Indische Slangenarend
Slangenarenden, Azie
Leden van het geslacht Spilornis zijn meestal vrij grote haviken, al komen er ook tamelijk kleine vormen voor. In wezen is er slechts één wijdverspreide vorm, die voorkomt van India tot Celebes en de Filipijnen, met veel duidelijk onderscheiden eilandvormen.
Alleen op de Andamanen heeft zich een ‘dubbele invasie’ voorgedaan, waarbij twee soorten naast elkaar voorkomen; zelfs deze lijken ecologisch gescheiden te zijn, waarbij de ene meer landinwaarts leeft en de andere in mangrovemoerassen. De vormen van Celebes en de Filipijnen worden als afzonderlijke soorten erkend, evenals enkele van de dwergvormen van de Nicobaren en de eilanden bij Sumatra.
Alleen op de Andamanen heeft zich een ‘dubbele invasie’ voorgedaan, waarbij twee soorten naast elkaar voorkomen; zelfs deze lijken ecologisch gescheiden te zijn, waarbij de ene meer landinwaarts leeft en de andere in mangrovemoerassen. De vormen van Celebes en de Filipijnen worden als afzonderlijke soorten erkend, evenals enkele van de dwergvormen van de Nicobaren en de eilanden bij Sumatra.
Indische slangenarend
[LAT] Spilornis cheela |
[UK] Crested Serpent Eagle |
[FR] Aigle serpentaire bacha |
[DE] Haubenschlangenadler |
[ES] Culebrera crestada |
[NL] Indische slangenarend
Sitabani National Park, Ramnagar
Sitabani National Park, Ramnagar



De Indische slangenarend heeft status LC (Least Concern).

Door het grote verspreidingsgebied en de brede habitatkeuze wordt de soort wereldwijd niet als bedreigd beschouwd. Plaatselijk kan achteruitgang optreden door verlies van bos, verstoring, vervolging en afname van geschikt jachtgebied, maar op wereldschaal worden de drempels voor een bedreigde categorie niet benaderd.
De soort komt voor van het Indisch subcontinent via Zuidoost-Azië tot in delen van Zuid-China en de Indonesische archipel. Binnen dit grote verspreidingsgebied bestaan veel geografische vormen, waarvan sommige eilandpopulaties sterk verschillen in grootte en uiterlijk. De Indische slangenarend is overwegend standvogel. Verplaatsingen zijn meestal lokaal en hangen samen met voedselbeschikbaarheid, seizoen, waterstand en verstoring.
Een Indische slangenarend is een middelgrote, stevig gebouwde roofvogel met een brede kop, vrij korte staart, brede vleugels en een opvallende kuif die vaak goed zichtbaar is wanneer de vogel zit. De bovenzijde is donkerbruin, de onderzijde is meestal lichter bruin met fijne tekening, en de staart en slagpennen tonen duidelijke lichte banden. In vlucht vallen de brede vleugels, afgeronde vleugelpunten en korte staart op. De lichte bandering op vleugels en staart is vaak goed zichtbaar. De soort vliegt met rustige, krachtige vleugelslagen en zweeft geregeld boven bosranden, heuvels en open plekken. De roep is luid, helder en ver dragend, vaak een kenmerkend stijgend fluitend geluid dat de aanwezigheid van de soort verraadt voordat de vogel wordt gezien.
Voorkomen is vooral verbonden met bossen, bosranden, open plekken, boomrijke landbouwgebieden, plantages, heuvelbossen, droge loofbossen en vochtige laaglandbossen. De soort wordt ook geregeld gezien bij dorpen, langs wegen, bij rivieren en boven open plekken in bosachtig landschap. Dicht aaneengesloten bos wordt gebruikt, maar jagen gebeurt vaak langs randen, open stroken, paden, waterlopen en halfopen terrein. In India kan de soort zowel in laaglandbossen als in heuvelachtig terrein worden aangetroffen, zolang voldoende bomen, rustige zitplaatsen en geschikt prooigebied aanwezig zijn.
Het menu bestaat vooral uit slangen en hagedissen, aangevuld met kikkers, kleine zoogdieren, vogels, krabben en grote insecten. De soort jaagt vaak vanaf een zitpost, waarbij de omgeving langdurig wordt afgezocht. Zodra prooi wordt ontdekt, volgt een snelle, directe aanval naar de grond of naar lage vegetatie. Ook cirkelend zoeken boven bosranden en open plekken komt voor. Door de sterke specialisatie op reptielen is de soort vaak te vinden in warme, structuurrijke landschappen met voldoende dekking, open jachtplekken en zonbeschenen randen waar slangen en hagedissen actief zijn.
Paarsvorming is monogaam en territoriaal. In de broedtijd worden opvallende baltsvluchten uitgevoerd, waarbij vogels hoog cirkelen, roepen en soms golvende vluchtbewegingen maken boven het territorium. Het nest is een relatief klein platform van takken, meestal hoog in een boom gebouwd en vaak goed verborgen in het bladerdak. De nestkom wordt bekleed met groen blad. De broedtijd verschilt per regio, maar valt in India vaak grofweg tussen december en april. Gewoonlijk wordt één ei gelegd. Beide oudervogels verdedigen het territorium, terwijl vooral het vrouwtje broedt en het jong in de eerste periode verzorgt. Het jong blijft langdurig afhankelijk van de oudervogels. Belangrijke bedreigingen zijn verstoring bij nestplaatsen, kap van oude bomen, verlies van bosranden en afname van geschikte reptielenrijke jachtgebieden.
De soort komt voor van het Indisch subcontinent via Zuidoost-Azië tot in delen van Zuid-China en de Indonesische archipel. Binnen dit grote verspreidingsgebied bestaan veel geografische vormen, waarvan sommige eilandpopulaties sterk verschillen in grootte en uiterlijk. De Indische slangenarend is overwegend standvogel. Verplaatsingen zijn meestal lokaal en hangen samen met voedselbeschikbaarheid, seizoen, waterstand en verstoring.
Een Indische slangenarend is een middelgrote, stevig gebouwde roofvogel met een brede kop, vrij korte staart, brede vleugels en een opvallende kuif die vaak goed zichtbaar is wanneer de vogel zit. De bovenzijde is donkerbruin, de onderzijde is meestal lichter bruin met fijne tekening, en de staart en slagpennen tonen duidelijke lichte banden. In vlucht vallen de brede vleugels, afgeronde vleugelpunten en korte staart op. De lichte bandering op vleugels en staart is vaak goed zichtbaar. De soort vliegt met rustige, krachtige vleugelslagen en zweeft geregeld boven bosranden, heuvels en open plekken. De roep is luid, helder en ver dragend, vaak een kenmerkend stijgend fluitend geluid dat de aanwezigheid van de soort verraadt voordat de vogel wordt gezien.
Voorkomen is vooral verbonden met bossen, bosranden, open plekken, boomrijke landbouwgebieden, plantages, heuvelbossen, droge loofbossen en vochtige laaglandbossen. De soort wordt ook geregeld gezien bij dorpen, langs wegen, bij rivieren en boven open plekken in bosachtig landschap. Dicht aaneengesloten bos wordt gebruikt, maar jagen gebeurt vaak langs randen, open stroken, paden, waterlopen en halfopen terrein. In India kan de soort zowel in laaglandbossen als in heuvelachtig terrein worden aangetroffen, zolang voldoende bomen, rustige zitplaatsen en geschikt prooigebied aanwezig zijn.
Het menu bestaat vooral uit slangen en hagedissen, aangevuld met kikkers, kleine zoogdieren, vogels, krabben en grote insecten. De soort jaagt vaak vanaf een zitpost, waarbij de omgeving langdurig wordt afgezocht. Zodra prooi wordt ontdekt, volgt een snelle, directe aanval naar de grond of naar lage vegetatie. Ook cirkelend zoeken boven bosranden en open plekken komt voor. Door de sterke specialisatie op reptielen is de soort vaak te vinden in warme, structuurrijke landschappen met voldoende dekking, open jachtplekken en zonbeschenen randen waar slangen en hagedissen actief zijn.
Paarsvorming is monogaam en territoriaal. In de broedtijd worden opvallende baltsvluchten uitgevoerd, waarbij vogels hoog cirkelen, roepen en soms golvende vluchtbewegingen maken boven het territorium. Het nest is een relatief klein platform van takken, meestal hoog in een boom gebouwd en vaak goed verborgen in het bladerdak. De nestkom wordt bekleed met groen blad. De broedtijd verschilt per regio, maar valt in India vaak grofweg tussen december en april. Gewoonlijk wordt één ei gelegd. Beide oudervogels verdedigen het territorium, terwijl vooral het vrouwtje broedt en het jong in de eerste periode verzorgt. Het jong blijft langdurig afhankelijk van de oudervogels. Belangrijke bedreigingen zijn verstoring bij nestplaatsen, kap van oude bomen, verlies van bosranden en afname van geschikte reptielenrijke jachtgebieden.