Wigstaartarend
Arenden, Oude wereld, Australie
Leden van het geslacht Aquila zijn grote arenden met lange, brede vleugels en een middelmatige staart, gebouwd voor krachtig zweven en langdurig glijden op thermiek. Het verenkleed is bij veel soorten overwegend donkerbruin tot zwartbruin, vaak met subtiele lichte vlekken op schouders of vleugelbasis en met duidelijke verschillen tussen jeugdkleed en adult kleed, waarbij jonge vogels geregeld lichter getekend zijn of duidelijke banden in vleugels en staart tonen. Binnen Aquila worden doorgaans veertien soorten geplaatst die samen een zeer brede, vrijwel wereldwijde verspreiding hebben, met zwaartepunten in Europa, Afrika en Azië.
Taxonomisch is Aquila een bekend “moeilijk” geslacht, omdat verwantschappen met andere arendengeslachten en historische herindelingen regelmatig tot discussies hebben geleid. Daardoor zijn in sommige bronnen soorten tijdelijk anders ingedeeld of samengevoegd/gesplitst op basis van nieuwe inzichten uit morfologie en DNA-onderzoek.
Taxonomisch is Aquila een bekend “moeilijk” geslacht, omdat verwantschappen met andere arendengeslachten en historische herindelingen regelmatig tot discussies hebben geleid. Daardoor zijn in sommige bronnen soorten tijdelijk anders ingedeeld of samengevoegd/gesplitst op basis van nieuwe inzichten uit morfologie en DNA-onderzoek.
Wigstaartarend
[LAT] *Aquila audax* |
[UK] Wedge-tailed Eagle |
[FR] Aigle d’Australie |
[DE] Keilschwanzadler |
[ES] Águila audaz |
[NL] Wigstaartarend



Wigstaartarend details
Wigstaartarend detailsDe wigstaartarend heeft status LC (Least Concern).

Door het zeer grote verspreidingsgebied en de zeer grote populatie worden de drempels voor een bedreigingscategorie niet benaderd; de trend wordt bovendien als toenemend beschreven, waardoor wereldwijd geen sprake is van een bedreigde status.
De soort hoort in hoofdzaak bij Australië; incidentele waarnemingen in Zuid-Nieuw-Guinea betreffen doorgaans dwaalgasten en vallen buiten het normale verspreidingsgebied. Overwegend betreft het een standvogel, terwijl jonge vogels na het eerste jaar juist sterk kunnen zwerven en zich tot circa 800 km van de broedplaats kunnen verspreiden.
Een wigstaartarend is een grote, bruine arend met volledig bevederde poten en een opvallende, ruit- tot wigvormige staart die vooral tijdens het zweven goed opvalt. In vlucht zijn langzame, krachtige vleugelslagen kenmerkend, afgewisseld met hoog cirkelen en zweven. De lange staart fungeert als roer bij scherpe, soms wat “hoekige” bochten. Jachtvluchten bestaan vaak uit hoog zoeken, vervolgens hoogte verliezen op afstand en daarna een snelle, lage nadering waarbij de staart helpt om vlak boven de grond snel te manoeuvreren rond obstakels.
Voorkomen loopt van zeeniveau tot in alpiene berggebieden, met voorkeur voor bosrijke of beboste landschappen en open terrein; regenwoud en kustheiden worden doorgaans gemeden. Zitplaatsen op bomen en palen zijn gebruikelijk, terwijl zweefvluchten hoogtes tot circa 2000 meter kunnen bereiken. Nestplaatsen liggen vaak opvallend en overzichtelijk, meestal in de hoogste boom van het territorium (levend of dood). In gebieden zonder hoge bomen kunnen ook kleine bomen, struiken, rotswanden of zelfs de grond als nestlocatie dienen. De afstand tussen actieve nesten varieert met voedselaanbod en omstandigheden, vaak grofweg 2,5–4 km, maar in zeer gunstige jaren kan dit minder dan 1 km zijn.
Het menu bestaat uit zowel levende prooi als aas. Konijnen en hazen vormen vaak de belangrijkste levende prooien (regelmatig circa 30–70% van het dieet, lokaal hoger), aangevuld met hagedissen, vogels (veelal zwaarder dan ongeveer 100 g) en zoogdieren (vaak zwaarder dan ongeveer 500 g). Kadavers zijn een belangrijke voedselbron, onder meer verkeersslachtoffers en andere karkassen. Meldingen van “lammerenjacht” hangen regelmatig samen met aaseten; daadwerkelijke predatie op lammeren vormt doorgaans een klein deel van het totale dieet. Jacht kan solitair of in paarverband plaatsvinden, en soms ook in groepen; groepsjacht kan voldoende zijn om zeer grote prooien aan te vallen, tot en met volwassen kangoeroes. Onder ideale omstandigheden kan ongeveer de helft van het eigen lichaamsgewicht worden gedragen. Voedsel wordt ook wel tijdelijk opgeslagen op een tak in de buurt van de nestplek.
Paarsvorming is monogaam en langdurig; bij verlies van een partner kan herparing optreden. In de broedtijd vinden opvallende baltsvluchten en langdurig onderling poetsen plaats. Nestbouw, broeden en het verzorgen van jongen worden gedeeld. Nesten zijn groot en meerjarig in gebruik, met afmetingen die kunnen oplopen tot circa 1,8 meter breed en circa 3 meter diep en een zeer hoog gewicht, terwijl het gebruikte broedgedeelte een relatief ondiepe kom is, bekleed met twijgen en bladeren. Broeden vindt doorgaans plaats tussen april en september. Meestal worden 1–3 eieren gelegd met tussenpozen; na circa 42–45 dagen broeden volgt het uitkomen. Jongen blijven ongeveer 5 weken in het nest en blijven daarna nog circa 11 weken afhankelijk van oudervogels; verspreiding kan in 7–8 maanden tot ongeveer 850 km reiken. Vaak overleeft uiteindelijk één jong, meestal het oudste. Een leeftijd van circa 19–20 jaar is beschreven.
De soort hoort in hoofdzaak bij Australië; incidentele waarnemingen in Zuid-Nieuw-Guinea betreffen doorgaans dwaalgasten en vallen buiten het normale verspreidingsgebied. Overwegend betreft het een standvogel, terwijl jonge vogels na het eerste jaar juist sterk kunnen zwerven en zich tot circa 800 km van de broedplaats kunnen verspreiden.
Een wigstaartarend is een grote, bruine arend met volledig bevederde poten en een opvallende, ruit- tot wigvormige staart die vooral tijdens het zweven goed opvalt. In vlucht zijn langzame, krachtige vleugelslagen kenmerkend, afgewisseld met hoog cirkelen en zweven. De lange staart fungeert als roer bij scherpe, soms wat “hoekige” bochten. Jachtvluchten bestaan vaak uit hoog zoeken, vervolgens hoogte verliezen op afstand en daarna een snelle, lage nadering waarbij de staart helpt om vlak boven de grond snel te manoeuvreren rond obstakels.
Voorkomen loopt van zeeniveau tot in alpiene berggebieden, met voorkeur voor bosrijke of beboste landschappen en open terrein; regenwoud en kustheiden worden doorgaans gemeden. Zitplaatsen op bomen en palen zijn gebruikelijk, terwijl zweefvluchten hoogtes tot circa 2000 meter kunnen bereiken. Nestplaatsen liggen vaak opvallend en overzichtelijk, meestal in de hoogste boom van het territorium (levend of dood). In gebieden zonder hoge bomen kunnen ook kleine bomen, struiken, rotswanden of zelfs de grond als nestlocatie dienen. De afstand tussen actieve nesten varieert met voedselaanbod en omstandigheden, vaak grofweg 2,5–4 km, maar in zeer gunstige jaren kan dit minder dan 1 km zijn.
Het menu bestaat uit zowel levende prooi als aas. Konijnen en hazen vormen vaak de belangrijkste levende prooien (regelmatig circa 30–70% van het dieet, lokaal hoger), aangevuld met hagedissen, vogels (veelal zwaarder dan ongeveer 100 g) en zoogdieren (vaak zwaarder dan ongeveer 500 g). Kadavers zijn een belangrijke voedselbron, onder meer verkeersslachtoffers en andere karkassen. Meldingen van “lammerenjacht” hangen regelmatig samen met aaseten; daadwerkelijke predatie op lammeren vormt doorgaans een klein deel van het totale dieet. Jacht kan solitair of in paarverband plaatsvinden, en soms ook in groepen; groepsjacht kan voldoende zijn om zeer grote prooien aan te vallen, tot en met volwassen kangoeroes. Onder ideale omstandigheden kan ongeveer de helft van het eigen lichaamsgewicht worden gedragen. Voedsel wordt ook wel tijdelijk opgeslagen op een tak in de buurt van de nestplek.
Paarsvorming is monogaam en langdurig; bij verlies van een partner kan herparing optreden. In de broedtijd vinden opvallende baltsvluchten en langdurig onderling poetsen plaats. Nestbouw, broeden en het verzorgen van jongen worden gedeeld. Nesten zijn groot en meerjarig in gebruik, met afmetingen die kunnen oplopen tot circa 1,8 meter breed en circa 3 meter diep en een zeer hoog gewicht, terwijl het gebruikte broedgedeelte een relatief ondiepe kom is, bekleed met twijgen en bladeren. Broeden vindt doorgaans plaats tussen april en september. Meestal worden 1–3 eieren gelegd met tussenpozen; na circa 42–45 dagen broeden volgt het uitkomen. Jongen blijven ongeveer 5 weken in het nest en blijven daarna nog circa 11 weken afhankelijk van oudervogels; verspreiding kan in 7–8 maanden tot ongeveer 850 km reiken. Vaak overleeft uiteindelijk één jong, meestal het oudste. Een leeftijd van circa 19–20 jaar is beschreven.
Bastaardarend
[LAT] Clanga clanga |
[UK] Greater Spotted Eagle |
[FR] Aigle criard |
[DE] Schelladler |
[ES] Águila moteada |
[NL] Bastaardarend
Sitabani National Park, Ramnagar
Sitabani National Park, Ramnagar


Klik voor Bastaardarend details
Klik voor Bastaardarend detailsDe bastaardarend heeft status VU (Vulnerable).

De soort wordt als kwetsbaar beschouwd door de kleine en afnemende wereldpopulatie, verlies en aantasting van geschikte wetlands, verstoring bij broedplaatsen en veranderingen in traditionele natte graslanden en moerasgebieden.
De soort broedt vooral van Oost-Europa via Rusland en Centraal-Azië tot in delen van China en overwintert zuidelijker, onder meer in Zuid-Azië, Zuidoost-Azië, het Midden-Oosten, rond de Middellandse Zee en plaatselijk in Afrika. In West-Europa, waaronder Nederland, betreft het vooral een zeldzame doortrekker of dwaalgast. De bastaardarend is grotendeels trekvogel; na de broedtijd trekken veel vogels in de nazomer en herfst zuidwaarts en keren in het voorjaar terug naar de broedgebieden.
Een bastaardarend is een grote, donkerbruine arend met brede vleugels, volledig bevederde poten en een relatief korte, afgeronde staart. Jonge vogels zijn vaak duidelijk lichter gevlekt, vooral op vleugeldekveren en lichaam, terwijl volwassen vogels meestal donkerder en egaler bruin ogen. In vlucht toont de soort brede “vingers” aan de vleugelpunten, een krachtige maar niet zeer snelle vleugelslag en vaak langdurig zweven boven moerassen, natte graslanden en open gebieden. Verwarring met schreeuwarend is mogelijk; de bastaardarend oogt gemiddeld zwaarder, donkerder en meer compact, met bredere vleugels en een iets massievere bouw.
Voorkomen is sterk verbonden met vochtige landschappen. Broedgebieden liggen vaak in natte bossen, bosranden, rivierbossen, moerasbossen en overstromingsvlakten, meestal in de nabijheid van open jachtgebieden zoals natte graslanden, moerassen, veengebieden, meren, plassen en rivieroevers. Tijdens trek en overwintering wordt een breder scala aan open landschappen gebruikt, maar wetlands, rijstvelden, moerasgebieden en waterrijke reservaten blijven belangrijk. In India kan de soort in de winter onder meer in grote moeras- en waterrijke gebieden worden aangetroffen, waar de vogel vaak solitair jaagt maar lokaal ook met meerdere exemplaren aanwezig kan zijn.
Het menu is opportunistisch en wisselt sterk per seizoen en gebied. Kleine zoogdieren, vooral woelmuizen en andere knaagdieren, vormen vaak een belangrijk deel van het dieet. Daarnaast worden watervogels, jonge vogels, kikkers, slangen, hagedissen en andere kleine tot middelgrote gewervelden gegeten. In overwinteringsgebieden wordt ook aas benut en jaagt de soort geregeld op makkelijk bereikbare prooi in ondiep water, moerasranden of open nat grasland. De jacht gebeurt vaak vanuit een zitpost of door laag en zoekend over geschikt terrein te vliegen, maar ook cirkelend zoeken boven open gebieden komt voor.
Paarsvorming is vermoedelijk monogaam, met territoriale paren in het broedgebied. De balts bestaat uit hoog cirkelen, roepen en duikende of glijdende vluchtbewegingen. Het nest is een groot platform van takken, meestal in een hoge boom in of aan de rand van nat bos, vaak bekleed met groen blad, gras of naalden. In een groot deel van het verspreidingsgebied loopt de broedtijd grofweg van eind april tot augustus. Meestal worden 1–3 eieren gelegd, vaak twee. De broedduur bedraagt ongeveer 42–44 dagen. De jongen blijven ongeveer 60–67 dagen in het nest en zijn daarna nog enige tijd afhankelijk van de oudervogels. Vaak vliegt uiteindelijk maar één jong uit, doordat het oudste jong een duidelijke voorsprong heeft en het jongere jong regelmatig sterft door voedselconcurrentie of kainisme. Verstoring bij het nest, ontwatering van broed- en jachtgebieden en verlies van rustige natte landschappen vormen belangrijke bedreigingen voor het broedsucces.
De soort broedt vooral van Oost-Europa via Rusland en Centraal-Azië tot in delen van China en overwintert zuidelijker, onder meer in Zuid-Azië, Zuidoost-Azië, het Midden-Oosten, rond de Middellandse Zee en plaatselijk in Afrika. In West-Europa, waaronder Nederland, betreft het vooral een zeldzame doortrekker of dwaalgast. De bastaardarend is grotendeels trekvogel; na de broedtijd trekken veel vogels in de nazomer en herfst zuidwaarts en keren in het voorjaar terug naar de broedgebieden.
Een bastaardarend is een grote, donkerbruine arend met brede vleugels, volledig bevederde poten en een relatief korte, afgeronde staart. Jonge vogels zijn vaak duidelijk lichter gevlekt, vooral op vleugeldekveren en lichaam, terwijl volwassen vogels meestal donkerder en egaler bruin ogen. In vlucht toont de soort brede “vingers” aan de vleugelpunten, een krachtige maar niet zeer snelle vleugelslag en vaak langdurig zweven boven moerassen, natte graslanden en open gebieden. Verwarring met schreeuwarend is mogelijk; de bastaardarend oogt gemiddeld zwaarder, donkerder en meer compact, met bredere vleugels en een iets massievere bouw.
Voorkomen is sterk verbonden met vochtige landschappen. Broedgebieden liggen vaak in natte bossen, bosranden, rivierbossen, moerasbossen en overstromingsvlakten, meestal in de nabijheid van open jachtgebieden zoals natte graslanden, moerassen, veengebieden, meren, plassen en rivieroevers. Tijdens trek en overwintering wordt een breder scala aan open landschappen gebruikt, maar wetlands, rijstvelden, moerasgebieden en waterrijke reservaten blijven belangrijk. In India kan de soort in de winter onder meer in grote moeras- en waterrijke gebieden worden aangetroffen, waar de vogel vaak solitair jaagt maar lokaal ook met meerdere exemplaren aanwezig kan zijn.
Het menu is opportunistisch en wisselt sterk per seizoen en gebied. Kleine zoogdieren, vooral woelmuizen en andere knaagdieren, vormen vaak een belangrijk deel van het dieet. Daarnaast worden watervogels, jonge vogels, kikkers, slangen, hagedissen en andere kleine tot middelgrote gewervelden gegeten. In overwinteringsgebieden wordt ook aas benut en jaagt de soort geregeld op makkelijk bereikbare prooi in ondiep water, moerasranden of open nat grasland. De jacht gebeurt vaak vanuit een zitpost of door laag en zoekend over geschikt terrein te vliegen, maar ook cirkelend zoeken boven open gebieden komt voor.
Paarsvorming is vermoedelijk monogaam, met territoriale paren in het broedgebied. De balts bestaat uit hoog cirkelen, roepen en duikende of glijdende vluchtbewegingen. Het nest is een groot platform van takken, meestal in een hoge boom in of aan de rand van nat bos, vaak bekleed met groen blad, gras of naalden. In een groot deel van het verspreidingsgebied loopt de broedtijd grofweg van eind april tot augustus. Meestal worden 1–3 eieren gelegd, vaak twee. De broedduur bedraagt ongeveer 42–44 dagen. De jongen blijven ongeveer 60–67 dagen in het nest en zijn daarna nog enige tijd afhankelijk van de oudervogels. Vaak vliegt uiteindelijk maar één jong uit, doordat het oudste jong een duidelijke voorsprong heeft en het jongere jong regelmatig sterft door voedselconcurrentie of kainisme. Verstoring bij het nest, ontwatering van broed- en jachtgebieden en verlies van rustige natte landschappen vormen belangrijke bedreigingen voor het broedsucces.
Inidsche schreeuwarend
[LAT] Aquila hastata |
[UK] Indian Spotted Eagle |
[FR] Aigle tacheté indien |
[DE] Indischer Schelladler |
[ES] Águila moteada india |
[NL] Indische schreeuwarend
Sitabani National Park, Ramnagar
Sitabani National Park, Ramnagar


Klik voor Indische schreeuwarend details
Klik voor Indische schreeuwarend detailsDe Indische schreeuwarend heeft status NT (Near Threatened).

De soort wordt niet als direct bedreigd beschouwd, maar staat wel onder druk door verlies, versnippering en verstoring van open boslandschappen, landbouwgebieden met oude bomen en laaggelegen halfopen terreinen. De populatie wordt als betrekkelijk klein en plaatselijk afnemend beschouwd.
De soort hoort thuis op het Indisch subcontinent en komt vooral voor in India, Nepal, Bangladesh en Myanmar, met lokaal voorkomen in aangrenzende gebieden. In tegenstelling tot de bastaardarend is de Indische schreeuwarend vooral een standvogel. Verplaatsingen zijn meestal lokaal en hangen samen met voedsel, waterstand, broedseizoen en beschikbaarheid van geschikte open jachtgebieden.
Een Indische schreeuwarend is een middelgrote, vrij compacte arend met brede vleugels, volledig bevederde poten en een relatief korte staart. De soort is gemiddeld kleiner, lichter gebouwd en vaak minder donker dan de bastaardarend. Volwassen vogels zijn meestal warmbruin tot donkerbruin, met een relatief brede kop en een krachtige snavel. Jonge vogels kunnen duidelijker gevlekt zijn, vooral op vleugeldekveren en lichaam, waardoor verwarring met andere gevlekte arenden mogelijk is. In vlucht vallen de brede vleugels, de vrij rechte armvleugel en het rustige zweven op. De vogel jaagt vaak vanaf een zitpost, maar kan ook laag zoekend boven open terrein vliegen of cirkelend hoogte winnen boven landbouwgebied, grasland en bosranden.
Voorkomen is vooral verbonden met laagland, open droge bossen, bosranden, halfopen landbouwlandschappen, graslanden, boomrijke dorpen, moerasranden en rivierachtige vlaktes. De soort gebruikt vaak gebieden waar verspreide hoge bomen aanwezig zijn voor rusten, uitkijken en nestelen, gecombineerd met open terrein om te jagen. Dichte bossen worden minder gebruikt dan open en parkachtige landschappen. In Noord-India kan de soort onder meer worden aangetroffen in droge bosgebieden, open landbouwranden en waterrijke reservaten met voldoende bomen en open jachtgebied.
Het menu bestaat vooral uit kleine tot middelgrote gewervelde dieren. Knaagdieren, jonge vogels, reptielen, kikkers en andere kleine dieren vormen een belangrijk deel van het dieet. Ook aas kan worden benut wanneer dat beschikbaar is. De soort jaagt geregeld vanaf een vaste uitkijkpost, waarbij prooi op de grond wordt bespied en vervolgens met een korte, directe vlucht wordt gegrepen. Daarnaast wordt voedsel gezocht tijdens lage zoekvluchten boven grasland, akkers, open bosranden en natte terreinen. Door deze brede voedselkeuze kan de soort in uiteenlopende halfopen landschappen overleven, zolang rustplaatsen, nestbomen en voldoende prooi aanwezig blijven.
Paarsvorming is vermoedelijk monogaam en territoriaal. De balts bestaat uit cirkelvluchten, roepen en glijdende vluchtbewegingen boven het territorium. Het nest is een platform van takken, meestal gebouwd in een hoge boom, vaak in open bos, aan een bosrand of in een boomrijk landbouwgebied. De broedtijd valt in grote delen van het verspreidingsgebied vooral in het droge seizoen en het vroege voorjaar, grofweg van januari tot mei, met regionale verschillen. Meestal worden één of twee eieren gelegd. De jongen worden gevoerd met dezelfde prooien als de volwassen vogels eten, zoals knaagdieren, hagedissen, kikkers en jonge vogels. Net als bij andere arenden is het broedsucces gevoelig voor verstoring bij het nest, kap van nestbomen, intensivering van landbouw en afname van rustige, halfopen jachtgebieden.
De soort hoort thuis op het Indisch subcontinent en komt vooral voor in India, Nepal, Bangladesh en Myanmar, met lokaal voorkomen in aangrenzende gebieden. In tegenstelling tot de bastaardarend is de Indische schreeuwarend vooral een standvogel. Verplaatsingen zijn meestal lokaal en hangen samen met voedsel, waterstand, broedseizoen en beschikbaarheid van geschikte open jachtgebieden.
Een Indische schreeuwarend is een middelgrote, vrij compacte arend met brede vleugels, volledig bevederde poten en een relatief korte staart. De soort is gemiddeld kleiner, lichter gebouwd en vaak minder donker dan de bastaardarend. Volwassen vogels zijn meestal warmbruin tot donkerbruin, met een relatief brede kop en een krachtige snavel. Jonge vogels kunnen duidelijker gevlekt zijn, vooral op vleugeldekveren en lichaam, waardoor verwarring met andere gevlekte arenden mogelijk is. In vlucht vallen de brede vleugels, de vrij rechte armvleugel en het rustige zweven op. De vogel jaagt vaak vanaf een zitpost, maar kan ook laag zoekend boven open terrein vliegen of cirkelend hoogte winnen boven landbouwgebied, grasland en bosranden.
Voorkomen is vooral verbonden met laagland, open droge bossen, bosranden, halfopen landbouwlandschappen, graslanden, boomrijke dorpen, moerasranden en rivierachtige vlaktes. De soort gebruikt vaak gebieden waar verspreide hoge bomen aanwezig zijn voor rusten, uitkijken en nestelen, gecombineerd met open terrein om te jagen. Dichte bossen worden minder gebruikt dan open en parkachtige landschappen. In Noord-India kan de soort onder meer worden aangetroffen in droge bosgebieden, open landbouwranden en waterrijke reservaten met voldoende bomen en open jachtgebied.
Het menu bestaat vooral uit kleine tot middelgrote gewervelde dieren. Knaagdieren, jonge vogels, reptielen, kikkers en andere kleine dieren vormen een belangrijk deel van het dieet. Ook aas kan worden benut wanneer dat beschikbaar is. De soort jaagt geregeld vanaf een vaste uitkijkpost, waarbij prooi op de grond wordt bespied en vervolgens met een korte, directe vlucht wordt gegrepen. Daarnaast wordt voedsel gezocht tijdens lage zoekvluchten boven grasland, akkers, open bosranden en natte terreinen. Door deze brede voedselkeuze kan de soort in uiteenlopende halfopen landschappen overleven, zolang rustplaatsen, nestbomen en voldoende prooi aanwezig blijven.
Paarsvorming is vermoedelijk monogaam en territoriaal. De balts bestaat uit cirkelvluchten, roepen en glijdende vluchtbewegingen boven het territorium. Het nest is een platform van takken, meestal gebouwd in een hoge boom, vaak in open bos, aan een bosrand of in een boomrijk landbouwgebied. De broedtijd valt in grote delen van het verspreidingsgebied vooral in het droge seizoen en het vroege voorjaar, grofweg van januari tot mei, met regionale verschillen. Meestal worden één of twee eieren gelegd. De jongen worden gevoerd met dezelfde prooien als de volwassen vogels eten, zoals knaagdieren, hagedissen, kikkers en jonge vogels. Net als bij andere arenden is het broedsucces gevoelig voor verstoring bij het nest, kap van nestbomen, intensivering van landbouw en afname van rustige, halfopen jachtgebieden.