Rallidae, ook wel ralachtigen genoemd, is een familie van middelgrote tot kleine vogels binnen de orde Gruiformes. Ze komen wereldwijd voor in moerassen, rietvelden en waterrijke gebieden. Tot deze familie behoren onder andere waterhoentjes, rallen en koeten. Kenmerkend voor Rallidae zijn hun vaak gedrongen lichaam, lange tenen en een voorkeur voor een verborgen levensstijl. Veel soorten zijn uitstekende zwemmers en renners, maar minder goede vliegers. Ondanks hun verborgen levenswijze spelen ze een belangrijke rol in het ecosysteem van wetlands.
Foto’s © Jan Dolphijn
Genus Fulica
Fulica (Linnaeus, 1758) is het geslacht van de meerkoeten, een groep middelgrote waterhoenders die wereldwijd voorkomt in gematigde en warmere delen van de wereld. Soorten uit dit geslacht leven vooral op meren, plassen, moerassen, vijvers en langzaam stromende wateren met voldoende oever- en watervegetatie. Binnen de ralachtigen vormen zij een opvallende groep door de vrij compacte bouw en de vaak open, zwemmende levenswijze.
Soorten binnen Fulica zijn stevig gebouwde watervogels met een vrij ronde lichaamsvorm, een korte staart en krachtige poten met gelobde tenen. Anders dan eenden hebben zij geen volledig zwemvlies, maar verbrede teenlobben die goed geschikt zijn voor zwemmen en lopen over drassige vegetatie. Het verenkleed is meestal donkergrijs tot zwartachtig, vaak gecombineerd met een opvallende witte of lichtgekleurde voorhoofdsschild en snavel. Daardoor zijn meerkoeten in het veld meestal goed herkenbaar.
Het voedsel bestaat uit waterplanten, zaden, algen en andere plantaardige delen, aangevuld met insecten, weekdieren en andere kleine waterdieren. Veel voedsel wordt zwemmend van het wateroppervlak genomen of duikend onder water verzameld. Soorten uit Fulica zijn vaak actief, territoriaal en soms opvallend agressief tegenover soortgenoten en andere watervogels.
De voortplanting vindt plaats in waterrijke gebieden met dichte vegetatie. Het nest wordt meestal gebouwd tussen riet, zeggen of andere waterplanten en ligt vaak drijvend of op een lage verhoging boven het water. Beide oudervogels nemen doorgaans deel aan het bouwen van het nest en het verzorgen van de jongen. Door de combinatie van zwemvermogen, donkere lichaamskleur en opvallend voorhoofdsschild vormt Fulica een zeer kenmerkend geslacht binnen de waterhoenders.
Soorten binnen Fulica zijn stevig gebouwde watervogels met een vrij ronde lichaamsvorm, een korte staart en krachtige poten met gelobde tenen. Anders dan eenden hebben zij geen volledig zwemvlies, maar verbrede teenlobben die goed geschikt zijn voor zwemmen en lopen over drassige vegetatie. Het verenkleed is meestal donkergrijs tot zwartachtig, vaak gecombineerd met een opvallende witte of lichtgekleurde voorhoofdsschild en snavel. Daardoor zijn meerkoeten in het veld meestal goed herkenbaar.
Het voedsel bestaat uit waterplanten, zaden, algen en andere plantaardige delen, aangevuld met insecten, weekdieren en andere kleine waterdieren. Veel voedsel wordt zwemmend van het wateroppervlak genomen of duikend onder water verzameld. Soorten uit Fulica zijn vaak actief, territoriaal en soms opvallend agressief tegenover soortgenoten en andere watervogels.
De voortplanting vindt plaats in waterrijke gebieden met dichte vegetatie. Het nest wordt meestal gebouwd tussen riet, zeggen of andere waterplanten en ligt vaak drijvend of op een lage verhoging boven het water. Beide oudervogels nemen doorgaans deel aan het bouwen van het nest en het verzorgen van de jongen. Door de combinatie van zwemvermogen, donkere lichaamskleur en opvallend voorhoofdsschild vormt Fulica een zeer kenmerkend geslacht binnen de waterhoenders.
Meerkoet
[latijn] Fulica atra | [UK] Coot | [FR] Foulque macroule | [DE] Blasshuhn | [ES] Focha Comun | [NL] Meerkoet






Meerkoet details
De Meerkoet (Fulica atra) (Linnaeus, 1758) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en komt wijdverspreid voor in Eurazië, de Oriëntaalse regio en Australazië. In warme en gematigde streken is de meerkoet het hele jaar aanwezig, al zijn individuele vogels daar niet altijd strikt standvast. In Noord- en vooral Oost-Europa is de soort veel sterker trekkend onder invloed van het continentale klimaat. Tijdens de rui kunnen grote concentraties ontstaan op geschikte wateren, omdat de vogels dan tijdelijk vliegloos zijn.
De meerkoet is een stevig gebouwde watervogel met een ronde kop en een vrij gedrongen lichaamsvorm. Het verenkleed is vrijwel geheel zwart, met als opvallend contrast de volledig witte snavel en het witte voorhoofdsschild. Jonge vogels zijn valer en grijziger, vaak met een opvallend lichtere keel en gezicht. De poten hebben geen echte zwemvliezen, maar brede teenlobben, wat kenmerkend is voor meerkoeten en goed zichtbaar is wanneer de vogel uit het water komt. Daardoor kan deze soort zowel goed zwemmen als zich over drassige vegetatie verplaatsen.
De meerkoet leeft vooral op grotere stilstaande of langzaam stromende wateren met ondiep water, modderige bodems en veel waterplanten. Meren, plassen, reservoirs, vijvers, grindgaten, kanalen, sloten, rivieren, open moerassen en zelfs stedelijke wateren kunnen als leefgebied dienen. Ook tijdelijke plassen en moerassen worden voor het broeden benut. In de winter verschijnt de soort daarnaast op rustige estuaria en beschutte kustwateren. Dekking wordt minder intensief gebruikt dan bij veel andere rallen.
Het voedsel is zeer gevarieerd, maar bestaat voor een groot deel uit plantaardig materiaal. Zaden, groene delen van waterplanten, algen en soms ook landplanten vormen een belangrijk bestanddeel van het menu. Daarnaast worden ook wormen, bloedzuigers, weekdieren, garnalen, insecten en hun larven, spinnen, kleine vissen, eieren van vogels, kleine zoogdieren en kikkers gegeten. De meerkoet foerageert zowel op het water als op het land en graast soms in groepen op grasrijke oevers. De soort is vooral overdag actief, maar kan ook in heldere nachten voedsel zoeken.
Beide oudervogels bouwen het nest, broeden de eieren uit en verzorgen de jongen. Het nest ligt meestal tussen dichte watervegetatie en is opgebouwd uit plantenmateriaal. Een legsel bestaat doorgaans uit zes tot tien eieren. De eieren komen niet allemaal tegelijk uit, waardoor binnen één nest duidelijke leeftijdsverschillen tussen de jongen kunnen optreden. De jongen blijven de eerste dagen nog veel op het nest, maar worden daarna door de oudervogels begeleid en gevoerd. Na ongeveer vijfenvijftig tot zestig dagen zijn de jongen vliegvlug. De zelfstandigheid volgt meestal binnen zes tot acht weken, al kunnen jonge vogels soms nog geruime tijd binnen het territorium van de oudervogels blijven.
De meerkoet is een stevig gebouwde watervogel met een ronde kop en een vrij gedrongen lichaamsvorm. Het verenkleed is vrijwel geheel zwart, met als opvallend contrast de volledig witte snavel en het witte voorhoofdsschild. Jonge vogels zijn valer en grijziger, vaak met een opvallend lichtere keel en gezicht. De poten hebben geen echte zwemvliezen, maar brede teenlobben, wat kenmerkend is voor meerkoeten en goed zichtbaar is wanneer de vogel uit het water komt. Daardoor kan deze soort zowel goed zwemmen als zich over drassige vegetatie verplaatsen.
De meerkoet leeft vooral op grotere stilstaande of langzaam stromende wateren met ondiep water, modderige bodems en veel waterplanten. Meren, plassen, reservoirs, vijvers, grindgaten, kanalen, sloten, rivieren, open moerassen en zelfs stedelijke wateren kunnen als leefgebied dienen. Ook tijdelijke plassen en moerassen worden voor het broeden benut. In de winter verschijnt de soort daarnaast op rustige estuaria en beschutte kustwateren. Dekking wordt minder intensief gebruikt dan bij veel andere rallen.
Het voedsel is zeer gevarieerd, maar bestaat voor een groot deel uit plantaardig materiaal. Zaden, groene delen van waterplanten, algen en soms ook landplanten vormen een belangrijk bestanddeel van het menu. Daarnaast worden ook wormen, bloedzuigers, weekdieren, garnalen, insecten en hun larven, spinnen, kleine vissen, eieren van vogels, kleine zoogdieren en kikkers gegeten. De meerkoet foerageert zowel op het water als op het land en graast soms in groepen op grasrijke oevers. De soort is vooral overdag actief, maar kan ook in heldere nachten voedsel zoeken.
Beide oudervogels bouwen het nest, broeden de eieren uit en verzorgen de jongen. Het nest ligt meestal tussen dichte watervegetatie en is opgebouwd uit plantenmateriaal. Een legsel bestaat doorgaans uit zes tot tien eieren. De eieren komen niet allemaal tegelijk uit, waardoor binnen één nest duidelijke leeftijdsverschillen tussen de jongen kunnen optreden. De jongen blijven de eerste dagen nog veel op het nest, maar worden daarna door de oudervogels begeleid en gevoerd. Na ongeveer vijfenvijftig tot zestig dagen zijn de jongen vliegvlug. De zelfstandigheid volgt meestal binnen zes tot acht weken, al kunnen jonge vogels soms nog geruime tijd binnen het territorium van de oudervogels blijven.

Amerikaanse Meerkoet
[latijn] Fulica americana | [UK] American Coot | [FR] Foulque d’Amerique | [DE] Amerikanisches Blasshuhn | [ES] | [NL] Amerikaanse Meerkoet






Amerikaanse Meerkoet details
De Amerikaanse meerkoet (Fulica americana) (Gmelin, 1789) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied in Noord- en Midden-Amerika en komt daarnaast ook voor op Hawaï en plaatselijk in het noorden van Zuid-Amerika. Het is vooral een trekvogel, met name in Noord-Amerika ten oosten van de Rocky Mountains. Veel vogels overwinteren in het zuiden van de Verenigde Staten en in Mexico, terwijl andere populaties verder zuidwaarts trekken tot in Midden-Amerika. In de trekperiode en tijdens de rui kunnen grote concentraties ontstaan op geschikte wateren.
De Amerikaanse meerkoet is ongeveer 38 centimeter lang en heeft een spanwijdte van ongeveer 58 tot 71 centimeter. Het verenkleed is overwegend donkergrijs, met een opvallende witte vlek onder de staart. De snavel is wit en aan de bovenzijde zit een roodachtige knobbel of zwelling, wat een belangrijk herkenningskenmerk is. De gelobde tenen maken deze soort tot een krachtige zwemmer, vooral in open water. Hoewel de vleugels relatief kort en afgerond zijn en het opstijgen soms moeizaam oogt, is de vlucht eenmaal in de lucht sterk en doelgericht.
Deze soort leeft langs uiteenlopende wateren en is vooral gebonden aan ondiepe zoetwatermeren, vijvers, plassen en moerassen. Ook brak water wordt af en toe gebruikt. Daarnaast kan de Amerikaanse meerkoet voorkomen op door mensen aangelegde vijvers in parken en op golfbanen. Zowel in de broedtijd als in de winter blijft de soort nauw verbonden met waterrijke gebieden met voldoende oever- en watervegetatie.
Het voedsel is gevarieerd en bestaat uit waterplanten, insecten en kleine waterdieren zoals visjes en kikkervisjes. De soort kan duiken om voedsel van de bodem te halen, vooral waterplanten die onder het oppervlak groeien. Aan het wateroppervlak worden die planten vervolgens verder uitgeplozen op eetbare delen. Daarnaast staat de Amerikaanse meerkoet erom bekend af en toe voedsel van andere vogels af te nemen. Door dit opportunistische gedrag kan de soort zich goed aanpassen aan wisselende omstandigheden.
De balts vindt meestal plaats in mei en juni en gaat gepaard met luid roepen, spetteren en opvallend gedrag op het water. Het nest wordt door beide oudervogels gebouwd en ligt meestal aan de rand van riet of andere oevervegetatie. Vaak heeft het nest een soort toegangspad of helling naar het water, zodat de jongen gemakkelijk in en uit het nest kunnen komen. Gewoonlijk worden acht tot tien eieren gelegd. Beide oudervogels broeden en de eieren komen na ongeveer drieëntwintig dagen uit. De jongen zijn lichter van kleur dan de volwassen vogels en worden door beide oudervogels verzorgd. Na ongeveer een maand kunnen zij zelf naar voedsel duiken, na vijf tot zes weken vliegen en na ongeveer twee maanden zijn zij volledig zelfstandig.
De Amerikaanse meerkoet is ongeveer 38 centimeter lang en heeft een spanwijdte van ongeveer 58 tot 71 centimeter. Het verenkleed is overwegend donkergrijs, met een opvallende witte vlek onder de staart. De snavel is wit en aan de bovenzijde zit een roodachtige knobbel of zwelling, wat een belangrijk herkenningskenmerk is. De gelobde tenen maken deze soort tot een krachtige zwemmer, vooral in open water. Hoewel de vleugels relatief kort en afgerond zijn en het opstijgen soms moeizaam oogt, is de vlucht eenmaal in de lucht sterk en doelgericht.
Deze soort leeft langs uiteenlopende wateren en is vooral gebonden aan ondiepe zoetwatermeren, vijvers, plassen en moerassen. Ook brak water wordt af en toe gebruikt. Daarnaast kan de Amerikaanse meerkoet voorkomen op door mensen aangelegde vijvers in parken en op golfbanen. Zowel in de broedtijd als in de winter blijft de soort nauw verbonden met waterrijke gebieden met voldoende oever- en watervegetatie.
Het voedsel is gevarieerd en bestaat uit waterplanten, insecten en kleine waterdieren zoals visjes en kikkervisjes. De soort kan duiken om voedsel van de bodem te halen, vooral waterplanten die onder het oppervlak groeien. Aan het wateroppervlak worden die planten vervolgens verder uitgeplozen op eetbare delen. Daarnaast staat de Amerikaanse meerkoet erom bekend af en toe voedsel van andere vogels af te nemen. Door dit opportunistische gedrag kan de soort zich goed aanpassen aan wisselende omstandigheden.
De balts vindt meestal plaats in mei en juni en gaat gepaard met luid roepen, spetteren en opvallend gedrag op het water. Het nest wordt door beide oudervogels gebouwd en ligt meestal aan de rand van riet of andere oevervegetatie. Vaak heeft het nest een soort toegangspad of helling naar het water, zodat de jongen gemakkelijk in en uit het nest kunnen komen. Gewoonlijk worden acht tot tien eieren gelegd. Beide oudervogels broeden en de eieren komen na ongeveer drieëntwintig dagen uit. De jongen zijn lichter van kleur dan de volwassen vogels en worden door beide oudervogels verzorgd. Na ongeveer een maand kunnen zij zelf naar voedsel duiken, na vijf tot zes weken vliegen en na ongeveer twee maanden zijn zij volledig zelfstandig.

Genus Porphyrio
Porphyrio (Brisson, 1760) is een geslacht binnen de ralachtigen en omvat de purperkoeten en enkele nauw verwante soorten. Deze vogels komen voor in warme en gematigde delen van Europa, Afrika, Azië en Oceanië. Het zijn opvallende, vaak vrij grote ralachtigen die sterk gebonden zijn aan waterrijke leefgebieden met dichte oevervegetatie.
Soorten binnen Porphyrio zijn stevig gebouwde vogels met lange poten, opvallend grote tenen en een krachtige, vaak felgekleurde snavel die doorloopt in een voorhoofdsschild. Het verenkleed is meestal rijk gekleurd en kan diepblauw, paars, groenblauw of donker violet zijn, afhankelijk van de soort. Door de combinatie van forse bouw, lange tenen en opvallende kleuren behoren deze vogels tot de meest herkenbare leden van de rallenfamilie.
Deze vogels leven vooral in moerassen, rietvelden, oeverzones van meren en plassen, overstroomde graslanden en andere natte gebieden met veel dekking. De grote tenen maken het mogelijk om over drijvende vegetatie en zachte modderbodems te lopen. Het voedsel bestaat uit zachte plantendelen, scheuten, zaden en wortels, aangevuld met insecten, slakken, kikkers, eieren en andere kleine dieren. Vaak wordt voedsel met de voet vastgehouden en vervolgens met de snavel bewerkt, wat een opvallend kenmerk van dit geslacht is.
De voortplanting vindt plaats in dichte moerasvegetatie. Het nest wordt meestal gebouwd van riet en ander plantenmateriaal en ligt goed verborgen boven het water of in natte oeverbegroeiing. Beide oudervogels nemen doorgaans deel aan het broeden en aan de verzorging van de jongen. Door de combinatie van opvallende kleuren, grote poten en een voorkeur voor dicht begroeide wetlands vormt Porphyrio een zeer karakteristiek geslacht binnen de watervogels.
Soorten binnen Porphyrio zijn stevig gebouwde vogels met lange poten, opvallend grote tenen en een krachtige, vaak felgekleurde snavel die doorloopt in een voorhoofdsschild. Het verenkleed is meestal rijk gekleurd en kan diepblauw, paars, groenblauw of donker violet zijn, afhankelijk van de soort. Door de combinatie van forse bouw, lange tenen en opvallende kleuren behoren deze vogels tot de meest herkenbare leden van de rallenfamilie.
Deze vogels leven vooral in moerassen, rietvelden, oeverzones van meren en plassen, overstroomde graslanden en andere natte gebieden met veel dekking. De grote tenen maken het mogelijk om over drijvende vegetatie en zachte modderbodems te lopen. Het voedsel bestaat uit zachte plantendelen, scheuten, zaden en wortels, aangevuld met insecten, slakken, kikkers, eieren en andere kleine dieren. Vaak wordt voedsel met de voet vastgehouden en vervolgens met de snavel bewerkt, wat een opvallend kenmerk van dit geslacht is.
De voortplanting vindt plaats in dichte moerasvegetatie. Het nest wordt meestal gebouwd van riet en ander plantenmateriaal en ligt goed verborgen boven het water of in natte oeverbegroeiing. Beide oudervogels nemen doorgaans deel aan het broeden en aan de verzorging van de jongen. Door de combinatie van opvallende kleuren, grote poten en een voorkeur voor dicht begroeide wetlands vormt Porphyrio een zeer karakteristiek geslacht binnen de watervogels.
Azuurpurperhoen
[latijn] Porphyrio flavirostris | [UK] Azure Gallinule | [FR] Azure Gallinule | [DE] Azursultanshuhn | [ES] Calamoncillo Celeste | [IT] Gallinella beccogiallo | [NL] Azuurpurperhoen

Azuurpurperhoen details
De Azuurpurperhoen (Porphyrio flavirostris) (Gmelin, 1789) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort komt voor in het noorden, het Amazonegebied en zuidelijk-centraal deel van Zuid-Amerika. Binnen delen van het verspreidingsgebied is de soort grotendeels standvogel, maar plaatselijk treden seizoensgebonden verplaatsingen op, vooral in samenhang met natte en droge perioden.
Het azuurpurperhoen is een kleine, slanke ralachtige met een opvallend licht groenig-gele snavel en voorhoofdsschild. De vleugeldekveren zijn groenachtig blauw tot azuurblauw, terwijl rug en staart bruiner van kleur zijn. De keel en onderzijde zijn wit en de poten zijn geel. Door de combinatie van lichte onderdelen, blauwige vleugels en gele poten is deze soort goed herkenbaar.
Deze soort leeft in zoetwatermoerassen met veel drijvende en dichte moerasvegetatie. Ook moerassige oevers van rivieren en meren worden benut. Het azuurpurperhoen houdt zich meestal op in laaglandgebieden met rustige, waterrijke begroeiing.
Het voedsel bestaat uit zaden, insecten en andere kleine ongewervelden die uit het water en uit de vegetatie worden genomen. De soort klimt geregeld in riet- en grasstengels en buigt die omlaag om bij voedsel te kunnen komen. Daardoor wordt het voedsel vaak heel gericht uit moerasplanten verzameld.
Het nest is een open kom van bladeren en ligt goed verborgen in dichte moerasvegetatie. Gewoonlijk worden vier tot vijf eieren gelegd. Beide oudervogels broeden en nemen deel aan de zorg voor het legsel.
Het azuurpurperhoen is een kleine, slanke ralachtige met een opvallend licht groenig-gele snavel en voorhoofdsschild. De vleugeldekveren zijn groenachtig blauw tot azuurblauw, terwijl rug en staart bruiner van kleur zijn. De keel en onderzijde zijn wit en de poten zijn geel. Door de combinatie van lichte onderdelen, blauwige vleugels en gele poten is deze soort goed herkenbaar.
Deze soort leeft in zoetwatermoerassen met veel drijvende en dichte moerasvegetatie. Ook moerassige oevers van rivieren en meren worden benut. Het azuurpurperhoen houdt zich meestal op in laaglandgebieden met rustige, waterrijke begroeiing.
Het voedsel bestaat uit zaden, insecten en andere kleine ongewervelden die uit het water en uit de vegetatie worden genomen. De soort klimt geregeld in riet- en grasstengels en buigt die omlaag om bij voedsel te kunnen komen. Daardoor wordt het voedsel vaak heel gericht uit moerasplanten verzameld.
Het nest is een open kom van bladeren en ligt goed verborgen in dichte moerasvegetatie. Gewoonlijk worden vier tot vijf eieren gelegd. Beide oudervogels broeden en nemen deel aan de zorg voor het legsel.

Amerikaanse Purperhoen
[latin] Porphyrio martinica | [UK] Purple Gallinule | [FR] Taleve violacee | [DE] | [ES] Calamoncillo Americano | [NL] Amerikaanse Purperhoen


Amerikaanse purperhoen details
Het Amerikaans purperhoen (Porphyrio martinica) (Linnaeus, 1766) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied dat loopt van het zuidoosten van de Verenigde Staten via Midden-Amerika en het Caribisch gebied tot in het noorden van Argentinië. Noord-Amerikaanse populaties trekken in het najaar zuidwaarts over de Golf van Mexico en keren in het voorjaar terug naar de broedgebieden. Zuid-Amerikaanse populaties zijn grotendeels standvogel, al treden in het zuidelijke deel van het areaal seizoensgebonden verplaatsingen op. De soort staat bovendien bekend om het optreden van dwaalgasten op grote afstand van het normale verspreidingsgebied.
Het Amerikaans purperhoen is een zeer kleurrijke ralachtige. Kop, hals, borst en flanken zijn overwegend paars tot violet. De rug en vleugels hebben een groenachtige tot petrolgroene glans. De onderstaartdekveren zijn helder wit en vallen vaak goed op. De snavel is rood met een gele punt en het voorhoofdsschild is licht blauw. De poten zijn geel. Door deze combinatie van felle kleuren en de slanke bouw is deze soort goed herkenbaar.
Deze soort leeft in moerassen, plassen, wetlands en andere waterrijke gebieden met veel watervegetatie. Ook kustnabije moerassen en ondiepe oeverzones worden gebruikt. Voor de voortplanting is dichte water- en oevervegetatie van groot belang. Het Amerikaans purperhoen loopt vaak over drijvende planten of tussen riet en andere moerasplanten en houdt zich meestal op in beschutte natte terreinen.
Het voedsel bestaat uit ongewervelden, kikkers, waterplanten, zaden en bessen. Het voedsel wordt gezocht langs oevers, wadend in ondiep water en ook zwemmend. Net als andere soorten uit dit geslacht kan het Amerikaans purperhoen voedsel handig met de tenen of vanuit de vegetatie opnemen. Daardoor is deze soort goed aangepast aan een leven in dicht begroeide moerassen.
Het nest wordt gebouwd van dode stengels en bladeren en ligt meestal laag boven het water, bijvoorbeeld op een drijvende vegetatiepol, in dicht zeggemoeras of tussen andere dichte moerasplanten. Gewoonlijk worden zes tot tien eieren gelegd. Beide oudervogels broeden en verzorgen de jongen. Tijdens de broedperiode vertonen de oudervogels opvallend gedrag waarbij nestmateriaal wordt overgedragen en aan het nest wordt toegevoegd bij de wisseling van de broedbeurt. De broedduur bedraagt ongeveer tweeëntwintig tot vijfentwintig dagen.
Het Amerikaans purperhoen is een zeer kleurrijke ralachtige. Kop, hals, borst en flanken zijn overwegend paars tot violet. De rug en vleugels hebben een groenachtige tot petrolgroene glans. De onderstaartdekveren zijn helder wit en vallen vaak goed op. De snavel is rood met een gele punt en het voorhoofdsschild is licht blauw. De poten zijn geel. Door deze combinatie van felle kleuren en de slanke bouw is deze soort goed herkenbaar.
Deze soort leeft in moerassen, plassen, wetlands en andere waterrijke gebieden met veel watervegetatie. Ook kustnabije moerassen en ondiepe oeverzones worden gebruikt. Voor de voortplanting is dichte water- en oevervegetatie van groot belang. Het Amerikaans purperhoen loopt vaak over drijvende planten of tussen riet en andere moerasplanten en houdt zich meestal op in beschutte natte terreinen.
Het voedsel bestaat uit ongewervelden, kikkers, waterplanten, zaden en bessen. Het voedsel wordt gezocht langs oevers, wadend in ondiep water en ook zwemmend. Net als andere soorten uit dit geslacht kan het Amerikaans purperhoen voedsel handig met de tenen of vanuit de vegetatie opnemen. Daardoor is deze soort goed aangepast aan een leven in dicht begroeide moerassen.
Het nest wordt gebouwd van dode stengels en bladeren en ligt meestal laag boven het water, bijvoorbeeld op een drijvende vegetatiepol, in dicht zeggemoeras of tussen andere dichte moerasplanten. Gewoonlijk worden zes tot tien eieren gelegd. Beide oudervogels broeden en verzorgen de jongen. Tijdens de broedperiode vertonen de oudervogels opvallend gedrag waarbij nestmateriaal wordt overgedragen en aan het nest wordt toegevoegd bij de wisseling van de broedbeurt. De broedduur bedraagt ongeveer tweeëntwintig tot vijfentwintig dagen.

Europese Purperkoet
[latijn] Porphyrio porphyrio | [UK] Purple Swamp-hen | [FR] Taleve sultane | [DE] Purpurhuhn | [ES] Calamon comun | [NL] Purperkoet





Purperkoet details
De Europese purperkoet (Porphyrio porphyrio) (Linnaeus, 1758) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied dat delen van Afrika, Eurazië, de Oriëntaalse regio en Australazië omvat. In het grootste deel van het areaal is de soort overwegend standvogel. Plaatselijk komen wel zwerfbewegingen en lokale seizoensverplaatsingen voor, bijvoorbeeld wanneer moerassen in droge perioden tijdelijk ongeschikt worden.
De Europese purperkoet is een grote, zware ralachtige en behoort tot de opvallendste soorten van de familie. De soort is veel groter en forser dan de meeste andere rallen. Kenmerkend zijn de zware driehoekige rode snavel, het rode voorhoofdsschild, de rode poten en de lange, slanke tenen. Het verenkleed is meestal overwegend blauw tot violet op kop en lichaam, met een donkerder, vaak groenig of zwartachtig getinte rug en bovenvleugels. Het vrouwtje is gemiddeld wat kleiner en heeft meestal een kleiner voorhoofdsschild. Jonge vogels zijn doffer van kleur dan volwassen exemplaren.
Deze soort leeft in stilstaand of langzaam stromend zoet of brak water met brede zones van riet, zeggen en andere oever- en moerasvegetatie. Meren, vijvers, plassen, moerassen, rivieren, overstroomde terreinen en andere beschutte natte gebieden worden gebruikt, zolang voldoende dekking aanwezig is. In sommige delen van het verspreidingsgebied worden ook tijdelijke of seizoensgebonden wetlands benut. De Europese purperkoet houdt zich meestal op in dichte moerasvegetatie, maar laat zich ook geregeld zien op open plekken langs de waterkant.
Het voedsel bestaat vooral uit plantaardig materiaal, zoals scheuten, bladeren, zaden en andere delen van water- en oeverplanten. Daarnaast worden ook dierlijke prooien gegeten, waaronder kleine ongewervelden. Net als andere soorten uit dit geslacht gebruikt de Europese purperkoet de grote tenen vaak behendig om voedsel vast te houden en naar de snavel te brengen. Daardoor kan gericht worden gefoerageerd tussen stengels en drijvende vegetatie.
De voortplanting vindt plaats in dichte moerasvegetatie, meestal in ondiep water. Het nest is een groot en stevig bouwwerk van dode stengels en bladeren van waterplanten en ligt vaak op een platgetrapte vegetatiebasis. Beide oudervogels bouwen mee aan het nest. Gewoonlijk worden drie tot vijf eieren gelegd. Beide oudervogels broeden en soms helpen ook andere vogels mee met de verzorging. De broedduur bedraagt ongeveer drieëntwintig tot zevenentwintig dagen. De jongen zijn zwart donsachtig en hebben opvallende lichte sierpluimpjes op kop, hals en rug. De eerste voortplanting vindt meestal plaats na één tot twee jaar.
De Europese purperkoet is een grote, zware ralachtige en behoort tot de opvallendste soorten van de familie. De soort is veel groter en forser dan de meeste andere rallen. Kenmerkend zijn de zware driehoekige rode snavel, het rode voorhoofdsschild, de rode poten en de lange, slanke tenen. Het verenkleed is meestal overwegend blauw tot violet op kop en lichaam, met een donkerder, vaak groenig of zwartachtig getinte rug en bovenvleugels. Het vrouwtje is gemiddeld wat kleiner en heeft meestal een kleiner voorhoofdsschild. Jonge vogels zijn doffer van kleur dan volwassen exemplaren.
Deze soort leeft in stilstaand of langzaam stromend zoet of brak water met brede zones van riet, zeggen en andere oever- en moerasvegetatie. Meren, vijvers, plassen, moerassen, rivieren, overstroomde terreinen en andere beschutte natte gebieden worden gebruikt, zolang voldoende dekking aanwezig is. In sommige delen van het verspreidingsgebied worden ook tijdelijke of seizoensgebonden wetlands benut. De Europese purperkoet houdt zich meestal op in dichte moerasvegetatie, maar laat zich ook geregeld zien op open plekken langs de waterkant.
Het voedsel bestaat vooral uit plantaardig materiaal, zoals scheuten, bladeren, zaden en andere delen van water- en oeverplanten. Daarnaast worden ook dierlijke prooien gegeten, waaronder kleine ongewervelden. Net als andere soorten uit dit geslacht gebruikt de Europese purperkoet de grote tenen vaak behendig om voedsel vast te houden en naar de snavel te brengen. Daardoor kan gericht worden gefoerageerd tussen stengels en drijvende vegetatie.
De voortplanting vindt plaats in dichte moerasvegetatie, meestal in ondiep water. Het nest is een groot en stevig bouwwerk van dode stengels en bladeren van waterplanten en ligt vaak op een platgetrapte vegetatiebasis. Beide oudervogels bouwen mee aan het nest. Gewoonlijk worden drie tot vijf eieren gelegd. Beide oudervogels broeden en soms helpen ook andere vogels mee met de verzorging. De broedduur bedraagt ongeveer drieëntwintig tot zevenentwintig dagen. De jongen zijn zwart donsachtig en hebben opvallende lichte sierpluimpjes op kop, hals en rug. De eerste voortplanting vindt meestal plaats na één tot twee jaar.

Australische purperkoet
[latijn] Porphyrio melanotus | [UK] Australasian swamphen | [FR] Pukeko | [DE] Australasische Purpurhuhn | [ES] calamón pukeko | [NL] Australische purperkoet







Australisch purperkoet details
Het Australisch purperhoen (Porphyrio melanotus) (Temminck, 1820) is een grote, opvallende ralachtige uit Australazië en heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort komt voor in Australië, Nieuw-Zeeland, Nieuw-Guinea en op verschillende eilanden in de omliggende regio. Binnen grote delen van het verspreidingsgebied is de soort vooral standvogel, al kunnen plaatselijk zwerfbewegingen en seizoensverplaatsingen optreden.
Het Australisch purperhoen is een forse vogel met lange rode poten, grote tenen en een krachtige rode snavel met een rood voorhoofdsschild. Het verenkleed is overwegend blauwpaars tot diep blauw, met donkerder bovenzijde en rug. De onderstaartdekveren zijn wit en vallen vaak goed op wanneer de staart wordt geheven. Door de combinatie van felle kleuren, stevige bouw en opvallend grote poten is deze soort goed herkenbaar.
Deze soort leeft vooral in moerassen, rietvelden, natte graslanden, oevers van plassen en meren en andere waterrijke gebieden met dichte vegetatie. Daarnaast worden ook weilanden, sloten, wegbermen en andere door mensen beïnvloede landschappen benut, zolang water en dekking aanwezig zijn. Het Australisch purperhoen loopt vaak over drijvende vegetatie of door dichte oeverbegroeiing en laat zich in open terrein geregeld goed zien.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit plantaardig materiaal, zoals grasstengels, scheuten, bladeren en zaden. Daarnaast worden ook insecten en andere kleine dieren gegeten. Net als andere soorten uit dit geslacht gebruikt het Australisch purperhoen de voeten vaak behendig om voedsel vast te houden en naar de snavel te brengen. Daardoor kan heel gericht tussen stengels en moerasplanten worden gefoerageerd.
De voortplanting is sociaal en opvallend. In veel gebieden leeft deze soort in groepen waarin meerdere volwassen vogels samenwerken bij de verdediging van het territorium, het broeden en de zorg voor de jongen. Het nest ligt meestal goed verborgen in dichte moerasvegetatie en wordt gebouwd van riet en ander plantenmateriaal. Gewoonlijk worden meerdere eieren gelegd in één nest. Beide oudervogels, en soms ook andere groepsleden, helpen mee met het uitbroeden en het grootbrengen van de jongen.
Het Australisch purperhoen is een forse vogel met lange rode poten, grote tenen en een krachtige rode snavel met een rood voorhoofdsschild. Het verenkleed is overwegend blauwpaars tot diep blauw, met donkerder bovenzijde en rug. De onderstaartdekveren zijn wit en vallen vaak goed op wanneer de staart wordt geheven. Door de combinatie van felle kleuren, stevige bouw en opvallend grote poten is deze soort goed herkenbaar.
Deze soort leeft vooral in moerassen, rietvelden, natte graslanden, oevers van plassen en meren en andere waterrijke gebieden met dichte vegetatie. Daarnaast worden ook weilanden, sloten, wegbermen en andere door mensen beïnvloede landschappen benut, zolang water en dekking aanwezig zijn. Het Australisch purperhoen loopt vaak over drijvende vegetatie of door dichte oeverbegroeiing en laat zich in open terrein geregeld goed zien.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit plantaardig materiaal, zoals grasstengels, scheuten, bladeren en zaden. Daarnaast worden ook insecten en andere kleine dieren gegeten. Net als andere soorten uit dit geslacht gebruikt het Australisch purperhoen de voeten vaak behendig om voedsel vast te houden en naar de snavel te brengen. Daardoor kan heel gericht tussen stengels en moerasplanten worden gefoerageerd.
De voortplanting is sociaal en opvallend. In veel gebieden leeft deze soort in groepen waarin meerdere volwassen vogels samenwerken bij de verdediging van het territorium, het broeden en de zorg voor de jongen. Het nest ligt meestal goed verborgen in dichte moerasvegetatie en wordt gebouwd van riet en ander plantenmateriaal. Gewoonlijk worden meerdere eieren gelegd in één nest. Beide oudervogels, en soms ook andere groepsleden, helpen mee met het uitbroeden en het grootbrengen van de jongen.

Grijskoppurperkoet
[LAT] Porphyrio poliocephalus |
[UK] Grey-headed Swamphen |
[FR] Talève à tête grise |
[DE] Graukopfhühner |
[ES] Calamón cabecigrís |
[NL] Grijskoppurperkoet


Grijskoppurperkoet details
De Grijskoppurperkoet (Porphyrio poliocephalus) (Latham, 1801) is een grote en opvallende ralachtige uit Zuid- en Zuidoost-Azië en heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort komt voor van het Indisch subcontinent tot in delen van Zuidoost-Azië en het Midden-Oosten. In grote delen van het verspreidingsgebied is de soort overwegend standvogel, al kunnen plaatselijk verplaatsingen optreden onder invloed van regenval, waterstand en de beschikbaarheid van geschikt moerasgebied.
De grijskoppurperkoet is een forse vogel met lange rode poten, zeer lange tenen en een zware rode snavel met een opvallend voorhoofdsschild. De kop, hals en borst zijn grijzer tot licht blauwgrijs van tint, terwijl rug en bovenzijde donkerder blauw tot blauwgroen zijn. De onderzijde is overwegend blauwpaars en de onderstaartdekveren zijn wit. Door de combinatie van grijze kop, felrode snavel en poten en het overwegend blauw getinte lichaam is deze soort goed herkenbaar.
Deze soort leeft vooral in moerassen, rietvelden, overstroomde graslanden, meren, vijvers, rivieroevers en andere waterrijke gebieden met dichte oever- en watervegetatie. Ook rijstvelden, irrigatiegebieden en andere door mensen beïnvloede natte landschappen worden vaak benut. De grijskoppurperkoet loopt behendig over drijvende vegetatie en houdt zich meestal op in dicht begroeide moeraszones, maar laat zich geregeld op open plekken zien.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit plantaardig materiaal zoals jonge scheuten, bladeren, zaden en andere delen van water- en oeverplanten. Daarnaast worden ook insecten, slakken, kleine kikkers en andere kleine dieren gegeten. Net als andere purperkoeten gebruikt deze soort de voeten vaak opvallend handig om voedsel vast te houden en naar de snavel te brengen. Daardoor kan heel gericht tussen stengels en moerasplanten worden gefoerageerd.
Het nest wordt gebouwd in dichte moerasvegetatie en bestaat uit een vrij groot bouwwerk van riet en ander plantenmateriaal. Het ligt meestal goed verborgen boven ondiep water of op platgedrukte vegetatie. Gewoonlijk worden meerdere eieren gelegd. Beide oudervogels nemen deel aan het broeden en aan de verzorging van de jongen. In geschikte leefgebieden kan de soort plaatselijk vrij algemeen zijn en vormt de grijskoppurperkoet een opvallende verschijning in natte, dicht begroeide landschappen.
De grijskoppurperkoet is een forse vogel met lange rode poten, zeer lange tenen en een zware rode snavel met een opvallend voorhoofdsschild. De kop, hals en borst zijn grijzer tot licht blauwgrijs van tint, terwijl rug en bovenzijde donkerder blauw tot blauwgroen zijn. De onderzijde is overwegend blauwpaars en de onderstaartdekveren zijn wit. Door de combinatie van grijze kop, felrode snavel en poten en het overwegend blauw getinte lichaam is deze soort goed herkenbaar.
Deze soort leeft vooral in moerassen, rietvelden, overstroomde graslanden, meren, vijvers, rivieroevers en andere waterrijke gebieden met dichte oever- en watervegetatie. Ook rijstvelden, irrigatiegebieden en andere door mensen beïnvloede natte landschappen worden vaak benut. De grijskoppurperkoet loopt behendig over drijvende vegetatie en houdt zich meestal op in dicht begroeide moeraszones, maar laat zich geregeld op open plekken zien.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit plantaardig materiaal zoals jonge scheuten, bladeren, zaden en andere delen van water- en oeverplanten. Daarnaast worden ook insecten, slakken, kleine kikkers en andere kleine dieren gegeten. Net als andere purperkoeten gebruikt deze soort de voeten vaak opvallend handig om voedsel vast te houden en naar de snavel te brengen. Daardoor kan heel gericht tussen stengels en moerasplanten worden gefoerageerd.
Het nest wordt gebouwd in dichte moerasvegetatie en bestaat uit een vrij groot bouwwerk van riet en ander plantenmateriaal. Het ligt meestal goed verborgen boven ondiep water of op platgedrukte vegetatie. Gewoonlijk worden meerdere eieren gelegd. Beide oudervogels nemen deel aan het broeden en aan de verzorging van de jongen. In geschikte leefgebieden kan de soort plaatselijk vrij algemeen zijn en vormt de grijskoppurperkoet een opvallende verschijning in natte, dicht begroeide landschappen.

Genus Gallinula
Gallinula (Brisson, 1760) is een geslacht binnen de ralachtigen en omvat de waterhoenen. Het gaat om middelgrote, slank gebouwde moerasvogels die in grote delen van de wereld voorkomen. Soorten uit dit geslacht leven vooral in moerassen, sloten, vijvers, plassen, langzaam stromende wateren en andere natte gebieden met dichte oevervegetatie. Binnen de rallenfamilie vormen zij een bekende en wijdverspreide groep.
Soorten binnen Gallinula hebben een vrij compacte lichaamsbouw, lange tenen, middelgrote poten en een opvallende snavel die vaak roodachtig is met een gekleurde punt. Ook het voorhoofdsschild is meestal duidelijk zichtbaar. Het verenkleed is vaak donker grijsbruin tot zwartachtig, soms met lichtere strepen of witte onderstaartdekveren. Door de combinatie van donkere lichaamskleur, opvallende snavel en de gewoonte om met de staart te wippen zijn waterhoenen in het veld meestal goed te herkennen.
Het voedsel bestaat uit plantaardig materiaal, zaden, scheuten, algen en waterplanten, aangevuld met insecten, slakken en andere kleine dieren. Veel voedsel wordt langs de waterkant, op drijvende vegetatie of in ondiep water gezocht. Soorten uit Gallinula zwemmen goed, lopen behendig over modderige oevers en houden zich vaak op in dekking, maar verschijnen ook geregeld op open plekken.
De voortplanting vindt plaats in dichte vegetatie langs of boven het water. Het nest wordt meestal gebouwd van riet, gras en ander plantenmateriaal en ligt goed verborgen tussen oeverplanten of in struiken vlak boven het water. Beide oudervogels nemen doorgaans deel aan het bouwen, broeden en verzorgen van de jongen. Door de combinatie van verborgen leefwijze, brede habitatkeuze en herkenbaar gedrag vormt Gallinula een karakteristiek geslacht binnen de moerasvogels.
Soorten binnen Gallinula hebben een vrij compacte lichaamsbouw, lange tenen, middelgrote poten en een opvallende snavel die vaak roodachtig is met een gekleurde punt. Ook het voorhoofdsschild is meestal duidelijk zichtbaar. Het verenkleed is vaak donker grijsbruin tot zwartachtig, soms met lichtere strepen of witte onderstaartdekveren. Door de combinatie van donkere lichaamskleur, opvallende snavel en de gewoonte om met de staart te wippen zijn waterhoenen in het veld meestal goed te herkennen.
Het voedsel bestaat uit plantaardig materiaal, zaden, scheuten, algen en waterplanten, aangevuld met insecten, slakken en andere kleine dieren. Veel voedsel wordt langs de waterkant, op drijvende vegetatie of in ondiep water gezocht. Soorten uit Gallinula zwemmen goed, lopen behendig over modderige oevers en houden zich vaak op in dekking, maar verschijnen ook geregeld op open plekken.
De voortplanting vindt plaats in dichte vegetatie langs of boven het water. Het nest wordt meestal gebouwd van riet, gras en ander plantenmateriaal en ligt goed verborgen tussen oeverplanten of in struiken vlak boven het water. Beide oudervogels nemen doorgaans deel aan het bouwen, broeden en verzorgen van de jongen. Door de combinatie van verborgen leefwijze, brede habitatkeuze en herkenbaar gedrag vormt Gallinula een karakteristiek geslacht binnen de moerasvogels.
Waterhoen
[latijn] Gallinula chloropus | [UK] Common Gallinule | [FR] Gallinule poule-d’eau | [DE] Teichhuhn | [ES] Gallereta Comun | [NL] Waterhoen




Waterhoen details
Het Waterhoen (Gallinula chloropus) (Linnaeus, 1758) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied en komt voor in Eurazië, Afrika, op eilanden in de Indische Oceaan, in Zuid- en Zuidoost-Azië, op de Filipijnen en op de Noordelijke Marianen. In het zuiden en uiterste westen van het areaal is het waterhoen vooral standvogel of zwerfvogel, terwijl de soort elders in het westelijk Palearctisch gebied gedeeltelijk tot duidelijk trekkend is. Noordelijke en oostelijke populaties trekken in de winter vooral naar zuidwestelijker gebieden. De najaarstrek vindt vooral plaats van september tot november, terwijl de voorjaarstrek meestal in maart en april verloopt.
Het waterhoen is een middelgrote ralachtige met een opvallende snavel en een duidelijk voorhoofdsschild. Op afstand oogt de vogel vrijwel zwart, maar dichterbij vallen de rode snavel met gele punt en het rode voorhoofdsschild direct op. Langs de bovenzijde van de flank loopt een smalle witte streep en onder de staart zijn witte onderstaartdekveren zichtbaar. Het karakteristieke wippen met de staart maakt deze soort extra herkenbaar. De bouw is slank maar stevig, met lange tenen die goed geschikt zijn voor een leven in moerassige vegetatie en langs oevers.
Deze soort is sterk gebonden aan zoet water met voldoende plantendekking. Het waterhoen leeft op vijvers, plassen, sloten, kanalen, beken, rivieren, moerassen en andere kleine tot middelgrote wateren, zolang open water en dekking elkaar afwisselen. In tegenstelling tot veel kleinere rallen blijft het waterhoen niet voortdurend verborgen in de dichte vegetatie, al wordt die wel veel gebruikt als schuilplaats. Ook bomen en struiken langs het water worden benut om in te rusten, te slapen of soms zelfs te broeden. Grote open wateren zonder beschutting, zoutwatermilieus en voedselarme wateren worden meestal vermeden.
Het voedsel is zeer gevarieerd en bestaat uit zowel plantaardig als dierlijk materiaal. Water- en landplanten, weekdieren, regenwormen, insecten, kikkervisjes en eieren vormen samen een breed menu. Het voedsel wordt gezocht zwemmend, lopend over drijvende vegetatie of foeragerend op de oever en op het land. Soms wordt met de kop onder water gedoken, soms worden voedseldeeltjes van het oppervlak genomen, en af en toe wordt voedsel van andere vogels afgepakt. Het waterhoen is vooral overdag actief, maar kan ook tijdens heldere nachten voedsel zoeken.
Het broedseizoen loopt van maart tot juli in Zuid-Europa en kan in noordelijker gebieden tot in augustus doorgaan. Het nest wordt gebouwd van twijgen, grove stengels, gras en fijner plantenmateriaal en kan variëren van een eenvoudige schotelvorm tot een diepere en stevigere kom. Het ligt meestal dicht bij het water, in oevervegetatie, op drijvende planten en soms zelfs in struiken of bomen, plaatselijk tot enkele meters boven de grond. Het waterhoen leeft meestal monogaam, maar andere broedsystemen komen ook voor. Beide oudervogels bouwen het nest en broeden de eieren uit. De legselgrootte varieert meestal van vijf tot negen eieren. De broedduur bedraagt ongeveer zeventien tot tweeëntwintig dagen. De jongen zijn nestvlieders, blijven de eerste dagen nog dicht bij het nest en worden daarna door beide oudervogels verzorgd en gevoerd. Na ongeveer veertig tot vijftig dagen zijn de jongen vliegvlug en later volledig zelfstandig.
Het waterhoen is een middelgrote ralachtige met een opvallende snavel en een duidelijk voorhoofdsschild. Op afstand oogt de vogel vrijwel zwart, maar dichterbij vallen de rode snavel met gele punt en het rode voorhoofdsschild direct op. Langs de bovenzijde van de flank loopt een smalle witte streep en onder de staart zijn witte onderstaartdekveren zichtbaar. Het karakteristieke wippen met de staart maakt deze soort extra herkenbaar. De bouw is slank maar stevig, met lange tenen die goed geschikt zijn voor een leven in moerassige vegetatie en langs oevers.
Deze soort is sterk gebonden aan zoet water met voldoende plantendekking. Het waterhoen leeft op vijvers, plassen, sloten, kanalen, beken, rivieren, moerassen en andere kleine tot middelgrote wateren, zolang open water en dekking elkaar afwisselen. In tegenstelling tot veel kleinere rallen blijft het waterhoen niet voortdurend verborgen in de dichte vegetatie, al wordt die wel veel gebruikt als schuilplaats. Ook bomen en struiken langs het water worden benut om in te rusten, te slapen of soms zelfs te broeden. Grote open wateren zonder beschutting, zoutwatermilieus en voedselarme wateren worden meestal vermeden.
Het voedsel is zeer gevarieerd en bestaat uit zowel plantaardig als dierlijk materiaal. Water- en landplanten, weekdieren, regenwormen, insecten, kikkervisjes en eieren vormen samen een breed menu. Het voedsel wordt gezocht zwemmend, lopend over drijvende vegetatie of foeragerend op de oever en op het land. Soms wordt met de kop onder water gedoken, soms worden voedseldeeltjes van het oppervlak genomen, en af en toe wordt voedsel van andere vogels afgepakt. Het waterhoen is vooral overdag actief, maar kan ook tijdens heldere nachten voedsel zoeken.
Het broedseizoen loopt van maart tot juli in Zuid-Europa en kan in noordelijker gebieden tot in augustus doorgaan. Het nest wordt gebouwd van twijgen, grove stengels, gras en fijner plantenmateriaal en kan variëren van een eenvoudige schotelvorm tot een diepere en stevigere kom. Het ligt meestal dicht bij het water, in oevervegetatie, op drijvende planten en soms zelfs in struiken of bomen, plaatselijk tot enkele meters boven de grond. Het waterhoen leeft meestal monogaam, maar andere broedsystemen komen ook voor. Beide oudervogels bouwen het nest en broeden de eieren uit. De legselgrootte varieert meestal van vijf tot negen eieren. De broedduur bedraagt ongeveer zeventien tot tweeëntwintig dagen. De jongen zijn nestvlieders, blijven de eerste dagen nog dicht bij het nest en worden daarna door beide oudervogels verzorgd en gevoerd. Na ongeveer veertig tot vijftig dagen zijn de jongen vliegvlug en later volledig zelfstandig.

Zwart Waterhoen
[latijn] Gallinula tenebrosa | [UK] Dusky moorhen | [FR] Gallinule sombre | [DE] Papua-Teichhuhn | [ES] Gallereta parda | [NL] Zwart Waterhoen






Zwart Waterhoen details
Het Zwarte waterhoen (Gallinula tenebrosa) (Gould, 1846) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een groot verspreidingsgebied in Australazië en komt wijdverspreid voor in Australië, Nieuw-Guinea en op nabijgelegen eilanden. In grote delen van het areaal is de soort standvogel, al kunnen plaatselijk verplaatsingen optreden onder invloed van regenval, droogte en veranderingen in waterstanden.
Het zwarte waterhoen is een middelgrote ralachtige met een overwegend donker verenkleed. De soort oogt meestal donker leigrijs tot zwartachtig en heeft, net als andere waterhoenen, een opvallende snavel en een duidelijk voorhoofdsschild. De snavel is roodachtig met een lichtere tot gelige punt. De poten zijn stevig en de lange tenen maken het mogelijk om zich goed te bewegen over modderige oevers en drijvende vegetatie. Door de donkere lichaamskleur en de vrij forse bouw is deze soort in geschikt leefgebied meestal goed te herkennen.
Deze soort leeft in moerassen, plassen, langzaam stromende wateren, sloten, lagunes en andere natte gebieden met dichte oever- en watervegetatie. Zowel zoetwatermilieus als plaatselijk licht brakke wateren kunnen worden gebruikt. Het zwarte waterhoen houdt zich vaak op aan de rand van rietvelden, biezenvegetaties en andere beschutte moeraszones, maar laat zich ook zien op open modderige oevers en in ondiep water.
Het voedsel bestaat uit plantaardig materiaal en kleine dierlijke prooien. Waterplanten, zaden en zachte scheuten vormen een belangrijk deel van het menu, aangevuld met insecten, weekdieren en andere kleine ongewervelden. Het voedsel wordt gezocht langs de waterkant, op drijvende vegetatie en in ondiep water, waarbij de soort zowel lopend als zwemmend foerageert.
Het nest wordt meestal gebouwd in dichte vegetatie vlak boven of direct aan het water. Het bestaat uit riet, gras en ander plantenmateriaal en ligt goed verborgen tussen moerasplanten. Beide oudervogels nemen deel aan het bouwen van het nest, het broeden en de verzorging van de jongen. Net als bij andere waterhoenen zijn de jongen nestvlieders en kunnen zij kort na het uitkomen al met de oudervogels meelopen, al blijven zij in het begin nog sterk afhankelijk van bescherming en begeleiding.
Het zwarte waterhoen is een middelgrote ralachtige met een overwegend donker verenkleed. De soort oogt meestal donker leigrijs tot zwartachtig en heeft, net als andere waterhoenen, een opvallende snavel en een duidelijk voorhoofdsschild. De snavel is roodachtig met een lichtere tot gelige punt. De poten zijn stevig en de lange tenen maken het mogelijk om zich goed te bewegen over modderige oevers en drijvende vegetatie. Door de donkere lichaamskleur en de vrij forse bouw is deze soort in geschikt leefgebied meestal goed te herkennen.
Deze soort leeft in moerassen, plassen, langzaam stromende wateren, sloten, lagunes en andere natte gebieden met dichte oever- en watervegetatie. Zowel zoetwatermilieus als plaatselijk licht brakke wateren kunnen worden gebruikt. Het zwarte waterhoen houdt zich vaak op aan de rand van rietvelden, biezenvegetaties en andere beschutte moeraszones, maar laat zich ook zien op open modderige oevers en in ondiep water.
Het voedsel bestaat uit plantaardig materiaal en kleine dierlijke prooien. Waterplanten, zaden en zachte scheuten vormen een belangrijk deel van het menu, aangevuld met insecten, weekdieren en andere kleine ongewervelden. Het voedsel wordt gezocht langs de waterkant, op drijvende vegetatie en in ondiep water, waarbij de soort zowel lopend als zwemmend foerageert.
Het nest wordt meestal gebouwd in dichte vegetatie vlak boven of direct aan het water. Het bestaat uit riet, gras en ander plantenmateriaal en ligt goed verborgen tussen moerasplanten. Beide oudervogels nemen deel aan het bouwen van het nest, het broeden en de verzorging van de jongen. Net als bij andere waterhoenen zijn de jongen nestvlieders en kunnen zij kort na het uitkomen al met de oudervogels meelopen, al blijven zij in het begin nog sterk afhankelijk van bescherming en begeleiding.

Amerikaans waterhoen
[LAT] Gallinula galeata |
[UK] Common Gallinule |
[FR] Gallinule d’Amérique |
[DE] Amerikanisches Teichhuhn |
[ES] Gallineta común americana |
[NL] Amerikaans waterhoen



Amerikaans waterhoen details
Het Amerikaans waterhoen (Gallinula galeata) (Lichtenstein, 1818) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een groot verspreidingsgebied in Noord- en Zuid-Amerika en komt daarnaast ook voor op Hawaï. In het zuidelijke deel van het areaal en in sommige westelijke gebieden is de soort vooral standvogel of zwerfvogel, terwijl noordelijkere populaties trekgedrag vertonen. In de Verenigde Staten is het Amerikaans waterhoen in sommige staten het hele jaar aanwezig, terwijl in andere delen van Noord-Amerika vooral in de zomer wordt gebroed en in de winter naar zuidelijker gebieden wordt uitgeweken.
Het Amerikaans waterhoen is een middelgrote ralachtige met een slanke maar stevige bouw, lange tenen en een opvallende snavel met voorhoofdsschild. Het verenkleed is overwegend donker grijszwart tot zwartachtig. Langs de flank loopt een fijne witte lijn en onder de staart zijn witte onderstaartdekveren zichtbaar. De snavel is rood met een gelige punt en ook het voorhoofdsschild is rood. Door de donkere lichaamskleur, de witte flankstreep en het kenmerkende staartwippen is deze soort goed herkenbaar.
Deze soort is sterk gebonden aan zoet water met voldoende plantendekking. Het Amerikaans waterhoen leeft in moerassen, plassen, vijvers, sloten, kanalen, beken en andere kleine tot middelgrote wateren met beschutte oevers. Dichte oevervegetatie is belangrijk, maar de soort houdt zich niet voortdurend verborgen en verschijnt geregeld op open plekken langs het water. Ook bomen en struiken langs de waterkant worden benut om in te rusten, te slapen of soms zelfs te broeden. In Suriname geldt deze soort als schaars en vrij verborgen in dichte moerasgebieden.
Het voedsel is zeer gevarieerd en bestaat uit zowel plantaardig als dierlijk materiaal. Water- en landplanten, weekdieren, regenwormen, insecten, kikkervisjes en eieren maken deel uit van het menu. Het voedsel wordt gezocht zwemmend, lopend over drijvende vegetatie of foeragerend op modderige oevers en op het land. Soms wordt ook voedsel van andere vogels afgepakt. De soort is vooral overdag actief, maar kan ook in heldere nachten voedsel zoeken.
De voortplanting vindt in tropische gebieden vrijwel het hele jaar plaats en elders vooral in de warmere maanden. Het broedgedrag is opvallend, omdat vrouwtjes actief kunnen concurreren om paringen met mannetjes. De paring vindt op het land plaats. Gewoonlijk worden vijf tot negen eieren gelegd, al kan de legselgrootte variëren. De broedduur bedraagt ongeveer zeventien tot tweeëntwintig dagen. Beide oudervogels nemen deel aan het broeden en aan de verzorging van de jongen, al speelt het mannetje vaak een grote rol bij het broeden. De jongen zijn nestvlieders en verlaten het nest kort na het uitkomen, maar blijven nog langere tijd afhankelijk van bescherming en voedsel van de oudervogels.
Het Amerikaans waterhoen is een middelgrote ralachtige met een slanke maar stevige bouw, lange tenen en een opvallende snavel met voorhoofdsschild. Het verenkleed is overwegend donker grijszwart tot zwartachtig. Langs de flank loopt een fijne witte lijn en onder de staart zijn witte onderstaartdekveren zichtbaar. De snavel is rood met een gelige punt en ook het voorhoofdsschild is rood. Door de donkere lichaamskleur, de witte flankstreep en het kenmerkende staartwippen is deze soort goed herkenbaar.
Deze soort is sterk gebonden aan zoet water met voldoende plantendekking. Het Amerikaans waterhoen leeft in moerassen, plassen, vijvers, sloten, kanalen, beken en andere kleine tot middelgrote wateren met beschutte oevers. Dichte oevervegetatie is belangrijk, maar de soort houdt zich niet voortdurend verborgen en verschijnt geregeld op open plekken langs het water. Ook bomen en struiken langs de waterkant worden benut om in te rusten, te slapen of soms zelfs te broeden. In Suriname geldt deze soort als schaars en vrij verborgen in dichte moerasgebieden.
Het voedsel is zeer gevarieerd en bestaat uit zowel plantaardig als dierlijk materiaal. Water- en landplanten, weekdieren, regenwormen, insecten, kikkervisjes en eieren maken deel uit van het menu. Het voedsel wordt gezocht zwemmend, lopend over drijvende vegetatie of foeragerend op modderige oevers en op het land. Soms wordt ook voedsel van andere vogels afgepakt. De soort is vooral overdag actief, maar kan ook in heldere nachten voedsel zoeken.
De voortplanting vindt in tropische gebieden vrijwel het hele jaar plaats en elders vooral in de warmere maanden. Het broedgedrag is opvallend, omdat vrouwtjes actief kunnen concurreren om paringen met mannetjes. De paring vindt op het land plaats. Gewoonlijk worden vijf tot negen eieren gelegd, al kan de legselgrootte variëren. De broedduur bedraagt ongeveer zeventien tot tweeëntwintig dagen. Beide oudervogels nemen deel aan het broeden en aan de verzorging van de jongen, al speelt het mannetje vaak een grote rol bij het broeden. De jongen zijn nestvlieders en verlaten het nest kort na het uitkomen, maar blijven nog langere tijd afhankelijk van bescherming en voedsel van de oudervogels.

Genus Amaurornis
Amaurornis (Reichenbach, 1853) is een geslacht binnen de ralachtigen en omvat een groep middelgrote moerasvogels uit Afrika, Azië en aangrenzende eilanden. Soorten uit dit geslacht leven vooral in moerassen, natte graslanden, rietvelden, bosranden met water en andere dichte, waterrijke leefgebieden. Vaak gaat het om vogels met een vrij verborgen levenswijze die zich vooral tussen lage vegetatie en langs modderige oevers ophouden.
Soorten binnen Amaurornis zijn meestal slank tot vrij stevig gebouwd, met lange poten, lange tenen en een relatief korte staart. Het verenkleed is vaak overwegend donker grijs, bruin of zwartachtig, geregeld gecombineerd met opvallend lichtere onderdelen of contrasterende onderstaartdekveren. De snavel is doorgaans vrij stevig en kan groenig, geelachtig of roodachtig gekleurd zijn, afhankelijk van de soort. Door de combinatie van donkere tinten, lange poten en verborgen gedrag zijn deze vogels typisch voor dichte moerasvegetaties.
Het voedsel bestaat uit insecten, weekdieren, kleine waterdieren, zaden en andere plantaardige delen. Veel soorten foerageren op modderige oevers, in ondiep water of tussen drijvende en dichte vegetatie. Daarbij wordt rustig gelopen, geprikt en gezocht tussen bladeren, stengels en slik. In vergelijking met meerkoeten en waterhoenen houden soorten uit Amaurornis zich meestal nog sterker aan dekking.
De voortplanting vindt plaats in dichte moeras- of oevervegetatie. Het nest wordt meestal goed verborgen gebouwd van gras, riet en ander plantenmateriaal, vaak laag boven het water of op een droge plek in dichte begroeiing. Beide oudervogels nemen doorgaans deel aan het broeden en aan de verzorging van de jongen. Door de combinatie van verborgen leefwijze, voorkeur voor natte dichte vegetatie en een vaak schimmig uiterlijk vormt Amaurornis een karakteristiek geslacht binnen de moerasvogels.
Soorten binnen Amaurornis zijn meestal slank tot vrij stevig gebouwd, met lange poten, lange tenen en een relatief korte staart. Het verenkleed is vaak overwegend donker grijs, bruin of zwartachtig, geregeld gecombineerd met opvallend lichtere onderdelen of contrasterende onderstaartdekveren. De snavel is doorgaans vrij stevig en kan groenig, geelachtig of roodachtig gekleurd zijn, afhankelijk van de soort. Door de combinatie van donkere tinten, lange poten en verborgen gedrag zijn deze vogels typisch voor dichte moerasvegetaties.
Het voedsel bestaat uit insecten, weekdieren, kleine waterdieren, zaden en andere plantaardige delen. Veel soorten foerageren op modderige oevers, in ondiep water of tussen drijvende en dichte vegetatie. Daarbij wordt rustig gelopen, geprikt en gezocht tussen bladeren, stengels en slik. In vergelijking met meerkoeten en waterhoenen houden soorten uit Amaurornis zich meestal nog sterker aan dekking.
De voortplanting vindt plaats in dichte moeras- of oevervegetatie. Het nest wordt meestal goed verborgen gebouwd van gras, riet en ander plantenmateriaal, vaak laag boven het water of op een droge plek in dichte begroeiing. Beide oudervogels nemen doorgaans deel aan het broeden en aan de verzorging van de jongen. Door de combinatie van verborgen leefwijze, voorkeur voor natte dichte vegetatie en een vaak schimmig uiterlijk vormt Amaurornis een karakteristiek geslacht binnen de moerasvogels.
Zwart porseleinhoen
[latin] Amaurornis flavirostra | [UK] Black Crake | [FR] Rale a bec jaune | [DE] | [ES] Polluela Negra Africana | [NL] Zwart Porseleinhoen


Zwart porseleinhoen details
Het Zwart porseleinhoen (Amaurornis flavirostra) (Swainson, 1837) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort komt wijdverspreid voor in Afrika. In grote delen van het verspreidingsgebied is het een standvogel, maar plaatselijk treden ook seizoensgebonden verplaatsingen op. Vooral in drogere delen van Afrika verschijnt de soort vaak in de regentijd en verdwijnt weer wanneer natte leefgebieden opdrogen. Ook jonge vogels kunnen zich over grotere afstanden verspreiden.
Het zwart porseleinhoen is een kleine, verborgen levende moerasvogel met een overwegend zwart verenkleed. De vleugels zijn afgerond, de poten en tenen zijn lang en opvallend rood, en de snavel is kort, stevig en geel. Door deze combinatie van zwarte lichaamskleur, rode poten en gele snavel is de soort goed herkenbaar, al laat deze vogel zich meestal slechts kort zien tussen de vegetatie. Het lichaamsgewicht ligt gewoonlijk rond de 86 gram, met variatie van ongeveer 54 tot 125 gram.
Deze soort leeft in uiteenlopende wetlands met voldoende dekking, blijvend of tijdelijk ondiep water en dichte vegetatie waarin kan worden geschuild, geklommen en gebroed. Geschikte leefgebieden zijn onder meer meren, plassen, reservoirs, tijdelijke poelen, overstroomde rivieroevers, moerasranden, lagunes en estuaria. Ook brede grasmoerassen, rietvelden, papyrusvelden, drijvende waterplanten en natte bosranden worden gebruikt. Belangrijk is vooral dat voldoende verwarde of dichte begroeiing aanwezig is.
Het voedsel bestaat uit wormen, weekdieren, kreeftachtigen, volwassen insecten en insectenlarven, kleine vissen, kleine kikkers en kikkervisjes. Daarnaast worden ook eieren en nestjongen van andere vogels gegeten, evenals zaden en andere delen van waterplanten. Soms wordt ook aas opgenomen. Daardoor heeft deze soort een breed en opportunistisch voedselpatroon dat goed past bij wisselende moerasomstandigheden.
Het zwart porseleinhoen leeft meestal in paren en broedt vaak zodra de omstandigheden gunstig zijn. De soort is monogaam en legt gewoonlijk twee tot zes witte eieren. Het nest wordt gebouwd van plantaardig materiaal zoals gras, stro en bladeren en ligt meestal op of vlak boven de grond, vaak onder een struik of boven water, zodat beschutting en bescherming tegen predatoren aanwezig zijn. De soort kan in geschikte jaren vrijwel het hele jaar broeden, met pieken tijdens of vlak na regenperioden. Tijdens de rui kunnen volwassen vogels tijdelijk vliegloos zijn en blijven zij nog sterker verborgen in de oevervegetatie.
Het zwart porseleinhoen is een kleine, verborgen levende moerasvogel met een overwegend zwart verenkleed. De vleugels zijn afgerond, de poten en tenen zijn lang en opvallend rood, en de snavel is kort, stevig en geel. Door deze combinatie van zwarte lichaamskleur, rode poten en gele snavel is de soort goed herkenbaar, al laat deze vogel zich meestal slechts kort zien tussen de vegetatie. Het lichaamsgewicht ligt gewoonlijk rond de 86 gram, met variatie van ongeveer 54 tot 125 gram.
Deze soort leeft in uiteenlopende wetlands met voldoende dekking, blijvend of tijdelijk ondiep water en dichte vegetatie waarin kan worden geschuild, geklommen en gebroed. Geschikte leefgebieden zijn onder meer meren, plassen, reservoirs, tijdelijke poelen, overstroomde rivieroevers, moerasranden, lagunes en estuaria. Ook brede grasmoerassen, rietvelden, papyrusvelden, drijvende waterplanten en natte bosranden worden gebruikt. Belangrijk is vooral dat voldoende verwarde of dichte begroeiing aanwezig is.
Het voedsel bestaat uit wormen, weekdieren, kreeftachtigen, volwassen insecten en insectenlarven, kleine vissen, kleine kikkers en kikkervisjes. Daarnaast worden ook eieren en nestjongen van andere vogels gegeten, evenals zaden en andere delen van waterplanten. Soms wordt ook aas opgenomen. Daardoor heeft deze soort een breed en opportunistisch voedselpatroon dat goed past bij wisselende moerasomstandigheden.
Het zwart porseleinhoen leeft meestal in paren en broedt vaak zodra de omstandigheden gunstig zijn. De soort is monogaam en legt gewoonlijk twee tot zes witte eieren. Het nest wordt gebouwd van plantaardig materiaal zoals gras, stro en bladeren en ligt meestal op of vlak boven de grond, vaak onder een struik of boven water, zodat beschutting en bescherming tegen predatoren aanwezig zijn. De soort kan in geschikte jaren vrijwel het hele jaar broeden, met pieken tijdens of vlak na regenperioden. Tijdens de rui kunnen volwassen vogels tijdelijk vliegloos zijn en blijven zij nog sterker verborgen in de oevervegetatie.

Witborstwaterhoen
[latijn] Amaurornis phoenicurus | [UK] White-breasted waterhen | [FR] Râle à poitrine blanche | [DE] Rotschwänze-Wasserhuhn | [ES] gallineta de pecho blanco | [NL] Witborstwaterhoen






Witborstwaterhoen details
Het Witborstwaterhoen (Amaurornis phoenicurus) (Pennant, 1769) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied in de Oriëntaalse regio en komt wijdverspreid voor in Zuid- en Zuidoost-Azië. In grote delen van het areaal is de soort algemeen en goed aangepast aan uiteenlopende natte leefgebieden, ook in de nabijheid van menselijke bewoning.
Het witborstwaterhoen is een middelgrote ralachtige met een slanke maar stevige bouw, lange poten en lange tenen. De bovenzijde is overwegend donker leigrijs tot zwartachtig. Het gezicht, de keel en de borst zijn helder wit, wat deze soort direct herkenbaar maakt. De onderstaartdekveren zijn warm roestbruin tot kastanjekleurig en steken vaak duidelijk af wanneer de staart wordt opgeheven. De snavel is geelgroen met rood aan de basis. Door de combinatie van donkere bovendelen, witte voorzijde en roestbruine onderstaart is deze soort gemakkelijk te onderscheiden van andere waterhoenen.
Deze soort leeft in moerassen, rietvelden, sloten, vijvers, rijstvelden, mangroveranden, natte graslanden en andere vochtige terreinen met voldoende dekking. Ook tuinen, parken en stedelijke wateren worden geregeld benut, zolang begroeiing langs de waterkant aanwezig is. Het witborstwaterhoen loopt vaak langs oevers of over open modderige plekken, maar zoekt bij verstoring snel dekking in dichte vegetatie.
Het voedsel bestaat uit insecten, slakken, wormen, kleine waterdieren, zaden en andere plantaardige delen. Het voedsel wordt meestal gezocht op modderige oevers, in ondiep water of tussen lage vegetatie. Daarbij beweegt de soort rustig lopend en behoedzaam zoekend door het leefgebied, vaak met korte stops om prooien of eetbare plantendelen op te pikken.
Het nest wordt gebouwd van gras, riet en ander plantenmateriaal en ligt meestal goed verborgen in dichte oever- of moerasvegetatie, vlak boven het water of op een beschutte plek op de grond. Beide oudervogels nemen deel aan het broeden en aan de verzorging van de jongen. Net als bij andere ralachtigen zijn de jongen nestvlieders en kunnen zij kort na het uitkomen al met de oudervogels meelopen, al blijven zij in het begin nog afhankelijk van bescherming en begeleiding.
Het witborstwaterhoen is een middelgrote ralachtige met een slanke maar stevige bouw, lange poten en lange tenen. De bovenzijde is overwegend donker leigrijs tot zwartachtig. Het gezicht, de keel en de borst zijn helder wit, wat deze soort direct herkenbaar maakt. De onderstaartdekveren zijn warm roestbruin tot kastanjekleurig en steken vaak duidelijk af wanneer de staart wordt opgeheven. De snavel is geelgroen met rood aan de basis. Door de combinatie van donkere bovendelen, witte voorzijde en roestbruine onderstaart is deze soort gemakkelijk te onderscheiden van andere waterhoenen.
Deze soort leeft in moerassen, rietvelden, sloten, vijvers, rijstvelden, mangroveranden, natte graslanden en andere vochtige terreinen met voldoende dekking. Ook tuinen, parken en stedelijke wateren worden geregeld benut, zolang begroeiing langs de waterkant aanwezig is. Het witborstwaterhoen loopt vaak langs oevers of over open modderige plekken, maar zoekt bij verstoring snel dekking in dichte vegetatie.
Het voedsel bestaat uit insecten, slakken, wormen, kleine waterdieren, zaden en andere plantaardige delen. Het voedsel wordt meestal gezocht op modderige oevers, in ondiep water of tussen lage vegetatie. Daarbij beweegt de soort rustig lopend en behoedzaam zoekend door het leefgebied, vaak met korte stops om prooien of eetbare plantendelen op te pikken.
Het nest wordt gebouwd van gras, riet en ander plantenmateriaal en ligt meestal goed verborgen in dichte oever- of moerasvegetatie, vlak boven het water of op een beschutte plek op de grond. Beide oudervogels nemen deel aan het broeden en aan de verzorging van de jongen. Net als bij andere ralachtigen zijn de jongen nestvlieders en kunnen zij kort na het uitkomen al met de oudervogels meelopen, al blijven zij in het begin nog afhankelijk van bescherming en begeleiding.

Genus Rallus
Rallus (Linnaeus, 1758) is een geslacht binnen de ralachtigen en omvat een groep slanke, verborgen levende moerasvogels die vooral voorkomen in Europa, Azië, Afrika en Noord- en Zuid-Amerika. Soorten uit dit geslacht leven doorgaans in dichte oever- en moerasvegetatie langs plassen, meren, rivieroevers, getijdenmoerassen en rietvelden. Binnen de rallenfamilie vormen zij een karakteristieke groep van vogels die vaker worden gehoord dan gezien.
Soorten binnen Rallus hebben een langgerekte lichaamsvorm, een relatief lange hals, stevige poten met lange tenen en vooral een opvallend lange, smalle snavel. Die bouw maakt het mogelijk om zich behendig door dichte vegetatie te bewegen en voedsel uit slik, ondiep water of tussen stengels te zoeken. Het verenkleed is meestal opgebouwd uit bruine, grijze, zwarte en roestkleurige tinten, vaak met strepen of dwarsbandering op flanken en onderzijde. Daardoor hebben deze vogels een uitstekende schutkleur in moerasgebieden.
Het voedsel bestaat uit insecten, wormen, weekdieren, kleine kreeftachtigen, zaden en andere kleine dierlijke en plantaardige bestanddelen. Veel soorten foerageren langs modderige oevers, in ondiep water of tussen natte vegetatie, waarbij met de lange snavel gericht wordt gezocht. De meeste soorten uit dit geslacht zijn schuw, bewegen laag en snel door de begroeiing en vliegen alleen op wanneer verstoring onvermijdelijk is.
De voortplanting vindt plaats in dichte moeras- of oevervegetatie. Het nest wordt meestal laag boven het water of op een beschutte plek in natte vegetatie gebouwd van riet, gras en ander plantenmateriaal. Beide oudervogels nemen doorgaans deel aan het broeden en aan de verzorging van de jongen. Door de combinatie van slanke bouw, lange snavel en verborgen leefwijze vormt Rallus een zeer kenmerkend geslacht binnen de moerasvogels.
Soorten binnen Rallus hebben een langgerekte lichaamsvorm, een relatief lange hals, stevige poten met lange tenen en vooral een opvallend lange, smalle snavel. Die bouw maakt het mogelijk om zich behendig door dichte vegetatie te bewegen en voedsel uit slik, ondiep water of tussen stengels te zoeken. Het verenkleed is meestal opgebouwd uit bruine, grijze, zwarte en roestkleurige tinten, vaak met strepen of dwarsbandering op flanken en onderzijde. Daardoor hebben deze vogels een uitstekende schutkleur in moerasgebieden.
Het voedsel bestaat uit insecten, wormen, weekdieren, kleine kreeftachtigen, zaden en andere kleine dierlijke en plantaardige bestanddelen. Veel soorten foerageren langs modderige oevers, in ondiep water of tussen natte vegetatie, waarbij met de lange snavel gericht wordt gezocht. De meeste soorten uit dit geslacht zijn schuw, bewegen laag en snel door de begroeiing en vliegen alleen op wanneer verstoring onvermijdelijk is.
De voortplanting vindt plaats in dichte moeras- of oevervegetatie. Het nest wordt meestal laag boven het water of op een beschutte plek in natte vegetatie gebouwd van riet, gras en ander plantenmateriaal. Beide oudervogels nemen doorgaans deel aan het broeden en aan de verzorging van de jongen. Door de combinatie van slanke bouw, lange snavel en verborgen leefwijze vormt Rallus een zeer kenmerkend geslacht binnen de moerasvogels.
Waterral
[latijn] Rallus aquaticus | [UK] Water Rail | [FR] Râle d’eau | [DE] Wasserralle | [ES] Rasçon Europeo | [IT] Porciglione comune | [NL] Waterral






Waterral details
De Waterral (Rallus aquaticus) (Linnaeus, 1758) heeft volgens de internationale beoordelingscriteria de status niet bedreigd. Deze soort heeft een groot verspreidingsgebied dat loopt van West-Europa tot Centraal-Azië. In het westen en zuiden van het areaal is de waterral vooral standvogel, terwijl de soort elders gedeeltelijk of duidelijk trekkend is. Noordelijke en oostelijke populaties overwinteren grotendeels zuidwestelijker, vooral in gebieden waar open water beschikbaar blijft. De echte trek begint meestal in augustus, met een piek in september en oktober. In zachte winters kan de terugkeer al eind februari beginnen, maar de voorjaarstrek vindt vooral plaats in maart en de eerste helft van april.
De waterral is een slanke, verborgen levende ralachtige met een langgerekte lichaamsvorm, relatief lange tenen en vooral een opvallend lange, roodachtige snavel. Het verenkleed is overwegend bruin op de bovenzijde, met donkere streping, terwijl de borst en flanken grijzer zijn. Op de flanken is een duidelijke zwart-witte bandering zichtbaar. De onderstaartdekveren zijn meestal witachtig, soms met een warme tint of lichte bandering. Het vrouwtje is gemiddeld iets kleiner en heeft een kortere snavel. Door de combinatie van slanke bouw, lange snavel en de voorkeur voor dichte vegetatie blijft deze soort vaak onopgemerkt.
Deze soort leeft in dichte oever- en moerasvegetatie langs stilstaand of langzaam stromend water. Rietvelden, zeggenmoerassen, moerasbossen, plassen en andere natte terreinen met veel opgaande vegetatie vormen het belangrijkste leefgebied. De waterral komt vooral voor in laaglandgebieden, maar kan plaatselijk tot ongeveer tweeduizend meter hoogte worden aangetroffen. Open water zonder voldoende beschutting wordt meestal vermeden.
Het voedsel bestaat uit een breed spectrum van dierlijk en plantaardig materiaal. Insecten en hun larven, wormen, bloedzuigers, weekdieren, garnalen en spinnen vormen een belangrijk deel van het menu. Daarnaast worden ook kleine gewervelden gegeten, zoals amfibieën, vissen, vogels en kleine zoogdieren, zowel levend als in de vorm van aas. Ook scheuten, wortels, zaden, bessen en vruchten worden opgenomen. Het voedsel wordt vooral gezocht in slik, ondiep water en tussen natte vegetatie, waarbij de lange snavel heel gericht wordt gebruikt.
De waterral leeft in de broedtijd in solitair verdedigde territoria en vormt seizoensgebonden monogame paren. Het nest wordt door beide oudervogels gebouwd en ligt goed verborgen in dichte vegetatie. Gewoonlijk worden vijf tot zestien eieren gelegd, meestal gemiddeld zes tot elf. Twee broedsels per seizoen zijn normaal en bij verlies van eieren volgt vaak een vervangsellegsel. De jongen zijn nestvlieders, maar worden in het begin nog in en rond het nest verzorgd en gevoerd. Al na ongeveer vijf dagen beginnen zij zelf voedsel op te nemen. Na zeven tot acht weken zijn de jongen vliegvlug en vanaf het volgende jaar kunnen zij zelf tot broeden komen.
De waterral is een slanke, verborgen levende ralachtige met een langgerekte lichaamsvorm, relatief lange tenen en vooral een opvallend lange, roodachtige snavel. Het verenkleed is overwegend bruin op de bovenzijde, met donkere streping, terwijl de borst en flanken grijzer zijn. Op de flanken is een duidelijke zwart-witte bandering zichtbaar. De onderstaartdekveren zijn meestal witachtig, soms met een warme tint of lichte bandering. Het vrouwtje is gemiddeld iets kleiner en heeft een kortere snavel. Door de combinatie van slanke bouw, lange snavel en de voorkeur voor dichte vegetatie blijft deze soort vaak onopgemerkt.
Deze soort leeft in dichte oever- en moerasvegetatie langs stilstaand of langzaam stromend water. Rietvelden, zeggenmoerassen, moerasbossen, plassen en andere natte terreinen met veel opgaande vegetatie vormen het belangrijkste leefgebied. De waterral komt vooral voor in laaglandgebieden, maar kan plaatselijk tot ongeveer tweeduizend meter hoogte worden aangetroffen. Open water zonder voldoende beschutting wordt meestal vermeden.
Het voedsel bestaat uit een breed spectrum van dierlijk en plantaardig materiaal. Insecten en hun larven, wormen, bloedzuigers, weekdieren, garnalen en spinnen vormen een belangrijk deel van het menu. Daarnaast worden ook kleine gewervelden gegeten, zoals amfibieën, vissen, vogels en kleine zoogdieren, zowel levend als in de vorm van aas. Ook scheuten, wortels, zaden, bessen en vruchten worden opgenomen. Het voedsel wordt vooral gezocht in slik, ondiep water en tussen natte vegetatie, waarbij de lange snavel heel gericht wordt gebruikt.
De waterral leeft in de broedtijd in solitair verdedigde territoria en vormt seizoensgebonden monogame paren. Het nest wordt door beide oudervogels gebouwd en ligt goed verborgen in dichte vegetatie. Gewoonlijk worden vijf tot zestien eieren gelegd, meestal gemiddeld zes tot elf. Twee broedsels per seizoen zijn normaal en bij verlies van eieren volgt vaak een vervangsellegsel. De jongen zijn nestvlieders, maar worden in het begin nog in en rond het nest verzorgd en gevoerd. Al na ongeveer vijf dagen beginnen zij zelf voedsel op te nemen. Na zeven tot acht weken zijn de jongen vliegvlug en vanaf het volgende jaar kunnen zij zelf tot broeden komen.
