Klik hier - Familie Haliaeetus
Leden van het geslacht Haliaeetus zijn grote tot zeer grote arenden, met lange, brede vleugels en een middelmatige tot korte staart die afgerond of wigvormig kan zijn. De snavel is groot, sterk en zijdelings afgeplat. De poten zijn relatief kort en de tenen en klauwen zijn krachtig ontwikkeld.
Aanvullend: dit geslacht omvat de zogenaamde zeearenden (sea eagles). Het zijn doorgaans robuuste, zwaar gebouwde roofvogels die vaak in de buurt van water leven, zoals kusten, grote meren en brede rivieren. Veel soorten zijn gespecialiseerd in het vangen of oprapen van vis en watervogels, maar ze nemen ook aas en kunnen opportunistisch jagen op andere prooien. Hun vlucht is vaak traag en majestueus, met brede vleugels die uitstekend geschikt zijn voor zweven en cirkelen op thermiek.
Veel Haliaeetus-soorten bouwen zeer grote nesten (vaak hoog in bomen of op rotsen) die meerdere jaren achtereen kunnen worden hergebruikt en daardoor indrukwekkende afmetingen kunnen bereiken. Het verenkleed is meestal contrastrijk, vaak met lichtere kop- of staartdelen bij volwassen vogels. Juveniele vogels zijn doorgaans bruiner en minder scherp getekend dan adulte dieren en hebben vaak enkele jaren nodig om het volwassen kleed te bereiken.
Witbuikzeearend





Klik voor Witbuikzeearend details
De soort werd beschreven door Gmelin in 1788 en komt voor van de kusten van India en Sri Lanka oostwaarts tot Zuid-China en zuidwaarts tot Australië en Tasmanië, inclusief Nieuw-Guinea en de Bismarck-archipel. Het gaat overwegend om een standvogel; jonge vogels zwerven doorgaans uit na het broedseizoen.
Het verenkleed is vooral contrastrijk wit en zwart (donkergrijs): kop en onderzijde zijn wit, evenals de voorrand van de vleugels, terwijl rug en het achterste deel van de vleugels donker zijn. De staart is wigvormig en overwegend donkergrijs met een lichte punt. Vrouwtjes zijn gemiddeld iets groter dan mannetjes. De haaksnavel is donker en de poten zijn roomkleurig; lange zwarte klauwen met fijne “grip” aan de voetzolen helpen bij het vasthouden van gladde prooien zoals vis. De roep wordt vaak als luid en diep, gans-achtig getoeter beschreven. Juvenielen zijn gevlekt bruin.
Waarnemingen zijn het meest typisch langs zeekusten van Zuid-Azië en op eilanden, en langs de kust van Australië, maar het voorkomen reikt ook stroomopwaarts langs grote rivieren en waterwegen. In open landschap wordt vaak verder landinwaarts langs rivieren gegaan dan in dicht bos; op Borneo wordt bijvoorbeeld circa 15 km genoemd.
Als opportunistische vleeseter wordt een breed spectrum aan prooi benut, inclusief aas. Vissen worden vaak gegrepen door laag over het water te vliegen en de prooi met de poten te pakken; bij de “slag” worden de poten ver naar voren gebracht en volgt een achterwaartse grijpbeweging terwijl vleugelslagen helpen om direct weer hoogte te winnen. Meestal grijpt één poot de prooi. Jacht op aquatische dieren domineert (vis, schildpadden, zeeslangen), maar ook vogels (onder meer pinguïns, meerkoeten en pijlstormvogels) en zoogdieren kunnen worden genomen; uit de Bismarck-archipel zijn ook meldingen van predatie op twee koeskoes-soorten. Prooien tot het formaat van een zwaan kunnen worden aangevallen. Aas langs de waterlijn wordt benut en voedsel wordt soms uit netten of bij landbouwactiviteiten meegenomen. Kleptoparasitisme komt geregeld voor: kleinere roofvogels zoals moeraskiekendieven, fluitwouwen, brahmaanse wouwen en visarenden worden lastiggevallen totdat buit wordt losgelaten; ook meeuwen, aalscholvers en jan-van-genten kunnen doelwit zijn. Voedselroof kan zelfs binnen de eigen soort voorkomen. Jacht en voedselopname vinden plaats alleen, in paren of in familiegroepen; samenwerking bij de jacht kan voorkomen. Prooi wordt in de vlucht gegeten of op een verhoogde rustplek, waaronder het nest. Bij voedselverwerking worden huid en zachte delen efficiënt benut, waarna slechts kleine braakballen met bot-, vacht- en veerresten worden uitgebraakt.
Nesten liggen hoog in bomen of soms op rotsen en vormen grote, stevige constructies die door beide partners worden opgebouwd. Er worden meestal twee eieren gelegd, soms drie. Het broeden gebeurt hoofdzakelijk door het vrouwtje, met aflossing door het mannetje, gedurende ongeveer 50 dagen. De nestperiode tot uitvliegen duurt grofweg 65–70 dagen; twee jongen kunnen geregeld succesvol groot worden. Volledige zelfstandigheid volgt vaak pas maanden later, rond circa een half jaar na het uitvliegen.
Zeearend









Klik voor Zeearend details
De soort werd beschreven door Linnaeus in 1758 en komt wijdverspreid voor in Eurazië. Het voorkomen en trekgedrag variëren sterk met breedtegraad en leeftijd: in Rusland ten noorden van circa 60° NB is sprake van vrijwel volledige trek, omdat zoetwater in de winter dichtvriest en watervogelprooi dan ontbreekt. In de rest van het westelijk Palearctisch gebied blijven de meeste adulte broedparen doorgaans het hele jaar in hetzelfde gebied, terwijl juveniele en onvolwassen vogels juist veel zwerven, vaak in zuidelijke tot zuidwestelijke richting. In winters met veel jonge vogels kan groepsvorming optreden; kleine aantallen bereiken onder meer Irak en Israël en delen van het noordelijk Middellandse-Zeegebied tot in Spanje, met incidentele dwaalgasten in Noord-Afrika.
Herkenning wordt bepaald door een grote, robuuste arend met een opvallende wigvormige staart. Een lichte kop en nek met een bleek buffe tint contrasteren minder scherp met de rest van het verenkleed dan bij de Amerikaanse zeearend; de snavel is geel en de staart is bij volwassen vogels wit. Vrouwtjes zijn gemiddeld groter. Juvenielen zijn donkerbruin tot zwartbruin met een donkere staart, donkere kop en donkere snavel en iris, vaak met witachtige markeringen bij de okselveren; het volwassen kleed ontstaat geleidelijk in 5–6 jaar, terwijl een volledig witte staart vaak pas rond het achtste kalenderjaar aanwezig is en een gele snavel meestal na 4–5 jaar verschijnt.
Historisch vond in de vorige eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw een sterke achteruitgang plaats met verdwijnen uit diverse regio’s; sinds circa 1970 namen westelijke populaties weer toe en konden herkolonisaties optreden, terwijl in delen van Midden-Europa en Griekenland afnames langer aanhielden. Bedreigingen die regionaal een rol speelden of spelen zijn vervolging, (acute) vergiftiging, nestvernieling en het verlies of de aantasting van wetlands, terwijl langdurige vervuiling met schadelijke stoffen in het verleden de voortplanting ernstig kon drukken. Het betreft een langlevende, traag reproducerende soort met hoge overleving van volwassen vogels; daardoor weegt een afname in adult-overleving doorgaans zwaarder door dan variatie in juvenielenoverleving, al kan jarenlang lage productiviteit uiteindelijk eveneens tot problemen leiden. Een levensduur van meer dan 35 jaar wordt genoemd.
De ecologie is sterk aan water gebonden, met voorkeur voor grote meren, brede rivieren en kustwateren, van laagland tot hoog in berggebieden (tot circa 5.000 m). Nesten liggen meestal in bomen nabij water, en in bergachtige streken ook op kliffen; binnen het enorme areaal varieert het broedbiotoop van boomloze mariene fjorden tot brakke, bosrijke kusten, taigameren en -rivieren en uiterwaarden met ooibos. Ondiep water met hoge productie en een voldoende prooibasis zijn cruciaal. In bosrijke gebieden zijn grote, volwassen bomen nodig om de zeer zware nesten te dragen; gevoeligheid voor verstoring rond het nest maakt rustige broedlocaties met weinig menselijke activiteit belangrijk, al is in sommige regio’s recent een zekere gewenning aan verstoring waargenomen. Grote trouw aan broedplaatsen is kenmerkend, waarbij territoria generaties lang bezet kunnen blijven; nestbouw in bomen levert enorme nesten op die jaar na jaar worden uitgebouwd en daarom robuuste nestbomen vereisen.
Het dieet bestaat vooral uit vis en watervogels (zoals eenden, meerkoeten, futen en meeuwen). Vis wordt meestal vlak onder of aan het wateroppervlak gegrepen, vooral in ondiep water; in het vroege zomerhalfjaar overheerst vis vaak, terwijl later in het seizoen en in herfst en winter het aandeel vogels kan toenemen afhankelijk van beschikbaarheid. Visvijvers kunnen lokaal belangrijke foerageerplekken zijn. Waar beschikbaar worden ook zoogdieren benut (bijvoorbeeld muskusrat). Prooien worden meestal op het water of op de grond gegrepen en zelden in de lucht. Aas speelt in de winter vaak een grote rol en kan in noordelijke populaties ook tijdens het broedseizoen belangrijk zijn. Kleptoparasitisme (voedseldiefstal) komt geregeld voor, onder meer richting visarend, meeuwen en aalscholvers; ondanks een wat minder wendbare bouw dan gespecialiseerde jagers blijft het een krachtige jager en viseter.
De eerste voortplanting start meestal rond de leeftijd van vijf jaar, met variatie naar vroeger of later. Territoriale paren blijven doorgaans levenslang aan hetzelfde territorium gebonden en leeggevallen, historische territoria worden bij herstel van populaties vaak als eerste weer bezet. Nestplaatsen bevinden zich in bomen, op klifrichels of lokaal op de grond (onder meer in Groenland, IJsland en Noorwegen), met zeldzame nestbouw op pylonen of torens. In taiga en subboreale bossen worden veel nesten in grove den gevonden, terwijl in Midden- en Zuid-Europa ook loofbomen veel worden gebruikt; nestlocaties liggen vaak hoog in de boomtop en binnen een territorium komen meestal twee of meer wisselnesten voor. Eileg varieert met breedtegraad en klimaat van eind januari in Zuid-Europa via midden februari rond de Oostzee tot eind maart/begin april in noordelijker, meer continentale gebieden; de meeste paren leggen binnen een periode van 3–4 weken. Een legsel telt meestal 1–3 eieren (zeer zelden 4), met een gemiddelde rond 2,1 dat in sommige noordelijke populaties lager kan liggen. De broedduur bedraagt circa 35–38 dagen en de nestperiode ongeveer 70–86 dagen; jongen groeien van circa 80–95 g bij uitkomen tot 4–6 kg bij uitvliegen, met de snelste gewichtstoename in de eerste vijf levensweken. Na het uitvliegen volgt doorgaans nog 1–2 maanden afhankelijkheid van voedsel, waarna uitzwerven meestal 2–3 maanden na uitvliegen plaatsvindt; in gezonde populaties ligt het aandeel paren dat jongen grootbrengt vaak rond 60–80%, met een gemiddelde broedgrootte van circa 1,6–1,8.
Stellers zeearend


Klik voor Stellers Zeearend details
Stellers zeearend (Pallas, 1811) broedt in het noordoosten van Eurazië, met kerngebieden op het schiereiland Kamtsjatka, langs de kust rond de Zee van Ochotsk, in de benedenloop van de Amoer (zuidwaarts tot de Gorin) en op noordelijk Sachalin en de Sjantar-eilanden (Rusland). In de winter verblijft een deel in Kamtsjatka en aan de Ochotskkust, maar een groot deel overwintert zuidelijker op de Koerilen en op Hokkaido (Japan); daarnaast zijn er kleinere aantallen in noordoostelijk China, Noord-Korea en Zuid-Korea. De totale populatie wordt vaak rond circa 5.000 vogels geschat en neemt af.
Een deel van de Kamtsjatka-populatie blijft op het schiereiland en verplaatst vooral naar zuidelijkere delen. Buiten het broedgebied liggen belangrijke overwinteringsgebieden in zuidelijk Primorje, op Sachalin en de Koerilen, en vooral op Hokkaido (met nadruk op de oostkust). Trekbewegingen kunnen groot zijn; satellietvolging liet bij een jonge vogel zien dat na het uitvliegen nog weken nabij het nestgebied werd verbleven, gevolgd door een verplaatsing van ruim 1.300 km via de Koerilen naar het gebied noordoostelijk van Hokkaido.
Het betreft een van de grote zee- en viseenden van het geslacht Haliaeetus: zeer grote arenden met krachtige snavel en poten, relatief korte onbebroede tarsi en bij volwassen vogels vaak contrastrijke kleuren. Volwassen Stellers zeearenden vallen op door enorme afmetingen, donkerbruin tot zwart verenkleed met opvallend wit op staart, schouders, dijen, voorhoofd en vaak ook de kruin, plus wit op stuit, boven- en onderstaartdekveren en ondervleugeldekveren. De snavel is zeer diep, sterk gekromd en geel; ogen, washuid en poten zijn eveneens geel. De staart is wigvormig. Geslachten lijken op elkaar, met duidelijk grotere vrouwtjes (tot ca. 9 kg) dan mannetjes (tot ca. 6 kg). Jonge vogels zijn eerst zijdeachtig wit, later rookbruin-grijs en daarna in juveniel kleed overwegend donkerbruin met lichte vlekken en witte veerbases; iris donkerbruin, poten lichter, snavel donker. Naarmate het kleed veroudert neemt staartmotteling af en worden oog en snavel geleidelijk lichter; volledig adult kleed wordt vermoedelijk rond het vijfde kalenderjaar bereikt. Jonge en onvolwassen kleden kunnen sterk lijken op die van zeearend (Haliaeetus albicilla), waarmee het broedgebied overlapt.
Belangrijke bedreigingen in Rusland hangen samen met aantasting en versnippering van leefgebied (onder meer door hydro-elektrische projecten), grote kust- en offshore-ontwikkelingen voor petrochemie en houtkap. Industriële riviervervuiling en hoge niveaus van persistente pesticiden en industriële stoffen (zoals DDT/DDE en PCB’s) worden eveneens genoemd. Overbevissing vermindert visbestanden in Rusland en Japan; op Hokkaido leidt dit tot meer landinwaartse aasconsumptie op karkassen van sikaherten, waarbij risico op loodvergiftiging ontstaat door inslikken van loodhagel of -fragmenten.
Leefgebied bestaat uit zeekusten en grotere binnenwateren langs rivieren en meren met volwassen boomopstanden voor nestgelegenheid. In de herfst wordt vaak langs rivieren gefoerageerd waar dode zalm massaal beschikbaar is. In hartje winter blijven overwinteraars in Rusland vaker kustgebonden, terwijl op Hokkaido veel vogels bij water blijven, maar een aanzienlijk deel uitwijkt naar berggebieden om van karkassen te profiteren.
Het menu bestaat vooral uit zalmachtigen (Salmonidae), levend én dood; verspreiding en seizoenspatroon volgen in sterke mate de beschikbaarheid van zalmtrek en -sterfte. In zomer en vroege herfst liggen foerageergebieden bij rivieren, meren en kustzones met zalmruns; groepsgewijs eten kan dan zeer uitgesproken zijn, met lokale concentraties die in uitzonderlijke gevallen tot honderden vogels kunnen oplopen. Naast zalm worden ook vogels en zoogdieren genomen (regionaal bijvoorbeeld eenden, meeuwen en kleinere zoogdieren), en langs kusten ook ongewervelden en aas (bijvoorbeeld aangespoelde zeeorganismen en karkassen). Drie hoofdjachtwijzen worden beschreven: vanaf een uitkijkpost duikend toeslaan, al cirkelend boven water duiken, of staand in ondiep water passerende vis grijpen. Voedselroof (kleptoparasitisme) komt vaak voor in groepen, vooral bij overvloed. In gebieden met intensieve visserij kan “bijvangst” of losschietende vis in het water extra voedsel beschikbaar maken, waardoor in sommige winters grote aantallen arenden samenkomen.
De broedtijd varieert per regio en hangt samen met klimaat en voedsel. Op Kamtsjatka begint verplaatsing richting broedgebied al eind februari, met nestbouw in late februari en maart; eileg start vaak midden april en kan tot eind mei doorlopen. Legsels bestaan uit 1–3 eieren, meestal 2; broeden begint waarschijnlijk bij het eerste ei, waardoor kuikens ongelijk uitkomen (uitkomst grofweg van midden mei tot midden juni). Uitvliegen vindt meestal plaats in augustus of begin september.
Nesten liggen dicht bij riviermondingen, in rivierdalzones, langs zeekusten of bij meren; in kustgebieden krijgen rotsige kusten, beboste rivierdalzones, baaien en inhammen vaak de voorkeur. In het binnenland komen nestplaatsen vooral in rivierdalzones en bij meren voor. Nesten staan meestal in grote, volwassen bomen (regionaal vaak populier, berk of lariks) en soms op kliffen, doorgaans hoog in de topzone van een stevige boom; omvangrijke nesten kunnen tot circa 2 meter diameter bereiken en worden vaak meerdere jaren gebruikt, met soms alternatieve nesten binnen ongeveer 900 meter. Broedsucces wordt als laag beschreven, met een groot aandeel eieren dat niet tot uitgevlogen jongen leidt en extra verliezen door predatie (zoals marterachtigen) en instortende nesten.