De Caprimulgidae vormen een familie van nachtactieve insectenetende vogels die wereldwijd voorkomen, met uitzondering van de poolgebieden en sommige eilanden. In het Nederlands staan ze bekend als nachtzwaluwen, maar ook wel als geitenmelkers – een naam die voortkomt uit een oude mythe dat deze vogels melk van geiten zouden drinken, wat natuurlijk niet waar is.
Nachtzwaluwen zijn meesters in camouflage: hun verenkleed is vaak prachtig gemarmerd in tinten van bruin, grijs en zwart, waardoor ze overdag haast onzichtbaar zijn op de bosbodem of boomtakken. Ze hebben een platte kop, grote ogen en een kleine snavel met een enorm grote bekopening, waarmee ze ’s nachts vliegende insecten vangen tijdens hun gracieuze vluchten.
Ze staan bekend om hun zacht snorrende of trillende zang, vaak ‘s avonds of ‘s nachts te horen, en hun mysterieuze gedrag. De meeste soorten leggen hun eieren recht op de grond, zonder nest, en vertrouwen volledig op hun schutkleuren voor bescherming.
Bekende soorten zijn onder andere de Europese nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus), de pauraque (Nyctidromus albicollis) in Midden- en Zuid-Amerika, en de indrukwekkende nacondusnachtzwaluw (Chordeiles nacunda).
Foto’s © Jan Dolphijn
Klik hier Genus Hydropsalis
Het genus Hydropsalis behoort tot de nachtzwaluwen (familie Caprimulgidae) en komt voor in de Neotropen, van Midden-Amerika tot grote delen van Zuid-Amerika. Het gaat om schemer- en nachtactieve insecteneters die vliegende insecten in de lucht vangen, vaak laag boven open plekken, rivieroevers, savannes, open bosranden en andere halfopen landschappen, maar ook in mozaïeken van bos en open terrein.
Hydropsalis-soorten hebben een cryptische, bruin-grijs gemarmerde tekening die perfect camoufleert op takken, strooisel of zandige bodems. Overdag wordt meestal roerloos gerust op de grond of lengterichting op een tak, zodat de lichaamsvorm opgaat in de omgeving. In de schemer worden balts- en territoriumgeluiden gegeven; roep en vluchtbeelden zijn in het veld vaak belangrijker dan verenkleedkenmerken. Bij meerdere soorten zijn opvallende staartvormen of verlengde staartpennen aanwezig, vooral bij mannetjes, wat een rol speelt bij baltsvluchten en herkenning.
De voortplanting sluit aan bij het typische nachtzwaluw-patroon: broeden gebeurt meestal op de grond of op een eenvoudige, beschutte plek zonder echt nest, met doorgaans één tot twee eieren. Broedzorg en het voeren van jongen gebeuren vooral in de schemer en ’s nachts, waarbij prooien in de vlucht worden verzameld.
Taxonomisch is Hydropsalis onderdeel van een complex dat in de afgelopen decennia meerdere herschikkingen heeft gekend, waarbij verwante lijnen soms als aparte genera worden afgesplitst of juist samengevoegd. In Zuid-Amerikaanse classificatievoorstellen is bijvoorbeeld aandacht voor het afbakenen van de “Hydropsalis-groep” en het onderscheiden van duidelijk aparte clades binnen dit geheel.
Vlekstaartnachtzwaluw

Klik hier Vlekstaartnachtzwaluw details
Kenmerkend is een kleine, vrij donkere nachtzwaluw met een zwarte kruin en een rossige kraag in de nek. De bovendelen tonen een fijn gebandeerd patroon van buff en zwart. Opvallend is het ontbreken van witte vleugelvlekken; de handpennen ogen donkerbruin met rossige bandering. De staart is vergelijkbaar getekend met donkere dwarsbanden en een lichte buitenrand, terwijl de onderzijde overwegend bleek buff met doffer zwart is. Op de vleugels kan een duidelijke buffkleurige vlek aanwezig zijn.
De soort leeft vooral in open graslanden en savannes met verspreide begroeiing, maar wordt ook gezien in struweel, langs bosranden en bij open, door mensen gemaakte plekken zoals landingsbanen en andere kale stroken met lage vegetatie. Het voedsel bestaat voornamelijk uit insecten, waaronder kevers, sprinkhanen en nachtvlinders. Foerageren gebeurt vaak vanuit een zitpost, met korte uitvallen om prooien in de lucht te grijpen.
Broeden vindt plaats op de grond, op plekken zoals ruig gras, begroeid grind, zandige ondergrond of stenige bodem met vegetatie in de buurt. Een echt nest ontbreekt; één tot twee eieren worden direct op de bodem gelegd. Overdag wordt doorgaans door het vrouwtje gebroed. Bij verstoring kan afleidingsgedrag optreden, waarbij een “gewond”-achtige houding wordt aangenomen om aandacht van het legsel weg te trekken.