Bruine slangenarend
Slangenarenden, Oude wereld
Leden van het geslacht Circaetus zijn de slangenarenden. Ze vormen een monofyletische groep, Circatinae, die een zustergroep is van de Oudewereldgieren, Aegypiinae. Het gaat vooral om vogels die gespecialiseerd zijn in het eten van slangen en andere reptielen, wat de reden is dat de meeste soorten als “slangenarend” of “serpent-eagle” worden aangeduid.
De soorten zijn beperkt tot de warmere delen van de Oude Wereld. Ze hebben haakvormige snavels om vlees van de prooi te scheuren, sterke poten en krachtige klauwen. Daarnaast hebben ze een uitzonderlijk scherp zicht, waarmee potentiële prooien al van grote afstand kunnen worden opgemerkt.
De soorten zijn beperkt tot de warmere delen van de Oude Wereld. Ze hebben haakvormige snavels om vlees van de prooi te scheuren, sterke poten en krachtige klauwen. Daarnaast hebben ze een uitzonderlijk scherp zicht, waarmee potentiële prooien al van grote afstand kunnen worden opgemerkt.
Bruine slangenarend
[LAT] *Circaetus cinereus* |
[UK] Brown Snake Eagle |
[FR] Circaète brun |
[DE] Brauner Schlangenadler |
[ES] Águila culebrera parda |
[NL] Bruine slangenarend


De Bruine slangenarend heeft status LC (Least Concern).

Door het zeer grote verspreidingsgebied en een populatie die niet klein genoeg is om de drempels voor een bedreigingscategorie te benaderen, wordt de soort wereldwijd niet als bedreigd beschouwd; de trend wordt als stabiel beschreven.
Het verspreidingsgebied ligt in Sub-Sahara Afrika en omvat vooral licht tot matig beboste gebieden, met een duidelijke voorkeur voor dichte savanne en doornstruik-vegetatie. Open grasvlaktes worden veel minder gebruikt en echt bosgebied wordt doorgaans gemeden, behalve waar bos is gekapt voor landbouw en zitplaatsen op dode bomen beschikbaar zijn. In Oost- en noordoostelijk Afrika komt de soort lokaal juist talrijk voor in doornstruikland, terwijl voorkomen op open vlaktes eerder schaars is.
Over het algemeen betreft het een standvogel. Alleen in Senegal is sprake van een seizoenspatroon waarbij vroeg in het jaar wordt gebroed en het gebied na het broedseizoen weer wordt verlaten.
Het verenkleed van volwassen vogels is vrijwel egaal donkerbruin; bij sommige exemplaren is een smalle zwarte lijn boven en onder het oog zichtbaar. De staart is donkerbruin met drie smalle grijze dwarsbanden en een bleek uiteinde. Bovenzijde van de slagpennen oogt donkerbruin, met naar de basis toe een lichtere, gemarmerde indruk; aan de onderzijde is de vogel in totaalbeeld bruin, met een opvallend bleker grijs aan de onderzijde van de slagpennen. Ogen zijn felgeel; washuid, poten en voeten zijn licht grijswit; snavel en klauwen zijn zwart. Onvolwassen vogels lijken sterk op volwassen vogels maar ogen doorgaans wat bleker, met variabele lichte veerbases op nek en buik en lichtere veerranden op de rug; kop en wangen tonen vaker een grijzere toon. Net uit het ei ontstaat eerst een wit donskleed; ogen beginnen grijs en verkleuren geleidelijk naar (licht)geel, terwijl washuid en poten zeer bleek ogen in de vroege fase.
Het voedsel bestaat voor het grootste deel uit slangen (ongeveer 70%), inclusief giftige soorten zoals grote cobra’s. Het resterende deel bestaat vooral uit (jacht)vogels en soms pluimvee; zoogdieren worden zelden genoemd. Prooi wordt vrijwel altijd op de grond gegrepen, vaak door vanaf een zitpost neer te vallen op de prooi.
In de baltsperiode vindt hoog cirkelen boven het broedgebied plaats met frequente, luide roep; opvallende acrobatiek ontbreekt meestal en de baltsvlucht wordt vaak door één vogel uitgevoerd. Nesten zijn relatief klein en worden meestal gebouwd bovenin doornige acacia’s of in boomvormige euphorbia’s, doorgaans goed verborgen tussen klimplanten. Het nest bestaat uit kleine takjes, met een beperkte bekleding van groene bladeren. Hergebruik van exact hetzelfde nest in opeenvolgende jaren is niet gebruikelijk, al kan na enkele jaren wel opnieuw in dezelfde nestboom worden gebouwd.
Het legsel bestaat doorgaans uit één ei: groot, rond, wit en meestal ongetekend. Broeden gebeurt door het vrouwtje; voedsel wordt op of bij het nest aangeleverd door het mannetje, dat meestal weinig zichtbaar is rond de nestplaats en niet dicht bij het nest pleegt te overnachten. De broedduur wordt rond 45 dagen genoemd, met regionale variatie in legperiode. Uitkomen kan meerdere dagen in beslag nemen, waarna het kuiken aanvankelijk ongeveer 100 gram weegt. Tijdens de opgroeifase veranderen oog-, poot- en snavelkleur geleidelijk; rond drie tot vier weken ontstaat de gele oogkleur, maar vaak nog bleker dan bij adulten. Bevedering ontwikkelt zich geleidelijk, met eerst doorbrekende rugveren rond drie weken en een grotendeels bevederd voorlichaam en vleugels rond vijf weken, terwijl staartontwikkeling relatief traag verloopt.
Grote slangen, tot ongeveer anderhalve meter, kunnen als prooi worden aangevoerd, inclusief giftige soorten. Voedseloverdracht kan bestaan uit het uittrekken van de slang uit de krop door de oudervogel (met behulp van een poot), waarna het jong het uiteinde kan grijpen en mee kan trekken. De nestperiode is lang en kan vaak meer dan 100 dagen bedragen; vleugeloefeningen beginnen pas kort voor het uitvliegen. Bij de eerste vlucht is het verenkleed vaak al vrij “volwassen” van indruk, met een gewicht rond 2,1 kg. Na het uitvliegen blijft langdurig rond het nest verblijven niet typisch; aanwezigheid nabij de nestplek kan nog wel sporadisch voorkomen.
Het verspreidingsgebied ligt in Sub-Sahara Afrika en omvat vooral licht tot matig beboste gebieden, met een duidelijke voorkeur voor dichte savanne en doornstruik-vegetatie. Open grasvlaktes worden veel minder gebruikt en echt bosgebied wordt doorgaans gemeden, behalve waar bos is gekapt voor landbouw en zitplaatsen op dode bomen beschikbaar zijn. In Oost- en noordoostelijk Afrika komt de soort lokaal juist talrijk voor in doornstruikland, terwijl voorkomen op open vlaktes eerder schaars is.
Over het algemeen betreft het een standvogel. Alleen in Senegal is sprake van een seizoenspatroon waarbij vroeg in het jaar wordt gebroed en het gebied na het broedseizoen weer wordt verlaten.
Het verenkleed van volwassen vogels is vrijwel egaal donkerbruin; bij sommige exemplaren is een smalle zwarte lijn boven en onder het oog zichtbaar. De staart is donkerbruin met drie smalle grijze dwarsbanden en een bleek uiteinde. Bovenzijde van de slagpennen oogt donkerbruin, met naar de basis toe een lichtere, gemarmerde indruk; aan de onderzijde is de vogel in totaalbeeld bruin, met een opvallend bleker grijs aan de onderzijde van de slagpennen. Ogen zijn felgeel; washuid, poten en voeten zijn licht grijswit; snavel en klauwen zijn zwart. Onvolwassen vogels lijken sterk op volwassen vogels maar ogen doorgaans wat bleker, met variabele lichte veerbases op nek en buik en lichtere veerranden op de rug; kop en wangen tonen vaker een grijzere toon. Net uit het ei ontstaat eerst een wit donskleed; ogen beginnen grijs en verkleuren geleidelijk naar (licht)geel, terwijl washuid en poten zeer bleek ogen in de vroege fase.
Het voedsel bestaat voor het grootste deel uit slangen (ongeveer 70%), inclusief giftige soorten zoals grote cobra’s. Het resterende deel bestaat vooral uit (jacht)vogels en soms pluimvee; zoogdieren worden zelden genoemd. Prooi wordt vrijwel altijd op de grond gegrepen, vaak door vanaf een zitpost neer te vallen op de prooi.
In de baltsperiode vindt hoog cirkelen boven het broedgebied plaats met frequente, luide roep; opvallende acrobatiek ontbreekt meestal en de baltsvlucht wordt vaak door één vogel uitgevoerd. Nesten zijn relatief klein en worden meestal gebouwd bovenin doornige acacia’s of in boomvormige euphorbia’s, doorgaans goed verborgen tussen klimplanten. Het nest bestaat uit kleine takjes, met een beperkte bekleding van groene bladeren. Hergebruik van exact hetzelfde nest in opeenvolgende jaren is niet gebruikelijk, al kan na enkele jaren wel opnieuw in dezelfde nestboom worden gebouwd.
Het legsel bestaat doorgaans uit één ei: groot, rond, wit en meestal ongetekend. Broeden gebeurt door het vrouwtje; voedsel wordt op of bij het nest aangeleverd door het mannetje, dat meestal weinig zichtbaar is rond de nestplaats en niet dicht bij het nest pleegt te overnachten. De broedduur wordt rond 45 dagen genoemd, met regionale variatie in legperiode. Uitkomen kan meerdere dagen in beslag nemen, waarna het kuiken aanvankelijk ongeveer 100 gram weegt. Tijdens de opgroeifase veranderen oog-, poot- en snavelkleur geleidelijk; rond drie tot vier weken ontstaat de gele oogkleur, maar vaak nog bleker dan bij adulten. Bevedering ontwikkelt zich geleidelijk, met eerst doorbrekende rugveren rond drie weken en een grotendeels bevederd voorlichaam en vleugels rond vijf weken, terwijl staartontwikkeling relatief traag verloopt.
Grote slangen, tot ongeveer anderhalve meter, kunnen als prooi worden aangevoerd, inclusief giftige soorten. Voedseloverdracht kan bestaan uit het uittrekken van de slang uit de krop door de oudervogel (met behulp van een poot), waarna het jong het uiteinde kan grijpen en mee kan trekken. De nestperiode is lang en kan vaak meer dan 100 dagen bedragen; vleugeloefeningen beginnen pas kort voor het uitvliegen. Bij de eerste vlucht is het verenkleed vaak al vrij “volwassen” van indruk, met een gewicht rond 2,1 kg. Na het uitvliegen blijft langdurig rond het nest verblijven niet typisch; aanwezigheid nabij de nestplek kan nog wel sporadisch voorkomen.