De Cathartidae vormen een familie van grote aasetende roofvogels uit Noord-, Midden- en Zuid-Amerika, beter bekend als de Amerikaanse gieren. In tegenstelling tot hun naamgenoten uit de Oude Wereld (familie Accipitridae), zijn ze geen directe verwanten: de gelijkenissen zijn een voorbeeld van convergente evolutie — verschillende groepen die vergelijkbare eigenschappen ontwikkelen vanwege eenzelfde levensstijl. Amerikaanse gieren zijn gespecialiseerd in het opruimen van kadavers, waarmee ze een cruciale rol spelen in het ecosysteem. Ze hebben een zeer goed ontwikkeld reukvermogen (bijv. kalkoengier), wat uitzonderlijk is voor vogels. De meeste soorten hebben een kale kop, wat helpt om schoon te blijven tijdens het eten van rottend vlees.
Ze zijn uitstekende zweefvliegers, vaak urenlang cirkelend op thermiek zonder te klapwieken. De condors, met een spanwijdte tot wel 3 meter, behoren tot de grootste vliegende vogels ter wereld.
Ondanks hun wat lugubere reputatie zijn Amerikaanse gieren + als opruimers helpen ze ziektes voorkomen en houden ze het landschap schoon.
Foto’s © Jan Dolphijn
Zwarte Gier







De Amerikaanse zwarte gier (Bechstein, 1783) komt wijdverspreid voor in de warmere delen van het westelijk halfrond, grofweg van het gebied rond Washington D.C. tot centraal Patagonië. Over het algemeen betreft het een standvogel zonder uitgesproken trek.
Het is een forse gier met een lichaamslengte van circa 56–68 cm en een spanwijdte van ongeveer 1,37–1,67 m. Het verenkleed is grotendeels glanzend zwart. Kop en hals zijn onbefiederd en tonen donkergrijze, gerimpelde huid. De ogen hebben een bruine iris. Poten zijn grijswit; de voeten zijn relatief plat en minder geschikt om prooi stevig te grijpen, met vrij stompe klauwen. De neusgaten hebben geen tussenschot, waardoor van opzij als het ware “door de snavel” kan worden gekeken. In vlucht vallen brede maar vrij korte vleugels op, met een duidelijk wit veld aan de basis van de handpennen aan de onderzijde van de vleugelrand. De staart is kort en vierkant en steekt nauwelijks voorbij de gevouwen vleugels. Af en toe worden afwijkend lichtgekleurde (leucistische) individuen waargenomen.
Het leefgebied bestaat vooral uit open landschappen met afwisseling van bosjes, struweel of houtwallen. Daarnaast komt de soort ook voor in vochtige laaglandbossen, graslanden, moerassen en wetlands, weiden en sterk gedegradeerde (voormalige) bossen. Laagland wordt duidelijk verkozen; in berggebieden is de soort zeldzamer. Vaak zichtbaar zwevend op thermiek of zittend op hekpaaltjes, dode bomen of andere uitkijkpunten.
Het dieet bestaat hoofdzakelijk uit aas. Daarnaast worden soms jonge of weerloze wilde of gehouden dieren gedood. Voedsel wordt veel gezocht rond vuilstorten, slachthuizen en andere plekken waar (vers of bedorven) vlees beschikbaar is. Ook eieren worden gegeten en, bij schaarste, rijp of rottend fruit en plantaardig materiaal, waaronder bijvoorbeeld palmnoten.
De broedperiode varieert met de breedtegraad. In de Verenigde Staten kan de start al in januari liggen (bijvoorbeeld Florida), terwijl noordelijker gebieden vaak later beginnen (bijvoorbeeld rond maart in Ohio). In Zuid-Amerika kan eileg al in september starten (zoals in Argentinië en Chili), elders vaker in oktober of later; op sommige eilanden in het Caribisch gebied kan de start zelfs richting november verschuiven. Balts vindt veelal op de grond plaats, waarbij meerdere mannetjes om een vrouwtje heen stappen met halfgespreide vleugels en bobbende kopbewegingen; soms volgen ook achtervolgings- en duikvluchten rond de toekomstige nestplek. Eieren worden meestal op de grond gelegd in een beschutte plek zoals een holle boomstam, een nis of andere holte, doorgaans niet hoger dan circa 3 meter. Nestmateriaal ontbreekt vaak, al kunnen opvallende objecten (plastic, glas of metaal) rondom de nestplaats terechtkomen. Meestal worden twee eieren gelegd (variatie 1–3). Broeden gebeurt door beide ouders; uitkomst volgt na ongeveer 28–41 dagen. Kuikens zijn aanvankelijk wit donzig en worden door beide ouders gevoerd via opgebraakt voedsel. De jongen blijven circa twee maanden bij de nestplek en vliegen na ongeveer 75–80 dagen vaardig uit.
Kalkoengier


De kalkoengier (Linnaeus, 1758) komt wijdverspreid voor van zuidelijk Canada via de Verenigde Staten tot ver in Zuid-Amerika. In Suriname betreft het een algemene soort van open gebieden en bosranden, doorgaans niet direct bij menselijke nederzettingen.
Noord-Amerikaanse populaties zijn trekvogels en verplaatsen zich in het najaar naar het zuiden, tot in het zuiden van de VS en via Midden-Amerika naar het noorden van Zuid-Amerika, mogelijk door tot Paraguay. Zuid-Amerikaanse populaties zijn overwegend standvogels.
Een opvallend kenmerk is de relatief kleine kop op het forse lichaam. Kop en hals zijn rood en grotendeels onbefiederd, met hooguit een dun donslaagje. In vlucht wordt een spanwijdte van rond de 6 voet (ongeveer 1,8 m) gehaald en ontstaat een ondiepe V-stand van de vleugels. Het verenkleed is vrijwel zwart, terwijl de onderzijde van de vleugels voor een groot deel zilverwit oogt. Poten en klauwen zijn relatief zwak en vooral geschikt om te lopen; grijpen van prooi speelt nauwelijks een rol. De snavel is klein en licht van kleur.
Foerageren gebeurt vooral boven open rangeland, extensief agrarisch gebied en natuurlijke landschappen met open bos en rotsen. Daarnaast wordt ook langs kusten gezocht naar aangespoelde kadavers, zoals dode vissen en zeezoogdieren. Broedplaatsen liggen meestal afgelegen, bijvoorbeeld in rotsige uitstulpingen, klifwanden en grotten, tot in (sub)alpiene boszones. Soms worden ook holle boomstammen, dichte struwelen en incidenteel verlaten gebouwen benut.
De soort leeft uitsluitend van aas. Het grootste deel van de tijd wordt zwevend doorgebracht, speurend naar kadavers. Bij het vinden van voedsel helpen zowel het scherpe zicht als een sterk ontwikkeld reukvermogen, wat onder vogels uitzonderlijk is. Doordat geen prooi wordt gedood, zijn voeten en klauwen minder gespecialiseerd op vastgrijpen.
Broeden verloopt zeer verborgen. Er wordt geen nest gebouwd; eieren worden direct op de ondergrond gelegd. Meestal bestaat een legsel uit twee eieren, gelegd met 1–3 dagen tussenruimte; soms één en zelden drie. De broedduur bedraagt ongeveer 35 dagen en het uitvliegen gebeurt na circa 60–80 dagen. Beide ouders broeden in vergelijkbare mate en voeren de jongen met opgebraakt voedsel. De familieband valt doorgaans kort na het uitvliegen uiteen en jonge vogels trekken niet per se samen met de ouders weg.
Kleine geelkopgier


De kleine geelkopgier (Cassin, 1845) komt voor van oostelijk Mexico tot in het noorden van Argentinië. In Midden-Amerika wordt de soort onder meer gezien in savannes nabij de oostkust van Mexico en in Panama, terwijl in Zuid-Amerika een brede verspreiding bestaat in laaglanden tot aan noordelijk Argentinië.
Over echte trek- of zwerfbewegingen is weinig vastgelegd, al is in Midden-Amerika wel seizoensvariatie in aantallen bekend. Daarnaast wordt genoemd dat een deel van de Midden-Amerikaanse vogels in het droge seizoen richting Zuid-Amerika trekt.
Het verenkleed is overwegend zwart met een groene glans; de buitenste handpennen zijn ivoorkleurig. De kopkleuren variëren per regio en ook per individu. Vaak is de hals licht oranje, de bovenzijde van de kop blauwgrijs en de rest van de kop in verschillende tinten geel, soms met roodachtige of groenig-blauwe zones. De ogen zijn karmozijnrood; snavel en washuid zijn roodachtig wit. De poten zijn wit tot buffkleurig.
Het leefgebied bestaat uit open graslanden en savannes, vaak in mozaïek met gebroken bosranden en langs waterlopen. Open, vlakke terreinen tot aan de bosrand worden benut, doorgaans zonder ver over gesloten bos te trekken.
Voedsel bestaat uit kadavers van uiteenlopende grootte, met een duidelijke nadruk op kleinere karkassen. Het vinden van voedsel gebeurt sterk op geur, waarbij reukvermogen een belangrijke rol speelt.
Over het broeden is relatief weinig bekend. Nesten bevinden zich in grote boomholtes of in holtes van omgevallen stammen of stronken. Er wordt geen nest gebouwd; eieren worden direct op de bodem van de holte gelegd. Meestal gaat het om 1–2 witachtige eieren met bruine vlekken. De broedduur bedraagt ongeveer 40 dagen. Jongen zijn bedekt met dik dons en worden gedurende de hele nestperiode door beide ouders gevoerd via opbraken. Het uitvliegen volgt na ongeveer 2–3 maanden of soms later.
Grote geelkopgier



In Zuid-Amerika komt de grotere geelkopgier onder meer voor in Amazonië, met waarnemingen in savannes, graslanden en moerassige gebieden, en in Suriname is de soort wijd verspreid in het binnenland en veel minder algemeen in de kustvlakten, waarbij determinatie soms lastig is door overlap met de kleine geelkopgier.
De grotere geelkopgier wordt beschreven als diepzwart met een groene en paarse glans, met rode ogen, zwarte poten en een vleeskleurige snavel, terwijl de keel en zijkanten van de kop variëren van diepgeel tot lichtoranje en er een blauwe kruin en een blauwe vlek vóór het oog aanwezig zijn.
Het leefgebied bestaat vaak uit laag tropisch bos, waarbij open of sterk verstoord bos minder wordt benut, en rustplaatsen bevinden zich geregeld op hoge, blootstaande dode bomen die als uitkijkpunt dienen. Tijdens het vliegen wordt de soort meestal alleen of in paren gezien en zelden in groepen, met een zware, gelijkmatige vlucht waarbij de vleugels vrijwel vlak of licht in een dihedrale houding worden gehouden en thermiek wordt gebruikt om zonder veel vleugelslagen hoogte te houden. Een opvallend gedrag is urohydrose, waarbij ontlasting of urine op de poten wordt aangebracht voor verdamping en afkoeling.
Het voedsel bestaat vrijwel volledig uit aas, met een duidelijke voorkeur voor vers vlees, terwijl vis eveneens graag wordt gegeten en soms zelfs levend kan worden gegrepen. Voor het vinden van kadavers wordt sterk op reuk vertrouwd, waarbij geuren van beginnende ontbinding worden opgespoord, en het foerageren gebeurt zowel op zicht als op geur, wat binnen de vogelwereld relatief ongewoon is. De grotere geelkopgier kan door een minder krachtige snavel vaak niet als eerste een dikke huid openscheuren, waardoor toegang tot voedsel soms afhankelijk is van grotere aaseters zoals de koningsgier, waarna wederzijdse afhankelijkheid kan ontstaan doordat het karkas vervolgens ook voor de grotere geelkopgier bereikbaar wordt.
Voortplanting vindt plaats zonder nestbouw, doordat eieren direct op rotsen, op grotvloeren, op de grond of in holtes van stronken worden gelegd. De eieren zijn crèmekleurig met bruine vlekken, vaak geconcentreerd aan het stompe uiteinde, en een legsel bestaat meestal uit twee eieren maar kan variëren van één tot drie. De jongen komen hulpeloos uit het ei en worden gevoerd met opgebraakt voedsel, waarna het uitvliegen na ongeveer twee tot drie maanden plaatsvindt en de broedduur in de orde van vijf tot zeven weken ligt.