meter diameter bereiken en worden vaak meerdere jaren gebruikt, met soms alternatieve nesten binnen ongeveer 900 meter. Broedsucces wordt als laag beschreven, met een groot aandeel eieren dat niet tot uitgevlogen jongen leidt en extra verliezen door predatie (zoals marterachtigen) en instortende nesten.