De Apodidae vormen een familie van snelle, sierlijke luchtacrobaten die wereldwijd voorkomen, met uitzondering van de polen. Ondanks hun naam en uiterlijk zijn gierzwaluwen geen familie van zwaluwen, maar staan ze dichter bij kolibries. Hun naam, afgeleid van het Grieks apous (“zonder poten”), verwijst naar hun zeer kleine, zwakke pootjes, waarmee ze nauwelijks kunnen lopen of staan.
Gierzwaluwen brengen vrijwel hun hele leven in de lucht door: ze eten, drinken, paren én slapen vliegend. Hun sikkelvormige vleugels, gestroomlijnde lichamen en hoge snelheid maken hen extreem wendbaar. Ze jagen op vliegende insecten en kunnen indrukwekkende afstanden afleggen — sommige soorten migreren duizenden kilometers tussen broed- en overwinteringsgebieden.
De meest bekende soort in Europa is de gierzwaluw (Apus apus), beroemd om zijn snerpende roep en razendsnelle vluchten boven steden.
foto’s © Jan Dolphijn
Klik hier Genus Apus
Soorten uit Apus komen vooral voor in Europa, Afrika en grote delen van Azië, met uiteenlopende verspreidingspatronen van standvogelpopulaties tot langeafstandstrekkers. In gematigde streken is aanwezigheid vaak seizoensgebonden, met overwintering in warmere regio’s waar het aanbod aan vliegende insecten groot blijft. De voedselopname bestaat vrijwel volledig uit vliegende insecten en andere kleine, luchtzwevende ongewervelden die in de vlucht worden gevangen, vaak hoog boven het landschap of langs thermiek- en insectenconcentraties.
Voortplanting vindt meestal plaats in kolonies of losse groepen, waarbij nestplaatsen worden benut in rotsspleten, onder dakranden, in holtes of achter gevelconstructies. Het nestmateriaal bestaat vaak uit veertjes, graspluis en kleine plantdeeltjes die in de lucht worden verzameld en met speeksel aan de nestwand worden vastgezet, waardoor een stevig “kommetje” ontstaat. Nestlocaties worden vaak meerdere jaren achtereen gebruikt, wat de binding aan geschikte broedplekken versterkt en het belang van ongestoorde nestplaatsen vergroot.
Binnen Apus zijn veel soorten sterk afhankelijk van open luchtruim boven stedelijk gebied, water, bosranden, valleien en berghellingen, zolang er voldoende insecten beschikbaar zijn. Weersomstandigheden beïnvloeden het gedrag duidelijk; bij koud of nat weer kunnen tijdelijke verplaatsingen optreden naar gebieden met meer insectenactiviteit, terwijl in warme perioden grote aantallen gierzwaluwen soms langdurig in de lucht blijven foerageren.
Grote huisgierzwaluw



Klik hier Grote Huisgierzwaluw details
Het uiterlijk wordt gekenmerkt door een donker, snel ogend silhouet met sikkelvormige vleugels, een vrij korte staart en een opvallende lichte stuit die in vlucht goed kan afsteken. De soort leeft veelal in en rond laaglandgebieden, vaak dicht bij menselijke bebouwing, maar komt ook voor bij rotswanden en kliffen, inclusief kust- en eilandlocaties. Trekkgedrag varieert per regio; in delen van het areaal komen standvogels voor, terwijl andere populaties seizoensgebonden verplaatsingen maken, bijvoorbeeld van koelere broedgebieden naar warmere laaglanden of kuststreken.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vliegende insecten die in de lucht worden gevangen, soms aangevuld met andere kleine, luchtzwevende prooien. Broeden vindt vaak plaats in kolonies, met nesten op beschutte plekken zoals onder dakranden, in tunnels, op gebouwen of op kliffen. Nesten worden opgebouwd uit licht materiaal zoals veertjes en plantresten die met speeksel aan de ondergrond worden “vastgelijmd”; hergebruik van nestplaatsen is gebruikelijk. In meerdere gebieden worden doorgaans één tot twee legsels per seizoen gezien, met meestal twee tot drie eieren, waarna beide oudervogels betrokken kunnen zijn bij broedzorg en het voeren van de jongen.
Alpengierzwaluw

Klik hier Alpengierzwaluw details
Het uiterlijk wijkt duidelijk af van de meeste andere gierzwaluwen in West-Palearctisch gebied door de contrastrijke onderkant: een opvallend witte buik en keel, gescheiden door een brede, donkerbruine borstband. Het verenkleed is verder overwegend umber- tot bruin, met een robuuste bouw en krachtige, snelle vlucht. In de lucht worden vaak grote afstanden afgelegd, waarbij de dagelijkse activiteit sterk samenhangt met thermiek, luchtstromen en de beschikbaarheid van vliegende insecten.
Trekgedrag verschilt per populatie. Verschillende ondersoorten en zuidelijk-Afrikaanse broedpopulaties trekken, doorgaans op grote hoogte, waardoor passage vaak pas goed zichtbaar wordt wanneer slecht weer vogels lager dwingt. In het Palearctisch gebied vindt vertrek uit broedgebieden vooral plaats van september tot half oktober, met veel jonge vogels die al in augustus vertrekken. In het voorjaar verschijnen de eerste terugkeerders vaak vanaf de tweede helft van februari in het Middellandse Zeegebied, met een duidelijke toename in maart en aankomst in meer noordelijke broedgebieden doorgaans eind maart tot april, waarna nog doorgang tot in mei kan optreden. In Afrika ligt de kern van de overwinteringsperiode grofweg tussen oktober en maart, terwijl in zuidelijk Afrika ook seizoensverplaatsingen en hoogteverplaatsingen voorkomen.
Leefgebied bestaat in essentie uit “lucht-habitat”: open ruimte boven uiteenlopende landschappen waar insecten beschikbaar zijn, waarbij het onderliggende terrein vooral van belang is door het effect op luchtstromen en insectenaanbod. Op lagere hoogtes wordt vaak voorkeur getoond voor open zones met weinig obstakels. Broedplaatsen liggen traditioneel op rotswanden, in spleten, grotten en op kustkliffen, maar ook in gebouwen wordt steeds vaker gebroed, bijvoorbeeld onder dakranden en in hoge constructies. Die uitbreiding naar bebouwing heeft lokaal geleid tot een groter voorkomen in laaglanden en een verschuiving van de verspreiding noordwaarts.
Voedsel bestaat uit vliegende insecten en spinnen van middelgroot formaat, volledig in vlucht gevangen. Jacht gebeurt vaak hoog in de lucht, maar kan bij koel of nat weer lager plaatsvinden, of geconcentreerd rond plekken waar insecten door luchtstromen worden samengebracht.
Broeden vindt plaats in een komvormig nest van veren, vezels, plantpluis, mos en kleine takjes, dat met speeksel stevig aan verticale ondergrond wordt vastgelijmd, zowel in rotsnissen als aan gebouwen. Een legsel bestaat meestal uit drie eieren, met variatie van één tot vier. Broeden duurt ruwweg drie weken tot ruim een maand, waarna de jongen nog meerdere weken in het nest blijven. Uitvliegen volgt vaak pas na zes tot tien weken, wanneer het volledige verenkleed is ontwikkeld en de vliegvaardigheid voldoende is voor het langdurige leven in de lucht.
Gierzwaluw



Klik hier Gierzwaluw details
Het silhouet is direct herkenbaar: lange, smalle sikkelvormige vleugels, een relatief korte, licht gevorkte staart en een overwegend zwartbruin verenkleed met een lichtere kin- en keelvlek. In vlucht vallen de scherpe, gierende roepjes en het hoge, snijdende tempo op, met langdurig zweven en snelle wendingen. Door de speciale teenstand, waarbij de tenen geschikt zijn om te grijpen aan verticale oppervlakken, kunnen rotswanden, schoorstenen en gebouwen als rust- en nestlocatie worden benut, terwijl lopen op de grond nauwelijks past bij de lichaamsbouw.
Trekroutes lopen in het najaar op brede fronten zuidwaarts richting Afrika, met veel overwintering in gebieden ten zuiden van de evenaar. Binnen Afrika treden daarnaast verplaatsingen op die sterk door weer en regenpatronen beïnvloed worden. In het voorjaar begint de terugkeer al vroeg in het seizoen, met een duidelijke aankomstgolf in Zuid-Europa vanaf ongeveer maart en verder noordwaarts tot in mei en soms begin juni. In de zomerperiode zijn grote groepen vaak aanwezig boven steden en open land, terwijl na het broedseizoen de soort in korte tijd weer grotendeels verdwijnt uit veel Europese gebieden.
Leefgebied en broedplaatsen hangen sterk samen met geschikte nestholtes en voldoende open luchtruim om voedsel te verzamelen. Nesten liggen vaak in kieren en holtes van gebouwen, onder dakranden, in openingen van muren of in natuurlijke spleten, soms ook in boomholtes waar die beschikbaar zijn. Nestmateriaal bestaat uit licht verzameld materiaal zoals veertjes, grassprietjes en plantresten, dat met speeksel tot een compacte nestkom wordt vastgezet. Kolonies met meerdere nestplaatsen dicht bij elkaar komen veel voor, vooral waar bouwstructuren veel geschikte openingen bieden.
Voedsel bestaat volledig uit in de lucht gevangen insecten en kleine spinachtigen. Prooien worden tijdens het vliegen met de snavel verzameld en vaak samengevoegd tot compacte voedselbolletjes, waardoor in korte tijd veel kleine insecten kunnen worden aangevoerd. Weer speelt hierbij een grote rol; bij koud, nat of winderig weer verschuift het foerageergedrag vaak naar lagere luchtlagen of naar gebieden met betere insectenactiviteit.
Voortplanting start meestal vanaf eind april of begin mei, afhankelijk van lokale omstandigheden. Een legsel bestaat doorgaans uit twee eieren, met variatie naar één tot vier. Broeden duurt rond de drie weken en het uitvliegen volgt meestal na ongeveer vier tot zes weken. Bij langdurig slecht weer kan bij jongen een tijdelijke energiezuinige toestand optreden, waardoor een periode met weinig voedsel beter kan worden overbrugd. Op die manier blijft succes in een wisselvallig seizoen mogelijk, al is beschikbaarheid van insecten en geschikte nestplaatsen in veel gebieden een belangrijke beperkende factor.
Klik hier Genus Chaetura
Soorten binnen Chaetura hebben doorgaans een slank, sigaarvormig lichaam, lange sikkelvormige vleugels en een relatief korte staart met duidelijk stekelige uiteinden. Het verenkleed is meestal donkerbruin tot zwartachtig, soms met een lichtere keel of een iets contrasterende stuit, afhankelijk van de soort. In vlucht vallen hoge snelheid, abrupte koerswijzigingen en langdurig zweven op luchtstromen op, met een bijna onafgebroken foerageergedrag in de lucht.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vliegende insecten en soms kleine spinnen die al vliegend worden gevangen. Foerageren vindt plaats boven bosranden, open plekken, rivieren, meren en stedelijke zones, waar insecten door wind, thermiek en vochtige luchtlagen worden geconcentreerd. Buiten het broedseizoen kunnen grote groepen ontstaan, vooral bij rijk insectenaanbod of bij verzamelplaatsen voor overnachting.
Broedgewoonten variëren per soort, maar typische nestplaatsen liggen in holtes: boomholten, spleten in rotsen, schoorstenen, gebouwen of andere verticale structuren. Nesten bestaan vaak uit plantmateriaal dat in vlucht wordt verzameld en met kleverig speeksel tot een compacte nestkom wordt samengevoegd en vastgehecht aan de ondergrond. Legselgrootte is doorgaans klein tot middelgroot, met broedzorg door beide ouders bij veel soorten, en een periode waarin jongen in het nest blijven tot volledige vliegvaardigheid is bereikt.
Binnen Chaetura komen zowel standvogels als seizoensmigranten voor, afhankelijk van regio en soort. Verplaatsingen hangen sterk samen met klimaat, regenpatronen en insectenbeschikbaarheid, waardoor lokale en regionale trekbewegingen in sommige gebieden duidelijker zijn dan in andere.
Kortstaartgierzwaluw


Klik hier Kortstaartgierzwaluw details
De soort is klein en compact gebouwd, met lange, smalle vleugels en een opvallend korte staart. Het verenkleed oogt voornamelijk zwart, met een blekere stuit en staartzone. Onderscheid met vergelijkbare Chaetura-soorten in hetzelfde gebied is mogelijk door het beperkte contrast tussen stuit en staart, terwijl bij enkele verwanten de staart duidelijk donkerder afsteekt. De geslachten lijken sterk op elkaar.
De kortstaartgierzwaluw komt voor in uiteenlopende halfopen landschappen, zoals savannes, open bos, landbouwgebieden en andere mozaïekhabitats met voldoende luchtinsecten. Foerageren vindt volledig in vlucht plaats en bestaat uit het vangen van vliegende insecten, waaronder gevleugelde mieren en termieten. Buiten de broedtijd treedt vaak uitgesproken groepsgedrag op, met gezamenlijke slaapplaatsen waar grote aantallen kunnen samenkomen; bij nestplaatsen is predatie door vleermuizen vermoed.
De nestbouw bestaat uit een ondiep, halfschotelvormig nest van takjes dat met speeksel stevig aan een verticale ondergrond wordt vastgehecht. Nestplaatsen liggen vaak in menselijke constructies, zoals schoorstenen of putten, maar ook natuurlijke grotten en boomholten worden benut. Het legsel kan uit meerdere witte eieren bestaan en de broedzorg wordt gedeeld, met een relatief korte broedduur. Na het uitvliegen blijft vaak nog een fase waarin jonge vogels in de directe omgeving van de nestholte blijven hangen en zich aan wanden vasthouden voordat volledig zelfstandig rondvliegen plaatsvindt.
Klik hier Genus Tachornis
Typisch voor het genus is het gebruik van palmen als rust- en broedplaats. Nesten bestaan uit een ondiepe, zak- of schotelvormige constructie van fijne twijgjes en veren, die met speeksel aan een verticale ondergrond wordt vastgekleefd, vaak aan de onderzijde van een hangende palmbladslip. Kolonies en gemeenschappelijke slaapplaatsen komen geregeld voor, met veel activiteit rond vaste in- en uitvliegroutes bij geschikte palmen en holtes.
Braziliaanse palmgierzwaluw


Klik hier Braziliaanse palmgierzwaluw details
Het verspreidingsgebied ligt in noordelijk en oostelijk Zuid-Amerika, met aanwezigheid in onder meer Colombia, Venezuela, de Guiana’s, Trinidad en grote delen van Brazilië, en zuidwaarts tot in het noordoosten van Peru. De soort is hoofdzakelijk standvogel, met lokaal zwerven. Bewoning concentreert zich vooral rond moerassige savannes, open bosranden en halfopen landschappen waar morichepalmen (Mauritia) aanwezig zijn.
Voedsel bestaat uit vliegende insecten die volledig in de vlucht worden gevangen, vaak op lage hoogte, soms slechts enkele meters boven de vegetatie. Broeden vindt plaats in palmen: een karakteristiek C-vormig nest van veren, plantaardig materiaal en speeksel wordt aan de binnenzijde van een dode palmbladschacht bevestigd, meestal bij morichepalmen. Een legsel bestaat doorgaans uit drie witte eieren; uitkomen volgt na ongeveer drie weken, waarna de jongen in het nest worden grootgebracht tot uitvliegen.